Hoofdstuk 1
1.1 De Nederlandse Opstand en de Republiek
1581 > de opstandige Nederlandse gewesten zetten de Spaanse koning Filips II af.
Deze opstand was uitgebroken door twee redenen:
- Privileges, rechten die graven en hertogen in de middeleeuwen aan de lagere adel, steden en gewesten had gegeven. Door deze rechten hadden ze allemaal hun eigen recht en bestuur. Grote zelfstandigheid. Filips II wilde een centraal bestuur. Daardoor hadden gewesten beperkte zelfstandigheid maar door de opstand bleven veel privileges toch bestaan.
- Godsdienst, Filips wilde het katholieke geloof beschermen en het protestantisme uitroeien. Hij stond op tegen het Calvinisme maar dit werd niet geaccepteerd omdat de Nederlandse Elite een godsdienstige tolerantie wilde. 1579, opstandelingen vormden een militair genootschap tegen Filips. Calvinisme werd toch de officiele godsdienst, nooit meer dan 55% van de bevolking.
Geen rechtsgelijkheid, er was verschil qua regels tussen het plattenland en de steden, en ook tussen steden zelf waren er nog grote verschillen.
De Staten> hoogste bestuur, hier regelden gewesten en steden hun gemeenschappelijke zaken. De verschillende gewesten kwamen samen in de Staten-Generaal, hierin maakten zij afspraken over wat ze samen moesten doen zoals de defensie en buitenlandse politiek.
Nederland was niet helemaal democratisch omdat vooraanstaande families de meeste macht hadden.
1.2 De democratische revolutie
Vanaf 1760 ->verlichting in Europa, kwam voort uit wetenschappelijke revolutie:
- Zij vonden dat de wetenschappelijke manier van onderzoeken gebruikt kon worden voor de hele maatschappij
- Alles kon begrepen worden met het gezonde verstand.
- Grote vooruitgang
- Ze dachten na over geld, economie en politiek.
Bataavse revolutie, drie belangrijke denkers:
- Locke, hij vondt dat ieder mens een paar rechten had (vrijheid, geluk etc) en de regering moest ervoor zorgen dat iedereen die rechten had en moest daarom een contract maken met de samenleving.
- Montesquieu, bedenker van Trias Politica. Zorgde voor machtverdeling, meest eerlijk.
- Rousseau, democratie. Hij vond dat er een gekozen volksvertegenwoordiger moest komen die de wil van het volk zou uitvoeren.
1775 - 1783 Amerikaanse Revolutie
Dertien Engelse kolonien die vonden dat ze meer inspraak moesten hebben. Zij betaalden geen belasting meer als ze niet vertegenwoordigt werden in het bestuur en dat leidden tot een onafhankelijkheid.
Inspiratie voorpatriotten. Steeds meer Nederlanden kregen kritiek op het bestuur. Zij wilden dat er meer invloed kwam voor het volk door het idee van Rousseau. Stadhouder en regenten moesten minder macht krijgen.
1785 - 1787 Onrust in de republiek
Er braken kleine rellen en opstanden uit. Patriotten krijgen steeds meer macht waardoor een strijd uitbarst tussen de patriotten en orangisten. Duits leger (door Pruisen) werd er opaf gestuurd en dat zorgde ervoor dat veel patriotten naar Frankrijk vluchtten. Daar sloegen de ideen van de verlichting ook erg aan en dat zorgde voor de Franse Revolutie in 1789.
In 1795 keerden de patriotten terug naar Nederland met een Frans leger --> patriotten nemen de macht over en stadshouder vlucht naar engeland -->Bataafse revolutie --> kenmerken Bataafse republiek:
- gelijkheid voor de wet
- godsdienstvrijheid
- volksvertegenwoordiging: nationale vergadering (1795)
- grondwet: eenheidsstaat, algemeen mannenkiesrecht (1798)
Napoleon, 1801 staatsgreep, 1806 Lodewijk Napoleon koning, 1810 NL onderdeel Frankrijk
1.3 Koninkrijk der Nederlanden
Macht van de koning werd beperkt, volk kreeg meer invloed. Vanaf 1815 is Napoleon officieel verslagen en gebeurt het omgekeerde. Vorsten gaan proberen hun macht weer terug te pakken. Willem I, zoon van Willem V wordt eerste koning van Koninkrijk der Nederlanden.
Constitutionele monarchie: grondwet, koning. Willem I kon het parlement ontbinden, ministers benoemen. Hij had dus in principe alle macht -->paternalisme, hij dacht dat het goed was voor het volk. Grootste deel van de bevolking vond het wel prima zo omdat het zorgde voor rust en orde, geen behoefte aan democratie.
19e eeuw, Industriele revolutie zorgt voor groei van de economie. Veranderde veel in het zuidelijke deel, nu Belgie. Zij willen onafhankelijk worden en dat zorgt voor Belgie, maar ook een slechte economie in Nederland, omdat zij niet echt ontwikkelden en dat zorgde voor kritiek.
Liberalisme, politieke stroming:
- Stonden voor vrijheid van het individu
- Wanneer iemand vrij is kan iemand zich het beste ontplooien.
- Politiek: de vrijheid moet gegarandeerd worden, macht van de koning moet beperkt worden, rechten moet gegarandeerd worden, gelijkheid voor de wet en volksvertegenwoordiging moet de koning controleren
- Economie: particulier bezit is belangrijk, regering moet zich zo weinig modig met de economie bemoeien en er moet vrijhandel zijn.
1.4 Grondwet van 1848
In 1848 wordt de grondwet gewijzigd door Thorbecke. Hij kreeg steeds meer kritiek op het beleid van de koning en het paternalisme. Het ging steeds slechter met de nijverheid en de handel, en hij vond dat het volk meer invloed moest krijgen op het bestuurd.
1848 = revolutiejaar. Veel burgeropstanden (Parijs, Berlijn, Wenen) volk wilde meer invloed
Willem de tweede zag dit gebeuren en werd bang, dus riep de hulp van Thorbecke in en liet hem de grondwet wijzigen:
- Koning bleef lid van de regering maar werd wel onschendbaar. Als er iets fout ging kon hij de schuld niet krijgen
- Ministers kregen meer verantwoordlijkheid, kregen meer macht.
- Parlement bleef bestaan uit Eerste en Tweede kamer maar werd nniet meer door de koning samengesteld. Eerste kamer werd door Provinciale Staten en Tweede Kamer werd door het volk zelf (er kwamen dus verkiezingen). Tweede kamer mocht ook ministers ontslaan.
- Klassieke grondrechten werden uitgebreid, vrijheid van godsdient, meningsuiting, drukpers, onderwijs en verenining en vergadering.
Censuskiesrecht: je mocht alleen stemmen als je een bepaald bedrag aan belasting betaalde. GEEN DEMOCRATIE drie klassen: gegoede burgerij, kleine burgerij, arbeidersklasse.
Alleen een deel van de gegoede burgerij mocht stemmen, alleen mannen.
Hoofdstuk 2
2.1 Het liberale tijdperk
Door de grondwetwijziging en door de opkomst van de industriele samenleving verandert de politiek. De tweede kamer heeft de meeste invloed op de politiek gekregen:
Conservatieven: samenleving behouden
- Confessionele: samenleving op basis van geloof
Liberalen: individuele vrijheid
- Socialisten: verbetering van het lot van de arbeiders
Weinig tegenstellingen tussen de kamerleden ookal waren ze heel verschillend. Dat had verschillende redenen:
Er waren geen politieke partijen, iedereen kwam op voor zichzelf en hoefde niet het belang van een partij te vertegenwoordigen
Districtenstelsel, bij verkiezingen werd Nederland verdeeld in kiesdistricten. Elk district mocht 1 lid voor de kamer leveren
- Censuskiesrecht, alleen leden van de gegoede burgerij kwamen in de Tweede Kamer en die hadden allemaal min of meer dezelfde achtergrond
2.2 De Confessionelen
Doel = samenleving gebaseerd om de christelijke normen en waarden
Protestant, leider Abraham Kuyper:
Anti revolutionair, ze keerden zich tegen Franse revolutie omdat zij vonden dat die revolutie eigen verklaarde dat God er niet meer echt toe deed. Volgens hem was men ondergeschikt aan god en moest de bijbel de politiek leiden
Schoolstrijd, er is vrijheid van onderwijs maar bijzondere scholen kregen geen subsidie en normale openbare scholen wel. Liberalen vonden dat goed omdat openbare het beste waren omdat die kinderen verlicht zouden opleiden. Gelovigen waren het er niet mee eens omdat ze het belangrijk vonden dat kinderen gelovig werden opgeleid. Hij ging handtekeningen verzamelen, het hielp niet maar hij kkwam er wel achter dat hij de bevolking om hulp kon vragen ---> verzuiling = samenleving wordt georganiseerd in eigen "zuilen" die hun eigen scholen, omroepen etc hadden, die werelden opzich vormden, je leeft zo veel mogelijk met je eigen groep.
1879 ARP, eerste politieke partij: soevereiniteit in eigen kring, overheid moest zich minder bemoeien, kringen moesten meer ove rzichzelf beslissen zonder veel invloed van de politiek omdat ze hun gezag niet van politiek moesten krijgen mar van God
Katholieken, leider Herman Schaepman:
Voelden zich nog steeds achtergesteld, Schaepman ging vechten voor emancipatie
- Katholieken arbeiders moesten beschermd worden tegen liberalisme en socialisme.
- Dit leidde tot Katholieke verzuiling, zij gingen ook de schoolstrijd steunen.
- 1916 RKSP, subsidiariteitsbegisnel. Overheid moest waar nodig was bijspringen maar niet teveel bemoeien. Wel meer voor de overheid dan de protestanten.
2.3 Socialisten
Vanaf 1870 > industriele samenleving in Nederland. Negatief gevolg is de sociale kwestie: Nederlandse aerbeiders moesten heel hard werken voor weinig, gevaarlijk en ongezond werk. Karl Marx legde in een boek het socialisme/marxxisme uit: arbeiders moesten gelijke rechten krijgen en betere rechten krijgen. Twee stromen:
Comunisme wilde verbeteringen op radicale manier. Omverwerping van het kapitalisme op geweldadige manier
Sociaaldemocraten wilden gebruik maken van de democratie. Kiesrecht moest uitgebred worden zodat de arbeiders ook invloed hadden.
1881 SDB > Nieuwenhuis was tegen de 5 k's: kapitalisme, kazerne (leger), koning, kerk, kroeg.
Hij maakte veel propogandetochten om het volk te overtuigen. hij was een echte volksleider en kreeg succes. hij krijg niet alleen arbeiders achter zich maar ook mensen ui tde burgerij. Hij werd lid van de tweede kamer (1888) maar dat was geen succes en besloot daarna niet meer mee toe doen, daardoor werd de partij steeds radicaler > anarchie.
1894 SDAP > sociaaldemocratie, Troelstra.Was het niet eens met de anarchie en richtte zijn eigen partij op. Veel gematigder. Sociale wetgeving door middel van uitbreiding kiesrecht
2.4 Naar het algemeen kiesrecht
Vanaf 1870 zijn er drie grote kwesties in Neerland:
kiesrechtkwestie, algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. socialisten, links liberalen, links protestanten, feministen/ conservatieve liberalen en confessionelen
schoolstrijd, financiele gelijkstelling tussen bijzondere en openbare scholen confssionelen / liberalen (onderwijs moest neutraal zijn)
- scoiale kwestie, verbetering van de leef en werkomstandigheden van de arbeidersklasse
socialisten, links liberalen, links protestanten / conservatieve liberalen & confessionelen
1917 > pacificatie, grondwetswijziging. Er komt algemeen mannenkiesrecht, passief vrouwenkiesrecht, allebei de scholen worden gelijk behandeld
Vanaf 1900 toenemende sociale wetgeving
Hoofdstuk 3
3.1 Verzuiling en crisis
Gevolgen van de pacificatie in 1917:
Districtenstelsel wordt afgeschaft. Er komt een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, het maakte niet meer uit waar je woonde, je kon op iedereen stemmen. Dat zorgde er ook voor dat de individuele politicus minder macht kreeg.
1919, vrouwen kiesrecht. De politieke verhoudingen veranderden. Confessionelen meeste stemmen.
1918 Troelstra's vergissing: hoopte dat er een arbeidersrevolutie zou komen, raakte geïnspireerd door de Russische revolutie (1917). Hij eiste dat de arbeiders de macht zouden krijngen. hij verwachtte dat de arbeiders massaal de straat op zouden gaan maar dat gebeurde niet, ze steunden juist de koningin.
1917 verzuiling definitief: de confessionelen hadden zich helemaal terug getrokken binnen hun eigen groep. Ze hadden hun eigen politieke partijen en omroepen, scholen, kranten, verenigen etc. Socialisten waren minder verzuild. Liberalen waren niet verzuild, vonden zichzelf meer algemeen. Weinig contact met mensen uit een andere zuil. Veel positieve gevolgen:
weinig aanhang radicale stromingen, want iedere Nederlander bleef bij zijn eigen zuil
1940 - 1945 Duitse bezetting maakt een einde aan democratie en rechtsstaat. Burgers worden niet langer door de grondwet beschermd worden (Jodenvervolging, verzet) mensen konden zomaar opgepakt worden wat betekent dat er geen rechtsstaat is en alle partijen werden verboden dus ook geen democratie.
3.2 Naoorlogse zekerheid
Duitse bezetting had gezorgd voor een gevoel van nationale eenheid omdat de Duitsers een gemeenschappelijke vijand was, daardoor wilden mensen de verzuiling doorbreken > 1945 NVB Nationale Volks Beweging.
PvdA (1946) bestond uit SDAP VDB & CDU, drie stromingen die samen gingen werken om de verzuiling te doorbreken. Socialistische partij maar wel gematigd. Meer gelijkheid in de samenleving.
De doorbraak mislukt door een aantal redenen:
Confessionele leiders (katholieken) waarschuwden voor socialisme > KVP Katholieke Volkspartij
Links liberalen uit de VDB vonden de PvdA te socialistisch en besloten een nieuwe partij op te richten VVD
1946 - 1958 KVP en PvdA vormen een rooms-rode (rooms katholiek van KVP en rood van de socialistische kleur) regering, die zorgt voor een verzorgingsstaat. Willem Drees, minister president, de staat gaat de zwakkere bevolking "verzorgen". Veel Nederlanders waren hier zeer tevreden over.
3.3 Ontzuiling en verdere democratisering
Jaren 60 > grote sociale culturele veranderingen die een einde maken aan de verzuiling:
Opkomst jongerenculturen, jongeren kregen veel kritiek op de maatschappij. Ze gingen demonstreren, debatgroepen, pamfletten, tijdschriften. Er ontstond een generatieconflict.
Ontkerkelijking, de invloed van de kerk neemt af.
Individualisering, tweede feministische golf, vrouwen voelden zich niet gelijk aan mannen, wilden gelijke kansen en baas over eigen buik. Ander voorbeeld is de toenemende mobiliteit, meer gezinnen kregen een auto en jongeren konden een brommer kopen. ze bleven minder in hun eigen dorp maar gingen meer reizen en kwamen in aanraking met andere ideeen. Dat kwam ook door bijvorbeeld de televisie.
Gevolgen van de ontzuiling:
Confessionelen raken hun macht kwijt
Meerdere nieuwe partijen, maakt het lastig om een stabiele regering te vormen
Gezag van de politiek is niet meer vanzelfsprekend
Belangrijke nieuwe partijen:
D66 1966, opgericht door jongere mensen. Willen vernieuwing van het politieke stelsel, terug naar het districtenstelsel, minister president moet gekozen worden en een gekozen burgenmeester.
CDA, gevolg van de ontkerkelijking, samenvoeging van confessionele partijen zodat ze samen sterker staan
REACTIES
1 seconde geleden