3.1 Het ontstaan en de verspreiding van de Islam KA: de islam

Overeenkomst Jodendom, Christendom en Islam: ze leerden allen dat er maar één God is. (Monotheïstische godsdienst) De Islam en het Christendom zijn universele godsdiensten: ze richten zich hun boodschap op de hele mensheid.Islam kent ook Jezus en Mozes, maar ze zeggen: Mohammed is de laatste profeet en de profeet die de juiste boodschap van God weet over te brengen.

Islam:

  • Jaartelling begint op: 622 nCr
  • God: Allah
  • Profeet: Mohammed
  • Heilig boek: Koran
  • Leefregels: 5 zuilen
  • Verspreiding begint in Medina in 622. Mohammed komt zelf uit Mekka. Een belangrijke handelsstad.

Waarom verspreid de Islam zich zo razendsnel? Aantal redenen:

  • Jihad: verplichting om het geloof te verspreiden
  • Zwakke aangrenzende rijken en ook persiche en O-RR waren erg verzwakt en wilden bij de meerderheid horen.
  • Islam werd basis van bestuur => Mohammed krijgt steeds meer politieke invloed. Politiek werd rechtstreeks beïnvloed door het geloof. De Islamitische leefregels werden ook meteen de basis van het bestuur.
  • Welvaart dankzij handel. De islam bracht behalve het geloof ook handel in een gebied. Het bracht welvaard en daarom waren mensen snel geneigd het geloof over te nemen.
  • Overname overwonnen culturen => culturele bloei.
  • Terwijl in Europa het RR uit elkaar valt, bloeit het Islamitische rijk dus heel erg op.

Christendom verplicht evangelie, moslims verplicht Jihad = verspreiding van het geloof.

3.2 Hofstelsel en Horigheid KA: hofstelsel en horigheid

Het vervangen van de argrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende cultuur. Georganiseerd door hofstelsel en horigheid

476: einde West-Romeinse rijk, de Germanen vielen namelijk het rijk binnen. En het RR verdween. Het goed georganiseerde bestuur en het leger verdwenen ook. Daardoor wordt West-Europa van een landbouw stedelijke samenleving weer een landbouw samenleving.

West-Europa wordt Autarkisch: zelfvoorzienend. Iedereen deed deel aan de landbouw, behalve adelijk en geestelijk.

Je had 2 soorten boeren aan het begin van de middeleeuwen:

  • Vrije boeren => bewerkten stuk land dat van henzelf was.
  • Horige boeren => werkten op het land van de lokale edelman/heer

Aan het eind van het RR loopt de voedselproductie terug. De opbrengsten worden minder. De lokale edelen raken in paniek: minder inkomsten. Belangrijke maatregel: de boeren die op het land werken dat zij het land van hun heer niet meer zonder toestemming mogen verlaten. Zij horen voortaan bij het land.

Waarom toch liever een horige boer zijn?

Boeren hadden honger, armoede en onveiligheid.De heer gaf hen bescherming en grond Zij gaven de heer deel van de oogst en herendiensten

3.3 Het feodale stelsel KA: feodalisme

Het bestuur veranderde heel erg toen het RR verdween. Er gingen feodale verhoudingen ontstaan.

Europa na val RR:

Alleen geestelijken => Monniken & Bisschop konden nog lezen en schrijven De handelaren konden niet meer lezen en schrijven, omdat die groep dus verdween. De wegen werden slecht onderhouden. De bestuur zorgde ervoor dat het bestuur goed werd onderhouden. Maar omdat er nu niet meer 1 bestuur was, raakte het onderhoud in verval. De vorsten zaten hierdoor dus met een probleem. Geschreven wetten hadden geen zin meer, en reizen van A naar B werd onmogelijk. Hoe kon een vorst dit hele gebied nu nog besturen? Hij riep de hoge adel erbij. Hij zei tegen hen: jullie mogen in mijn naam een deel van het rijk besturen.Vorst gaf hoge adel macht, hoge adel gaven vorst trouw, ze moesten hem bij staan in raad en daad. (advies geven en steunen in strijd/oorlog) macht voor trouw

Soms was een gebied nog te groot, dan ging de hoge adel hun gebiedje nog verder verdelen, de lage adel. En ze boden hetzelfde aan aan de lage adel als de koning aan hen gaf. Macht voor trouw

Leenheer => leenman => achterleenman => achter achterleenman etc.

Machtigste vorst uit de vroege middeleeuwen. Een vorst die dit Feodale stelsel optimaal liet werken. Baas van het Frankische rijk: Karel de Grote. Karel bond edelen aan zich, die voor ruiteruitrustingen zorgden, door hen grond te lenen => leenstelsel !! Macht raakte steeds verder versnipperd, omdat de edelieden hun uitgeleende gebied steeds meer als eigen gebied gingen zien, en zich steeds onafhankelijker gingen opstellen tegen de koning.

3.4 Christendom in Europa

Christendom was bijna verdwenen. Bekering van Clovis werd een keerpunt, hij liet zich met duizenden krijgers dopen. De sensationele overwinningen die volgden, legden de basis voor het christelijk Frankenrijk. Na de volksverhuizingen werd het christendom langzamerhand teruggedrongen. Germaanse volkeren hadden niets met het christelijk geloof. 

Al heel snel worden er inichatieven  genomen om het christendom weer te verspreiden. Dat gebeurde via:

  • Missionarissen. Monniken die naar een bepaald gebied trokken om de ongelovigen te overtuigen van het christendom.  Vanaf 450: Ierland, (Ierse monniken kregen hulp vanuit Rome) Vanaf 600: Groot Brittannië, vanaf 700: Germanen, door Willibrord en Bonifatius
  • Vorsten. De Frankische vorsten speelden een belangrijke rol. 496: Clovis laat zich tot Christen dopen. Hij is in strijd, maar verliest steeds, dan luistert hij naar z’n vrouw (christen). En hij zegt, God help me. De Franken winnen en Clovis laat zich dopen. Frankrijk = Christenrijk

Heidense rituelen worden verboden.

Een Frankische koning die heel erg belangrijk geweest voor verspreiding Christendom = Karel de Grote: heeft de saksen bekeert. Duitse en Russische koningen waren ook belangrijk voor verspreiding oosten en noorden.

Bij verspreiding aantal problemen.

 

  • Christendom drong pas écht door na het jaar 1000.
  • Verspreiding bedreigd door Islam, Vikingen en Hongaren
  • 1054: Schisma, christendom verdeeld in Grieks-Orthodox en Rooms katholiek.

Aanleiding breuk: Paus eiste dat hij ook in Byzantium werd gehoorzaamd.

4.1 De opkomst van steden KA: Opkomst van handel en ambachtDe groei van de bevolking en de opkomst van steden in West-Europa vanaf het jaar 1000. Vanaf het jaar 1000 groeien de steden, de bevolking en de economie enorm hard. Hoe kan het dat de steden, bevolking en economie ineens zo hard groeiden?

In de landbouw nam een drietal ontwikkelingen plaats

  • Ontginningen => grond klaarmaken om voor de landbouw te gebruiken. (= meer landbouwgrond)
  • Drieslagstelsel , er was geen kunstmest, de grond mocht niet uitgeput raken, daarom koos men in de middeleeuwen voor het drieslagstelsel. Eerst was het nog het tweeslagstelsel, ene helft producten andere helft rust. Maar daardoor gebruik je maar 50% van de grond.
  • Technische verbeteringen bijv. de keerploeg.

Drie hele belangrijke verbeteringen in de landbouw, zorgden ervoor dat de landbouwproductie steeds meer toenam.

1 + 2 + 3 = meer voedsel.

Meer voedsel = meer mensen (groei bevolking)

Op een gegeven moment had men overschot aan voedsel, wat je daarmee gaat doen is handelen. Hierdoor bloeide de handel enorm op.

De opbloei van de handel werden veroorzaakt door

Veel voedsel

  • Veiligheid, geen invallen meer van Vikingen, Hunnen en Hongaren meer.
  • Groei van de bevolking + bloei van de handel / geen plunderingen meer  = opkomst van de steden

4.2 De stedelijke burgerij KA: Stedelijke burgerij

De steden werden het centrum van de nijverheid en de handel, en daardoor werden ze ook ineens heel erg interessant voor de adel, want die steden daar ging geld in op, en van dat geld konden de stedelingen mooi belasting betalen. Daarvoor in de plaats kregen de burgers stadsrechten.

Adel gaf stadsrechten. Burgers gaven belasting.

Politieke stadsrechten:

  • Eigen bestuur
  • Eigen rechtspraak
  • Eigen verdediging

Adel vaak alleen zeggenschap op platteland, in de steden hadden ze nog wel toezicht, en ze stelden een toezichthouder aan. Een schout  of een baljuw. Die hielden namens de heer de burgers een beetje in de gaten. Maar in principe dus heel veel politieke vrijheid.

Economische stadsrechten:

  • Jaarmarkt => mensen handelen vanuit heel ver
  • Heffen van tol => bijv. als doorgang bij rivier of handelsweg
  • Oprichten van gilden => samenwerkingsverband van ambachtslieden zoals bijv. bakkers. De organisatie van de stedelijke samenleving draait voor een groot deel op die gilden, want zij verzorgden de stedelingen van de wieg tot het graf. Zij controleerden kwaliteit van producten, en ze beschermden de gevestigde producten tegen nieuwkomers van buiten. Gilden werden steeds machtiger.

Stad steeds aantrekkelijker voor bepaalde groepen:

Adel

  • Belasting
  • Minder afhankelijk van de opbrengst van het land

Burgerij

  • Stadsrechten
  • Vrijheid
  • Welvaart

Boeren

  • Vrijheid (na 1 jaar en 1 dag)

 

Ook wel degelijk gevaren. Er was namelijk heel slechte hygiëne. Er liepen heel veel beesten door de stad, en de rivier werd als afval en drink put gebruikt. Geval van brand lag op de loer, huizen dicht op elkaar en huizen waren van hout en stro..

Macht in de stad

  • Rijke handelaren (patriciërs)
  • Ambachtslieden => de gilden werden steeds machtiger.

Een gilde zorgde voor de leden van de wieg tot het graf, reguleerde de scholing, lette erop dat de producten van goede kwaliteit waren, stelde prijzen vast en zorgde ervoor dat buitenstaanders niet hetzelfde beroep konden uitoefenen. Als een leerling zijn opleiding had voltooid, werd hij gezel 

 4.3 Staatsvorming en centralisatie KA: staatsvorming en centralisatie

Bij het feodale stelsel raakte de macht versnippert. Macht van de koning werd dus ook kleiner.

Vorst zat opnieuw met een probleem, hoe kon hij zijn macht nu besturen?Door de opkomst van de nijverheid en de opkomst van de handel => hierdoor kwam de geldeconomie op gang. Met geld kon de koning belasting heffen, met dit geld kon hij twee dingen doen:Trouw van zijn leenmannen kopen!een leger inhuren => minder afhankelijk van zijn leenheren.Aanstellen van ambtenaren => mensen die hij naar alle hoeken van zijn rijk stuurde om zijn te controleren of iedereen wel aan zijn regels hield.Eerst deed hij dat dus met de edelieden. Die deden dat steeds minder. Door ambtenaren kon hij de edelieden buiten spel zetten. Edellieden kon je niet ontslaan, een ambtenaar wel, als die het niet deed stelde je iemand anders aan. Nu kon de koning ook naar geschiktere mensen zoeken.

Dit systeem leid tot 2 belangrijke ontwikkelingen.

  • Centralisatie => ontwikkeling waarbij een gebied steeds meer vanuit één punt bestuurd werd, de hoofdstad. Ambtenaren leerden schrijven en stuurden schriftelijk hoe het ging
  • Staatsvorming => de ontwikkeling waarbij een gebied steeds meer als een eenheid wordt bestuurd door een eenheid, vanuit een hoofdstad.
  • Gevolg: koning heel blij. De adel is er niet zo blij van, want die krijgen steeds minder macht. De koning kon niet helemaal zonder de adel. Die bleven machtig omdat ze nog steeds nodig werden. Maar hij wist hen macht wel in te perken. Daarom ontstaan er in sommige gebieden parlementen:

Die dienen de koning van advies.

Minst – Duitse rijk (heilig roomse rijk)

Keizer werd gekozen dus niet erfelijk

Streven naar absolutisme zo veel mogelijk macht is mislukt => zwakheid

Tussen – Engeland, magnacharta 106 Normandische verovering een belangrijke bijdrage geleverd en versloeg de aklaktische koning Harold in de slag bij Hastings

Meest- Frankrijk: niet bijeenroepen van staten generaal.

Waarom word Engeland uiteindelijk geen absolutisme? Machnacarta: koning deeld macht met parlement.

4.4 Kerk en staat KA: conflict wereldlijke en geestelijke macht

Wie heeft de macht?

Vorst

Door het feodale stelsel steeds minder macht Koningen deden aan staatsvorming en centralisatie => meer macht! Duitse keizer Hendrik IV: Ik ben erfgenaam Romeinse keizers!! Paus Gregorius :Ik ben opvolger van Petrus! Mede erfgenaam Romeinse Keizers Steeds meer macht en aanzien door uitbreiding van ChristendomUitgangspunt van de kerk: “tweezwaardenleer”

Door het feodale stelsel steeds minder macht Koningen deden aan staatsvorming en centralisatie => meer macht! Duitse keizer Hendrik IV: Ik ben erfgenaam Romeinse keizers!! Paus Gregorius :Ik ben opvolger van Petrus! Mede erfgenaam Romeinse Keizers Steeds meer macht en aanzien door uitbreiding van ChristendomUitgangspunt van de kerk: “tweezwaardenleer”

Gelatius zegt: bestuur van de staat in handen van de overheid: wereldlijke macht. Bestuur over het geloof in handen van de kerk. Duidelijk onderscheid leken en geestelijken. Leken bezig houden met wereldlijke zaken en geloof is met geestelijken.

Vaaf het jaar 1000 christendom echt volksgeloof. Beiden hadden dus veel macht en ze hadden veel ruzie. De ruzie ging vooral over de benoeming bisschoppen. Koning: Wij mogen ze benoemen, kunnen we meteen gebruiken om ons bestuur uit te voeren Paus: ik mag dat, ben de hoogste geestelijke, dus heb de macht over hen. Als de bisschop benoemd wordt, krijgt hij een staf en een ring aangeboden, dit noemt men investituur. Vandaar dat het investituurstrijd heet.

Deze strijd die gaat een paar eeuwen door. Dat lijd er toe dat pausen vorsten in de ban doen, maar ook dat vorsten zelf hun eigen paus gaan aanstellen. Uiteindelijk een compromis, Paus mag bisschop aanstellen. Koning mag beslissen of ze bisschop ook wereldlijke macht geven. Vanaf 500: tweezwaardenleer vanaf 1050: investituur strijd vanaf1500: scheiding tussen kerk en staat. Scheiding tussen wereldlijke en geestelijke macht.

West Europa heeft deze scheiding. Het byzantijnse rijk heeft alleen een keizer en in het Midden-Oosten heeft de islam alle macht. Het concordaat van worms bepaalde dat alleen de priesters van een bisdom hun eigen bisschop mochten kiezen. De keizer mocht de bisschoppen nog wel aanstellen als hertog of graaf

4.5 Christelijk Europa en de buitenwereld. KA: Expansie van christelijke wereld.

De uitbreiding begint vanaf het jaar 1000.

Waarom richten ze een blik op de buitenwereld?

-          (H3) teveel met zichzelf bezig, door veel onveiligheid. Vanaf het jaar 1000 wordt het weer veilig, ook komt de handel op

-          Europa wordt steeds meer een eenheid door het Christendom.

Paus Urbanus doet in 1095 een oproep om op kruistocht te gaan, om de stad Jeruzalem te bevrijden.

Dat lukt, maar daarna worden die kruisordersstaten in Palestina weer heroverd door de Islam.

Kruistochten doen:

  • Geestelijken
  • Edelieden
  • Gewone mensen

Reden van kruistochten

  • Verspreiding christendom
  • Of Verdediging van het christendom
  • Hoge edelen kregen meer aanzien en geld
  • Avontuurlijk

Kruistochten gingen naar het heilige land, en vanaf de 11e eeuw slaven en balten veroverd in Oost-Europa. Herovering Spanje en Portugal van de moslims lukt einde 15e eeuw.

De expansie gaat niet alleen via kruistochten maar ook via handelsnetwerken. Steden als Venetië en Florance handelden met het midden-oosten en dit deden zij zo goed dat zij steeds meer de bovenliggende partij werden in de handel. Ook in West-Europa handelssteden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.