Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 1, 2 en 3

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3087 woorden
  • 2 januari 2013
  • 89 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 89 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

De tijd van jagers en boeren


Inleiding


In de 19e eeuw werden vondsten gedaan van menselijke botten. Een geleerde zei hierover dat ze van een barbaarse voorouder van de mens waren. Door anderen werd dit ontkracht – omdat het in die tijd ongebruikelijk was te stellen dat de mens, geschept door god, er ooit anders uit had gezien. Zij zeiden dat het ging om een misvormd mens. Deze ‘voorouder’ van de mens zou later naar de vindplaats neanderthaler genoemd worden. Een paar jaar later stelde Charles Darwin in zijn boek dat de dieren een ‘product’ waren van een geëvolueerd ras, en zo volgde later ook deze gedachte over de mens. Zo’n 6 miljoen jaar geleden splitste de mens zich af van de Chimpansee, en tot 200.000 voor Christus hebben de mens en de neanderthaler dezelfde voorouders gehad. De neanderthaler stierf uit, de mens ontwikkelde zich op alle vlakken verder. Biologisch, maar ook cultureel door bv. godsdienst.


De prehistorie duurt tot 3000 voor Christus en is de tijd waaruit geen geschreven documenten zijn. Ingedeeld in tien tijdvakken is het de tijd van jagers en boeren. Een andere indeling is de oude steentijd (tot 10.000 voor Christus) en de nieuwe steentijd, erna.  Vanaf 100.000 voor Christus is de mens zich gaan verspreiden vanuit Afrika en leefde door rond te reizen, hun middelen van bestaan: voedsel verzamelen, jagen en vissen. Rond 35.000 voor Christus ontstonden de homo sapiens, met vrijwel dezelfde kenmerken als de mens nu. Omstreeks 10.000 was de agrarische revolutie, waardoor mensen op een vaste plek bleven en gingen leven van de landbouw. Dit verspreidde zich langzaam over de wereld en er ontstonden dorpen en steden. Na de laatste ijstijd in Europa (30.000-10.000 voor Christus) kwam ook daar landbouw. In ‘Nederland’ kwamen toen bossen en moerasachtige gebieden. Uit de hunebedden (grafkamers voor belangrijke mensen) bleek dat men geloofde in een hiernamaals en deed aan voorouderverering.


Paragraaf 1.1


Door vondsten gaan we ervan uit dat de prehistorische mens leefde in een samenleving van jager-verzamelaars. De mannen joegen, de vrouwen verzamelden eten en zorgden voor de kinderen en de groep van 10-25 personen ging weer weg als het eten op was. Ze hadden veel kennis van de natuur nodig. Van allerlei materialen maakten ze werktuigen. Ook zijn er beeldjes en schilderingen gevonden, waarvan de betekenis niet bekend is.


Paragraaf 1.2


Rond 10.000 voor Christus veranderde de levenswijze van jagen en verzamelen in landbouw. Ondanks dat dit duizenden jaren duurde is het een revolutie: de verandering was heel ingrijpend. In de vruchtbare halvemaan begon de landbouwrevolutie door het planten van de in het wild groeiende granen. Deze agrarische producten waren een aanvulling, tot de oogsten door gewasverdeling zo groot werden dat ze ervan konden leven. Ook begonnen ze met veeteelt en zo werd de natuurlijke omgeving in cultuur gebracht, er was minder afhankelijkheid van wat ze vonden. In de landbouwsamenleving werden nieuwe ontdekkingen gedaan: het wiel en de ploeg (niet alleen gebruik van eigen spierkracht), aardewerk voor voorraden, kalenders en het brons (dit duurde erg lang). Rond 3000 voor Christus ontstond het schrift: het eind van de prehistorie. De verspreiding duurde niet lang door natuurlijke barrières, maar doordat sommige jager-verzamelaars niet wilden overstappen op landbouw of na een tijd weer teruggingen naar jagen en verzamelen.


Paragraaf 1.3


In Mesopotamië ontstonden de eerste steden. De Tigris en de Eufraat overstroomden door smeltwater en het vruchtbare slib dat hierbij werd achtergelaten maakte de grond landbouwgeschikt. De boeren bouwden dijken en een irrigatiesysteem en door de steeds grotere oogsten konden sommige boeren een ander beroep gaan beoefenen. Zo ontstonden (ruil)handel en sociale verschillen. Door hogere productie konden meer mensen in een kleiner gebied wonen: steden van zo’n 400 tot het grootst 2000 inwoners ontstonden. Er kwamen beschavingen die een godsdienst hadden.


De tijd van Grieken en Romeinen


Inleiding


De tijd van Grieken en Romeinen (ook wel oudheid) loopt van 3000 voor Christus tot 500 na Christus. Er hebben meerdere hoogontwikkelde culturen bestaan, maar deze is het belangrijkst voor Europa. In de vruchtbare rivierdalen van grote rivieren ontstonden landbouwstedelijke (agrarisch-urbane) samenlevingen en stadstaten, bestuurd door vorsten met politieke en religieuze macht. Kenmerkend waren de sociale hiërarchie, de polytheïsche godsdienst en het gebruik van schrift. In de  wereld ontstonden het Egyptische, Babylonische en Perzische rijk. In Europa ontstond op Kreta als eerste hoogontwikkelde de Minoïsche cultuur. Aan het vasteland verspreidde de Myceense cultuur zich door het stichten van koloniën, tot ze onder heerschappij kwam van Macedonië en uiteindelijk deel uitmaakte van het Romeinse rijk. Dat rijk bereikte na vijf eeuwen in 117 zijn grootste omvang, met steden en een geldeconomie. In de vierde eeuw werd het Christendom de officiële godsdienst en even later werd het rijk gesplitst in Oost en West. Toen in 476 het Westen viel bleef het Oosten bestaan met Constantinopel als hoofdstad. Nederland was tot aan de Rijn veroverd en bleef bij het Romeinse rijk tot de Franken zich in Zuid-Nederland gingen vestigen.


Paragraaf 2.1


Hellas (Griekse Rijk)



  • Lappendeken van stadstaten met een landbouwstedelijke (agrarisch-urbanische) sameleving


-          Ongeveer 150 met eigen leger en munten en onafhankelijk bestuur


-          Afwisseling monarchie, tirannie, aristocratie en oligarchie (of democratie)



  • Athene 507 voor Christus: Kleistenes voert democratie in


-          Volksvergadering (ekklesia) hoogste macht – als een soort parlement – met minimaal 6000 mannen


-          Alleen burgerschap voor vrije Atheense mannen


-          Voor hulp bij toespraken werden sofisten ingeschakeld


Griekse discussie over politieke systemen



  • Tegenstellingen in bestuurssystemen (bijvoorbeeld Athene ß à Sparta)

  • Filosofen tegen democratie: massa makkelijk beïnvloedbaar door emotie


-          Liever aristocratie/oligarchie: macht bij verstandige mensen


-          Socrates: democratisch politicus moet wel liegen


-          Plato: democratie geeft chaos en dictatuur van lagere klassen, ideale staat geleid door filosofen



  • Athene werd cultureel centrum van Hellas, toch ontstond filosofie al eerder


-          6e eeuw voor Christus in Ionië: zoeken naar rationele in plaats van mythologische verklaringen voor verschijnselen in de wereld


-          Hielden zich bezig met latere takken van de wetenschap


Socrates



  • Armzalig uiterlijk maar populair bij rijke jongelui

  • Kritisch denken en vragen op zoek naar de waarheid

  • Met gif gedood na arrestatie  voor bederven van de Atheense jeugd


Paragraaf 2.2


Groei van het Romeinse Rijk



  • ‘Aanvallen is de beste verdediging’ als instelling

  • Stichting Rome 754 voor Christus, vanaf 4e eeuw veroveringen

  • Moeilijkste vijand, Carthago, overwonnen na 3 oorlogen (tweede met Hannibal)

  • Na verovering Hellas: combinatie met Griekse cultuur en veel snellere verovering van andere gebieden

  • Na inlijving Brittannië: verdediging rijk door natuurlijke en aangelegde grenzen (in Brittannië muur tegen ‘barbaren’)

  • Eerst republiek met macht bij senaat en volksvertegenwoordiging, na vele veroveringen steeds meer macht bij krijgsheren

  • 27 voor Christus: Octavianus gekroond tot keizer in het Imperium Romanum: begin Pax Romana


Grieks-Romeinse cultuur



  • Hardheid, taaiheid en discipline zorgden voor strak georganiseerd rijk

  • Griekse kunst, wetenschap, bouw en godsdienst werden hiermee vermengd

  • Verspreiding van deze cultuur en landbouwstedelijke samenleving

  • Overwonnen volken gingen in het leger en bevorderden Romanisering door gebruiken en taal na dienst terug naar huis te nemen

  • Huidige grens Romaanse en Germaanse talen: overeenkomstig met grens Romeinse rijk

  • Nog steeds de basis voor Europese cultuur


Bataafse opstand



  • Hevig verzet tegen de Romeinen dat een jaar heeft geduurd

  • Meer vrijheid, gelijkheid en eerlijke bondgenootschap


Cleopatra



  • Won machtsstrijd van haar broer met behulp van Caesar, zoon Caesarion

  • 2 jaar na dood Caesar: huwelijk met Marcus Antonius


-          Octavianus wint machtsstrijd van hem à Egypte is niet meer onafhankelijk



Paragraaf 2.3


Griekse architectuur en beeldhouwkunst



  • Na verovering Hellas overgenomen door Romeinen

  • Eerst Egyptische invloed: stijve en platte beelden

  • Later beweeglijke beelden, geperfectioneerd (want voorstelling van goden)

  • 450-400 voor Christus: klassieke periode, hoogtepunt


-          Wederopbouw Athene na Perzische oorlogen


-          Bouw Parthenon voor Athena Partenos


-          19e eeuw grotendeels verkocht aan Engeland: twistpunt (Elgin Marbles)



  • Eerst Dorische bouwkunst: strak robuust en sober

  • Later Ionische stijl: ranker en versierd

  • Romeinse kopieën gemaakt door grote vraag naar Griekse beelden

  • Afsplitsing Romeinse stijl: realistische in plaats van idealistische beelden

  • Romeinse bouwkunst ook met Griekse zuilen, architraven, kapitelen en friezen


Beeldhouwer Phidias



  • Vriendschap met Perikles: beste opdrachten (bijvoorbeeld Parthenon)

  • Daardoor politieke vijanden, die hem verbanden



Paragraaf 2.4


Germanië/Gallië



  • Volgens Romeinen barbaars, maar ook bewondering

  • Eerste confrontatie tijdens Gallische oorlogen 58 voor Christus

  • Bewoond door Keltische stammen

  • Door verbond werden de Romeinen in het Teutoburgerwoud verslagen en was de Rijn 400 jaar lang de grens (limes)

  • Bataven en Canninefaten in grensgebied werden Romeinse bondgenoten

  • Leven in stamverband, van landbouw en zonder luxe


-          Na komst Romeinen handel met Romeinen



  • Wederzijds ontzag en overname van de Romeinse cultuur



Paragraaf 2.5


Joden



  • Weigering om Romeinse keizer als god te verweren

  • Monotheïstisch, god Jaweh, heilig boek Tenach

  • Nomaad Abraham kreeg ‘beloofd land’, nakomelingen worden tot slavernij gedwongen, gaan onder leiding van profeet Mozes naar het beloofde land Kanaän, op berg Sinaï ontvangst van de Joodse wetten

  • 1000 voor Christus: vereniging Joodse stammen in Israël


-          926 voor Christus: uiteenvalling, deel het Juda met inwoners Judeërs



  • 63 voor Christus: Romeinse overheersing, verspreiding Joden, ooit komt de Messias


Christenen



  • Arrestatie door Romeinen à kruisiging à 3 dagen later wederopstanding à centrale rol binnen Christendom

  • Volgelingen Jezus Christus: christenen, stroming binnen het jodendom


-          Paulus: christenen hoeven zich niet te houden aan Joodse wetten



  • Tenach is het oude testament en nieuwe testament samen vormt de Bijbel

  • Vervolging Christenen à christendom groeit à godsdienstvrijheid à christendom staatsgodsdienst

  • Orthodoxe geloofsleer: één God met 3 verschijningsvormen, zowel god als mens



 Hoofdstuk 3: De tijd van monniken en ridders


Inleiding


Christenheid



  • Na opsplitsing Romeinse Rijk in de verdrukking geraakt in het westen

  • Eind zesde eeuw verval en verwaarlozing van kerken: Christendom dreigt te verdwijnen

  • Verval van en in de steden, plunderingen van Germanen. Rome geslonken maar overeind


Gregorius de Grote/de heilige Gregorius



  • Was één van de vier ‘kerkvaders’

  • Wilde ondanks macht monnik worden, leidde vroom ascetisch leven, 590: Paus

  • Daarna kerstening van Europa en propaganda leefregels van Benedictus

  • Basis van schrijven levenslessen en kerkelijke muziek

  • Bracht niet in zijn tijd direct ommekeer, na zijn dood juist terreinwinning voor heidendom

  • Totstandbrenging islam in 732, pas rond 1000 begin  van de Christelijke middeleeuwen


Middeleeuwen



  • Periode van 500 tot 1500 – soort tussenperiode klassieke oudheid en nieuwe tijd

  • Periode van 500 tot 1000 – vroege middeleeuwen of tijd van monniken en ridders (symboliseren overheersende groepen geestelijkheid en adel die heersen over boeren)


Tijd van monniken en ridders: Wereld



  • Grote groei van de wereldbevolking

  • Tot 750 groot Arabisch rijk met landbouwstedelijke samenleving en Islamitische cultuur

  • Oost-Afrika bleef christelijk, Zuid- en Oost-Azië verschillende rijken, Indonesië hindoeïstisch-boeddhistisch rijk. Dit was constant vanaf de 7e eeuw


Tijd van monniken en ridders: Europa



  • Vanaf 600 begin bevolkingsgroei na krimping door oorlogen en epidemieën

  • Oost-Romeins/Byzantijnse rijk: Grieks-Romeinse cultuur en landbouwstedelijke samenleving blijven bestaan

  • Rest van Europa: landbouwstedelijke samenleving vervalt naar landbouwsamenleving

  • Begin 8e eeuw: verovering Zuid-Europa door islamieten, in Frankrijk gestopt

  • Vanaf 8e eeuw: cavalerie wordt belangrijk, Karel de Grote breidt Frankisch rijk enorm uit tot uiteenvalling na zijn dood (in West-Frankisch en Oost-Frankisch rijk). Tot de 10e eeuw invasies, daarna rust door bekering tot het christendom in heel Europa


Tijd van monniken en ridders: Nederland



  • Zeer kleine bevolking

  • Vanaf 7e eeuw onder christelijk Frankisch koningsgezag, erkenning Karel de Grote, na uiteenvalling rijk deel van Oost-Frankisch rijk

  • Door invasies versterking van kloosters, kastelen en steden

  • Uitbreiding feodalisme in kustgebieden

  • Eerste benoeming met ‘Holland’ maar pas in 1100 dekte deze naam heel Nederland



Paragraaf 3.1 De opkomst van de islam


Mohammed (leefde tot 632)



  • Arabische koopman in het onherbergzame gebied met welvarend handelscentrum Mekka

  • Ka’ba in Mekka: kubusvormig granieten heiligdom met zwarte steen, plek voor godenverering

  • Kreeg een visioen om gods woord te verspreiden, werd tegengehouden van zelfmoord door aardsengel Gabriël

  • Reciteerde hardop zijn visioenen: na zijn dood opgeschreven in de Koran, ontstaan islam


Islam



  • Overeenkomst christendom en jodendom: één god gekend door een heilig boek, geloof in individueel leven na de dood, normen voor goed en kwaad, in God geloven én hem vereren

  • God van joden en christenen zou zich door Mohammeds visioenen aan de arabieren openbaren

  • Joden en Arabieren stammen af van Abraham via zoons Izak en Ismaïl

  • Jeruzalem belangrijke stad net als voor joden en christenen


Islamitsische veroveringen



  • Koran mocht alleen in Arabisch gelezen worden, maar islam moest wel verspreid worden; jihad

  • Begin islamitische jaartelling: vestiging in Medina na verdrijving in 622; Mohammed krijgt de politieke macht en Medina wordt de eerste islamitische staat

  • Geestelijke en politieke leiding gaan samen

  • Verspreiding over Arabisch schiereiland onder Mohammed

  • 632-650 verovering Perzische rijk en Oost-Romeinse rijk onder de kaliefen

  • Na opvolgingsstrijd vanaf 660 opnieuw oprukking van de islam; tot aan de Pyreneeën

  • Eind expansie in 732, terugdrijving moslims, opnieuw verspreiding in 1453 door de Turken


Veroveringen mogelijk door



  • Enorme verplaatsingssnelheid, hardheid, taaheid en verbondenheid door geloof

  • Na overwinningen cultuurvermenging in plaats van cultuurvernietiging

  • Economische bloei in Arabisch rijk in tegenstelling tot het armzalige en verzwakte Europa

  • Christelijke minderheden wilden liever islam dan intolerant Christendom alhoewel heidendom ook door de islam niet werd toegestaan



Paragraaf 3.2 Hofstelsel en horigheid


Verval van de steden in Europa



  • Steden, wegen, handel en nijverheid waren verdwenen

  • Van agrarisch-urbanische samenleving naar zelfvoorzienende agrarische cultuur in het westen

  • In Romeinse tijd waren steden van levensbelang: organisatie en handel vanuit deze centra

  • Bisschoppen in het westen voorkwamen totale verdwijning steden

  • 500-1000 bijna iedereen behalve adel en geestelijkheid moesten in de landbouw werken

  • Plattelandsgemeenschappen waren agrarisch en grotendeels autarkisch/zelfvoorzienend

  • Geld was bijna helemaal verdwenen, alleen nog enige ruilhandel

  • Boeren werden onderdrukt/geterroriseerd door hun adellijke heren


Horigheid



  • Halfvrije boeren die niet rechteloos waren, grond hadden maar niet vrij waren hun land te verlaten

  • Al ontstaan in de nadagen van het Romeinse Rijk om verdere productiedaling tegen te gaan

  • Onvrijheid nam toe door groeiende onveiligheid en gebrek aan overheidsbescherming

  • In ruil voor onvrijheid kregen boeren veiligheid van grootgrondbezitters


Hofstelsel



  • Grootgrondbezitter had op zijn landgoed een centrum (hof) van waaruit hij zijn gebied beheerste

  • Landgoed in tweeën gesplitst


-          Vroonland van de heer zelf met verscheidene gebouwen, opslagschuren en woongebouwen voor arbeiders, onderverdeeld in akkers, weiden en woeste gronden


-          Hoevenland van de boeren die een boerderij met omliggend land hadden, maar wel met verplichtingen in de vorm van diensten of betalingen (in geld/natura) voor de heer



  • Verschillen van domein tot domein, hof tot hof en zelfs van horige tot horige



Paragraaf 3.3 Het feodale stelsel


Vazallentrouw



  • Karel de Grote heerste als Romeinse keizer na zijn kroning, maar het nieuwe bestuurssysteem was heel anders: Romeinse overheid à Feodale stelsel

  • Romeinse rijk: bestuurd vanuit hoofdstad rome met ondergeschikte provincies. Overheid waarborgde veiligheid, handhaafde recht en beschikte over ambtenaren

  • Vroege middeleeuwen: verval Romeins staatsapparaat, veel analfabetisme en slechte wegen dus heersers konden alleen in beperkt gebied hun gezag doen gelden

  • Germaanse koningen konden wel grote rijken hebben maar daadwerkelijke macht verschilde door afhankelijkheid van lokale gezaghebbers die weer afhankelijk waren van heren

  • Nieuw bestuurstelsel: feodalisme/leenstelsel; heer geeft stuk grond of ambt in leen aan een dienaar, vazal of leenman. De vazal beloofde dan zijn levenslange trouw

  • In het rijk van Karel de Grote kwam dit stelsel pas tot volle ontplooiing


Karolingers



  • Frankische rijk was het grootste rijk ontstaan op de ruïnes van het Romeinse rijk

  • Vanaf de derde eeuw veroveringen met koninkrijkjes, rond 500 onder Clovis heel Gallië, na zijn dood verdeling onder zoons maar geen uiteenvalling, in de 8e eeuw weer sterke heersers

  • Karel de Grote werd de machtigste Europese vorst in de vroege middeleeuwen, uitbreiding rijk

  • Nieuw in de strijd: ridders te paard met betere uitrustingen à Alleen veroorloofbaar voor edelen die Karel aan zich bond door het uitlenen van eigen, kerkelijke en gewonnen grond of door het lenen van bestuursambten

  • Verdeling van het rijk in zo’n 100 grouwen, lijkt op Romeins stelsel maar nu zijn de dragers niet in overheidsdienst, maar persoonlijke dienst van Karel: de vazallen

  • Betaalmiddelen grond en ambten waren niet te controleren, onder gezag van Karel de Grote ging het nog goed maar daarna werkte het versnipperend voor het rijk

  • Graven en hertogen gingen zelf lenen en die leen werd ook weer erfelijk: steeds meer kleine kasteelheren zonder oppergezag van een koning



Paragraaf 3.4 Christendom in Europa


Christendom wordt staatsgodsdienst (394)



  • Na splitsing wel in Oost-Romeins rijk, maar verdrukt in West-Romeins rijk

  • In 496: bekering in het christelijke Frankenrijk

  • Vanaf 450 verspreiding van het christendom door monniken naar Ierland, 600 Brittannië, verdere verspreiding over het continent onder leiding van paus Gregorius


-          Moeilijkheden bij de Friezen en ten oosten van de Rijn



  • Strijd tusesn Islam en Christendom


-          Gedwongen bekeringen onder Karel de Grote


-          Saksen in 804 definitief verslagen en bekeerd



  • Onder Karel de Grote komt het christendom tot buiten de grenzen van het Romeinse rijk

  • Na zijn dood verdrongen vanuit het oosten

  • 10e eeuw: sterke Duitse keizers verbreiden christendom verder dan Karel de Grote, naar het oosten en het noorden

  • Botsing westers en oosters christendom: westen had paus, oosten keizer en patriarch van Constantinopel, andere talen

  • Defintieve breuk oost ßà west in 1054


Confrontatie met het heidendom



  • Geloofsverbreiding was voor christendom heilige plicht

  • Opdracht van christus, en missionarissen zagen het als naastenliefde

  • Kerstening slaagde meestal pas na brute onderwerping

  • Onderdeel van machtspolitiek: macht van koningen verbreiden via kerk

  • Germaans christendom zag Christus als overwinnaar

  • Germaans heidendom kon weinig tegen christendom inbrengen maar was wel taai, godenverering en waarzeggerij verboden, lagere religie toegestaan

  • Christendom ging heidense elementen overnemen: goden, feesten en relikwieën

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.