Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 3 en 4

Beoordeling 3.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas vwo | 2029 woorden
  • 3 februari 2009
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.4
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Geschiedenis hoofdstuk 3&4
Hoofdstuk 3

Wetenschappelijke revolutie: Grote veranderingen in de samenleving die te maken hebben met de wetenschap.
Volgorde van nieuwe manier van onderzoeken:
1. Observeren: waarnemen, kijken wat er gebeurd.
2. Experimenteren: Proeven doen
3. Redeneren: Nadenken over er wat er is gebeurd, conclusie trekken uit observeren en experimenteren.
Verschillen in onderzoeken met de oude Griekse manier:
1. Er werd veel meer geëxperimenteerd.

2. Het aantal onderzoekers is veel groter.
3. De onderzoekers werkten samen en werden gesteund door de overheid.
1662, Engeland: De Koninklijke vereniging van de kennis van de natuur.
1666, Frankrijk: Academie van wetenschappen.
Verschil tussen wetenschappen en technologie:
1. Wetenschap: Waarom gebeurt dat?
2. Technologie: Hoe kan dat gebeuren?
Vooruitgang van de wetenschap:
1. Doktoren konden steeds meer mensen genezen.
2. Technische uitvinden maakten het werk in de mijnen veiliger.
3. Bepaalde producten konen steeds gemakkelijker (en goedkoper) gemaakt worden.
4. Mensen worden zichzelf bewuster.
Het gevolg van de W.R. op de West-Europeanen:
1. Ze konden enkele eeuwen de wereld overheersen door de W.R.

2. Ieder volk wou zijn eigen cultuur behouden maar voor de West-Europese technologie maakten ze een uitzondering.
De eeuw van de redelijkheid: Doordat onderzoekers aantoonden dat veel dingen anders waren dan mensen eeuwen lang dachten gingen mensen ook anders denken.
De Verlichters: De onderzoekers die de mensen vertelde dat ze in een duisternis leefden, werden Verlichters genoemd.
De kenmerken van de Eeuw van de Redelijkheid:
1. De samenleving op een wetenschappelijke manier onderzoeken: Mensen moesten eerst nadenken voordat ze wat doen, niet alles zomaar aannemen.
2. Opkomen voor een menswaardig bestaan: Verlichters vonden dat mensen gelukkig moesten zijn en dus streden ze tegen martelingen, oorlogen enz. De verlichters streden voor Vrijheid.
3. Verering van de Natuur: De verlichters vonden dat de mensen een voorbeeld moesten nemen aan de natuur omdat de samenleving slecht was.
4. Twijfel of de eigen kijk op de wereld de enige juiste was: In de middeleeuwen was er maar 1 bron van de waarheid: De kerk. De mensen gingen twijfelen of dat wel waar was.
De verspreiding van de ideeën van de Verlichters:
1. Salons en koffiehuizen: In salons en koffiehuizen werd veel gepraat over de ideeën en kwamen er ook nieuwe ideeën.
2. Schrijvers, boeken en tijdschriften: Dankzij de uitvinding van de drukpers konden boeken in grote hoeveelheden gedrukt worden. Zo kwamen er ook verlichte schrijvers.
3. Toneel: Door rondreizende toneelgezelschappen werden ideeën van Verlichters rondgebracht.
4. De Encyclopedie van Diderot: Het belangrijkste boek van de Verlichters was de Encyclopedie. Diderot heeft alle kennis die in de Eeuw van de Redelijkheid naar boven kwam opgeschreven en daaruit kwam de Encyclopedie van Diderot.
5. De ontduiking van de Censuur: Doordat er veel kritiek op de Franse Samenleving zat in de Encyclopedie vond de Franse regering het gevaarlijk. De Staat en de Kerk hadden in die tijd toezicht op alles wat gezegd en gedrukt werd. Dat heet censuur. Iemand die kritiek had kreeg een Spreekverbod of gevangenisstraf. Alleen in Engeland en Nederland kon bijna alles gezegd worden. De Verlichters waren het helemaal niet eens met de censuur. Kritiek die zij hadden op hun samenleving schreven ze in stukken over de Chinezen en andere volken. In Frankrijk vonden sommige mensen het niet erg dat Verlichters dingen zeiden over de samenleving dus mochten de Verlichters er meer zeggen. Als je geen boek in je eigen land mocht drukken, drukte Verlichters dat vaak in de landen waar dat wel mocht. Voor zo’n boek was vaak grote belangstelling.
6. De verlichte despoten: Al in de 18e eeuw waren enige vorsten bereid om verlichte ideeën uit te voeren. Zij werden verlichte despoten genoemd.
Belangrijke mensen:
Hoofdstuk 3

Hippocrates: Griekse arts die uitging van waargenomen feiten.
Colbert: Franse minister in1666, stichter van Academie van Wetenschappen.
Galileo Galiei: geboren 1564, Pisa, Italië. Sterrekundige. 1e uitvinding: betere telescoop, 1609. Ontdekte dat de maan een ruw oppervlak had dan glad. Ontdekte 4 maantjes rond Jupiter. Hij ontdekte dat Copernicus gelijk had.
Newton: Vond de zwaartekracht uit met behulp van een appel. Ontwierp betere lenzen, vernieuwde de wiskunde en ontdekte hoe de getijden (eb en vloed) werkte.
Vesalius: Leefde rond 1540. Ontleedde als 1e een menselijk lichaam (wat toen verboden was) en bracht een boek uit over het menselijke lichaam.
William Harvey: Nam het werk over van Versalius. Ontdekte dat het hart het bloed rondpompt.
Zacharias Janssen: Vond in 1590 de 1e telescoop uit.
Van Leeuwenhoek: (1632-1723) Onderzocht microscopen. En bekeek veel natuur (koeienoog). Ontdekte dat er veel kleine beestjes in het water zaten. Ontdekte micro-organisme.
Goirdano Bruno: Monnik. Beweerde dingen die niet in de bijbel stonden. Is ter dood veroordeeld (brandstapel).
Geschiedenis, hoofdstuk 4, paragraaf 1t/m5
Paragraaf 1

Revolutie: Grote verandering in de samenleving die in een korte tijd plaats vindt.
De 1e fase: De regering wordt verdreven door hervormers die iets
veranderen zonder geweld.
De 2e fase: De hervormers kunnen die macht niet in handen houden en worden verdreven door radicalen hervormers die snel iets willen veranderen met geweld.
De 3e fase: Door het geweld ontstaat er chaos in het land. De sterkste en machtigste man neemt waarschijnlijk de macht over.
Paragraaf 2
Het oude Regime: Het bestuur van de Franse koningen(18e eeuw) die na de Franse revolutie ‘Het oude Regime’ genoemd is. Kenmerken van ‘Het oude Regime’:
1.Autocratie (alle macht in de handen van de koning).
2. Ongelijkheid van de mensen op het gebied van politiek, economie en socialiteit.
Bevolkinslagen: De bevolking werd in de 18e eeuw in 3 lagen verdeeld. Dat was ook al in de middeleeuwen. De lagen worden standen genoemd.
De 1e stand: De Geestelijkheid
De 2e stand: De Adel
De 3e stand: De burgers in de steden en de boeren.
De 1e en de 2e stand hadden een groot aantal voorrechten, de 3e stand waas het daarmee niet eens.
Voorrechten: Geestelijkheid: Bezat 10% van al het land in Frankrijk. Maakte maar 1% uit van de bevolking. Mocht alle Fransen belasting laten betalen terwijl ze dat zelf niet hoefde te doen. De kerk gaf in ruil daarvoor regelmatig geld aan de staat. Zelf mochten ze uitmaken hoeveel dat bedrag was( dat bedrag kon dus veel minder zijn dan de belasting die ze andere mensen lieten betalen). De kerk hielp ook de armen en zorgden voor een groot deel voor het onderwijs.
Adel: Maakte ongeveer 1,5% van de bevolking uit. Bezat 20% van het land in Frankrijk. Hoefde bijna geen belasting te betalen. De hoge edelen kregen hoge functies in de kerk (zoals bisschop en abt), in het bestuur van het land (zoals minister) en in het leger (zoals hoge officieren). De hoge edelen leefden in grote rijkdom. De lage edelen konden maar net rondkomen van de opbrengst van hun land.
De klachten: De boeren: De boeren vonden het oneerlijk verdeeld in Frankrijk. Ze wilden meer grond en een eerlijkere verdeling over de belastingen. Ook wilden ze afschaffing van de verplichtingen aan de adel. In 1787-1788 was er een slechte oogst, de boeren kwamen in de problemen en de onrust nam toe.
De stedelijke werklieden: 2% van de bevolking werkte in de nijverheid. De werklieden hadden ook klachten: Ze moesten lang en hard werken in gevaarlijke en ongezonde omstandigheden. Het loon dat ze kregen was erg laag. Ze moesten daarvan hun gezin onderhouden dat ze niet konden betalen. Ook omdat de oogst in 1787-1788 zo slecht was stegen de broodprijzen en konden werklieden het brood ook niet meer betalen. Dus werd ook onder de werklieden de onrust groter.
De Bourgeoisie: De bourgeoisie (rijke burgerij) hadden het goed in de 18 eeuw. Ze bestonden uit bankiers, doktoren, kooplieden, rechters, advocaten en professoren. Ze konden een tijd land een adellijke titel kopen bij de koning. De oude adel was tegen deze verkoperij. Ze kregen de koning zover om de bourgeoisie veel meer te laten betalen voor zo’n titel. De bourgeoisie was daar weer tegen en had veel meer kritiek over de adel. Ze hadden ook nog andere klachten: er was geen vrijheid van meningsuiting en drukpers, de kooplieden hadden bij hun werk weinig vrijheid.
Het land wordt slecht bestuurt: Er waren naast de grote ongelijkheid ook nog andere problemen in Frankrijk: De regering kon de schulden niet meer betalen. Door de vele oorlogen die de Franse koningen voerde was de Franse schatkist bijna leeg. Het ambtenarenapparaat werkte slecht omdat de koning eerder mensen aannam die veel geld hadden dan de functie goed kon uitoefenen. Zo kwam het dat ambtenaren hun werk slecht deden. De rechtspraak in het land was oneerlijk. De koning nam te vaak verkeerde beslissingen en zo kwam het dat hij het land niet goed bestuurde.
Paragraaf 3
De koning roept de Staten-Generaal bijeen: Om dat de minister de edelen veel meer belasting wilde laten betalen stelde de edelen voor om de Staten-Generaal bijeen te roepen. De Staten-Generaal was een vergadering waar alle 3 standen bijeen kwamen onder leiding van de koning. Er was een stelling en elke stand had 1 stem om te stemmen. Toen de Staten-Generaal bijeen was geroepen volgde allemaal gebeurtenissen en leidden eindelijk tot de Franse Revolutie.
Toen de Staten-Generaal bijeen was geroepen wist niemand wat precies de regels waren. Omdat de Koning niet tegen de adel in durfde te gaan besloot hij alle standen te laten stemmen. De 3e stand was het daar niet mee eens en vonden dat iedereen voor zich mocht stemmen. Maar de koning weigerde dit.
De 3e stand roept zichzelf uit tot de nationale vergadering: Omdat de 3e stand het er niet mee eens was besloten zij zelf een vergadering te houden. Ze noemden zichzelf tot Nationale Vergadering (het parlement). Daarin besloten ze dat Frankrijk een grondwet moest hebben. Daarin zou staan dat de macht van de koning beperkt moest worden. Ook de rechten en plichten van de Fransen zouden erin staan. De 3e stand kreeg steun van de lage geestelijke en enkele edelen deden mee. Lodewijk XVI was het hier zeker niet mee eens. Maar de bevolking ging met hem in discussie de 3 stand leek te winnen toen de koning zei dat de 1e en 2e stand met de Nationale Vergadering moest meedoen. Maar de koning liet de edelen in troepen naar de randen van Parijs komen.
Paragraaf 4

Arme Parijzenaars bestormen de Bastille: Omdat de Parijzenaars bang waren voor edelen die aan de rand van Parijs stonden gingen ze Bastille bestormen om hen te kunnen wapenen. Nadat werd 14 juli in Frankrijk een speciale feestdag. De koning besloot de soldaten weg te sturen en vele edelen vluchtte het land uit. De bevolking had de Nationale vergadering gered.
De boeren komen in opstand: Na de val van de Bastille werden er verhalen rondgebracht dat de edelen en de soldaten de boeren zouden gaan vermoorden. De boeren raakten in paniek en gingen de landhuizen van de edelen plunderen. In de Nationale Vergadering ontstond angst voor de boze boeren en de leden van de 3e stand wisten in de nacht van 4 op 5 augustus de adel over te halen om afstand te nemen van hun voorschriften. De koning wou dit eerst niet goedkeuren maar door nieuwe gebeurtenissen moest hij dat wel.
Nieuwe gebeurtenissen dwingen de koning zijn verzet op te geven: In oktober 1789 kwam de 3e stand weer in opstand. Ze wilden eten. Ze trokken naar Versailles (daar woonde de koning). De 3e stand wilde dat de koning en de Nationale vergadering in Parijs gingen wonen. De bevolking had weer succes de koning en de Nationale vergadering gingen tussen alle normale mensen wonen.
Paragraaf 5
De afschaffing van de voorrechten van de adel en geestelijkheid werd uitgewerkt. Allerlei maatregelen werden genomen en je afkomst deed er niet meer toe. Alle geestelijkheden moesten eed en trouw afleggen aan de regering en hun grondbezit werd afgenomen. De geestelijkheden kregen een salaris van de regering. De bourgeoisie en de rijke boeren konden grond kopen die van de kerk was afgenomen. De arme boeren hadden daarvoor geen geld. De zakenlieden kregen meer vrijheid bij het handelen.

Paragraaf 6
De bourgeoisie aangevallen door reactionairen en radicalen: De bourgeoisie leek de overwinning te hebben behaald maar 2 bevolkingsgroepen waren het niet met de bourgeoisie eens:
1. Een groep edelen en hoge geestelijken vonden dat de hervormingen veel te ver waren gegaan. Zij werden de Reactionairen genoemd. In Frankrijk waren zij met z’n weinigen. Maar daarbuiten kregen ze veel steun.
2. Een kleine groep onder de bourgeoisie, de radicalen, wilde nog meer hervormingen. De radicalen kregen steun van de minder rijke burgers, vooral die in Parijs. De Radicalen wilde de monarchie vervangen door een republiek.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.