hoofdstuk 11, 12 & deel van 14 + historische context Duitsland

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 7265 woorden
  • 25 oktober 2015
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Samenvatting Geschiedenis



Hoofdstuk 11, 12 & 14



Historische context Duitsland



Deelcontext 1 Duitse Keizerrijk (1871-1918)



In 1871 ontstond in Europa een nieuwe grootmacht: het Duitse keizerrijk. De directe aanleiding voor het uitroepen van deze nieuwe staat was de enorme Duitse overwinning tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871).



Helemaal onverwacht kwam dat niet. Onder Duitssprekenden heerste veel nationalisme. Veel Duitsers hadden een sterke voorliefde voor de cultuur die zij deelden en ze streefden één nationale staat voor alle Duitsers na. Na de overwinning op de Fransen in 1871 was het moment om één groot Duits rijk te stichten: het Duitse keizerrijk. Het proces stond onder leiding van het koninkrijk Pruisen. Het was dan ook de Pruisische koning die tot keizer werd gekroond (Wilhelm I). De Pruisische politicus Otto von Bismarck werd de eerste regeringsleider (rijkskanselier).



Wilhelms kroning vond plaats in het Paleis van Versailles, het hart van wat ooit de Franse monarchie was geweest.



Het Duitse keizerrijk was zeer sterk. Ten eerste in economisch opzicht. Dat kwam door de snelle industrialisatie in Engeland in eind 18e eeuw. In de 19e eeuw verbreidde zich dit ook naar de rest van Europa. O



Ten tweede was het Duitse rijk een grootmacht geworden in politiek en militair opzicht. Maar het werd nog steeds omringd door mogendheden als Frankrijk, Engeland en Rusland. Een oorlog op twee fronten zou het keizerrijk niet overleven dus ging Bismarck over op alliantiepolitiek: met verschillende staten vriendschapsverdragen sluiten en voorkomen dat alle Europese staten tegen het Duitse Rijk zouden samenspannen.



De troonsbestijging van keizer Wilhelm II in 1888 en het ontslag van Bismarck als Rijkskanselier luidden een nieuw tijdperk in. Duitsland wilde een belangrijker plaats innemen op het wereldtoneel.



Deze Duitse Weltpolitik was in eerste instantie gericht op het creëren van een overzees rijk. Zo’n rijk vond men belangrijk vanwege de economische bloei. De industrie had koloniale grondstoffen nodig en bovendien waren koloniën handig als afzetgebieden. Deze denkwijze is kenmerkend voor het modern imperialisme.

Het was voor de Duitsers wel lastig om een plekje te vinden wat nog niet bezet was. De witte plekken in Afrika waren het grootst en om te voorkomen dat westerse landen daarover oorlog zouden gaan voeren, organiseerde Bismarck in 1884 de Conferentie van Berlijn. Hier werden afspraken gemaakt over de manier waarop westerse landen in Afrika koloniën mochten stichten. En ook het Duitse Rijk nam enkele delen van Afrika in bezit. Dit leidde ertoe dat Groot-Brittannië tegenover elkaar kwamen te staan.



Toch was de Duitse Weltpolitik geen succes. Daarom richtte Duitsland zich maar op Oost-Europa.



De groeiende internationale ambities gingen hand in hand met toenemend militarisme. Dat werd duidelijk in de Duitse Vlootwet (1898). Deze wet maakte het mogelijk om het aantal oorlogsschepen te laten groeien. Dat verontrustte Groot-Brittannië en Frankrijk. In deze spanning zochten landen elkaar op en sloten bondgenootschappen.



De rivaliteit tussen deze landen kwam tot uiting in de Eerste Wereldoorlog wat een totale oorlog was, waarbij soldaten als burgers betrokken waren.



Hoe massaal de verliezen tijdens deze oorlog waren, bleek al bij de Slag bij de Marne (september 1914) waar honderdduizenden slachtoffers waren. In de uitzichtloze loopgravenoorlog vonden miljoenen soldaten en burgers de dood.



In de herfst van 1918 leidden de enorme verliezen aan mensenlevens en middelen tot onvrede bij de Duitse bevolking en dit liep uit op opstand en revolutie. Het werd duidelijk dat Duitsland de oorlog had verloren. Op 9 november 1918 werd de republiek uitgeroepen ook wel Weimarrepubliek. Op 11 november 1918 tekende de regering van dit nieuwe Duitsland de wapenstilstand en kwam er officieel een einde aan de Eerste wereldoorlog.





 





Deelcontext 2 Republiek van Weimar (1919-1933)



Het land was in chaos toen op 9 november 1918 in Duitsland de republiek werd uitgeroepen. De oude adellijke en militaire elite, met de keizer aan het hoofd, besefte dat zij de oorlog had verloren. Ze lieten het werk vallen en de democratische politici moesten het overnemen. Zij vormden wel de grootste partij maar ze hadden geen regeringservaring. Want het keizerrijk was een parlementaire democratie. Het kende een democratisch gekozen parlement (de Rijksdag), maar dat had niet de hoogste macht: de keizer bepaalde de samenstelling van de regering. Daardoor had de conservatieve elite altijd veel macht gehad. In de Republiek van Weimar veranderde dat. In de nieuwe grondwet (1919) stond dat de Rijksdag bepaalde wie het land regeerde en niet het staatshoofd.



Niet alle Duitsers stemden daarmee in: de radicale socialisten (vooral communisten) hadden geen vertrouwen in dit systeem. Duitsland moest volgens hen niet geregeerd worden door een parlement maar door een raad van soldaten en arbeiders. Om de invoering van de parlementaire democratie te verhinderen riepen communisten op verschillende plaatsen revoluties uit, waaronder de Spartakusopstand in Berlijn (1919). Ze werden uiteindelijk in bloed gesmoord. Ook later bleek de Weimarrepubliek niet sterk. De leiders van de republiek probeerden hun land in Europa weer aanzien te geven door vreedzame politiek. Maar binnenlands genoten zij van weinig vertrouwen. Daar waren 3 redenen voor:





  1. Voorstanders van de parlementaire democratie strijden tegen groepen die daar geen vertrouwen in hadden, zoals communisten, de oude conservatieve elite en extreemrechtse groepen.




  2. Veel Duitsers stelden de democratische politici verantwoordelijk voor de nederlaag tijdens de Eerste Wereldoorlog en voor de vernederende Vrede van Versailles uit 1919.




  3. De politici hadden geen oplossing voor de enorme economische problemen. De herstelbetalingen aan de geallieerden drukten zwaar op de economie. In 1923 leidden achterstallige betalingen tot een hoogoplopend conflict met Frankrijk. Voor straf bezetten Frankrijk en België het Ruhrgebied, het economische hart van Duitsland. Veel Duitse arbeiders weigerden voor de bezetters te werken. Om deze arbeiders toch van inkomen te voorzien liet de Duitse regering enorm veel geld bij drukken. Een enorm hoge inflatie was het gevolg. Het Duitse geld was nagenoeg niets meer waard.





Omdat een gevaarlijke situatie dreigde te ontstaan, schoten de Amerikanen te hulp. Het Dawesplan (1924) maakte grote Amerikaanse leningen mogelijk en maakte een eind aan de bezetting van het Ruhrgebied. Daardoor kon de Duitse economie herstellen. Tussen 1924 en 1929 kende de republiek stabiele regeringen.



In 1929 kwam aan de rust een eind door de Amerikaanse beurskrach. Zij dwongen de Duitsers tot het betalen van hun schulden. Daardoor ontstond er in Duitsland een tekort aan kapitaal en kwam de crisis daar veel harder aan dan in andere Europese landen. De werkloosheid nam enorm toe, met politieke onrust tot gevolg. Het land was niet te besturen.



Van deze omstandigheden profiteerde de nationaalsocialistische partij, de NSDAP, onder leiding van Adolf Hitler. Hitler deed het Duitse volk een aantal beloften die veel mensen wilden horen: economisch herstel, verwerping van het Verdrag van Versailles, sterk leiderschap en een einde aan de chaos en verdeeldheid. Zijn partij groeide hierdoor uit tot een massapartij, mede door het gebruik van propaganda, paramilitair machtsvertoon en Hitlers redenaarstalent.



Dankzij deze aanpak slaagde de NSDAP erin de verkiezingen te winnen. In 1933 werd Hitler zelfs benoemd tot rijkskanselier met steun van de conservatieve elite. Meteen na zijn aantreden begon hij met de opbouw van een totalitair regime. De Rijksdagbrand kwam daarbij goed van pas. Hitler beweerde dat de brand was aangestoken door communistische revolutionairen en creëerde zo een crisissfeer. Het parlement reageerde door zichzelf met een machtigingswet buitenspel te zetten. Zo kwam de Republiek van Weimar tot een einde.







Deelcontext 3 Nazi-Duitsland (1933-1945)



Nadat Adolf Hitler in 1933 de democratie terzijde had geschoven begon de nazificatie van de Duitse samenleving. Dit gebeurde door onder andere terreur en geweld. Tot de eerste slachtoffers behoorden politieke tegenstanders van het regime. Voor zover zij niet waren gevlucht of vermoord, werden zij opgesloten in concentratiekampen. Het eerste grootschalige concentratiekamp, Dachau, werd al twee maanden na de machtsovername in gebruik genomen. Al snel interneerden de nationaalsocialisten ook andere mensen die niet zouden passen in de ideale Duitse samenleving, de Volksgemeinschaft.



Dat gold vooral voor mensen van een ‘minderwaardig’ ras, met name de Joden. Door de Neurenbergerwetten werden zij tweederangsburgers. Ook een fysieke of geestelijke handicap of een afwijkende seksuele geaardheid kon reden zijn voor opsluiting in een concentratiekamp.



Er werd veel aan propaganda gedaan. En het brein hierachter was de minister van Volksvoorlichting en Propaganda Joseph Goebbels. Nationaalsocialistische opvattingen moesten duidelijk vermeld worden in media en advertenties. Journalisten en kunstenaars moesten lid zijn van de Rijkscultuurkamer; als zij kritisch waren verloren zij hun lidmaatschap. Joden mochten sowieso geen lid zijn. Er gold ook een strikte censuur waardoor er geen mogelijkheid van protest was.



Ondanks al deze vrijheidsbeperkende maatregelen kregen de nationaalsocialisten veel steun van de bevolking. Dat kwam onder andere door het krachtige economische herstel na 1933. De werkloosheid was nagenoeg verdwenen en Hitler maakte zich populair door de voornaamste bepalingen van het Verdrag van Versailles terug te draaien.



Het herstel van het oude Duitsland leek het voornaamste doel van Hitler en daarbij de banden met het buitenland goed te. De Britse en Franse regering hoopten de vrede te bewaren door voormalig Duitse gebieden terug te geven. Deze appeasementpolitiek beleefde zijn hoogtepunt in 1938 bij de Conferentie van München toen de Duitsers toestemming kregen om een deel van Tsjecho-Slowakije in te nemen.



Maar het bleek dat Groot-Brittannië en Frankrijk zich hadden vergist. Hitler wilde wel degelijk een groot Europees Rijk, tot ver buiten de oude grenzen. In dat rijk was hij uit op een totale etnische herschikking: het Arische ras, waartoe de Duitsers zichzelf rekenden, zou het heersende ras zijn; ‘minderwaardige’ rassen, zoals het Joodse en het Slavische, moesten zich onderwerpen. Dat Hitler deze groot-Europese ambitie had, bleek ondubbelzinnig toen Duitsland in 1939 alsnog heel Tsjecho-Slowakije bezette.



Toen Hitler ook in 1939 Polen binnenviel was dat de druppel die de emmer deed overlopen voor de Britten en de Fransen. De SU schoot Polen niet te hulp vanwege een niet-aanvalsverdrag met Duitsland. Maar Groot-Brittannië en Frankrijk verklaarden Duitsland wel de oorlog. Dit was het begin van de Tweede Wereldoorlog.



In West-Europa trad de bezetter evenwel heel anders op dan in Oost-Europa. In het westen probeerden de Duitsers het normale leven te herstellen maar in het oosten traden ze geweldadig op, mede door het anticommunisme van de Duitsers en hun racistisch wereldbeeld: voor Oost-Europese Slaven en Joden hadden zij een diepe minachting. Vooral de Joden in de SU moesten het ontgelden. Zij werden op grote schaal vermoord, het feitelijke begin van de genocide op de Joden in Duitse invloedsfeer. De details daarvan werden geregeld tijdens de Wannseeconferentie (januari 1942)



De ommekeer in de Tweede Wereldoorlog begon aan het oostfront. Daar verloor Duitsland de Slag om Stalingrad. Vanaf dat moment dwongen de Sovjets de Duitsers tot de terugtocht. In juni 1944 kwam de definitieve doorbraak aan het westfront. Troepen van de geallieerden landden aan de Franse westkust en begonnen aan de herovering van West-Europa. Duitsland werd in de tang genomen: vanuit het oosten door de Sovjet-Unie, vanuit het westen door de Verenigde Staten, Canada en Groot-Brittannië.



In mei 1945 veroverden de Sovjets de Duitse hoofdstad Berlijn en beroofden Hitler, Goebbels en andere Nazikopstukken zich daar van het leven. De totale oorlog eindigde in een totale nederlaag voor de Duitsers. De toekomst van Duitsland lag nu in handen van de overwinnaars.





 





Hoofdstuk 11 Leven in een massasamenleving



§1 Een moderne wereld (de rol van moderne propaganda en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie)



Een nieuwe eeuw breekt aan



Als de Parijse wereldtentoonstelling iets liet zien was dat wel dat de wereld er in 1900 totaal anders uitzag. Er gebeurde van alles in de wereld en 3 ontwikkelingen vielen op:





  • Er waren veel meer mensen. Met name in de West-Europese steden en industriegebieden steeg het inwoneraantal snel. De bevolkingsgroei was te danken aan een betere hygiëne. Zo was er vaker stromend water, een riool en artsen begonnen met steriel opereren. Ook werden ziektes als de pest, tyfus, tetanus en difterie ontdekt en aangepakt.




  • Men kon steeds sneller lange afstanden afleggen. Dit kwam door de auto, metro, tram en later ook het vliegtuig. Uitvinders en ondernemers uit West-Europa en Amerika hebben een belangrijke rol gespeeld. Er werd veel geld geïnvesteerd in spoorwegen en het aantal kilometers nam toe.




  • Men kon door nieuwe communicatiemiddelen informatie op een snellere manier overbrengen naar een groot publiek. Uitvindingen als radio, telefoon en film maakten dit mogelijk.





Veel mensen bewogen zich dus sneller, over een grote afstand en op allerlei manieren. Ook was het makkelijker om te communiceren en over grote afstanden te communiceren. We spreken daarom van een moderne samenleving, die in toenemende mate ook een massasamenleving was.





De invloed van nieuwe technieken



De Tweede Industriële Revolutie verschilde erg van de Eerste Industriële Revolutie want er werd gebruikt gemaakt van staal in plaats van smeed- en gietijzer. Ook elektriciteit werd veel toegankelijker voor iedereen. En als laatst werden de stoommachines vervangen voor verbrandingsmotoren die op diesel of benzine liepen.  De gevolgen waren dat er een snellere productie was door de elektriciteit en de lopende band. Er kwamen snellere vervoersmiddelen door de verbrandingsmotoren. Er ontstond een heel groot optimisme want het leek in de 20e eeuw wel of de mogelijkheden van de mens onbegrensd waren. En er waren snellere verspreidingen van cultuur door middel van radio, telefoon en de bioscoop. De BBC was in 1922 de eerste die wereldwijd radio maakte.



Maar er zaten ook keerzijdes aan het verhaal. Er werd propaganda verspreid die mensen liet misleiden en ophitsen om alles maar te kopen. Er ontstond een té groot optimisme, kijk bijvoorbeeld naar de Titanic. Iedereen zei dat het schip onzinkbaar was maar het werd één van de grootste scheepsrampen die we kennen. Er kwamen milieuproblemen door de verbrandingsmotoren en fabrieken die op volle toeren draaiden. De wapenproductie werd ook flink opgeschroefd. Dat kwam door de rivaliteit en spanningen tussen landen.







§2 De Eerste Wereldoorlog



Een nieuw soort oorlog



In de zomer van 1914 was een oorlog uitgebroken tussen de centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) en de geallieerden (Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland). Nederland was neutraal. Men dacht aan het begin van de oorlog dat het snel voorbij zou zijn zoals altijd het geval was. De snelle Europese oorlog werd een slopende wereldoorlog. Ruim vier jaar lang probeerden soldaten vanuit loopgraven elkaar te verslaan.



De oorlog onderscheidde zich op een aantal vlakken van eerdere oorlogen door:





  • Enorme hoeveelheden moderne wapens: mitrailleurs, gifgas en granaten. Later kwamen ook de tank, vliegtuig en onderzeeër.




  • De lopende band waaraan wapens werden gemaakt




  • De burgerbevolking die werd geraakt. Mannen moesten als soldaten de loopgraven in. Ze konden dodelijk geraakt worden maar ook kou, vocht, honger, ongedierte en stank zorgden voor een onaangename ervaring. Ook gewone burgers hadden het zwaar te verduren. Dorpen en steden in de frontlinie werden ernstig beschadigd (zoals het Belgische Ieper).




  • Vrouwen werkten massaal in de wapenindustrie




  • Massamedia berichtten met een propagandistisch karakter. De regeringen wilden dat de bevolking een positief beeld kregen van hun eigen soldaten.




  • De soldaten kwamen niet alleen uit Europa maar ook uit talloze Europese koloniën in Afrika en Azië.





De oorlogsvoering was erg traditioneel. De legerleiding van beide partijen hielden vast aan de tactiek van constante aanvallen op de loopgraven van de vijand. Het uitvoeren van zogenaamde charges was in het verleden ook altijd met succes uitgevoerd. Dat de situatie door de technologische vooruitgang was veranderd drong niet door. De soldaten hadden bij dit alles geen keuze. Ze moesten de opdrachten van hun meerderen opvolgen.



Vanaf 1917 vochten ook de Verenigde Staten actief mee aan de kant van de geallieerden. De oorlog werd daardoor nog massaler dan hij al was. De oorlog eindigde doordat Duitsland uiteindelijk niet meer op kon tegen de geallieerde overmacht aan het westelijke front. Op 11 november 1918 werd een wapenstilstand gesloten. Op dat moment hadden 9 miljoen soldaten en 5 miljoen burgers de dood gevonden.





Het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog



De Eerste Wereldoorlog ontstond niet plotseling. Hiervoor kan je verschillende oorzaken aanwijzen.





  1. Veel Europese landen waren in de 19e eeuw druk bezig geweest met het zoveel mogelijk stichten van koloniën in Afrika en Azië. Het leverde naast grondstoffen een hoop macht en aanzien op.




  2. Nationalisme is een tweede oorzaak. Men had sterke vijandbeelden naar het buitenland toe en hemelde de de eigen natie op. Frankrijk koesterde nog steeds wrok tegenover Duitsland vanwege de verloren Frans-Duitse oorlog van 1870-1871.




  3. De concurrentie leidde ertoe dat Europese landen bondgenootschappen gingen sluiten. Zo onstonden de Triple Alliantie (met Duitsland) en de Triple Entente (met Frankrijk).





In 1914 bleek het bestaan van deze twee bondgenootschappen een rampzalig effect te hebben. Toen op de Balkan een conflict uitbrak zagen de landen zich verplicht hun bondgenoten die waren betrokken bij dit conflict bij te staan.



Het conflict begon met de moord op Franz Ferdinand, de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, en zijn vrouw Sophie. Het was een politieke moord: de dader, Gavrilo Princip, was een Bosnische nationalist die in Servië woonde. Hij was woedend op het feit dat Oostenrijk-Hongarije in 1908 Bosnië had ingelijfd. Princip vond net als veel anderen dat Bosnië bij Servië hoorde. Omdat iedereen wist dat de Servische regering ook droomde van dit plan, stelde Oostenrijk-Hongarije Servië verantwoordelijk voor de moord. De Duitse keizer Wilhelm II koos als eerste partij, voor Oostenrijk-Hongarije. Daarop werd Servië gesteund door Rusland. Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië en enkele dagen later waren Duitsland en Rusland met elkaar in oorlog. En uiteindelijk volgden de andere bondgenoten.



Na vier jaar oorlog sloten de overwinnaars verschillende vredesverdragen met de verliezers. Met Duitsland als hoofdschuldige. Op 28 juni 1918 werd het Verdrag van Versailles gesloten. Duitsland mocht niet onderhandelen en kreeg onder andere een schadevergoeding opgelegd. En het moest gebieden afstaan. Dit Verdrag van Versailles zou bepalend zijn voor de toekomst van Duitsland en Europa. Groot-Brittannië, Italië, de Verenigde Staten, maar vooral Frankrijk wilden Duitsland voor lange tijd uitschakelen als machtig Europees land. Maar uiteindelijk bleek dat deze afhandeling van de oorlog juist de basis legde voor nieuwe spanningen in Europa.







§3 De Sovjet Unie (het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme)



Een communistische samenleving



De Sovjet-Unie bestond van 1922 tot 1991. Het was de Unie van Staten en Rusland was het belangrijkst, daar was Lenin ook de baas. Ze geloofden in het communisme. Dat was bedacht door Karl Marx rond 1850. Waarbij het idee was dat de arbeidersklasse in opstand moest komen tegen fabriekseigenaren (bourgeois). De arbeiders winnen en er ontstaat een ideale staat met gemeenschappelijk bezit van fabrieken en landbouwgrond. Dit leidde in de praktijk tot de communistische ideologie.



Lenin bedenkt de voorhoede theorie en dat resulteerde in de communistische partij



Jozef Stalin was van 1923 tot 1953 de baas van de Sovjet Unie. Hij was een dictator en een alleenheerser. Hij wilde totale controle en hij wilde dat de Sovjet Unie uitgroeide tot een machtig land. Dit probeerde hij te voltooien met de vijfjarenplannen. Bij de vijfjarenplannen was het de bedoeling dat er elk jaar een hoeveelheid van een grondstof moet worden geproduceerd en dat dat ieder jaar zou toenemen in hoeveelheid. Aan het eind van iedere 5 jaar werd gekeken of het werd gehaald. Maar dit was zelden succesvol. Dus werd er geknoeid met de cijfers om te laten zien dat het wel was gehaald.



De Sovjet-Unie heeft vooruitgang geboekt in die paar jaren, het is moderner geworden maar het was nog niet heel goed. Het bewijs van de vooruitgang werd aangetoond in 1942/1943 toen het Rode Leger, Nazi Duitsland versloeg bij de Slag om Stalingrad.



Stalin had ook besloten om alle boerderijen de collectiviseren. Wat betekend dat alle boeren hun stuk grond inleveren en dat er 1 groot stuk grond ontstaat. Met tractoren en machines. Die grote boerderij werd een kolchoze genoemd.  Het gebeurde daarentegen wel met veel geweld en degenen die tegenstribbelden moesten naar de goelags (strafkamp). Deze mensen waren vaak ‘rijke’ boeren en dat zijn koelakken.



Stalin wilde dus het land beheersen en alles in zijn eentje te besturen. Hij deed dit onder andere door totalitarisme (totalitair systeem). Dat betekende dat de staat alles bepaald wat je ziet, doet en hebt (kleding, muziek, radio, sport en tv programma’s).



De controle was mogelijk door middel van propaganda. Jongeren werden intensief betrokken bij de staat en het verklikken van mensen. Deze mensen werden dan opgepakt door de geheime politie bijvoorbeeld de Stasi of de KGB. Dit soort massaorganisaties zorgen ervoor dat grote groepen mensen worden beïnvloed door de staat.



De eerste communistische staat: oorzaken en gevolgen



Rusland had de Eerste Wereldoorlog verloren dus mensen waren boos op de staat en kwamen februarirevoluties in 1917. In dat jaar was er ook een voorlopige regering en de oktoberrevolutie (dat was de staatsgreep van de bolsjewieken waarbij Lenin de nieuwe leider werd).



De theorie van het communisme was: compleet nieuwe idealistische samenleving. De praktijk was anders. De vijfjarenplannen werden niet gehaald. De collectivisatie was mislukt: Boeren waren gedwongen aan de staat te leveren. Arbeiders kregen geen macht. En er was een groot verschil in welvaart tussen arbeiders en hoge partij leden.





 



§4 De Verenigde Staten (de crisis van het wereldkapitalisme)



Een vrij en welvarend land



De economische crisis die in 1929 ontstond was velen onverwacht. De VS was immers het land als je tegen het communisme was en het was tot dan toe het antwoord op de vraag hoe de moderne samenleving moest worden ingericht. Amerika was tijdens WO 1 een wereldmacht geworden en het vertrouwen in de Amerikaanse economie steeg enorm. Veel mensen kochten nieuwe spullen en er was veel welvaart. Het werden niet voor niet de Roaring Twenties genoemd.



Een belangrijke oorzaak voor deze bloeiperiode was het kapitalisme. De wet van vraag en aanbod bepaalde wat er werd geproduceerd en wat de prijs van de producten was. Dankzij de vrije concurrentie konden ondernemers producten goedkoop maken en verkopen en hierdoor werden ze rijk. De Amerikaanse Droom dat je van krantenjongen tot miljonair kon worden sprak veel mensen aan .



Ondernemers moesten hun producten steeds verbeteren ten opzichte van de concurrentie en goedkoper produceren. De uitvinding van Henry Ford was daar 1 van. Met de lopende band kon je op grote schaal producten maken en verkopen. Vooral consumptieartikelen als koelkasten en stofzuigers werden op grote schaal geproduceerd. Hierdoor ontstond een consumptiemaatschappij. Door de relatief lage prijzen konden veel Amerikanen deze luxe producten kopen.



Een samenleving als de Amerikaanse, gebaseerd op democratie en kapitalisme, kon alleen functioneren op basis van vertrouwen. Als burger gaf je door middel van je stemrecht vertrouwen aan bestuurders, die dat vertrouwen moesten waarmaken. Ook in de vrije markt economie was vertrouwen essentieel. Particuliere investeerders staken pas ergens geld in als ze er vertrouwen in hadden dat het een succes kon worden. Als het vertrouwen verdween kon het hele systeem in elkaar storten. In de jaren ’20 had niemand dat voorzien.



Economische crisis: een uitslaande brand



De Amerikaanse welvaart van de jaren ’20 bleek kwetsbaar. In werkelijkheid ging het helemaal niet zo goed met de Amerikaanse economie. Hier waren 2 redenen voor:





  • Veel mensen betaalden hun producten met geleend geld dat zij ooit terug moesten betalen aan de bank.




  • Er was een crisis in de landbouw. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de landbouwproductie in Europa weer op gang en nam de export van Amerikaanse landbouwproducten af. Veel boeren kwamen hierdoor in financiële problemen.





Maar de aandelenkoersen bleven stijgen. Mensen kochten zelfs aandelen met geleend geld. Uiteindelijk verloren sommigen het vertrouwen en stortte in oktober 1929 de New Yorkse beurs op Wall Street in. Plotseling waren de aandelen niks meer waard. De VS was in een enorme economische crisis beland. Ook andere landen hadden last van deze crisis. De VS wilde het geld terug wat ze hadden uitgeleend na WO 1. Herbert Hoover werd de nieuwe president en hij zei dat de economie wel weer zou opkrabbelen. Maar dat gebeurde niet. In 1932 werd Franklin Roosevelt verkozen tot president. Hij pleitte voor actief overheidsingrijpen in de economie door middel van de New Deal. Tot 1936 hadden deze maatregelen succes. Maar de werkeloosheid bleef hoog. Bij WO II werd dat minder toen de vraag naar wapens steeg.



KENMERKENDE ASPECTEN:





  • Het in de praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme




  • De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie




  • Het voeren van twee wereldoorlogen




  • De crisis van het wereldkapitalisme




  • Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering







Hoofdstuk 12 De Tweede Wereldoorlog



§1 Nazi-Duitsland en fascisme in Europa



Eén volk, één rijk, één leider



Vele Duitsers stemden op Hitler omdat zij hoopten dat hij een einde zou maken aan de grote werkloosheid en de vernederende bepalingen in het Verdrag van Versailles. Op politiek gebied betekende dit de afschaffing van de democratie. In 1919 was in Duitsland een democratische republiek gesticht: de Weimarrepubliek. Het parlement was sterk verdeeld en kon moeilijk tot besluiten nemen. Hitler zag dit als een belangrijke oorzaak voor de staat waar Duitsland zich in verkeerde. Zijn ideologie, het nationaalsocialisme, ging uit van de oer-Duitse natie en dat kon alleen maar geleid worden door één sterke, machtige leider. Toen hij in 1933 rijkskanselier werd verbood hij alle andere partijen behalve de NSDAP (NationaalSocialistische Duitse ArbeidersPartij).



De nationaalsocialistische ideeën werden op grote schaal verspreid door middel van propaganda, waar Joseph Goebbels de speciale minister van was. Alle communicatiemiddelen: kranten, tijdschriften, radio en film werden voorzien van propaganda. Ook organiseerde de NSDAP partijdagen in Neurenberg.



Wie afweek van het ideaal, mocht zich niet in Duitsland bevinden van de Nazi’s. Het nationaalsocialisme beschouwde niet alleen democratie en kapitalisme als vijand maar ook het communisme. Duitse burgers die zich openlijk verzette tegen de nazi’s, kregen de maken met geweld en terreur door de geheime staatspolitie en de knokploegen van de nazi’s.



Kenmerkend voor het nationaalsocialisme is het extreme antisemitisme. Haat tegen Joodse inwoners was een veelvoorkomend verschijnsel in Europa, maar Hitler voegde er racisme aan toe. Hij stelde dat er wezenlijke verschillen bestonden tussen menselijke rassen en dat ze daarom anders behandeld moesten worden (discriminatie). Het Arische ras stond volgens hem bovenaan en zigeuners en Joden behoorden bij lagere rassen.



Joden werden in Hitler’s propaganda beschuldigd dat ze grote invloed hadden op het kapitalistische systeem. Daardoor zouden dus ook economische problemen zijn in Duitsland.



In de Neurenberger wetten van 1935 werd besloten dat Joden niet mochten trouwen met niet-Joden. Ook verloren Joden hun burgerrechten. In de nacht van 9 op 10 november 1938 deden de nazi’s een georganiseerde aanval op Joden in heel Duitsland. In deze ‘Kristallnacht’ werden honderden synagogen, winkels en huizen aangevallen en in brand gestoken en er vielen tientallen Joodse slachtoffers.



Een groot deel van de Duitse bevolking had enorme waardering voor Hitlers daadkracht, ondanks dat Duitsland onder zijn leiding van een totalitaire staat was geworden.



Fascisme in Europa



Hitlers nazibewind stond niet op zichzelf. Het was een uiting van een veelvoorkomend verschijnsel in de periode na de Eerste Wereldoorlog: het fascisme.



Na de Eerste Wereldoorlog verloren veel mensen in Europa hun vertrouwen in de democratie en het kapitalisme. En in het begin van de jaren 20 waren er ook economische problemen. Mensen kregen hierdoor het gevoel dat parlementaire democratie en economisch liberalisme tot onmacht leidden. In Duitsland en Italië, beide verliezers van de Eerste Wereldoorlog, hadden de democratische regeringen vernederende vredesverdragen moeten tekenen. Mensen waren ook bang voor het communistische Rusland en ze vreesden dat het communisme ook in andere landen voet aan de grond zou krijgen.



De fascistische beweging begon in Italië. In oktober 1922 trok er een mars door Rome en daarbij werd er een staatsgreep gepleegd onder de leiding van Benito Mussolini. Hij kreeg de opdracht om een nieuwe regering te maken en vanaf 1926 was hij de dictator van het land. Hij beloofde de werkeloosheid op te lossen en hij herinnerde de Italianen aan hun machtige verleden: het Romeinse Rijk. Aan de Romeinse fasces (bijl) is het woord fascisme afgeleid.



Het Italiaans fascisme was dus een voorbeeld in Europa want in 1928 nam een fascistische generaal de macht over in Portugal en ook Hitler ontleende veel van het Italiaans fascisme. Hij voegde er wel de rassenleer en het antisemitisme aan toe.



Na Italië en Duitsland was Spanje het derde grote Europese land waar fascisten de macht overnamen. Dat gebeurde tijdens de bloedige Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Rechtse groepen onder leiding van generaal Francisco Franco vochten tegen de democratisch gekozen Spaanse regering van onder meer sociaaldemocraten en communisten. De strijd had verschillende redenen:





  • Linkse regering had landbouwgrond onteigend om de economie erbovenop te helpen




  • De regering beperkte de macht van de rooms-katholieke kerk en bezuinigde op leger uitgaven




  • De regering gaf Baskenland en Catalonië veel zelfstandigheid





Franco meende dat Spanje uit elkaar zou vallen door de regering en ontketende de opstand.



De burgeroorlog was een soort proeftuin voor de Tweede Wereldoorlog want andere Europese landen gingen zich ermee bemoeien. Hitler en Mussolini steunden Franco en de Sovjet Unie leverde wapens en goederen aan de linkse regering. Engeland en Frankrijk hielden zich afzijdig. De Spaanse burgeroorlog werd gewonnen door Franco in 1939. En Spanje zou een fascistische dictatuur blijven tot de dood van Franco in 1975.







§2 De Duitse bezetting



Onder Duits gezag



De verplichte ondertekening van de ariërverklaring was een van de eerste maatregelen die de Duitsers in Nederland namen, nadat ze op 10 mei 1940 waren binnengevallen en de macht overnamen. Hoewel de meeste ambtenaren het niet eens waren met de bezetting, probeerden ze zich zo goed mogelijk aan te passen aan de situatie. Vandaar dat bijna iedereen een handtekening zette onder de verklaring.



De Duitse bezetting duurde van 1940 tot 1945 en had grote gevolgen:





  1. Politieke gevolgen: Op 29 mei 1940 benoemde Hitler Arthur Seyss-Inquart tot “rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied”. Hierdoor kreeg Seyss-Inquart alle macht in handen. Hij maakt van ons land een dictatuur. Zo verbood hij in 1941 alle politieke partijen behalve de NSB (NationaalSocialistische Beweging) opgericht door Anton Mussert.




  2. Economische gevolgen: Nederlandse mannen moesten gedwongen in Duitsland gaan werken in de oorlogseconomie. Veel Duitsers vochten namelijk in het leger en de lege plekken moesten worden opgevuld door 600.000 Nederlanders. Hierdoor kon de Duitse economie blijven draaien en was de Nederlandse economie hier de dupe van. Want Nederlandse fabrieken mistten hun arbeiders. En ook werden noodzakelijke grondstoffen door de bezetter opgeëist. De bezetter roofde als het ware de Nederlandse economie leeg.




  3. Culturele gevolgen: De nazi’s probeerden op allerlei manieren de ideeën van het nationaalsocialisme onder de bevolking te verspreiden. Dit betekende geen persvrijheid en propaganda was de orde van de dag. Deze nazificatie mislukte voor het grootste deel.




  4. Jodenvervolging: Joden mochten in het begin van de bezetting geen beroep meer uitoefenen, ze kregen een reisverbod, mochten niet naar de bioscoop en ze mochten niet meer in het park wandelen. In januari 1941 moesten alle Joden zich laten registreren. En begin mei 1942 moest iedere Jood een zogenaamde Jodenster dragen. Weinigen zagen in deze maatregelen de ideeën van het geheime plan om de Joodse bevolking uit te roeien.





Nederlanders probeerden zich net als de ambtenaren zich zo goed mogelijk aan te passen aan de Duitse bezetting. Dit wordt ook wel accommodatie genoemd.



Er was geen massaal verzet tegen de Duitse bezetting. De vorm van verzet die er was was het niet meewerken aan de Duitse regels, vervalsen van persoonsbewijzen, helpen van onderduikers en soms plegen van aanslagen op de bezetter. Het enige grote verzet was de Februaristaking van 1941 op 25 en 26 februari. Duizenden mensen in Amsterdam staakten tegen het oppakken en wegvoeren van de Joden. De Duitsers grepen hard in.



Behalve accommodatie en verzet was er ook collaboratie. Dat was het samenwerken met de Duitse bezetter. Een aantal NSB’ers werd burgemeester en hoewel het aantal leden van de NSB steeg is de collaboratie in Nederland nooit groot geweest.



Op weg naar de oorlog



De Duitse bezetting van Nederland was deel van een plan om heel Europa te bezetten. De uitvoering begon op 1 september 1939 toen Duitsland Polen binnenviel. Dat was het begin van de Tweede Wereldoorlog. Dit leidde tot een Blitzkrieg (bliksem oorlog), want Hitler bezette binnen één jaar een groot deel van Europa. Dit komt door de enorme ambities van Hitler en de enorme afwachtendheid en voorzichtigheid van andere regeringsleiders. Hitler wilde meer Lebensraum voor de Duitssprekende mensen en wilde dus een groot rijk. Met de Anschluss in maart 1938 krijg hij dat voor een deel voor elkaar, want Oostenrijk werd bij nazi-Duitsland gevoegd.



Frankrijk en Engeland lieten Hitler steeds hun gang gaan en ze gaven de hele tijd toe. In de hoop een oorlog te voorkomen. Ze voerden een appeasementpolitiek.



Het duidelijkste voorbeeld daarvan was de afloop van de ‘kwestie’ Sudetenland. Er woonden veel Duitssprekende mensen maar het was door het Verdrag van Versailles bij Tsjecho-Slowakije terecht gekomen. En de regering van Tsjecho-Slowakije wilde het gebied niet kwijt door de hulpbronnen en door de verdedigingslinie. Uiteindelijk regelden de leiders van nazi-Duitsland, Engeland, Frankrijk en Italië de kwestie tijdens de conferentie van München in 1938. Hitler kreeg zijn zin en mocht Sudetenland inlijven in ruil voor vredesgaranties.



De appeasementpolitiek is later negatief beoordeeld omdat Hitler zich helemaal niet aan de afspraken hield. In maart 1939 kreeg hij heel Tsjecho-Slowakije in zijn macht en toen hij vervolgens ook Polen binnenviel moesten Engeland en Frankrijk wel de oorlog verklaren aan Duitsland.





§3 De overwinning van de geallieerden



Een ommekeer in de oorlog



De Conferentie van Teheran vormde een keerpunt in de relatie tussen de VS, de SU en GB. Dit kwam door 2 gebeurtenissen in 1941:





  • De Duitse inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941, dit was een schending van het niet-aanvalsverdrag dat Hitler in de zomer van 1939 met Stalin had gesloten. Vanaf nu waren Duitsland en de Sovjet-Unie met elkaar in oorlog.




  • De Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor op 7 december 1941. De Amerikaanse president Roosevelt verklaarde Japan direct de oorlog. En als bondgenoot van Japan besloot Hitler de Verenigde Staten de oorlog te verklaren.





Door de deelname van de SU en de VS keerden de kansen. Tot 1942 boekten de Duitsers en de Japanners de ene overwinning na de ander. Maar dat veranderde. De Russen boden stevige weerstand tegen Duitsland, ze verloren dan wel veel manschappen maar ze wonnen de Slag bij Stalingrad, en dat was een belangrijke strategische overwinning. Hitler kon niet verder naar het oosten en moest zich terugtrekken.



De deelname van de VS was van grote invloed op de situatie aan het westfront. In de vroege morgen van 6 juni 1944 probeerden ruim 150.000 Amerikaanse, Canadese en Britse soldaten op de stranden van het Franse Normandië een doorbraak te forceren. Hiermee kwamen Churchill en Roosevelt hun belofte aan Stalin na. Deze riskante invasie zou de geschiedenis ingaan als D-Day (Decision Day). In de opmars lukte het de geallieerden de nazi’s uit het westen terug te drijven. Na dit succes werd duidelijk dat Duitsland de oorlog zou verliezen en op 8 mei 1945 gaf nazi-Duitsland zich over en was de oorlog in Europa voorbij.



Maar de oorlog was nog niet afgelopen. Japan was niet van plan zich over te geven en de Amerikanen zagen op tegen een veroveringsoorlog, waarbij velen zouden sterven. En daarom koos de opvolger van Roosevelt (die in april 1945 is overleden), Harry Truman, voor het inzetten van een massavernietigingswapen: de in het geheim ontwikkelde atoombom. De stad Hiroshima was het eerste doelwit en werd op 6 augustus 1945 afgeworpen. Toen de Japanse keizer Hirohito zich niet overgaf, werd er een tweede atoombom afgeworpen op Nagasaki. Daarop besloot de keizer de strijd te staken en was op 15 augustus 1945 ook de oorlog in Azië voorbij.



De oorlog had de machtsverhoudingen in de wereld veranderd. Duitsland, Italië en Japan waren verslagen en zo kwam er meteen een einde aan het fascisme. Het kapitalistische Amerika en de communistische Sovjet-Unie bleven over.



De Holocaust



Meer dan 50 miljoen burgers en soldaten waren tijdens de oorlog omgekomen en er is veel schade aangericht. Bovendien werden in Duitsland en Polen concentratiekampen ontdekt waarin de nazi’s systematisch miljoenen Joden hadden vermoord.



De moord op de Joden, 6 miljoen in totaal, lag in het verlengde van de maatregelen die Hitler had genomen tegen de Joden. Maar Hitler had toen hij aan de macht kwam in 1933 geen plannen over het uitroeien van de Joden. Het plan was om ze op te pakken en gevangen te zetten in concentratiekampen, maar dit bleek een te moeilijke klus. Ook het doodschieten van Oost-Europese Joden kostte veel tijd en munitie.



En daarom kwamen in januari 1942 15 belangrijke nazi’s bijeen bij de Wannseeconferentie. Hier maakten zij afspraken over de Endlösung (de definitieve oplossing) van het ‘Jodenprobleem’. Men besloot 5 kampen in te richten als een soort fabrieken om zo de Joden door middel van vergassing om het leven te brengen. Dit waren: Auschwitz, Chelmno, Belzec, Sobibor en Treblinka.



Na de conferentie werd meteen een begin gemaakt aan het bouwen van gaskamers en het oppakken en vervoeren van Joden. Het vervoeren ging door middel van veetreinen waar ze met soms wel 100 man in 1 wagon werden gedaan. Vele haalden het kamp niet eens. En eenmaal aangekomen bij het kamp werd een deel al direct vergast, maar gezonde, jonge en sterken mannen en vrouwen moesten dwangarbeid doen. Het werk was verschillend en vaak moesten er producten worden gemaakt voor Duitse bedrijven.



Op deze manier pleegden de Duitsers de grootste volkenmoord uit de geschiedenis.



Vlak na de oorlog was er weinig aandacht voor de Joden maar vanaf de jaren ‘60 kwam daar verandering in. In 1961-1962 moest Adolf Eichmann zich tijdens een proces verantwoorden voor zijn daden. Hij was verantwoordelijk geweest voor de transporten van de Joden naar de kampen. Aan het eind van de jaren ‘70 confronteerde de televisieserie Holocaust miljoenen kijkers over de wereld met de geschiedenis van de Jodenvervolging.



De term Holocaust (oud-Grieks voor brandoffer) zou een begrip worden, al geven sommigen de voorkeur aan het Jiddische woord Shoa (vernietiging).







§4 Nationalisme in de koloniën



De strijd tegen koloniale overheersing



Met de oprichting van de Vietminh in 1941 was er een nationalistische beweging ontstaan. De Franse kolonie Indochina zou moeten verdwijnen en de Vietnamese bevolking zou zelf het bestuur in handen moeten nemen.



Dit verzet tegen de koloniale overheersing was er niet alleen in Vietnam maar ook in andere koloniën kwamen er nationalistische bewegingen op. Eerst in Azië en later ook in Afrika. Veel van deze bewegingen groeiden uit tot politieke partijen. In Brits-Indië was in 1885 de Congrespartij opgericht onder leiding van Mahatma Gandhi. Het was de eerste politieke partij in een kolonie. Gandhi streed zijn hele leven lang op een geweldloze manier voor een rechtvaardige samenleving en voor de onafhankelijkheid van Brits-Indië. In Nederlands-Indië waren er ook nationalistische bewegingen. Vooral de Partai Nasional Indonesia (PNI), opgericht in 1927 onder leiding van Soekarno, zou een grote rol spelen om de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië.



Redenen hoe nationalistische bewegingen streden voor onafhankelijkheid en gelijkheid





  • Veel nationalistische bewegingen streden voor gelijkwaardige behandeling. De bewoners werden als tweederangsburgers behandelt. De strijd voor gelijkwaardigheid vertoonde veel overeenkomsten met het communisme. Veel nationalistische bewegingen hadden dan ook communistische leiders, zoals Ho Chi Minh.




  • Succesvolle nationalistische leiders moesten een aansprekende leider hebben. Ho Chi Minh, Soekarno en Gandhi waren dat. Ze waren in staat om burgers te overtuigen. Dat deden ze ook door middel van communicatiemiddelen als radio en film. Daardoor werden ideeën bekend bij de bevolking.




  • Door de idealen waren er regelmatig spanningen tussen de nationalistische leider en de koloniale bestuurders. De Europeanen wilden het nationalisme tegenhouden door de leiders op te pakken, maar hierdoor werden de bewegingen alleen maar populairder.





Tijdens de Tweede Wereldoorlog veroverde Japan grote delen van Europese koloniën. Dit maakte enorme indruk. Europese landen werden binnen de kortste tijd verpletterd en verslagen en raakte de macht over de koloniën kwijt. Hierdoor nam het nationalisme in de koloniën nog veel meer toe. Soekarno was zelfs bereid om in de oorlog samen te werken met de Japanners om zo op die manier onafhankelijk te worden.



De oorzaken van het antikolonialisme



Vanaf de jaren ‘20 werd de kritiek op het kolonialisme steeds groter en werden nationalistische bewegingen dus steeds populairder. Daar nu op terugkijkend waren een aantal oorzaken voor. En sommigen waren al in de 19e eeuw ontstaan:





  • Er was sprake van economische uitbuiting van de bevolking in de koloniën. Mensen moesten hard werken voor weinig loon. Europese landen hadden grondstoffen nodig voor hun industrie die ze zelf niet hadden. De koloniën moesten deze grondstoffen als rubber en katoen leveren. Dit was ten koste van de rijstoogst en leidde tot hongersnoden.




  • De bevolking had geen inspraak in het bestuur. Er waren wel voorzichtige stappen in die richting, zoals de Volksraad van 1918 in Nederlands-Indië, maar echte macht hadden ze niet. De echte beslissingen kwamen uit Europa.




  • Onderwijs speelde een grote rol bij het ontstaan van nationalistische bewegingen. Koloniale bestuurders gingen in Europa naar school voor een opleiding en ze kwamen daar in aanraking met nationalisme en democratie.




  • De houding van de VS en de SU was in strijd met die van de meeste Europese landen. Beide landen waren namelijk tegen kolonialisme. De Russen waren van mening dat het hebben van koloniën een typisch kapitalistisch verschijnsel was. Ook de Amerikanen waren tegen, omdat zij vonden dat elk volk het recht had om een eigen toekomst te bepalen. Dit zelfbeschikkingsrecht was na de Eerste Wereldoorlog geformuleerd door president Woodrow Wilson.





Woodrow Wilson nam het zelfbeschikkingsrecht op in zijn zogenaamde ‘Veertien Punten’, die de basis van een vreedzame wereld moesten leggen.



Het principe van zelfbeschikkingsrecht klonk de koloniën als muziek in de oren, maar na de Tweede Wereldoorlog dachten de Europese landen daar anders over en waren ze nog niet bereid hun koloniën op te geven.



KENMERKENDE ASPECTEN:





  • Het in de praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme




  • De rol van moderne propgaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie




  • Het voeren van twee wereldoorlogen




  • Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering




  • Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme




  • Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de Joden




  • De Duitse bezetting van Nederland







Hoofdstuk 14 Vrijheid en democratie



Vrijheidsrechten (p. 277) -> rechten die garanderen dat mensen vrij zijn van ongewenste bemoeienis met hun leven door personen of de staat. Iets wat we zo’n 150 jaar geleden nog niet kenden en de slavernij werd afgeschaft. Want slavernij is het tegenovergestelde van vrijheid.



Vrijheid van drukpers (p.279) -> Belangrijk grondrecht en voorbeeld van een vrijheidsrecht, dat garandeert dat mensen onder bepaalde voorwaarden vrijheid van meningsuiting hebben.



Patriotten gaven aan het einde van de 18e eeuw het begrip ‘vrijheid’ een nieuwe betekenis. In hun pamfletten en krantjes streden ze voor persvrijheid, voor de individuele vrijheid om je mening te uiten. Ook streden ze, net als de Amerikaanse opstandelingen, voor een representatieve democratie, gebaseerd op het idee van volkssoevereiniteit. In 1798 kwam er zelfs voor korte tijd een zeer democratische grondwet. Nederland werd toen een eenheidsstaat en allerlei belangrijke democratische rechten werden vastgelegd. Dat duurde niet lang, want Napoleon vond het bestuur niet effectief genoeg. Na de Franse tijd ontstond het Koninkrijk der Nederlanden, in 1814. In 1848 gaf de koning toe aan de revolutionaire wensen van het parlement en liet hij een grondwet opstellen waarin veel vrijheden werden opgenomen, zoals vrijheid van drukpers en vrijheid van vereniging en vergadering.



14.3.2 (p.290) Verzuiling en fascistische verleiding -> uit boek leren, te lui om te typen



Rechtstaat (begrippenlijst p.305) -> Staat waarin de vrijheidsrechten van de inwoners worden gerespecteerd en de staatsmacht aan banden wordt gelegd door wetten.



Populisme (begrippenlijst p.305) -> Stroming die politieke ideeën baseert op de bij ‘gewone mensen’ levende onvrede, meestal over de afstand van de burger tot de politiek.





 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.