Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 2 en 3

Beoordeling 3.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 6735 woorden
  • 16 april 2010
  • 11 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.7
  • 11 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Geschiedenis periode 2
Hoofdstuk 2 paragraaf 10:
Begrippen:
Tien geboden: De bekendste regels waar de joden zich aan moesten houden
Oud testament: de joodse Bijbel tanach noemen de christenen het oude testament
Verlosser of Messias: Die in tijden van nood iedereen er weer bovenop zou helpen
Evangelie: een goede boodschap over het leven
Nieuw testament: een Bijbel
Bijbel: het oude en nieuwe testament samen
Laatst oordeel: hierbij worden de gelovige en ongelovigen van elkaar gescheiden

Sacramenten: Heilige handelingen
Biecht: iets bekekenen in het openbaar of tegenover priesters waardoor je fouten weer zijn rechtgezet.
Oliesel: Een heilige handeling, Olie verspreiden op het voorhoofd
Paus: vader in Rome
Bisschoppen: stonden centraal in het kerkelijke bestuur
Vormsel: Alle bisschoppen
Eucharistie: rituele maaltijd
Samenvatting:
Kenmerken van het Jodendom waren:
- het oudste monotheïstisch godsdienst (geloven in 1 god)
- regels gegeven waarna ze moesten leven: de 10 geboden
- naleving van de regels zal hen beschermen en bevoordelen
- de joodse Bijbel  tanach
- de tempel in Jeruzalem is een groot heiligdom van de joden
- Geloven in de verlosser of Messias.

-
Kenmerken van het christendom:
- hemel (leven na de dood) als je goed leeft doe je dit niet ga je naar de hel
- alles draait om Jezus
- geloven ook in 1 god
- ipv de joodse Bijbel is het oude testament en nieuwe testament
- verzameling 1e vijf boeken van Mozes (= Thora)
- sacramenten (heilige handelingen, dopen oliesel)
-
Verschillen of overeenkomsten van het Jodendom en christendom:
- beide ene monotheïstisch godsdienst
- Bij Jodendom geen Jezus wel bij het christendom
- Leven volgens de wetten en regels van god
- De joden hebben een heilige plek
- Leven na de dood bij christenen joden denken dat er dan niets meer is
- De leefregels zijn verschillend
- De Bijbels zijn het zelfde (bijna) alleen andere benaming
-
Waarom het christendom zo succesvol is:
De Romeinen hielpen het christendom als enige geloof. Dit was het enige geloof dat in 313 was toegestaan (394). Het christendom had een aantrekkelijke boodschap leven en dood, normen en waarden.
Hoofdstuk 2 paragraaf 11:
Begrippen:
Geen begrippen in deze paragraaf.
Samenvatting:
De dood van keizer Theodosius (395) het romeinse rijk werd onder zijn zonen verdeeld:
- West
- Midden
- Oost
De Germanen:
De Germanen vielen de Germanen het westen van europa binnen en dit kwam in handen van hen. Een deel van de Germanen vestigden zich in het romeinse rijk en romaniseerde. De Germaanse volken hadden veel gemeenschappelijk hun talen leken sterk op elkaar, vooral landbouw, wonen in dorpen. Hun samenleving was gelaagd met slaven als onderste laag. Vrijgelatenen als middelste en vrije mannen in de bovenste laag. Vrouwen en kinderen moesten hun vader of man gehoorzamen.
Verschillen tussen de godsdienst van de Germanen en het christendom:
- vereerden meer goden
- natuurkrachten; vruchtbaarheid(reyha), regen en onweer (donar), vuur (loki)
- Tius, zius, thor, wodan en donar waren namen voor de oppergod
- Verbonden met de zon, maan, bliksem, donder, herder, jager, krijger
- Freya, nehalenia, tanfana namen voor de hoogste godin.
- Overeenkomst: geloofden in leven na de dood.
Belangrijkste waarden van de Germanen waren: het welzijn en overleven van de familie
De belangrijkste normen van de Germanen waren: eren van de voorvaderen en de plicht het stamland te verdedigen.
De deugden van de Germanen waren: lichaamskracht, dapperheid, eergevoel en vergeldingsdrang.
Franken veroverden een groot deel van het westelijke romeinse rijk:
De franken zijn niet altijd vijanden van de Romeinen gewest, tijdens keizer Constantijn (306-337) werden franken betrokken bij de verdedigen van het romeinse rijk en kwamen ten westen van de rijn te wonen (België noord Frankrijk). 1 frank was zelfs 38 dagen keizer van het romeinse rijk (355). In de 5e eeuw werden de franken een grotere groep met meer invloed dan de Romeinen. Zij trokken zicht terug en hun bouwwerken werden verwoest of vernielen van de romeinse cultuur bleef dus weinig over. Het grondgebied van de franken werd bedreigd door andere volken; alemannen, thuringers en de goten. In 481 werd Clovis koning van 1 van de Frankische stammen. Hier begonnen de middeleeuwen
Hoofdstuk 3 paragraaf 1: De verbreiding van het christendom in europa
Begrippen:
Hofmeiers: De Bestuurders, meier komt uit het Latijns maior en betekend meerdere
Byzantijnse rijk: Andere naam voor het oost romeinse rijk byzantium was de oude naam Constatinopel
Samenvatting:
Het West- Romeinse rijk viel uiteen maar in Spanje en Italië bleef de christelijke kerk bestaan.
Onder Clovis worden de Franken gekerstend:
In de omgeving van Parijs werd in 481 Clovis één van de koningen van de Frankische stammen. Clovis stierf in 511 zijn rijk was het grootst in West Europa (het huidige Frankrijk, vernoemd naar de franken). Ongeveer in 496 bekeerde Clovis zich tot het Christendom steun van de christenen in het voormalige romeinse rijk. Hij zorgde ervoor dat de inwoners van zijn rijk, onder dwang en gekerstend werden en het Christendom aannamen. Na zijn dood viel het rijk uiteen. De opvolgers die in verschillende delen zaten lieten de macht over aan bestuurders die hofmeiers werden genoemd.
De Saksen met harde hand bekeerd:
In 768 kwam Karel de grote (koning) aan de macht hij verenigde niet alleen de Franken maar veroverde ook grote gebieden. De strijd die 33 jaar duurde speelde zich voornamelijk in het tegenwoordige Duitsland af. Hij dwong de Saksen onder bedreiging met de doodstraf. Het christendom aannemen als heidenen zouden ze volgens hem nooit gewillige onderdanen worden.
Kloosters worden steunpunten om het christendom te verspreiden:
Na het vertrek van de Romeinen is er in Nederland en België tot de 7de eeuw geen christendom meer voorgekomen. De bekendste Frankische monnik was Amandus. Hij volgde een succesvolle strategie die door Ierse monniken voor het eerst werd toegepast. De 2 kernpunten van die strategie waren:
- De monniken stichtten kloosters en trokken nieuwe monniken aan, het klooster als centrum. Er werden hieruit nieuwe kloosters gesticht zodat het aantal snel toenam.
- De monniken streefden erna de regionale machthebbers als eersten te bekeren of als die al christen waren hun steun te verwerven. Die machthebbers konden vervolgens drang uitoefenen op de bevolking om christen te worden.
Monniken kregen steun van de Frankische vorsten en regionale machthebbers. Zij zagen in het christendom een stabiliserende factor die eenheid en rust kon brengen.
De Engelse monniken Willibrord en Bonifatius:
Onder leiding van de monniken uit Ierland Schotland en Engeland bekeerde een groot deel van europa tot het christendom. Engels monnik: Willibrord.. ging in 690 naar naderland. Friese koning Radboud was een jaar eerder verslagen door de Frankische regionale machthebber pippijn 2e. Willibrord was de eerste bisschop van utrecht. In 716 was een andere Engelse monnik Bonifatius hij had ook geen succes. De paus gaf hem de opdracht alle heidennen te bekeren ten oosten van de rijn Bonifatius ging werken in hessem,beieren, Saksen en thuringen. In 732 werd hij door de paus tot aartsbisschop van mainz genoemd. In 754 ging Bonifatius weer naar Friesland (dokkum) overvallen en gedood.
Germaanse gebruiken blijven bestaan:
De franken en de christelijke keren hadden een ‘verstandshuwelijk’ hadden gesloten. De christelijke geestelijken klaagden dat mensen na hun doop als heidenen bleven leven. Germaanse gebruiken en tradities bleven nog lange tijd voorbestaan soms in het geheim soms openlijk soms onder christelijk naam (kerstmis, Pasen). Germaanse goden zouden verchristelijkt werden. Zo zouden de verering van de Germaanse moedergodin Freia en de god Wodan zijn omgezet in die van Maria en Sint Nicolaas (Sinterklaas). De namen woensdag donderdag en vrijdag zijn ontleend aan die van de Germaanse goden Wodan Donar en Freia.
Vanuit het byzantijnse rijk word het orthodoxe christendom in oost Europa verbreid:
Het prestige en overwicht van het christelijke west Europa werd zo groot dat ook Slavische vorsten het christendom hadden ingevoerd (slovenen, kroaten, Tsjechen, slowaken en polen) dit was rond de 8e en 10e eeuw. Slavische volken op de Balkan (Bulgaren, Serviërs) en in Rusland werd het christendom gebracht vanuit het byzantijnse rijk. Doordat het christendom zich overal verspreide ontstonden er tegenstellingen tussen de christelijke kerken in west en oost Europa. De christelijke katholieke kerk van het westen erkende de paus van Rome als hoogste gezag en behield het Latijn als kerktaal. De christelijke orthodoxe kerk van het oosten erkende de patriarch van Constatinopel als hoogste gezag. Ook hun rituelen en heiligverering verschilden. In 1054 verbraken deze kerken de onderlinge banden definitief.


Hoofdstuk 3 paragraaf 2:Karel de grote
Begrippen:
Geen begrippen in deze paragraaf.
Samenvatting:
Karel werd de grootste en bekendste koning van de franken. Problemen waarmee hij te maken kreeg: grote verdeeldheid in zijn rijk, armoede en de geringe ontwikkeling van de meeste van zijn onderdanen en de dreiging van invasies vanuit het noorden en westen(friezen en Noormannen), het oosten (Saksen en avaren) en het zuiden (Arabieren). Karel probeerde deze problemen in samenhang op te lossen.
Karel zijn klerken:
Verdeeldheid werd veroorzaakt door de lappendeken van talen, stammen, gebruiken en eigengereide edelen die delen van zijn rijk bestuurden. Karel ging een sterk bongenootschap aan met enige instituut dat in al zijn landen gevestigd was en dat het lezen en schrijven beheerste: de christelijke kerk. Karel zelf kon niet lezen of schrijven maar hij voerde het Latijns in als bestuurstaal en taal van de wetgeving. Hij voerde een zelf ontwikkelde lettertype toe dat gemakkelijk schrijfbaar en goed leesbar zou zin. Hij benoemde geestelijken tot ambtenaar een edelman die ene gebied moest besuren, kreeg gestelijken naast zich om voor te lezen en op te schrijven en het contact met het centrale bestuur te houden. Hij deed poging om te redden wat er te redden viel. Hij liet geestelijken boeken uit die tijd overschrijven en hij lied hen kennis van de Romeinen over bouwkunde, land en tuinbouw techniek kennis en van ontginning en weg en waterbouw verspreiden.
Karel zijn krijgers:
Voordat het probleem van de invasies was een goedgetrainde ruiterij nodig. Een krijger kreeg een bepaald gebied in leen. Hiervan moesten de boeren delen van de oogst afdragen in ruil van de bescherming en het verrichten van bepaalde diensten. De vorst kon hem opgeroepen als er een oorlog aan zou komen Karel schiep zo de groep krijgers die ‘adel’ genoemd werden.
Karel en de paus:
Zijn rijk groeide sterk door zin verovering. Karel trok naar Italië op verzoek van de paus om Rome te beschermen tegen aanvallen van Germaanse volken de longobarden. Op kerstmis in het jaar 800 kroonde de paus Karel tot keizer. De west romeinse keizer die in 476 was afgezet had een opvolger. Het romeinse rijk zag eruit of het snel zou groeien en het een grot rijk zou worden. Maar door Karel de grote viel zijn rijk uiteen dit had oorzaken: de gewoonte onder de Germanen om het rijk te verdelen onder alle zonen van de vorst, de oorlog die de opvolgers van Karel de grote met elkaar voerden, de aanvallen van andere volken zoals de Noormannen vanuit het noorden de moslims vanuit het zuiden en de Hongaren vanuit het oosten.
Hoofdstuk 3 paragraaf 3:De boeren
Begrippen:
Agrarisch- urbane cultuur: De bevolking woonde zowel op het platteland als in de steden en leefde vooral van landbouw (platteland) en van handel en nijverheid (in de steden).
Agrarische cultuur: een samenleving waarin bijna de hele bevolking op het platteland woonde en van de landbouw leefde.
Hofstelsel: ‘domeinstelsel’ hoe het domein werd gevormd.
Horigen: Zij hoorden tot de grond die zij bewerkten.
Herendiensten: belangrijke diensten
Samenvatting:
Romeinse steden lopen grotendeels leeg:
In de vroege middeleeuwen leefde in europa bijna iedereen op het platteland. De meeste romeinse steden liepen leeg dit had te maken met het uiteenvallen van het romeinse rijk:
- De steden waren te groot geworden doordat er soldaten waren gelegerd en doordat er romeinse bestuurders woonden.
- De Romeinen hadden er voor gezorgd dat er goede wegen, veilige handen kon worden gedreven in hun hele rijk. Toen het bestuur wegviel werden de wegen niet meer onderhouden. Handelaren veel kans dat ze onderweg beroofd werden. Handelaren stopten en werden boer
- Handwerkslieden kregen minder werk omdat hun producten alleen werden gekocht van mensen uit omgeving.
Steden die wel bleven bestaan waren waar de bisschoepen bleven en hun bisdommen bestuurden ze werden alleen wel kleiner. Deze bisschoppen hadden geestelijken om zich heen en er waren mensen nodig om de kerken en kloosters te onderhouden die in zo’n stad lag. Dankzij de geestelijken bleven er voor ene paar mensen (herbergier, ambachtslieden) wel werk over in de stad.
Het leven van de meeste mensen gekenmerkt door schaarste:
In de middeleeuwen was er haast geen handel en moesten de boeren voor eigen levensbehoeften zorgen. Dit koste veel moeite bij een slechte oogst hadden ze nauwelijks te eten en de dieren was er dan ook niet. Als het paard stief kon de boer niet meer ploegen het volgende jaar. En zo werd dus de hongersnood nog groter. De kans om oud te worden in deze periode was niet mogelijk.
Het hofstelsel (domeinstelsel) ontstaat:
In het rijk bestond het agrarisch- urbane cultuur, hier woonde zowel mensen op het platteland als in steden. In de vroege middeleeuwen veranderende west europa in een agrarische cultuur dit was een samenleving waarin bijna de hele bevolking op het platteland woonde en van de landbouw leefde. Sommige Germaanse machthebbers slaagden erin grote gebieden met landbouwgrond in bezit te krijgen. Kenmerken van het hofstelsel waren:
- de kern van een hof/domein werd gevormd door de versterkte boerderij het kasteel of het klooster en de bijbehorende landerijen van de grootgrondbezitters.
- Op de domeinen zorgden de mensen voor bijna alles wat ze nodig hadden.
Iedere grootgrondbezitter bezat minstens 1 domein. De rijken onder hen hadden er vele meer. Deze lagen verspreid over het hele land. De edelman, bisschop of abt woonde dan zelf op een domein.
De meeste boeren leven als horigen op een domein:
90% van de bevolking leefde op een domein. De meeste mensen waren horigen, zij hoorden tot de grond die zij bewerkten. Ze mochten niet verhuizen en niet trouwen met iemand van buiten het domein. Horigheid was een als slavernij erfelijk: Je werd zo geboren en beleef dat levenslang. De horigen hadden verplichtingen aan de heer:
- een deel van wat ze hadden geproduceerd afstaan aan de heer
- zij moesten herendiensten verrichten.
Sommigen horigen waren eerst boeren maar hadden dit opgegeven om horige te worden zodat ze werden beschermd. Binnen de groep van horigen was een gelaagdheid. Dit had 3 verschillen:
- hoeveelheid land
- hoeveelheid dienst
- hoeveelheid pacht die men moest betalen
de allerarmsten werkten bijna de hele week voor hun heer zo hadden ze ze een hutje met een moestuintje. In slechte tijden waren zij de eerste slachtoffers.
De slavernij verdwijnt in de vroege middeleeuwen:
Rond de romeinse tijd werden op veel landgoederen maar 1 product verbouwd. Dit werd in grote hoeveelheden verbouwd en was bestemd voor vele mensen buiten het eigen landgoed. Het meeste werd gedaan door de slaven. Omdat er in de middeleeuwen haast geen steden maar bestonden konden grootgrondbezitters dus konden ze niet meer zoveel produceren. Het word voordeliger als ze hun slaven een deel van het land als pacht geven. Ze konden voor zichzelf zorgen als horigen.

Hoofdstuk 3 paragraaf 4: De edelen
Begrippen:
Leenheer: degene die de leen geeft.
Leenman: degene die het leent van een ander
Leenstelsel: een vorm van bestuur waarbij d leenheer een groot deel van zijn macht uitleent aan leenmannen
Vazallen: leenmannen in de middeleeuwen
Samenvatting:
De levenswijze van de edelen en de boeren verschilde nogal. Edelen waren de eigenaars van grond maar werkten daar niet op dat deden de boeren. Edelen bestuurden hun domeinen spraken recht over hun onderdanen en voerden zondig oorlog.
Hoge en lage edelen:
De edelen kun je weer onderscheiden in hoge en lage edelen. De meeste bevinden zich bij de lage edelen en zij beheerden een of enkele domeinen en woonden op kleine kastelen. De lage edelen hadden weinig te eten niet veel meer als hun horigen. Er waren maar enkele honderden hoge edelen (in heel europa) zoals de graaf van Vlaanderen. Zij woonden in grote burchten. Zij aten elke dag vlees en droegen kleren van bond en zijde.
Het begrip leenstelsel:
De hoge edelen (koningen, hertogen, graven) bezaten vele domeinen ze hadden hier weinig aan ze konden toch niet alle producten van hun domeinen opeten en handel was er niet. Zij wouden dat hun grond beschermd werd en gaven dus een deel van hun domeinen aan lagere edelen die in ruil daarvoor de hogere edelen helpen (oorlogen). D leenheer leent spullen aan een leenman. Sommige leenmannen hadden zoveel domeinen in leen dat zij er een deel van zelf in leen konden geven aan achterleenmannen. Deze nieuw vorm van bestuurd werd een leenstelsel of een feodalisme genoemd. Het leenstelsel is een vorm van bestuur waar been groot deel van zijn macht uitleent aan leenmannen. De leenheer en leenman sloten een verdrag waarin de verplichten tegenover elkaar hadden werden vastgelegd:
- De leenheer leende de leenman land
- De leenheer gaf de leenman bescherming
- De leenman beloofde de leenheer trouw te zijn
- De leenman kwam zijn leenheer met gewapende mannen te hulp als deze moesten oorlogvoeren
- De leenman gaf zijn leenheer raad als deze erom vroeg en hielp bij het uitvoeren van besluiten
- De leenman sprak recht op zijn leen volgens de richtlijnen van de leenheer
- De leenheer kon leenman zijn leen afnemen als hij zich niet aan de regels hield
- Als de leenheer of leenman stief was het verdrag beëindigd.
Hoofdstuk 3 paragraaf 5: De Geestelijken
Begrippen:
Seculiere geestelijkheid: de paus, bisschoppen en priesters
Reguliere geestelijkheid: monniken en nonnen.
Samenvatting:
Behalve de boeren en de edelen was er nog een derde groep in de middeleeuwse samenleving namelijk de geestelijken. Deze was onder te verdelen in twee soorten, de seculiere geestelijkheid (paus, bisschoppen en priesters) zij leven in saeculo, in de wereld dus tussen de andere mensen. De andere groep waren de reguliere gestelijken (monniken en nonnen) zij wonden niet tussen de ander maar in kloosters. Aan het hoofd van een klooster stond een abt of abdis. De oudste kloosterorde, de benedictijnen is gesticht in de 6e eeuw door Benedictus.
Geestelijken hebben en geven de meeste informatie:
In de middeleeuwen was er in west europa maar 1 kerk, de christelijke waarvan iedereen lid was. Tot in de late middeleeuwen waren de geestelijken de enige die konden lezen en schrijven. De meeste mensen moesten het daarom doen met mondelinge informatie. Het gevolg dat alleen de geestelijken konden lezen en schrijven was dat de geestelijken iedereen via de preekstoel regelmatig konden beïnvloeden.
Geestelijke leiders op veel gebieden als leidsman aanvaard:
Doordat alleen de geestelijken konden lezen en schrijven waren zij onmisbaar bij het besturen van een land. Hielpen bij het optellen van wetten en verdragen. Bij belangrijkste gebeurtenissen in het leven, geboorte, huwelijk en dood waren geestelijken door het toedienen van sacramenten onontbeerlijk. Zij hadden grote invloed op het leven van de mens.
De paus kan zelfs koningen en keizers in de ban doen:
De kerk had gerechtshoven. Wie zich hier niets van aantrok kon uit de kerk worden gesloten. Dan werd je ‘geëxcommuniceerd’ of ‘in de ban gedaan’. Je ontving geen sacramenten meer en niemand praten met je, of je eten geven of onderdak geven. Na je dood kwam je dan in de hel.
De kerk bezig grote rijkdommen:
De kerk kon ook belastingen aan het volk opleggen, de christenen stonden een tiende van hun inkomsten af aan de kerk. Daarbij kwamen nog inkomsten uit eigen grondbezit, giften en enige speciale belastingen. In de 13e eeuw bezat de kerk grote rijkdommen.
Geestelijken hebben grote invloed dop literatuur, kunst en wetenschap:
De geestelijken konden als enige lange tijd lezen en schrijven. Zij bepaalde wat er wel en niet geschreven werd. De kerken waren de belangrijkste bouwwerken. Ze waren romans en gotisch. Geestelijken deden als enige aan wetenschap zij hielden zich alleen bezig met vakken die godsdienstig nut hadden. Wiskunde en sterrenkunde werden bedreven om de wisselende datum van Pasen vooruit te berekend. In de taalwetenschap ging het vooral om het terugvinden van de oorspronkelijk tekst van de bijbel.
Hoofdstuk 3 paragraaf 6: Opkomst van de Islam in de Arabische wereld.
Begrippen:
Profeet: een boodschapper
Islam: onderwerping aan Gods wil
Moslims: aanhangers van de islam
Samenvatting:
Profeet Mohammed sticht de islam
Het is ontstaan op het Arabische schiereiland. (6de eeuw) Mekka was een van de belangrijkste welvarende stad. Arabieren kwamen er hun vele goden vereren en de stad lag op een knooppunt van handelswegen. In 570 werd in mekka Mohammed geboren. Hij was geïnteresseerd in de joden en christenen vooral omdat zij in 1 god geloofde.. Mohammed word de profeet genoemd. In 632 stief Mohammed. Islam betekend letterlijk onderwerping aan Gods wil. Na het christendom is de Islam het snelst groeiende godsdienst.
Arabieren veroveren grote gebieden
In enkele jaren werden grote delen van het Perzische en byzantijnse rijk onder de voet gelopen evenals de kuststrook van noord Afrika. In 711 stak een Arabisch leger onder leiding van Tarik de zeestraat tussen Afrika en Spanje over. Hij lande bij de rotspunt die sindsdien Gibraltar heet. Pogingen van de Arabieren om via de Balkan europa binnen te dringen mislukte, Constatinopel (hoofdstand byzantijnse rijk) werd tweemaal belegerd. Ruim een eeuw na de dood van Mohammed hadden de Arabieren een enorm rijk opgebouwd dat zich van de Atlantische oceaan tot de Indus uitstrekte.
Betrekkelijke verdraagzaamheid ten aanzien van andersdenkenden
Bij de veroveringen door Arabieren is de beker tot de islam nooit afgedwongen. Ze lieten de mensen die het wilden hun eigen godsdienst houden. De volgende punten kunnen hebben bijgedragen:
- niet moslims werden door Arabieren als tweederangsburgers beschouwd. Geen wapens, niet trouwen met moslimsvrouwen
- niet moslims moesten een speciale belasting betalen
- op eenvoudige wijze moslim worden.
Moslims die een ander godsdienst aannamen moesten worden gedood.
Hoofdstuk 3 paragraaf 8: Kruistochten tegen de moslims
Begrippen:
Kruistochten: deelnemers van deze expedities droegen een kruis op hun kleding (christenen)
Samenvatting:
waarom gingen ze?
In 1095 riep de paus alle mensen in europa mee te doen met de bevrijding van Palestina, tot in de 7e eeuw maakte Palestina deel uit van het christelijke byzantijnse rijk. In deze eeuw werd dat deel veroverd door de islamitische Arabieren. In de 11 eeuw werd een groot deel van het midden oosten veroverd door een ander islamitisch volk, de Turkse seldsjoeken. Uit alle lagen melden mensen zich aan om Palestina te bevrijden. Enthousiasme voor het christendom en voor de bevrijdding van de heilige plaatsen Palestina was voor vele het belangrijkste maar ander mensen gingen vooral om roem, rijkdom en avontuur. De paus beloofde de deelnemers vergeving van zonden. Misdadigers die meegingen hoefden hun straf niet te ondergaan.
Het verloop van de kruistochten:
Tussen 1096 en 1270 trokken verschillende legers naar Palestina. Deze expedities werden kruistochten genoemd. Het kruis uit kruistochten komt omdat de deelnemers een kruis op hun kleding had dit stond voor christendom. De eerste kruistocht 1096 verzamelden de kruisvaarders zich in Constatinopel en trokken door het gebied van de Seldsjoeken richting Jeruzalem. Na 3 jaar werd Jeruzalem ingenomen en de moslimbevolking uitgemoord. In 1187 ondernamen de Duitse keizers en de koningin van Engelsen en Frankrijk een kruistocht die door gebrek aan samenwerking mislukte. In 13e eeuw werden de vierde tot met de zevende kruistocht ondernomen (1217-1270) eindigde ze zonder succes.
Hoofdstuk 3 paragraaf 9:herleving van handel, ambachten en steden van de 11de eeuw
Begrippen:
Gilde: diende de belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.
Hanze: kooplieden uit verschillende steden die gingen samenwerken
Samenvatting:
De handel herleeft
Handel in de 5d eeuw was bijna verdwenen in west europa. In de 11e en 12e eeuw konden de kooplieden weer aan handel te beginnen. Hindernissen voor de handel te overwinnen:
- kooplieden gingen samenwerken in de stad zij sloten zich aan een bij een gilde (belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.
- Kooplieden en stedelingen kregen steun van vorsten en hoge edelen. Beschermden kooplieden tegen rovers en piraten en zorgden voor goede wegen, bruggen.
De handel kwam als eerste weer terug in Italië. Dit kwam omdat de Italiaanse kooplieden profiteerden door de kruistochten en hielden ze een goedcontact aan over. Aan de kruisvaarders leverden ze voedsel en wapens.
De Hanze gaat de handel in noord europa beheersen
De kooplieden uit verschillende steden gingen samenwerken (noordwest Europa  Hanze). Later werd de invloed van kooplieden in steden zo groot dat zij het bestuur in handen kregen. Samen probeerden zij zoveel mogelijk handelsbelemmeringen weg te werken. Maakten afspraken over maten, zelfde munten, gewichten. De Hanze werd in de 13e en 14e eeuw op gebied van handel de machtigste in noord europa. Het was voornamelijk een Duitse organisatie maar ook Nederlandse en Baltische staten, Noorwegen en polen deden mee. In ons land deden onder andere Deventer, kampen, Zutphen, Tiel, Zwolle en doesburg mee.
Oude steden herleven nieuwe ontstaan
Om handel te kunnen bedrijven waren er steden nodig de stad is de beste verzamelplaats voor mensen die goederen en producten willen kopen en verkopen. Steden groeide daarna uit waardoor er genoeg werkgelegenheid kwam. Veel mensen verhuisden naar de steden want boeren die te weinig grond hadden of aangetrokken werden door het leen in de steden adellijke zonden die geen land of leen kregen en horigen die de vrijheid zocht. Een regel was dat een horige die ene jaar en een dag in de stad had geleefd niet langer door zijn heer kon worden opgeëist. De boeren op de domeinen waren zelfvoorzienend alles wat zij nodig hadden, produceerden of vervaardigden zij zelf. Er waren ambachtslieden nodig; metselaars, timmerlieden, meden, molenaars, bakkers, slagers, spinners, wevers, kleermakers, leerlooiers. Door herleving van handel, ambachten en steden ontstond er een agrarisch- urbane samenleving.
Vooral in grote steden ontstaan grote bedrijven
Ondanks de grote groei bleven de meeste steden klein marktplein, hoofdstraten en paar zijstraten, minder dan 5000 inwoners leefden voornamelijk kooplieden en ambachtslieden. Het ging totaal anders in grote steden daar leefden 10000 mensen of meer. In de grote steden leefden voornamelijk grote machthebbers. grootste tak van nijverheid was textiel, brouwerijen, glasblazerijen, metaalbedrijven, zeepziederijen en andere bedrijven. Kooplieden in grote steden hadden contact met kooplieden uit andere steden in heel europa.
Hoofdstuk 3 paragraaf 10: zelfstandigheid van de steden neemt toe
Begrippen:
Stadsrechten: verschilden van stad tot stad
Gildebrief: een reglement waaraan de gildeleden zich aan moesten houden.
Samenvatting:
Stedelingen krijgen stadsrechten
Boeren kwamen net als stedelingen onvrij op een domein zij hadden verplichtingen tegenover grootgrondbezitter. Zij moesten bijvoorbeeld herendiensten doen. De stadsbewoners verzochten daarom de landheer (koning,graaf,hertog) om de stad en stedelingen los te maken uit het feodale systeem en aparte rechten,stadsrechten te schenken. Vele hoge edelen aren dit bereid te doen. In ruil voor stadsrechten eisten de hoge edelen erkenning als landheer en het betalen van belastingen, zij konden rekenen op militaire hulp en financiële steun van de steden zo konden de hoge edelen ook de macht van hun leenmannen beperken. Elke stad had verschillenden stadrechten de meest voorkomende waren:
- geen verplichtingen meer tegenover grondgrondbezitter
- zelf bestuur en rechtspraak mogen regelen
- zelf mogen bepalen wie stadsburger is en wie niet
steden werden erfelijk en van vader op zoon overgegeven.
Gilden
Veel stadsbestuurders wilden het leven in de steden zoveel mogelijk regelen daarom werden de ambachtslieden per beroep verenigd in gilden. Zo ontstonden er allerlei gilden: van de wevers, de bakkers, de slagers, de kleermakers. Eer werd bepaalt dat alleen gildeleden hun beroep mochten uitoefenen ze hoefde dus niet meer bang te zijn voor concurrentie van mensen die ook dat beroep wilden uitoefenen. Stadsbestuurders maakte ook reglementen waaraan de gildeleden zich moesten houden  gildebrief. Hierin werd precies voorgeschreven hoeveel leerlingen en gezellen(knechten) een meester mocht hebben, hoe lang de werktijden, welke materialen en werktuigen wel of niet mochten worden gebruikt, welke kwaliteit producten mochten worden verkocht, de prijst hierdoor was er geen onderlinge concurrentie en hadden alle gilde een even groot inkomen. Burgers konden rekenen op vaste, goede kwaliteit van de producten. In 1363had de stad Neurenberg 1217 meesters dat was ongeveer 5% van de bevolking. Deze meesters waren verdeeld over 50 verschillende gilden.

Hoofdstuk 3 paragraaf 11: het conflict tussen de chistelijke kerk en d evorsten
Begrippen:
Investituurstrijd: het conflict over de investituur (benoeming) van bisschoepen, abten, en andere geestelijken
Samenvatting:
Godsdienst in het romeinse rijk en in de vroege middeleeuwen staatszaak
In romeinse rijk godsdienst was een stadszaak, staat liet tempels bouwen en benoemde de priesters. Keizer beklede zelf het ambt van de hoogste priester (pontifex maximus). Toen er christelijke keizers kwamen vonden ze het val zelf sprekend dat zij de godsdienstige zaken zouden uitoefenen keizer theodosius maakte het christendom tot staatsgodsdienst. Keizers benoemde bisschoppen, en abten van de grote kloosters. Karel de grote voelde zich de opvolger van de west romeinse keizers en liet zich door de paus tot kiezer kronen in 800.

Vanuit het klooster cluny begint de strijd tussen kerk en staat om de hoogste macht
In 11e eeuw begonnen de benedictijner monniken van het klooster Cluny (Frankrijk) zich te verzetten tegen de macht van de vorsten over de kerk. Zij vonden dat de christelijke wereld het primaat (hoogste gezag) toekwam aan de geestelijke macht (paus en bisschop). Hildebrand  monnik uit Cluny werd raadgever van de paus en zorgde ervoor dat de paus gekozen werd door de geestelijkheid van Rome. Toen hildebrand een monnik uit Cluny werd raadgever van de paus (Gregorius de 7e) was geworden ontbrandde het conflict over de investituur (benoeming) van bisschoppen, abten en andere geestelijken in 1073. dit was de investituur strijd

Machtsstrijd tussen paus en vorst uiteindelijk door de vorst gewonnen.
Hendrik V (opvolger van de 4e) erkende het gezag van de kerk bij benoeming van bisschoppen en abten. Maar in praktijk bleven vorsten invloed uit oefenen. De paus heeft niet genoeg macht om de vorsten af te zetten. Ook kon de puas vorsten niet dwingen met andere politiek te volgen. Toch zouden de vorsten vaak rekening blijven met de wensen van de kerk. Ook zouden geestelijken vaak belangrijke taken in het bestuur van het land krijgen. Daarom kwam er een einde aan de middeleeuwen maar gedeeltelijk een scheiding tussen kerk en staat.


Hoofdstuk 3 paragraaf 12: begin van staatsvorming: nationalisme en centralisatie
Begrippen:
Nationalisme: het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen.
Domesday book:de verzamelde gegevens van de dag van het laatste oordeel.
Magna charta: een grote oorkonde
Hogerhuis (house of lords): hierin hadden de koning en de hoge adel zittingen en konden ze overleggen
Lagerhuis (house of commons): lagere adel en burgerij gingen ook veraderen dit konden zij doen in het Lagerhuis
Samenvatting:
Het ontstaan van nationalisme
Staatsgrenzen in de wereld zijn de laatste twee eeuwen drastisch gewijzigd. De veranderingen van de Europese land indeling/namen zijn veranderd dit komt door het nationalisme (=het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen). Enkele voorwaarden zijn noodzakelijk:
- besef over gemeenschappelijke ervaringen te beschikken
- besef gemeenschappelijke belangen te hebben
De verschillende omstandigheden zijn gunstig voor het nationalisme.
Het ontstaan van nationale staten
In middeleeuwen ontstonden in Engeland en frakrijk hier groeide het nationalisme ster toen deze landen in de honderdjarige oorlog vochten, maar toch was trouw aan de koning en zijn vertegenwoordigers woog voor de meeste inwoners zwaarder dan gevoel van fransman of Engelsman zijn. 2e helft van de 16e eeuw ontstonden ook gevoelens in republiek waar de oorlog tegen Spanje een gemeenschappelijke ervaring werd. Maar ook hier was men in de eerste plaats inwoner van een gewest
Willem de veroveraar begint met centralisatie in Engeland
Centralisatie is het samentrekken van het bestuur naar 1 centrum het gaat samen met staatsvorming. Begin van staatsvorming en centralisatie deed zich het eerst voor in Engeland. In 1066 veroverde de nomadische hertog Willem de veroveraar. Hij slaagde erin zelfde macht in Engeland in handen te houden:
- als koning van Engeland ga hij het grootste deel van de grond in leen aan zijn nomadische ridders en soldaten. Hij zorgde wel dat ridders slechts kleine gebieden kregen en dat ze moesten voorkomen dat zij machtige concurrenten van de koning konden worden
- bestuur en rechtspraak kregen zijn hun gebied niet in eigen handen. Willem deelt het land in counties (graafschappen) maar de werkelijke bestuurder van een country was niet de graaf maar een Koninklijke ambtenaar de sheriff
- Willem stuurde ambtenaren naar alle steden/dorpen in Engeland 13418. zij noteerden hoeveel mensen er woonden en hoeveel grond zij bezaten deze werden allemaal opgeslagen in het ‘Domesday Book’. Boek van de dag van het laatste oordeel in 1086.
De opvolger van Willem de veroveraar kregen totaal te maken met groeiende invloed van adel, geestelijkheid en burgerij. Na de nederlaag van Franse koning Filips Augustus werd de Engelse koning jan zonder land in 1215 gedwongen de Magna Charte (grote oorkonde) te ondertekenen, de koning kon geen belastingen opleggen zonder instemming van de adel, geestelijkheid, burgerij. Uit gebruik van leenmannen hun leenheer raad mochten geven ontstond in 14e eeuw een Hogerhuis (house of lords) waarin de koning en de hoge adel zitting hen hadden en konden overleggen. De lagere adel en de burger gingen ook vergaderen over gezamenlijke standpunten, geformuleerd als petitie, aan de koning te kunnen voorleggen. Zo ontstond het Lagerhuis (house of commons). Beide huizen samen waren het parlement.
Filips augustus begint met centralisatie in Frankrijk
Willem de Veroveraar bezat grote gebieden in Frankrijk. In gebieden van machtige leenmannen, zoals de hertog van Bourgondiër, had de Franse koning weinig zeggenschap. Pas twee eeuwen later, na de Honderdjarige oorlog (1453) werden de Engelsen voor goed uit Frankrijk gezet. De Franse koningen zochten steun bij de steden om de macht van de hoge adel, hun leenmannen, weg te halen. Ze stelden ambtenaren aan die vanuit een centraal punt in Parijs controle uitoefenden
De honderdjarige oorlog (1337-1453)
Startte na de dood van de franse koning in 1328 hij had geen kinderen en twee familieleden streden tegen elkaar om de macht (Engelse koning en franse graaf). Omstreeks 1420 was grootste deel van N- Frankrijk in Engelse handen de eerste tientallen jaren liepen slecht voor de fransen. In 1422 overleed de franse koning en niet lang daarna werd de kroonprins Karel erkend. In 1429 verscheen Jeanne d’Arc ze werd echter in 1431 gevangen genomen en terechtgesteld. Na haar dood ging de oorlog nog 20 jaar verder na de oorlog bezaten de Engelse alleen nog maar de kustplaats Calais. De strijd tussen Frankrijk en Engelse verstrekte in beide landen de nationale gevoel. In beide landen nam de bereidheid van de bevolking toe om het gezag van de koning als leider in de strijd te aanvaarden.
Hoofdstuk 3 paragraaf 13: het joods christelijke wereld en mensbeeld
Begrippen:
Geen begrippen in deze paragraaf.
Samenvatting:
Geografische kennis in europa in de middeleeuwen zeer beperkt
De middeleeuwer kende weinig buiten de directe omgeving. Dat wat op enige dagreizen van de eigen woonplaats lag behoorde tot het onbekende. Wat men wist was vaak een mengeling van waarheid en fantasie. Ging het om verder afgelegen gebieden werd het aandeel van geloof, geruchten en fantasie verhalen groter. Europeanen hielden buiten europa alleen betrekking met de islamitische wereld. De kennis hiervan was voor een groot deel gebaseerd op waarnemingen van Europeanen die contact hadden met moslims. Alle land en zee routes na Azië en tussen Azië en Afrika waren in islamitische handen.
Joods christelijke wereldbeeld in de vroege middeleeuwen overheersend
Voornaamste kenmerk van joods/christelijke wereldbeeld is dat god de aarde en de hemellichamen geschapen heeft ten behoeve van de mens. Aarde is dus woonplaats van de mens, het centrum het helaal, god houdt het helaal de aarde en de mens in zijn macht. Middeleeuwse geleerden toetsen dit beeld aan de uit de klassieke oudheid overgeleverde kennis om te zien wat er van deze kennis kon worden overgenomen. Aantal geleerden verwierp de bolvorm van de aarde zag de aarde als een platte schrijf. De bolvorm bracht met zich mee dat er aan de onbekende kant van de bol andere contineten zouden kunnen zijn. Als die contineten door mensen bewoond waren stamden die mensen niet af van adam, want de oceanen waren niet over te steken. De bekendste aanhanger van deze visie was Isidorus van Sevilla (560-636). Meeste middeleeuwse wereldkaarten hadden de vorm van een cirkel met Jeruzalem als middelpunt (= OT kaarten). O staat voor cirkelvormig (europa Azië Afrika worden gescheiden door zee vorm = T). de kerk was voor de OT karaten en tegen de geografische kaarten.
In de late middeleeuwen meer aandacht voor Grieks- romeinse en Arabische wereldbeeld
Ideeën van Aristoteles en ptolemaeus over het heelal waren onbekend in het middeleeuwse christelijke europa onbekend van de meeste EU. Werden ontdekt door contacten met geleerden uit islamitische wereld. De werken van ptolomaeus en Aristoteles werden in 12e&13e eeuw uit het Arabisch in het Latijn vertaald. 1300-1350 kwam er nieuwe kennis van de aardrijkskunde en landschap op kaarten voor praktisch gebruik: zeelieden en handelaars. In 1350 was het idee dat de aarde bol was onder geleerden in west EU aanvaard. Dit niet door de geestelijken.
Met joods christelijke middeleeuwse mensbeeld
Volgens hen heeft god alles geschapen.
De mens in onvolmaakt maar heeft toch kans op de hemel:
CD: mens onvolmaakt en geneigd tot kwade. Adam en eva waren het begin zij overtraden Gods geboden en dit gaat over op de hele mensheid. Jezus christus heeft de mensheid door zijn dood aan het kruis verzoend met od iedereen die dat gelooft krijgt een plekje inde hemel. De gelovige mens zou Jezus moeten volgen Christelijke waarden en deugden.
De mens heeft een vrije wil, maar wordt gestraft als hij zich niet houdt aan Gods wil:
Mens kan doen wat god verlangt maar er ook tegen in doen. Keuze is eigen verantwoordelijkheid. Leven op aarde is voorbereiding voor het leven na de dood. Geestelijken begeleiden mensen in elke fase van het leven naar eindbestemming
In late middeleeuwen ging de kerk ertoe over afvalligen al tijden hun leven te bestraffen rechtbanken van inquisitie kregen tot taak ketters op te sporen
Hoofdstuk 3 paragraaf 14: andere uitingen van de middeleeuwse cultuur
Begrippen:
Kathedralen: waar een bisschop zetelde, technische wonderstukken
Heiligenleven:verhaal waarin het leven van een heilige man of vrouw wordt beschreven
Epos: een van de bekendste soorten literatuur in de volkstaal
Lyriek: een ander soort literatuur
Samenvatting:
In steden werden scholen opgericht
Vroege middeleeuwen hadden in kloosters en kerken wel onderwijs hier leerden ze lezen en schrijven hogere klassen ook sterrenkunde en muziek. Geestelijken moesten data kunnen berekenen en de mis moeten kunnen zingen. Late middeleeuwen onderwijs een bloei. De regeringen en stadsbesturen hadden toen meer ambtenaren nodig de groeiende handel vroeg om goede boekhouders.
Universiteiten ontstaan
Begin 13e eeuw ontstaan universiteiten aan deze hogere opleidingen konden studenten op bepaalde manier studeren. Onderwijs in groepen hadden examens. Grieken en Romeinen hadden dergelijke universiteiten nooit gekend. Tot de oudste behoren de nog steeds beroemde universiteiten van parijs, Oxford en Cambridge. Een van de beroemdste geleerden was abelar die zei:’ de eerste sleutel tot wijsheid is voortdurend en herhaaldelijk ondervragen want door te twijfelen worden wij ertoe gebracht vragen te stellen door vragen te stellen belanden wij bij de waarheid.
Teruggang van de invloed van de kerk
Invloed van de kerk werd in de late middeleeuwen op het onwijs kleiner. De kerk moest het lezen en schrijven delen met de edelen, burgers en hadden ook vakken zoals rekenen en boekhouden. Ook de universiteiten gingen hun eigen weg, rechtsgeleerde gingen het romeinse recht bestuderen. Dit leidde tot bekentenis en getuigenverklaringen als bewijsmateriaal. Toegenomen van bekentenis bracht met zich mee dat men ging martelen om een betekenis te krijgen, pijnbank werd normaal bij een rechtspraak. In de 12e en 13e eeuw waren vele schriften van de Griekse denkers herontdekt. Onderzoekers beweerden dat de bijbel niet te verenigen was met de wetenschap zoals de Grieken die hadden beoefend. Ze begrepen dat de bijbel niet meer als uitgangspunt namen. Onderwijs was voor een klein deel van de bevolking weg gelegd.
Kerken zijn de belangrijkste bouwwerken in de middeleeuwen
De belangrijkste middeleeuwse beelden kunst zijn de kerken. Kunsthistorici maken onderscheid tussen twee middeleeuwen bouwstijlen: de romaanse uit de vroege middeleeuwen en de gotische uit de late middeleeuwen. De keren in steden in late middeleeuwen noemen we kathedralen. De bouw hiervan duurde soms meer dan een uur. De bevolking moest betalen om de bouw te kunnen betalen. Niet alleen de bouwstijl veranderde in de late middeleeuwen als gevolg van de opkomst van steden gingen rijke burgers opdrachten geven aan bouwmeesters.
Schilder en beeldhouwkunst
Kerken werden versierd met beelden, schilderijen op muren en hout. Omdat de meeste kerkgangers tot in de late middeleeuwen niet konden lezen waren de afbeeldingen dan ook vaak bedoeld als stripverhaal: gebeurtenissen uit de bijbel of uit het leven van beroemde heiligen werden zo weergegeven dat de kerk bezoeker het geheel verhaal kon volgen.
Literatuur
Latijn was tot 1100 de enige geschreven taal (tot 1300). Tot ver na de middeleeuwen behield het vooral in de wetenschap. Goed voorbeeld van Latijnse middeleeuwse literatuur is het heiligen leven verhaal over het leven van heilige man of vrouw word beschreven (geestelijken). literatuur is de volkstaal werd in de hoofdzaak geschreven door adel meestal niet over godsdienst.
Bekendste soorten literatuur is het epos (heldendicht meestal een ridderroman). In late middeleeuwen kregen vrouwen een steeds betere positie aan de adellijke en vorstelijke hoven. Onder hun invloed ontstond ander soort literatuur lyriek (korte gedichten over verdriet en vreugde, liefde). Sommige werden ook gezongen en kon je dus ook liederen noemen. In 13 eeuw kwam ten slotte een derde soort literatuur naar vore: korte spotdichten, novelles (korte verhalen), fabels, leerdichten, hierin werd kritiek geuit op de samenleving en aan hand van voorbeelden werd duidelijk hoe mensen zich moesten gedragen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

echt een slechte samenvatting! er zitten allemaal fouten in. zinnen en woorden kloppen niet eens

11 jaar geleden