Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 2, §1 t/m 5

Beoordeling 4.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas havo | 813 woorden
  • 3 april 2006
  • 38 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.4
  • 38 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Revolutie: een snelle, ingrijpende verandering. 1760 tot 1850, industriële revolutie in Engeland.

§1, Engeland voor de grote verandering
Engelsenbevolking op het platteland
Rond 1700 woonde 80% (4/5) van Engeland op het platteland. De meeste pachtte (huurde) land, in ruil werkten ze voor loon bij een boer. Een kleine groep bezat land of een ander beroep.
Open-Field-Systeem* => Samen bewerken van grond
De bossen, hei- en weidegronden waren voor gezamenlijk gebruik, daar kon je schapen, geiten en varkens laten lopen. Deze stukken grond waren niet omheind, lang en smal.

Huisnijverheid*
De opbrengst was voor eigen gebruik, je kon er belasting en pacht van betalen. In de winter was er minder werk dus spinnen en weven voor de koopmankapitalisten*. Koopmankapitalisten* kochten wol van schapenboeren en verkochten dat gespind met winst aan markten of het buitenland. Zij begonnen ook met manufactuur*: ze plaatsten een aantal weefgetouwen en spinnewielen in een grote hal en lieten daar mensen in ruil voor loon werken, ze stonden buiten de stad want dan vielen ze niet onder de gilde regels.
Steden => 30.000 inwoners
De stad was een handels- en bestuurscentrum. Kooplieden, ambachtlieden en boeren verkochten hun spullen op de markt. Londen was de grootste stad van Engeland.
Londen => 600.000 inwoners
1/10 woonde in Londen. Londen was belangrijk voor de handel met Europa, Afrika en Amerika. De stad was erg rijk: veel grote banken, die geld verdiende door geld uit te lenen aan regeringen en particulieren.

§2, Een periode van veranderingen
Economischegroei
In de tweede helft van de achttiende eeuw begon de economie te groeien, de had belangrijke ontwikkelingen:
· Enclosures*: Meer open-fields verdwenen, rijke boeren kochten grote stukken grond en omheinde die (enclosures*). Ze experimenteerde daar met nieuwe methodes om de grond te bewerken, ze kochten nieuwe landbouwwerktuigen en experimenteerde met nieuwe gewassen => voederbieten en klaver. Zo waren er meer landbouwopbrengsten.
· Handel met kolonies: Van de Engelse kolonies kwamen grondstoffen*, die werden bewerkt en met winst verkocht in diezelfde kolonies (afzetmarkt).

· Bevolkingsgroei: Vanaf 1740 steeg de bevolkingsgroei, er waren betere omstandigheden dus hoger geboortecijfer en lager sterftecijfer. Dat was gunstig voor de boeren, handelaars en bedrijven.
· Betere verbindingen*: De verbindingen* werken veel beter door kanalen te graven (wel 7000 km.) in 1750 en 1820. Daardoor werden goederen sneller vervoerd => goedkoper.
Kapitalisme* => ergens geld insteken en dan winst maken
Door de kapitaal* (uit handel en landbouw) startte ondernemers andere activiteiten. Vooral in de textielnijverheid werd veel geld gestoken. Het benodigde geld dat nodig was voor de grond, gebouwen en machines leende ze bij de bank. Dat heet kapitalisme* (winst maken).
Het Engelse bestuur
In 1714 stierf koningin Anna. George 1, volgde haar op, hij spraak geen Engels en had weinig interesse in Engelse zaken. Sir Robert Walpole regeerde dus voor hem. Zo ontstond de eerste minister.

§3, De fabriek begint zijn opmars
Fabrieken*
In de 18e eeuw verschenen de eerste fabrieken*. Door de groeiende vraag naar producten en beschikbaarheid van kapitaal. Mensen werkte in grote gebouwen met machines aan product(en). Een fabriek had voordelen: beter toezicht op werk + de kwaliteit van het product was beter doordat de machines sneller waren en regelmatiger. (Machines waren veel sneller en werkte regelmatiger dan handwerkslieden. 1810: Fabriekspinner 200 x meer als handspinner 50 jaar ervoor.)
Stoommachines*
Katoenfabrieken die werden gebouwd in 1770 tot 1790, werkte nog op waterkracht. Tussen 1790 en 1800 kwamen de stoommachines*. Net op tijd: de rivieren en beken waren ondertussen al bebouw. James Watt zorgde ervoor dat de stoommachines* bruikbaar waren in fabrieken.
Weefmachines => weven sneller dan spinnen
Spinmachines => betere weefmachines komen
Industrialisatie*:
Middel van bestaan: Agrarischstedelijk: Handel, Huisnijverheid + Landbouw; Industrieel: Fabrieken + Handel
Wonen: Agrarischstedelijk:Platteland + Steden; Industrieel: Steden
De overgang van agrarischstedelijk naar industrieel is de Industriële Revolutie*. Een industriële samenleving* hebben we als de inkomsten uit fabrieken komen en mensen vooral in steden wonen.
James Watt
De eerste stoommachines ontstonden bij steenkoolmijnen (om water weg te pompen). In 1775 begon James Watt te werken aan een machine die ook op andere apparaten aangesloten kon worden (draaiend). Vanaf 1790 begon de stoommachine aan haar opmars.

§4, Werken in een fabriek
Werken in de fabriek
Arbeiders* werkte onder moeilijke werkomstandigheden*:
· Ze maakte lange dagen: soms wel 16 uur per dag.
· Het werk was gevaarlijk en ongezond: het was er heet, vochtig en smerig + de machines maakte een oorverdovend lawaai.
· Werkgevers profiteerden van de bevolkingsgroei: doordat veel mensen werk zochten konden ze de loon laag houden.
· Vrouwen- en kinderarbeid* was heel normaal. Zij deden het fijne werk, kregen lagere lonen als mannen en gehoorzaamde beter.
Welvaart => als het goed gaat met de economie
In de tweede helft van de 19e eeuw gingen ook de arbeiders meeprofiteren van de welvaart. De regering nam ook maatregelen tegen vrouwen- en kinderarbeid. Arbeider: iemand die werkt in een fabriek.
Samenleving
De industrialisatie veranderde de standensamenleving in een
Mijnwerkers
Mijnwerkers werden beter betaald. Omdat het werk zwaar en ongezond was. (Mijnstof hoopte zich op in de longen en het gevaar van instortingen en ontploffingen lag altijd op de loer. De meeste mijnwerkers werden niet oud.)

De woorden met * Moet je weten wat het betekend.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

ik kan paragraaf 5 nergens vinden ?!

10 jaar geleden

C.

C.

idd ik zoek ook $5 juist maar hij is nergens te bekennen

5 jaar geleden