Hoofdstuk 2, Een trage revolutie

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 3849 woorden
  • 5 maart 2005
  • 53 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 53 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Samenvatting Geschiedenis
Hoofdstuk 2: Een trage revolutie

§1 De samenleving onder spanning
Deelvragen:
-Wat zijn de belangrijkste kenmerken van een agrarische-stedelijke samenleving?
-Waarom spreken we over de ontwikkelingen rond 1750 in de landbouw van een agrarische revolutie?

§1.1 De agrarisch stedelijke samenleving
De meeste mensen in Groot-Brittannië werkten rond 1750 in de landbouw. De productiviteit was erg laag in de landbouw. De oorzaken hiervan waren:
• De natuurlijke omstandigheden in Schotland waren slecht. Het was moeilijk te bewerken. Nog geen 40% kon worden gebruikt voor de landbouw. De rest van de grond waren bergen, heuvels en moerassen. Er was een klimaat met veel regen en strenge winters.

• Er was te weinig kennis en er waren weinig goede landbouwtechnieken en werktuigen.
• Er waren weinig bedrijven. Er waren weinig boeren met een eigen stukje grond. Dit was meestal grond dat ze geërfd hadden. De meeste boeren pachtten de grond van een grootgrondbezitter. Ze moesten diensten voor de landeigenaren doen.

Er was altijd een spanning tussen de omvang van de bevolking en het voedsel.
Er was weinig voedsel, dus groeide de bevolking niet zo snel. Ook was het sterftecijfer hoog. Die waren vaak nog hoger doordat er epidemieën uitbraken en omdat er vaak misoogsten waren.
Rond 1750 woonden de mensen bij elkaar in kleine gehuchten. Dit werden farm touns (farm towns = boeren dorpjes) genoemd. De boeren die hier woonden pachtten het land van grootgrondbezitters. De pachtcontracten werden maar voor 3 of 4 jaar afgesloten. De boeren vond het dus niet nuttig om het land te verbeteren of moderne werktuigen te kopen. De akkers werden verdeeld in stroken die werden verdeeld onder boeren. Er waren geen omheiningen en de boeren moesten door elkaars land heen om bij hun eigen land te komen. Hierdoor maakten ze elkaars oogst ook kapot. Dit werd het open field systeem genoemd. Er waren 3 soorten ‘fields’:
• Dorp: hier wonen de meeste boeren. Sommigen hadden hier een eigen stukje grond.

• Open fields: Bijna elke boer had hier een aantal stroken voor zichzelf. Op deze velden werd vruchtwisseling gebruikt. Elk jaar werd er iets anders op een stuk grond verbouwd, en een jaar werd er niks verbouwd. Hierdoor bleef de grond vruchtbaar.
• Common lands (gemeenschappelijke grond): Hier mochten alle boeren hun vee laten grazen. De allerarmste boeren hadden vaak geen stroken grond in de open fields. Die waren voor hun inkomsten helemaal gericht op hun vee in de common lands.

Nijverheid is het bewerken en verwerken van grondstoffen en ruwe materialen tot gebruiksartikelen. In Groot-Brittannië werd dit vaak in huis gedaan en dus werd het huisnijverheid genoemd. De verwerking van wol tot stof voor kleding werd vooral gedaan. Er was vaak een hiërarchisch patroon en een arbeidsverdeling.
Soms werd er meer geproduceerd dan de mensen zelf nodig had. Dit verkochten ze aan handelaren. De handelaren gingen een steeds grotere rol spelen.
Het putting-out system ontstond. Handelaren geven de boeren grondstoffen of halffabrikaten die moesten worden bewerkt. Daarna kochten de handelaren de bewerkte goederen weer terug.
Er waren weinig mensen die konden lezen en schrijven. Er waren weinig goede wegen en vervoersmiddelen. Het was de taak van de gemeente om de wegen te maken of herstellen. Dit gebeurde niet. Tussen 1726 en 1737 besloot Generaal George Wade de wegen met zijn soldaten te gaan opknappen.
De regering had ook al een oplossing bedacht. In 1663 werd het turnpike trust opgericht. Een ondernemer kreeg een stuk weg wat hij moest verbeteren. Hiervoor mocht de ondernemer tol vragen.
§1.2 De agrarische revolutie
Na 1750 veranderde er veel in de landbouw. De grootgrondbezitters wilden een groot huis en wilden meedoen aan de mode, die duur was. Dit konden ze doen door de pacht te verhogen en het land moest meer opbrengen. Hogere pachten kon niet. Veel boeren konden maar net de pacht betalen. Dus moest de productie op het land worden verhoogd. Dit werd gedaan door de volgende dingen te veranderen:
• Nieuwe gewassen telen en vruchtwisseling toepassen
• Nieuwe landbouwwerktuigen gebruiken
• Middelen gebruiken waarmee de grond vruchtbaarder werd. (bv.: kalk)
• Dieren speciaal fokken voor bepaalde eigenschappen
• De stroken landbouwgrond egaliseren en de begrenzen. Dit heet enclosure.
Hierdoor verdween het open-field systeem.

Meestal bedachten de grootgrondbezitters de nieuwe landbouwmethoden en machines. Ook voerden zij ze als eerste in. Zij werden improvers genoemd. Niet alle boeren wilden de vernieuwingen gebruiken. De grootgrondbezitter gaf de boeren bonussen of goedkope leningen. Dan werkten de boeren meestal wel mee.
Door deze veranderingen werd de landbouwproductie verhoogd en groeide ook de bevolking, vooral in de steden, van Groot-Brittannië. Hierdoor kon de grotere landbouwproductie toch verkocht worden. Er konden steeds meer mensen te eten krijgen door minder mensen die in de landbouw werken.
Deze ontwikkeling, de snelle toename van de landbouwproductie door betere productiemiddelen en machines en door de herverdeling van de grond wordt de agrarische revolutie genoemd. De ontwikkelingen waren heel ingrijpend.
Deze revolutie was niet voor iedereen een vooruitgang. De boeren moesten nu veel zwaarder werk doen. Ook waren er minder mensen nodig in de landbouw en was er dus een hogere werkeloosheid.

§2 De industriële revolutie
Deel vragen:
- Welke ontwikkelingen in de textielindustrie zorgden voor een verhoging en versnelling van de productie?
- Waardoor werd de huisnijverheid vervangen door het fabriekssysteem?
- Welke rol speelde de opkomst van de spoorwegen in de industrialisatie?

§2.1 Ontwikkelingen in de textielindustrie
De industriële revolutie is de snelle opkomst van industrieën in de 18de en 19de eeuw.
Dankzij de agrarische revolutie kwam deze industrialisatie. Door de industriële revolutie veranderde er heel veel in het leven en werken van de mensen.
De agrarische revolutie zorgde voor:
• Een sterke bevolkingsgroei
• Voldoende voedsel, ook voor de mensen die niet in de landbouw werkten
• Improvers (zie 1.2) gingen veel geld verdienen dankzij de vernieuwingen in de landbouw
• De koopkracht van veel mensen steeg (maar die was nog steeds niet groot)
Door deze zaken was de industrialisatie mogelijk. Er waren meer Engelsen die producten kochten. De vraag naar bv. Kleding en gebruiksvoorwerpen steeg. Er waren voldoende mensen die in de industrie konden werken. Er weinig mensen met genoeg geld om een fabriek te beginnen. De vraag naar textiel steeg (1750) door:
• De sterk groeiende bevolking
• Hogere welvaart (vooral van de improvers die luxere kleding (van katoen) wilden)
• Katoen werd goedkoper. Dit kwam door een groter aanbod uit de koloniën.
• Katoen was een goede vervanger voor wol en linnen
• Katoen was gemakkelijk te onderhouden
In het begin was dit goed voor de huisnijverheid, want ze hadden nu altijd voldoende werk. Alleen de vraag naar textiel was te groot en de werkers in de huisnijverheid konden het niet meer bijhouden. Handelaren zochten naar nieuwe machines die sneller konden werken. Hierdoor werden de een aantal belangrijke nieuwe machines uitgevonden, die nog klein waren en geschikt voor de huisnijverheid:
• Shietspoel: Hier kon een veel bredere stof door geweven worden (1733)
• Spinning Jenny: Hier konden meerdere draden tegelijk gespoeld worden (1765)
Later werden er grotere machines uitgevonden die werden aangedreven door paarden-, water of stoomkracht:
• Waterframe: een spinmachine aangedreven op waterkracht (1768)
• Spinning Mule: Deze kon zeer fijne draden produceren (1779)

§2.2 Het fabriekssysteem
Het gevolg van de nieuwe machines was dat de productie veel hoger werd. De nieuwe machines waren te groot en te duur voor de huisnijverheid. Ondernemers lieten dus grote werkplaatsen bouwen waar de productie van deze machines plaats vond. Deze werkplaatsen werden manifactures of mills genoemd. Snelstromend water zorgde ervoor dat de machines aangedreven werden. Nu ontstond het fabriekssysteem: dit houdt in dat de productie werd gedaan door machines in een fabriek. Er veranderden een aantal dingen voor de arbeiders:
• Er is een eigenaar, de arbeiders werden afhankelijke loonarbeiders.
• De machines bepaalden het werktempo.
• De arbeiders hoefden niet veel over het vak te weten.

§2.3 Stoom, kolen en ijzer
Voor 1800 werden de fabrieken vooral naast water geplaatst, omdat de machines toen werden aangedreven door water. Na 1800 werden er steeds meer fabrieken naast plekken waar grondstoffen (kolen en ijzer) waren. Dit kwam omdat de stoommachines steeds beter werden. Na 1840 werden er steeds meer stoommachines gemaakt en gebruikt. Er waren steeds meer kolen nodig door:
• De stijging van het gebruik in de industrie
• Vervoer (locomotieven en stoomschepen)
• Het gebruik van kolen als brandstof in huis
• Meer spoorwegen
• Hogere ijzerproductie

(ijzer werd gemaakt door het verhitten van ijzererts waar weer kolen voor nodig zijn)
Er waren steeds meer kolen nodig die steeds dieper uit de grond moesten worden gehaald. Het werk in de mijnen werd nu gevaarlijker en zwaarder. Er werkten veel vrouwen en kinderen omdat die beter door de gangen kunnen komen. Die werden erg slecht betaald.

§2.4 Revolutie in transport en communicatie
Reizen werd vooral per schip gedaan langs de kust, omdat de wegen in het land slecht waren. Varen was in de winter gevaarlijk. De wegen werden door het turnpike trust systeem (§1.1.4) Kanalen werden ook door particulieren gegraven. Door deze kanalen konden gemakkelijk veel ijzererts en katoen enz. vervoerd worden.
Vanaf de 19de eeuw werden de spoorwegen veel meer gebruikt om te reizen en goederen te vervoeren. De voordelen van spoorwegen leidden tot een railwayboom of railway-mania (denk aan de babyboom na de WO II) Dit hield in dat er opeens heel veel spoorwegen werden aangeld in een korte tijd. Reizen ging nu veel gemakkelijker en sneller. Rond 1850 ging het meeste vervoer van zware goederen en passagiers over de speerwegen i.p.v. door kanalen.
De particulieren moesten de spoorwegen aanleggen. Het enige dat de regering deed was toestemming geven, maar bemoeide zich er verder niet mee. Hierdoor waren er verschillen in tarieven, spoorbreedte en veiligheidsvoorzieningen. Hierdoor waren er veel ongelukken. In 1844 stelde de regering van Engeland de Railway Act in. Hierdoor moest er minstens 1 trein per dag met een laag tarief rijden voor de passagiers. Alle treinen moesten deuren, ramen en stoelen hebben. Een jaar later moest elk spoor dezelfde breedte hebben. Hierdoor was de veiligheid veel hoger.

§2.5 De industriële samenleving
Door industriële revolutie was de samenleving heel erg veranderd. Veel meer mensen gingen in de fabrieken werken. Rond 1850 was de samenleving geen argrarisch-stedelijke samenleving meer maar een industriële samenleving. De kenmerken hiervan zijn:
• De meeste werken in de industrie i.p.v. in de landbouw. In het begin werd er vooral textiel in de fabrieken gemaakt, maar later werden er steeds meer producten in de fabrieken gemaakt. De huisnijverheid verdween langzaam.
• De bevolking stijgt sterk. Steeds meer mensen gingen in de steden wonen, omdat vooral daar de fabrieken stonden. De steden groeiden ook gigantisch.
• De mogelijkheden voor communicatie en transport zijn verbeterd en toegenomen. De leefwereld van de mensen werd vergroot dankzij de spoorwegen.

§3 Een hard bestaan
Deelvragen
- Wat waren de belangrijkste kenmerken van de woon- en werkomstandigheden van de arbeiders in Groot-Brittannië tussen 1750 en 1850?
- Op welke manieren protesteerde men in deze periode tegen deze woon- en werkomstandigheden? Waren deze manieren succesvol en waarom wel of niet?
- Op welke manier(en) beïnvloedde de industrialisatie het leven van kinderen en vrouwen?

§3.1 Werken in de fabriek
Historici voeren vaak discussies over de vraag of de industrialisatie een voortuitgang was of juist een verslechtering. Er zijn 2 groepen:
1. Pessimists: Vinden dat de meeste mensen het slechter hebben gekregen
2. Optimists: Vinden dat de industrialisatie een verbetering was
De belangrijkste werkomstandigheden:
• Hard en lang werken
• Gevoel van persoonlijke vrijheid
• Gestrikt gescheiden taken
• Open machines en niet beveiligd; dus erg gevaarlijk
• Machines maakten veel lawaai
• Stinkende werkplaatsen
• Geen ventilatie; dus erg warm
Kortom: de omstandigheden waren slecht en ongezond

§3.2 Armoede, honger en ziekte
De bevolking groeide na 1750 snel. Dit kwam door een hoger geboortecijfer en een lager sterftecijfer. Deze sterke groei was vooral in de steden rond fabrieken en mijnen. Dit is urbanisatie of verstedelijking. De steden raakten overvol en er werden steeds meer huizen buiten het centrum. Hier gingen de rijkere mensen wonen en de armere mensen gingen in het centrum wonen. De belangrijkste woon/leefomstandigheden van de arbeiders in de steden:
• Weinig onverharde wegen: als het veel regende was het een baggerzooi
• Heel veel mensen in 1 huis: ziektes konden zich snel verspreiden
• Vuile straten, huizen en veel ongedierte
• Slechte hygiëne, woningen en gezondheid
• Geen schoondrinkwater
• Slecht betaald
• Geen scholing
Als arbeiders ziek werden ze niet doorbetaald en raakten soms hun baan kwijt. De meeste gezinnen konden maar een eenkamerwoning huren. De eigenaar van de woningen was meestal de fabrieksdirecteur. De mensen leefden in afschuwelijke omstandigheden. De arbeiderswijken kregen de naam slums (achterbaart/slobbenwijk).

§3.3 Protest en hervorming
De overheid deed weinig aan de slechte leef- en werkomstandigheden. De arbeiders probeerden de omstandigheden zelf te verbeteren door gezamenlijke acties. Deze acties van de arbeidsbeweging hielpen niet.
• De eerste acties waren emotioneel en gewelddadig. De machines gingen sneller werken en werden goedkoper. Heel veel arbeiders verloren hierdoor hun baan. De arbeiders vernielden de machines. Tussen 1811 en 1812 waren heel veel van die acties. Ze deden dit omdat ze vonden dat de lonen te laag waren.
• In de eerste helft van de 19de eeuw waren er minder gewelddadige acties, maar die hielpen ook niet. Er waren organisaties die met acties probeerden hogere lonen en betere werkomstandigheden te regelen. Die werden onderdrukt door de regering. Ze werden in 1924 zelfs verboden. Er ontstonden vakbonden maar die konden nog niet veel bereiken voor de leden.
• Robert Owen, die een katoenfabrikant was geweest die wel goed voor zijn personeel was, is het gelukt om in 1833-1834 binnen een paar maanden heel veel mensen lid te maken van zijn organisatie. Alleen mislukte dit ook.
• Na 1850 ontstonden er moderne vakbonden: dit hield dat de leden geld moesten betalen om er lid van te zijn. Dit geld werd vooral gebruikt voor pensioenen en uitkeringen bij ziekte, maar ook een beetje om de stakingskas te vullen. Vooral de geschoolde en beter betaalde arbeiders waren hier lid van. In de tweede helft van de 19de eeuw werden de rechten van de vakbonden meer vastgelegd.
• Coöperatieve verenigingen waren lid van de arbeidsbewegingen. Deze verenigingen hadden winkels waar ze producten verkochten. Omdat ze samenwerkten kochten ze groter in en was de prijs van de producten lager. De leden betaalden een klein bedrag waardoor ze de producten mochten kopen. Andere verenigingen zorgde voor een uitkering bij ziekte of overlijden of ze kochten huizen en grond: hier werden leeszalen, ontmoetingsruimten en andere voorzieningen gebouwd waar de leden gebruik van konden maken. Deze steun was handig, maar de leef- en werkomstandigheden gingen nog niet vooruit. Later kwamen er wetten die de ervoor zorgden dat de omstandigheden beter werden.

§3.4 Kinderen en vrouwen tijdens de industrialisatie
Kinderarbeid mocht gewoon en bijna alle kinderen werkten. Het waren goedkope arbeiders voor de fabriekseigenaren. Ze waren klein en konden dus makkelijk tussen machines kruipen. Het was kleine beetje extra geld dat ze verdienden was hard nodig voor de gezinnen. In het begin waren er in de fabrieken een arbeidstekort. Dit werd opgelost door een het apprenticeship system (leerlingstelsel). Vaak waren het arme kinderen uit weeshuizen die door de regering naar de katoenfabrieken en mijnen werden gestuurd. Er was geen controle. Kinderen stierven niet alleen door ziekten maar ook door mishandeling. Ze konden makkelijk vervangen worden. Er kwam kritiek op de toestand van de kinderen en in 1802 en 1819 kwamen er wetten die de omstandigheden van de kinderen te verbeteren. Dit hielp alleen niet veel omdat er nog steeds geen inspectie was. In 1830 kwam er een beweging tegen de werktijden van de kinderen, waar ook Robert Owen bijzat. Ze schreven een brief in de krant en die maakte grote indruk en leidde tot een wet die de kinderarbeid beperkte. Kinderen onder de 9 jaar mochten niet meer werken in een fabriek en er waren voor jongeren tussen 9 en 18 jaar maximumwerktijden. Nachtwerk werd verboden en tot 13 jaar kregen de kinderen onderwijs.
Vrouwen gingen ook in de fabrieken of mijnen werken maar soms ook als schoonmaakster bij rijke gezinnen. Ook bij hun waren de werkomstandigheden slecht. Er werd in 1840 een onderzoek ingesteld en toen kreeg men een indruk van de werkomstandigheden van de vrouwen en meisjes. Het werk in de mijnen was zwaar en uitputtend. De meeste mannen in de mijnen werkten bijna helemaal naakt. Die mannen werkten samen met vrouwen van alle leeftijden, ook kleine meisjes. Die meisjes waren ook tot hun middel naakt. Ze kwamen er nu achter dat vrouwen een dubbele taak hadden, niet alleen werken, maar nog het huishouden. Het opvoeden van de kinderen was geen tijd voor. Mannen kregen meestal de beste banen. De families waren afhankelijk van het inkomen van de vrouwen en kinderen. Ook waren er veel arbeiders die niet mochten werken door de nieuwe wetten. In 1800 werd Robert Owen directeur van een fabriek. Vergeleken andere fabrieken werden de arbeiders in deze fabriek goed behandeld, hadden ze goed en voldoende eten, vrij goede huizen, betere lonen, kortere werktijden en er waren pauzes. Owen zorgde voor sociale voorzieningen door wat van het loon van de arbeiders in te houden. De bewoners van het dorp waar de fabriek stond konden goede en goedkope levensmiddelen kopen. De leef- en werkomstandigheden waren dus verbeterd.

§4 Maatschappij en de overheid
Deelvragen:
- Waarom ontstonden onder invloed van de industriële revolutie nieuwe politieke stromingen?
- Wat waren de opvattingen van liberalen, socialisten en communisten over de rol van de staat in de maatschappij?
- In hoeverre konden de arbeiders in Groot-Brittannië in de 19de eeuw via de politiek hun situatie verbeteren?

§4.1 De Engelse overheid en de problemen van de arbeiders
De verklaring voor de armoede in Engeland was moeilijk te geven. Het kan door luiheid of onwil komen of door omstandigheden waar de arbeiders geen invloed op hadden. Sinds 1601 was er in Engeland de armenwet (Poor Law). Die werd in 1834 aangepast. De armen kregen nu geen uitkering meer. De armen werden hierdoor nog luier. Je kon eten, kleding en onderdak krijgen als je elke dag in de Workhouse (Prison of the Poor) gingen werken. Er werd geprobeerd om het werk daar zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Hierdoor zouden alleen de mensen die echt niet meer zelf konden werken van de wet gebruik maken. Behalve de armenwet deed de overheid van Engeland er bijna niks aan om de armoede te bestrijden. Na de enorme veranderingen kwam de vraag of de overheid zich wel of niet met de maatschappij moest bemoeien.

§4.2 Smith en het liberalisme, Marx en het communisme
De meeste politici wilden niet dat de staat zich ging bemoeien met de maatschappij. Zij dachten volgens het laisser faire (=zijn gang laten gaan)-principe. Adam Smith (1723-1790) was een aanhanger van het laisser faire. Smith werd gezien als de grondlegger van het liberalisme. De liberalen geloofden dat door vrijheid de perfecte samenleving zou ontstaan. Deze politieke stroming heeft de volgende standpunten:
• Iedereen is gelijk
• Iedereen is vrij om te doen wat hij wil (op politiek, religieus en vooral op economisch gebied)
• Ieder kent zijn eigen belang (=het voordeel dat iemand ergens bij heeft). Als je die nastreeft dan lever je een bijdrage aan het algemeen belang.
• Geen overheidsingrijpen in de economie
• De regering moest zorgen voor wetten die de economie stimuleerden, niet beperkten.
Door de vrijheid en concurrentie zou er volgens Smith vanzelf een evenwicht ontstaan tussen de belangen van de verschillende mensen en het algemeen belang. De opvattingen van Smith hadden veel invloed op de politiek en de economie.
In 19de en begin 20ste eeuw hadden de liberalen een belangrijke rol in de politiek. Veel mensen vonden dat de problemen van de arbeiders zo groot waren geworden dat ze het zelf niet meer konden oplossen. Dit werd de social question genoemd. Particuliere of kerkelijke instellingen konden ook niet meer helpen. Er ontstonden nu nieuwe politieke stromingen: het communisme en het socialisme.

Communisme:
Het communisme is opgericht door Karl Marx. Hij wilde juist wel dat de regering veel macht had en ingreep, dan zou er een einde komen aan de slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeiders. Marx ontwikkelde zijn ideeën met Friedrich Engels. Engels was een textielondernemer in Manchester. Hierdoor kon hij er voor zorgen dat Marx en zijn gezin iets minder armoedig waren. In 1948 waren er in aantal Europese landen revoluties uitgebroken. In dat jaar schreven Marx en Engels samen het Communistisch Manifest. Dit was een oproep aan de arbeidersklasse dat ze verder moesten gaan met hun revoluties. Het ‘proletariaat’ (de arbeidersklasse) moest de macht overnemen zodat er een begin kon worden gemaakt aan de communistische maatschappij. Helaas waren er maar weinig mensen die de ideeën van Marx en Engels goed vonden. In het Communistisch Manifest stonden de ideeën van Marx. In de samenleving van de 19de eeuw werd de tegenstelling tussen de arbeidersklasse en de bezittende klasse (bourgeoisie, de rijke mensen) steeds groter. Dit leidde tot een revolutie die in verschillende stappen (fasen) ontwikkelde:
1. De bedrijven worden groter, kleine bedrijfjes verdwijnen => concentratie
2. Bedrijfseigenaren krijgen het steeds beter, de arbeiders steeds slechter. Deze groep arbeiders noemt Marx proletariërs. Hun levensomstandigheden worden ondragelijk. De werkeloosheid neemt toe en de lonen dalen => verelendung
3. De arbeiders komen in opstand en die breidt zich uit naar arbeiders in veel andere landen. Marx noemde dit de wereldrevolutie. De bezittende klasse wordt in deze revolutie omvergeworpen,
4. De overgangsfase: Marx noemt dit ‘de dictatuur van het proletariaat’. Het proletariaat is tijdelijk de heersende klasse. De staat leid deze klasse en beheerst die totdat de klassentegenstellingen helemaal verdwenen zijn. De productiemiddelen werden gemeenschappelijk bezit: alles was van iedereen.
5. In de laatste fase ontstaat volgens Marx de ‘heilstaat’. De verschillende klassen zijn verdwenen, iedereen is gelijk. Het communisme (klassenloze samenleving) is ontstaan.
Karl Marx verwachte dat de eerste revolutie van de arbeiders zou komen in Groot-Brittanië omdat het kapitalisme daar het meest ontwikkeld was en de onderdrukking van de arbeiders was hier het sterkst.

§4.3 Arbeiders en politiek
De arbeiders konden in de 18de en 19de eeuw niet zelf met politieke middelen hun situatie verbeteren omdat er geen algemeen kiesrecht was. In GB had het parlement veel macht, maar er was geen democratie. Rond 1800 werd GB geregeerd door de koning en het parlement. Veel parlementsleden waren grootgrondbezitter.
De parlementsleden accepteerden alleen wetten die hun eigen voordeel waren en het maakte hun niks uit welke problemen de arbeidersbevolking had. Deze parlementsleden werden gekozen door een kleine groep van de bevolking.
Het was voor de Britse arbeiders onmogelijk om vertegenwoordigers in het parlement te krijgen, omdat de parlementsleden hun plaats hadden geërfd. Na een lange strijd veranderde in 1832 het Britse bestuursstelsel. Er waren de volgende veranderingen:
• De parlementszetels werden beter verdeeld over de bevolking
• Meer mensen mochten stemmen, maar nog steeds niet iedereen. 1 op de 7 mannen mocht stemmen en vrouwen mochten helemaal niet stemmen.
Geschoolde arbeiders beseften dat ze hun omstandigheden alleen konden verbeteren als de arbeidersklasse politieke macht kon hebben. In 1936 ontstond daarom de Chartist Movement, dit was een beweging die wilde dat het kiesstelsel opnieuw veranderde en dat het parlement veranderde. Ze eisten meer mogelijkheden voor kiesrecht voor mannen, eerlijker verkiezingen en meer onafhankelijkheid van de parlementsleden. De beweging Chartist Movement kreeg veel aanhangers, maar ze bereikten niks. In 1867 werd het kiesrecht uitgebreid.
In 1900 werd de socialistische partij Labour Party opgericht. Dit was een parij voor de arbeiders (PvdA van toen) De socialisten wilden de omstandigheden van de arbeiders verbeteren door hervormingen. Er kwamen sociale wetten en de fabriekseigenaren moesten er voor zorgen dat de werkomstandigheden in de fabrieken verbeterden. De arbeiderspartijen waren sociaal-democratische partijen, omdat zij via een parlementaire weg werkten aan de verbetering van de positie van arbeiders, dus door nieuwe wetten.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.