Hoofdstuk 2 Veranderingen in opvoeding en onderwijs (1795-1848) (Van Kind tot Burger)

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 1693 woorden
  • 17 juli 2006
  • 13 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 13 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
H2 Veranderingen in opvoeding en onderwijs (1795-1848)

§1
John Locke (1632-1704) en Jean Jacques Rousseau (1712-1778) hadden d.m.v. maatschappijkritische geschriften invloed op hoe er gedacht werd over onderwijs en opvoeding. Locke meest praktisch, meeste aanhang in Ned. Locke:
kind is niet van nature slecht, maar vormbaar. Dus: goed gedrag belonen, want kinderen leren door ervaring.
tabula rasa: onbeschreven blad papier. Dus: de geest wordt langzaam beschreven; niet van nature slecht zoals in christendom wordt gezegd.
Door verstand ontstaan nieuwe ideeën waardoor kennis ontstaat

Rousseau: 1762, Emile ou de l'éducation→ kinderen in keurslijf, leren dingen waaraan ze geen behoefte hebben. Natuurlijke opvoeding, opvoeder begeleidt alleen; kind geeft zelf aan wat hij/zij wil leren.
Ned. verlichte literatuur, eind 18e eeuw: kennis leidt tot deugd.
Voorbeelden:
Hiëronymus van Alphen. 1e Ned. kinderboek, 1778: Kleine gedigten voor kinderen→vlijtig leren en ouders gehoorzamen
Betje Wolff en Aagje Deken: Sara Burgerhart, 1782. Voor jonge vrouwen en meisjes.
Verlichte ideeën over onderwijs:
kinderen moeten kennis en inzicht krijgen en dus leren kritisch te oordelen. Prettige en rustige omgeving. Begeleiding door goede leraar.
burgerlijke deugdzaamheid bijbrengen. Als volwassene zullen ze bijdragen aan een welvarende en eendrachtige samenleving.
Overal waren scholen. Gericht op leesonderwijs, zodat mensen zélf de Bijbel konden lezen. Onderwijs door: Geref. Kerken en plaatselijke overheid. Dus per streek/stad waren er grote verschillen tussen leerstof en onderwijsmethoden. Godsdienstonderwijs: volgens de calvinistische leer.
Standenonderwijs in grotere steden:

gewone kinderen naar stadsscholen, gesubsidieerd. Weinig schoolgeld
arme kinderen naar armenscholen, zonder schoolgeld. Betaald door plaatselijke overheid/Kerk
rijke kinderen naar particuliere scholen. Geen overheidssteun dus hoog schoolgeld.
Dit gaat alleen over basisonderwijs. Ook verschillende scholen voor voortgezet onderwijs, sommige hogescholen/universiteiten:
Franse scholen, gericht op handel
Latijnse scholen, gericht op universiteit
Verlichtingspedagogen: kind is kind, geen volwassene. Kind is leergierig en vormbaar. Geschikte omgeving heeft positieve invloed. Bestaand scholen niet geschikt, vanwege:
krappe en benauwde gebouwen
onderwijzers: te laag salaris en te slecht opgeleid. Om salaris aan te vullen: koster/voorzanger. Geen speciale opleiding; leren als 'ondermeester' En vaak van vader op zoon.
onderwijs: lezen en uit het hoofd leren, niet begrijpen. Bijv. catechismus. Rekenen en schrijven: meer schoolgeld betalen. Toch werd het rekenboek van meester Bartjens erg bekend (begin 17e eeuw): ging over % v. maten en gewichten. Belangrijk voor toekomstige winkeliers en kooplui, maar niet voor arbeiders en boeren.
lijfstraffen. Slecht voor lichamelijke en geestelijk gezondheid
scholen waren eemansbedrijven. Dus leerlingen van alle niveau's en leeftijden bij elkaar. Vaak werd de meester wel bijgestaan door vrouw of ondermeester.
hoofdelijk onderwijs, i.p.v. klassikaal. Iedereen had eigen programma. Om de beurt controleren. Geen tijd voor uitleg, dat moesten de oudere kinderen doen. Iedereen las hardop voor zichzelf. Geen vast leerprogramma, kinderen namen eigen boeken mee, dus makkelijk verzuimen. Dit kwam de ouders goed uit.
Verlichtingspedagogen: geen hoofdelijk onderwijs, omdat het niet effectief en wanordelijk is. Dus: klassikaal onderwijs, omdat het meer prestatiegericht is en de leraar kon veel meer uitleggen.

§2
Bataafse Republiek: alle kinderen naar school en hervorming van lager onderwijs. Onderwijs is middel om:
moreel verval tegen te gaan en Ned. volkskracht te herstellen d.m.v. christelijk deugden (vroomheid, gehoorzaamheid)
verlicht burgerschap bij te brengen
natievorming te stimuleren, einde te maken aan grote standenverschillen en verschillen tussen regio's.
1799: J.H. van der Palm (1763-1840), Agent van Nat. Opvoeding. Om onderwijs te hervormen. Krachtig nat. bestuur nodig. En er was een duidelijk taakomschrijving zijn wat overheid en wat lagere overheden moesten doen. Pas in 1806, schoolwet, met 3 doelen:
1. democratiseren:
 zoveel mogelijk kids uit lagere sociale groepen lager onderwijs/volksopvoeding laten volgen
 opvoeden tot alle maatschappelijke en christelijk deugden.
Maar er werd geen leerplicht ingevoerd en het werd ook niet gratis ( op de armenschool na).
2. moderniseren:
 via nat. wetgeving eisen stellen aan gebouwen, leerstof, bekwaamheid en salarissen van onderwijzer
 klassikaal onderwijs. Leerlingen in groepen op basis van vorderingen
 verboden: leerstellig onderwijs (hervormd/katholiek), maar alg. christelijk
 verboden: lijfstraffen. Orde d.m.v. belonen en straffen
3. controle door de overheid:
 onder toezicht v. schoolopzieners, al vanaf 1801
 verboden: oprichting v. nieuwe scholen zonder toestemming v.d. overheid. Dit was zeer omstreden.
Belangrijkste vernieuwing in 1806: inhoudelijk. Doel: redelijke/verstandelijke en zedelijke vorming v/d leerlingen. Alle scholen (openbaar en bijzonder) onder nat. schoolwet, dus inhoud hierop aanpassen.
Wat wel bleef zoals het was na 1806:
bestaande scholen en besturen onveranderd
onderscheid openbaar en bijzonder onderwijs
modernisering bleek niet overal direct uitgevoerd te kunnen worden
Openbaar onderwijs: gefinancierd uit publieke kas; plaatselijke overheid én kerken
Bijzonder onderwijs: particulier initiatief en financieel zelfstandig. 'Nut' scholen. Of die van schoolgeld bestonden

§3
Na Van der Palm geen nieuwe ministers v. Nat. Opvoeding. In 19e eeuw onder BiZa. 1918: Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschap. Opsteller schoolwet 1806: Adriaan van den Ende, landelijke hoofdinspecteur v/h onderwijs, 1805-1833. Van den Ende ging als volgt te werk:
efficiënt netwerk v. schoolopzieners, veel v/h Nut; voorstanders van vernieuwing, stimuleren oprichting nieuwe scholen, afnemen v. onderwijzersexamens.
aandringen bij lager overheden mee te werken /ad wet en meer geld te geven, want openbare scholen werden niet door het Rijk, maar door de plaatselijke overheid betaald.
handboek voor onderwijzers, 1803. Zwakke punten v/h oude systeem. Vervolg over het nieuwe systeem is er niet gekomen.
Gedeeltelijk succes Van den Ende:
energieke aanpak en praktisch: gecentraliseerd systeem in een gedencentraliseerd land
maar onderwijsresultaten vielen tegen. Bijzonder onderwijs was tegen de wet en daardoor verliep de invoering moeizaam. Van den Ende richtte zich vooral op het openbaar onderwijs.
Verlichte pedagogen; nieuwe didactiek→rust en orde. Klassikale school is een 'stille school.' Klassen noodzakelijk, 3 verschillende. Leerstof in 3en, waardoor er een duidelijk einddoel was. Die indeling in klassen was een teken van een 'goede school.'
Moeilijkheden klassikaal onderwijs:
tekort aan vakbekwame onderwijzers→overvolle lokalen en in armenscholen gebrekkig onderwijs
3 klassen in hetzelfde lokaal; ene klas les, de andere 2 schriftelijk bezig. Steeds dezelfde onderwijzer. 2e helft v/d 19e eeuw: iedere klas eigen lokaal.
eisen aan leslokalen, te weinig geld, gemeente geen zin om belasting te verhogen.
nat. overheid nauwelijks geld voor onderwijshervorming
lokale overheden wilden invloed niet verliezen en weigerden geld af te staan aan nat. overheid.
Eerst lezen, dan schrijven en eventueel rekenen. Spelmethode vervangen door klankmethode. Griffel met lei i.p.v. ganzenveer op papier, omdat dit goedkoper was. Rekenboek v. Bartjens vervangen door een nieuwe methode die vooral leerde hoofdrekenen.
Alg. Beschaaf Nederlands (ABN) belangrijk: officiële eenheidstaal. Gesproken en geschreven door bovenlaag in Holland. 1804: standaardspelling, door Matthijs Siegenbeek, in opdracht van Van der Palm. Hij was in 1797 1e hoogleraar Ned. taal in Leiden. Zijn spelling werd gebruikt tot 1883. Herkenbaar aan de 'g.'
Doel ABN:
communicatie tussen hogere en lager standen bevorderen
communicatie tussen verschillende regio's/dialecten bevorderen. Belangrijk voor natievorming en democratisering.
Moeilijk,want in het begin spraken de leraren ook alleen maar dialect.
Invloed van overheid op leermiddelen:
moderne, gestandaardiseerde leermiddelen vanwege klassikaal onderwijs
landelijke boekenlijst, 1810. Ruime keus.
veel leermiddelen onder invloed v/h Nut: moraliserend, vaderlandslievend, prot. chr. Geen bijbel, want leerstellig onderwijs was verboden.
Nut had grote rol bij zeldelijke en nat. vorming:
veel leer- en leesboekjes uitgeven. Opvoeden tot maatschappelijke en christelijke deugden. Bijv. 'De Brave Hendrik' (1810), door Anslijn. Grootste deugd die kinderen werd ingeprent was: gehoorzaamheid aan God, ouders, onderwijzers en overheid.
bundels met nat. liederen. Schoolzang t.b.v. natiebesef en alternatief voor schuine straatliedjes.
Overheid en particulier initiatief (Nut) werkten goed samen om lager onderwijs te hervormen. Activiteiten van Nut voor onderwijs gericht op:
modelscholen stichten, als voorbeeld
publiceren v. handleidingen voor onderwijzers
ontwikkelen v. verantwoorde leermiddelen
Andere doelstellingen ondersteund door de overheid: vakbekwaamheid (instellen door examens en rangenstelsel), salariëring (aan rangen gekoppeld) en status.
Door hoger salarissen werden de onderwijzers minder afhankelijk van het schoolgeld/ouderbijdrage. Voorheen dreigden ouders hun kinderen van school te halen bij onderwijsvernieuwingen. Nu haalde dat voor de leraar qua inkomen niet meer uit. Door vakbekwaamheid en een hoger loon kreeg de onderwijzer meer status, vooral in de dorpen.
Schoolopzieners:
controleren op invoering v/h klassikale stelsel
aandringen bij de gemeente en kerkelijke besturen om de schoolgebouwen te verbeteren; verbouw en nieuwbouw
onderwijzers opleiden en examens afnemen.
Er waren nog geen kweekscholen, daarom schoolopzieners:
ze schreven artikelen/boeken over onderwijs, bijv. Hendrik Wester.
organiseren v. reg. onderwijsgezelschappen. Theorie v. nieuwe didactiek bestuderen en toepassing in praktijk bespreken. Dit was voor ervaren en jonge onderwijzers.
Onderwijspeil steeg door rangestelsel en examens. Eisen werden regelmatig opgescherpt. In de onderwijsgezelschappen werden de examens voorbereid. In 1806 werden er 4 rangen ingesteld:
4e rang: alleen lezen/schrijven/rekenen
3e rang: ABN, Nederlands
2e rang: ak/gs
1e rang: bio/wis
Scholen verdeeld in rangen. Hoe hoger, hoe meer salaris. Dit zorgde voor een hoger onderwijspeil, vooral op de beter betalende scholen.
Er was een ook conservatieve stroming van ouders en leraren die deze vernieuwingen niet wilde. Zo bleven de lijfstraffen er,omdat de ouders dit ook goedkeurden.
Vanaf 1798: alle burgers gelijk. Maar de standenmaatschappij verdween niet. Ook de schoolwet van 1806 taste die structuur niet aan. Als de ouders meer geld gaven verbeterde het onderwijs.
Openbare scholen, weinig geld, volksonderwijs; voor volksklasse en kleine burgerij. Verschillende soorten:
armenscholen, voor bedeelden
tussenschool, voor arme kinderen, niet-bedeeld ∟(3e of 4e rang)
stadsschool, beperkte eigen bijdrage, kleine burgerij. (1e of 2e rang)
Gegoede burgerij , particuliere scholen over privé-onderwijs.
Op dorpsscholen zaten rijk en arm in 1 klas; armen achterin. Rijke leerden schrijven en rekenen tegen extra betaling.
Schoolwet 1806: geen leerplicht. Volksklasse groot verzuim. Overheid probeerde dit te bevorderen door te eisen van bedeelde ouders hun kinderen naar school te sturen.
Absoluut schoolverzuim: nooit naar school
Relatief schoolverzuim: enkele jaren of onregelmatig naar school
∟Oorzaken:
platteland: in zomermaanden moesten kinderen helpen met oogsten. Soms waren scholen dan de hele zomer dicht
9 á 10 jr. dan in loondienst om gezinsinkomen te verhogen, vooral bij arbeiders. Zo haalden ze geen eindniveau
meisjes 9 á 10 jr. thuis op kinderen passen. Ouders met eigen bedrijfje, maar ook bij arbeiders/dagloners.
als ouders bedeeld werden naar school. Niet-bedeeld dan van school. Bijv. bij tijdelijk bedeling in de winter.
slechte kwaliteit, dan beter thuis bleven.
Achtergrond belangrijk: samenleving = standenmaatschappij met weinig mobiliteit. Laagste stand: onderwijs v. ondergeschikt belang. Wat hadden zeker meisjes eraan?
Absoluut schoolverzuim vooral in afgelegen plattelandsgebieden (afstand te groot naar school) en verpauperde stadsdelen (geen nut, dacht men. kind moet geld gaan verdienen).

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.