Hoofdstuk 2

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 2766 woorden
  • 14 oktober 2008
  • 43 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 43 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Samenvatting Sprekend verleden
Duitsland in de tijd van het nationaal-socialisme en de Tweede Wereldoorlog
De Eerste Wereldoorlog eindigde op 11 november 1918 toen de Duitse leiders een wapenstilstand tekende. Men voelde zich hiertoe genoodzaakt omdat de oorlog de economie in Duitsland had uitgeput en omder er communistische (=politieke stroming waarbij wordt gestreefd naar gelijkheid door middel van geweld en revolutie) opstanden dreigde.
Op deze overgave kwam in Duitsland veel kritiek:

Ongeloof
Door het nationalisme (=sterke voorkeur voor eigen land en volk) en de propaganda (=politieke reclame) dachten de Duitsers constant dat men aan de winnende hand was. De plotselinge overgave kwam onverwacht en sommigen dachten ook onterecht (zie dolkstootlegende).
Vrede van Versailles
De Vrede van Versailles (1919) kende voor Duitsland strenge en onrealistische bepalingen (=regel in een verdrag):
1 Duitsland krijgt de schuld van de oorlog.
2 Geen zelfbeschikkingsrecht (=zelf mogen bepalen en besturen voor een volk) voor Duitsland.
3 Duitsland moest gebieden afstaan aan Frankrijk (Elzas-Lotharingen), België (Eupen-Malmedy) en Polen.
4 Duitsland mocht nog maar een beperte omvang van het leger hebben.
5 Gedemilitariseerde zone (=gebied zonder militairen of militarie bouwwerken) in het Westelijk Rijnland.
6 Duitsland moest herstelbetalingen betalen aan met name België.

Niet alleen in Duitsland ontstond kritiek. Ook in Italië was er teleurstelling over de vredesbesprekingen. Dit leidt uiteindelijk (gevolg op lange termijn) tot het oprichten van het fascisme (=politieke stroming die vooral het tegen bednadrukt. Daarnaast is deze stroing gewelddadig en nationalistisch).
De leider van het fascisme in Italië is Benito Mussolini (‘Il Duce’ = de leider). Hij wordt in 1922 minister-president en maakt een einde aan de democratie (= politieke stroming waarbij het volk inspraak heeft in de besluitvorming). Door zijn daadkrachtige optreden weet hij Italië weer op de rails te zetten. Hierdoor wordt het fascisme ook buiten Italië bekend.
Volgelingen:
NSB in Nederland (Antoon Mussert)
NSDAP in Duitsland (Adolf Hitler)
Kenmerken van het fascisme:
1 Het fascisme legt de nadruk op waar men tegen is
Het fascisme is tegen de parlementaire (= met volksvertegenwoordiging) democratie en de daarbij behorende rechten (=wat een mens mag). Democratie wordt gezien als iets on-Italiaans en een zwakke regeringsvorm omdat met rekening moet houden met minderheden.
2 Het fascisme is nationalistisch
Het fascisme legt de nadruk op de grootsheid van het Italiaanse volk en het roemrijke verleden van de Romeinen.
3 Het fascisme gaat uit van de ongelijkheid van mensen
Fascisten gaan er van uit dat sommige mensen moeten leiden en sommige mensen moeten volgen.
4 De vrouw kent een aparte en ondergeschikte rol
De taak van de vrouw is zorgen voor kinderen en het gezin. Ze mogen geen functies in de samenleving uitoefenen.
5 Er is slechts één leider
Net als bij het Romeinse rijk er slechts één oppermachtige keizer was moest ook het nieuwe Italië worden geleid door één daadkrachtige leider die je als burger onvoorwaardelijk moest volgen.
6 Het fascisme is totalitair (=samenleving die volledig door het bestuur wordt geleid)
Het bestuur/de leider weet wat mensen nodig hebben, daarom moet het bestuur/de leider vertellenw at mensen moeten doen. Dit gebeurt door allerlei organisaties die door propaganda de mensen beïnvloeden/overtuigen.
7 Gevoel is belangrijker dan verstand
Niet alles kan je rationaliseren (=beredeneren). Je hoeft niet alles te bewijzen, het gevoel van loyaliteit (=trouw) is belangrijker dan alles in twijfel te trekken en te bewijzen.
8 Verheerlijking van geweld
Opdtreden en kracht onderscheid de sterken van de zwakken, de leiders van de volgers. Wil je leiden dan moet je laten zien dat je sterk en daadkrachtig bent.
Nationaal-socialisme (= Duits fascisme)
Ook in Duitsland komen de fascisten aan de macht. Deze nationaal-socialisten kenden nog twee andere kenmerken:
9 Het volk moet “raszuiver” zijn
Mensen zijn ongelijk. Dit is geen toeval maar heeft te maken met het ras van een persoon. Zo heb je ‘ubermenschen’ (=’oppermensen’, het leidende ras), de Germanen die leiding moeten geven aan de andere mensen. Ook had je ‘untermenschen’(=’ondermensen’, de onmensen), bijv. zigeuners en joden die geen deel mogen uitmaken van de samenleving omdat men zich dan kon vermengen met de zuivere Germanen.
10 Het volk heeft lebensraum (=levensruimte) nodig
Het Germaanse volk is het sterkste en belangrijkste volk. Om te overleven heeft het volk ruimte nodig om voedsel te verbouwen en grondstoffen te winnen. Deze ruimte/grond mag veroverd worden op minder belangrijke volkeren.
Adolf Hitler beschrijft zijn ideologie (=verzameling van ideeën en idealen) al in Mein Kampf (=’mijn strijd), een boek dat hij publiceert in 1925-1927.
Tijdens het interbellum (=de periode tussen te twee wereldoorlogen) kreeg het nationaal-socialisme grote aanhang onder de Duitse bevolking. Aanhangers van het nationaal-socialisme worden nazi’s genoemd.
Hiervoor zijn drie redenen te noemen:
Reden 1: Economische crisis
Na de Eerste Wereldoorlog moest Duitsland herstelbetalingen betalen aan Frankrijk en België. Door de inperking van het leger, land en industrie kon Duitsland hieraan niet voldoen. Hierdoor kwamen ook Frankrijk en Groot-Brittannie in de problemen konden zij niet beginnen aan de wederopbouw.
De Verenigde Staten zochten afzetmarkten voor hun omgebouwde oorlogsindustrie (en teruggekeerde soldaten). Door de armoede in Europa konder de VS niet verkopen.
Oplossing: Dawes-plan (=plan ontwikkeld door de Verenigde Staten om de herstelbetalingen van Duitsland te continueren en zo de economische achteruitgang in Europa te stoppen).
Werking van het Dawes-plan:
VS -> lening -> Duitland
Duitland -> herstelbetalingen -> Frankrijk / Groot-Brittannië
Frankrijk/Groot-Brittannië -> geld -> Verenigde Staten
Verenigde Staten -> producten -> Frankrijk/Groot-Brittannië
Duitland ->rente -> Verenigde Staten
De bedrijven in de Verenigde Staten kregen zo weer afzetgebieden voor hun producten. Hierdoor ontstond er een grote economische groei waar iedereen deel aan wilde nemen door middel van aandelen (=bewijs van deelname aan een bedrijf).
De economie van de Verenigde Staten was gebaseerd op aandelen in winstgevende bedrijven. Toen de winst verdween om dat de markt was verzadigd, stortte de aandelenmarkt in. Al het geleende geld moest terugkomen waardoor de basis onder de economie was weggeslagen, gevolg: wereldcrisis (=economische crisis waar de hele wereld last van heeft door de wereldhandel), 1929.
Vooral Duitsland werd hard getroffen (verdrievoudiging van het aantal werkelozen in drie jaar). Hierop werd nauwelijks gereageerd door de regering (constante wisselingen van coalities).
Reden 2: De Republiek van Weimar
Na de Eerste Wereldoorlog werd in Duitsland de Weimarrepubliek opgericht. Voor het eerst kwam er democratie in Duitsland.
De wetgevende macht kwam in handen van de Rijksdag (=Duitse volksvertegenwoordiging). Door de verdeeldheid tussen de partijen kwam het nauwelijk tot wetgeving. Tussen 1919 en 1933 kende Duitsland maar liefst 20 verschillende coalities (=samenwerkingsverband van politieke partijen om te kunnen regeren).
Veel partijen wilden geen coalitie vormen:
- Socialisten en katholieken wantrouwden elkaar
- Verchil van opvatting tussen de socialisten (=politieke stroming die gelijkheid wil bereiken door democratische veranderingen) en de communisten over hoe gelijkheid bereikt moet worden.
- Verschil van opvatting tussen progressieve (=vooruitstrevende) liberalen en conservatieve (=behoudende) liberalen over de samenwerking met de socialisten.
- Conservatieven zijn tegen de democratie (willen het keizerrijk terug)
- Communisten zijn tegen de democratie (willen een dictatuur van het volk)
- Nationaal-socialisten zijn tegen de democratie (willen een dictatuur van de fuhrer)
Reden 3: Daadkrachtig optreden van de nazi’s
Door propaganda, de persoonlijkheid van Hitler, beloften, parades en het creeeren van een zondebok (=iemand of groep personen die de schuld krijgt) kreeg het nationaal-socialisme steeds meer aanhangers.
Uiteindelijk was de steun zó groot dat in 1933 Hitler, de leider van de NSDAP (=nationaal-socialistische arbeiders partij) werd benoemd tot rijkskanselier (=Duits minister-pesident), zie blz. 32.
Duitsland tussen 1933 - 1945 wordt ook wel het Derde Rijk genoemd. Tijdens de eerste jaren van het bestuur van Hitler werd de grip op de samenleving sterker.
Het Derde Rijk was een totalitaire staat met de volgende kenmerken:
Kenmerk 1: Industrie en landbouw in dienst van de oorlogsvoorbereiding
Industrie (=produceren met behulp van machines die worden aangedreven door andere machines als middel van bestaan) en landbouw (=het houden van vee en het verbouwen van gewassen als middel van bestaan) worden de belangrijkste middelen van bestaan (=manier om in je levensbehoeften te voorzien).
Hiervoor had Duitsland ruimte (grond) en middelen (grondstoffen) nodig. Deze had Duitsland niet end aarom had het volgens Hitler lebensraum nodig. Deze moest worden veroverd op de minderwaardige Slavische volkeren (bijv. Russen). Hierdoor was oorlog onontkoombaar.
Om oorlog te kunnen voeren moet een land een sterke economie hebben (bijv. voedselvoorziening en oorlogsindustrie). Vanaf 1933 staat de economie in Duitsland in het teken van de oorlogsvoorbereiding.
Kenmerk 2: Gelijkschakeling van het volk
De Duitsers moesten één volk worden in één rijk met één leider. Iedereenw erd deel van de volksgemeenschap en de gemeenschap moest worden geleid door de Führer.
Door middel van propaganda (met name minister Goebbels), organisaties (Hitlerjugend, Bund deutscher Mädel), arbeidsdienst en indoctrinatie (=constant herhalen van dezelfde boodschap zodat men de boodschap gaat geloven) op scholen werd het volk in zijn geheel gecontroleerd.
Kenmerk 3: Terreur
Door terreur (=angst zaaien door middel van geweld) probeerde de NSDAP mensen achter hen te krijgen. De NSDAP kende twee ‘partijlegers’om angst te zaaien en tegenstanders te straffen:
SA (Sturmabteilung): knokploegen, ook wel bruinhemden genoemd.
SS (Schutz-staffel): zorgde voor bescherming van de leiders en gaven leiding aan de uitschakeling van tegenstanders (bijv. concentratiekampen). De leider van de SS was Heinrich Himmler.
Waffen-SS: Onderdeel van de SS. Dit was het leger van de SS; stoottroepen.
Kenmerk 4: Jodenvervolging
Doelstelling was om het Duitse volk raszuiver te houden. Dit betekende geen vermenging met Joden die als ‘untermenschen’ werden gezien. Om dit te verkomen werden in 1935 de Neurenbergen Wetten (=wetten om het Joodse volk uit de volkgemeenschap te weren) aangenomen.
De opzet slaagde: 317.000 Joden vluchtten (met name naar Polen en Nederland). In de oorlog laaide het probleem weer op (in de bezette gebieden). Tijdens de Wannsee-conferentie, (=overleg door nazi-leiders over hoe men het ‘Joodse probleem’ op gingen lossen), 1942 werd de endlösung (=eindoplossing) voor het ‘Joodse probleem’ bedacht: vernietiging (netwerk doorvoerkampen/werkkampen, concentratiekampen en vernietigingskampen).
Later is deze massavernietiging van joden, zigueners, gehandicapten, homoseksuelen, Jehova’s, e.d. holocaust (=brandoffer) genoemd. De joden geven de voorkeur aan de term shoa (=vernietiging).
Op politiek gebied probeerde Hitler de bepalingen van het Verdrag van Versailles ongedaan te maken. Door de appeasement-politiek (=politiek gevoerd door met name Groot-Brittannie om Hitler tevreden te houden en aan zijn eisen toe te geven om zo oorlog te voorkomen) slaagde Hitler erin heel wat bepalingen af te schaffen of te overtreden zonder gevolg:
- Uitbreiden van het leger, 1935
- Leger in Westelijk Rijnland, 1936
- Anschluss (=uitbreiding van het Duitse Rijk met Oostenrijk), 1938
- Uitbreiding van het Duitse Rijk met Sudetenland (=deel Tsjechoslowakije), 1938
- Inname van de rest van Tsjechoslowakije, 1939
Op 1 september 1939 viel Duitsland Polen aan. Frankrijk en Groot-Brittannië merkten dat Hitler’s eisen steeds verder gingen en zij beeindigden de appeasemenpolitiek en verklaarden Duitsland de oorlog. De aanval op Polen was daarom de directe oorzaak van de Tweede Wereldoorlog.
Bijzonder bij deze aanval was het Molotov-Ribbentrop verdrag (=niet-aanvalsverdrag tussen het Duitse Rijk en de Sovjet-Unie). Hierin werd Polen verdeeld tussen Duitsland en de Sovjet-Unie en werd afgesproken dat de beide landen elkaar niet aan zouden vallen. Dit was bijzonder omdat Duitsland (nationaal-socialistisch=extreem-rechts) en de Sovjet-Unie (communistisch=extreem-links) elkaars aartsvijanden waren.
Kenmerken van de Tweede Wereldoorlog
Kenmerk 1: Verwarring aan het begin van de oorlog
Door de ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog werd men bang voor een nieuwe oorlog. Deze zou nog bedreigender en vernietigender zijn dan de Eerste Wereldoorlog.
Kenmerk 2: Wereldoorlog
Over de hele wereld wordt gevochten. De belangrijkste strijdtonelen waren Europa en Azië.
Kenmerk 3: Verbeterde en nieuwe wapens
Verbeterd: Tanks
Vliegtuigen
Gemotoriseerde voertuigen
Met name deze wapens maken de Blitzkrieg (zie hieronder) mogelijk.
Nieuw: Raketten: V1/V2 (Bombardement Londen)
Atoombom: Little man/Fat boy (Bombardement Hirosjima en Nagasaki)
Nieuwe middelen: Sonar en radar
Parachute
Kenmerk 4: Bewegingsoorlog
Door een goede combinatie van infanterie (voetsoldaten), pantserdivisies en luchtmacht wist Duitsland in zeer korte tijd grote gedeeltes van West-Europa te veroveren. Deze manier van vechten wordt blitzkrieg (=let. Bliksemoorlog, bewegingsoorlog waarbij zeer snel grote delen grond worden veroverd) genoemd.
Naast een snelle aanval over land wordt ook de luchtoorlog belangrijker:
Bombardementen: Rotterdam, Nijmegen, Dresden, Coventry, Pearl Harbor
Luchtgevechten: Battle of Britain (=luchtoorlog tussen RAF (=Royal Air Force,
luchtmacht van Engeland) en de Luftwaffe (=luchtmacht van Duitsland)).
Kenmerk 5: Propaganda
Propaganda (=politieke reclame) roept op voor steun aan de staat of tot verzet.
Propagandamiddelen:
Kranten (bijv. De Telegraaf (onder controle van de bezetter) of De Trouw (verzetskrant)).
Strooibiljetten.
Film (bijv. Triumph des Willens van Leni Riefenstahl).
Radio (bijv. Radio Oranje).
Voor Duitsland als totalitaire staat was propaganda zo belangrijk om een volksgemeenschap te creeeren dat er een speciale minister voor aanstelde (Goebbels) en ook in bezette gebieden was de controle op alle cultuuruitingen streng (d.m.v. Cultuurkamer).
Kenmerk 6: Betere medische zorg
Met name de intrede van penicilline was voor gewonden op het slagveld een belangrijke vooruitgang.
Kenmerk 7: Totale oorlog
Door de dienstplicht kwamen meer mensen onder de wapenen. Ook werd het treffen van de economie of de opbouw van de economie belangrijk. Hier kregen burgers mee te maken door arbeidsdienst (=verplichting om voor het Duitse Rijk werkzaamheden te verrichten) en bombardementen.
Kenmerk 8: Oorlogsindustrie belangrijk
Voornamelijk in Duitsland was de productie van wapens en oorlogsmiddelen belangrijk. Door een goede voorbereiding van Duitsland had het Duitse leger aan het begin van de de oorlog een overmacht.
Daarna ging ook in Groot-Brittannië en Rusland de productie omhoog. Met steun van de Verenigde Staten (voornamelijk economische steun) konder zij uiteindelijk meer produceren.
Kenmerk 9: Belang van de leiders
Adolf Hitler (D): Alleenheerser (Führer)
Zowel politiek als militair leider, als politiek leider succesvol (hij werd als charismatisch gezien), als militair leider desastreus omdat hij niet accepteerde dat generaals zich terugtrokken.
Winston Churchill (GB): Politiek sterk (goede redevoeringen) en gericht op samenwerking tussen de Geallieerden.
Franklin D. Roosevelt (VS): Politiek sterk (propaganda), werkte alleen op politiek gebied. Net als Churchill gericht op samenwerking van de Geallieerden.
Jozef Stalin (SU): Dictator en daarom militair en politiek leider. Was paranoide en vertrouwde zijn generaals niet (behalve Zjoekov). Door het opofferen van veel burgers is hij de drijvende kracht achter het verslaan van Duitsland.
De Duitse bezetting van Nederland begon op 10 mei 1940 en eindigde officieel op 5 mei 1945. De gevolgen van de oorlog en bezetting waren nog lang merkbaar.
Door de oorlog kwam er een einde aan de neutraliteit (=onpartijdigheid) van Nederland. Ook kwam er een einde aan de Nederlandse bezetting van Indonesië.
Het Duitse bestuur werd geleid door Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Het bestuur beschoude de Nederlanders als Germanen en wilden de Nederlanders vriendelijk tegemoet treden.
Doelstellingen bestuur:
Doelstelling 1: Nederland inschakelen voor de oorlog
d.m.v. Nederlandse soldaten (voor waffen-SS)
arbeitseinsatz (=arbeidsdienst, verplicht werken voor de bezetter)
Nederland verdedigen tegen een aanval van de Geallieerden
Doelstelling 2: Nederland winnen voor het nationaal-socialisme
Fasen van de bezetting:
Fase 1: mei 1940 – februari 1941: Wederzijdse welwillendheid
Duitsland probeert Nederland voor zich te winnen door middel van de Nederlande Unie en propaganda. Er is weinig verzet.
Fase 2: februari 1941 – april 1943: Groeiende verschillen
In februari is er het eerste grote teken van verzet: de februaristaking. Een opstand tegen de jodendeportaties (=wegvoeren van joodse burgers). Het verzet neemt toe en de Duitsers reageren met harde hand.
Fase 3: april 1943 – september 1944: Conflicten
De eerste doelstelling: Nederland inschakelen voor de oorlog wordt belangrijker dan de nazificatie (=laten overnemen van de ideeen van het nationaal-socialisme). Hierdoor komt er meer verzet en strengere straffen.
Fase 4: september 1944 – mei 1945: Chaos
Het zuiden van Nederland wordt in de herfst van 1944 bevrijd. Er wordt echter nog wel gevochten. Hierdoor loopt de bezetting van het noorden op het einde. Daardoor ontstaat er meer verzet, maar ook meer terreur. De bezetters proberen zoveel mogelijk mee te nemen uit Nederland en het zo lang mogelijk uit te houden. Hierdoor ontstaat er een grimmige sfeer en de hongerwinter (=zeer strenge winter in 1944/1945 waardoor er een groot tekort aan voedsel ontstaat in noordwest-Nederland).
Gevolgen van de Oorlog:
Gevolg 1: Groot aantal slachtoffers
Door de Tweede Wereldoorlog kwamen er ongeveer 40 miljoen mensen om het leven. Vooral in Oost-Europa waren de verliezen groot (Sovjet-Unie, ong. 21 miljoen mensen).
Daarnaast waren nog miljoenen meer gewond, gehandicapt of psychisch gestoord geraakt.
Gevolg 2: Berechting oorlogsmisdadigers
De leiders van de nazi’s werden berecht (Neurenberg processen). Maar ook iedereen die werd verdacht van collaboratie (=samenwerking met de bezettende macht).
Gevolg 3: Plaats van Nederland in de wereld verandert sterk
Nederlands rol in de wereld veranderde. Nederland was niet langer neutraal en ging deel uit maken van westerse bondgenootschappen (NAVO). Daarnaast raakte we Indonesië kwijt.
De Nederlandse politiek veranderde nauwelijks.
Gevolg 4: Kaart van Europa wordt opnieuw ingedeeld
De belangrijkste verandering in de kaart van Europa is dat Europa verdeeld wordt in een Westerse invloedssfeer (=gebied waar een land invloed uitoefent) onder leiding van de Verenigde Staten, en een Oosterse invloedssfeer onder leiding van de Sovjet-Unie. Hier komt later de Koude Oorlog uit voort.
Ook veranderen veel landsgrenzen: bijv. Oost- en West-Duitsland, Tsjechoslowakije, Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen), Joegoslavië en Roemenië.
Gevolg 5: Machtverhoudingen veranderen
Na de Tweede Wereldoorlog zijn de Europese staten minder belangrijk. Deze rol wordt overgenomen door de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten.
Gevolg 6: Dekolonisatie
Omdat veel Europese landen bezig zijn met de eigen wederopbouw begint met te dekoloniseren (=opgeven van kolonies). Veel landen in Azie en Afrika krijgen hierdoor hun onafhankelijkheid.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

L.

L.

Dit is hoofstuk 1??

9 jaar geleden