Historische contexten nieuwe examen

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas havo/vwo | 15065 woorden
  • 14 mei 2015
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

3.



Periodisering van het verleden



Prehistorie-Oudheid-Middeleeuwen-Nieuwe/Vroegmoderne Tijd-Nieuwste/Moderne Tijd.

De prehistorie eindigt voor een volk als er door, of over het volk geschreven wordt.



Naast deze indeling→tien tijdvakken



1)Tijd van jagers en boeren

2)Tijd van grieken en romeinen 

3)Tijd van monniken en ridders

4)Tijd van steden en staten

5)Tijd van ontdekkers en hervormers

6)Tijd van regenten en vorsten

7)Tijd van pruiken en revoluties

8)Tijd van burgers en stoommachines

9)Tijd van wereldoorlogen

10)Tijd van televisies en computers



Overgangen tussen deze periodes zijn altijd geleidelijk, en niet overal in dezelfde tijd.



4.



Geschreven bronnen zijn voor historici de belangrijkste bron van informatie. Er zijn verschillende soorten geschreven bronnen, zoals kranten, dagboekfragmenten of documenten.

Van geschreven bronnen is het vaak duidelijker wie ze geschreven heeft, ook onthullen ze beter de handelingen en gedachten van mensen.



Primaire bron: een bron die de meest directe info geeft over wat je bestudeert.

secundaire bron: indirect, geeft info over en is een bewerking van een primaire bron.

Wat primaire en secundaire bronnen zijn hangt af van wat je onderzoekt.



Bewuste bron: het doel van de maker is dat zijn werk als bron fungeert, voor tijdgenoten en/of het nageslacht.

onbewuste bron: de maker heeft het werk niet bewust als bron bedoeld.

Toch moet ook altijd rekening gehouden worden met de ‘onbewuste informatie’ van bronnen.



Vanzelfsprekend zijn de primaire, en onbewuste bronnen betrouwbaarder.



Ook de representativiteit speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de betrouwbaarheid van een bron. Voor hoeveel mensen geldt de inhoud van een bron? Als een bron info bevat over een grote groep mensen is deze normaal gesproken waardevoller dan wanneer hij info bevat over enkele personen. Echter, soms kan de mening/opvatting van de kleine groep gelden voor een grotere groep mensen. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat schrijvers van bronnen kunnen overdrijven.



5.



Een feit geeft iets aan dat, naar wordt aangenomen, werkelijk is gebeurd of werkelijk bestaat. Feiten worden vastgesteld door wie het verleden onderzoekt. Deze worden dus gehaald uit bronnen, of wat door anderen is opgemerkt.



Feiten krijgen pas betekenis in een context. Maar er zijn teveel feiten om allemaal op te schrijven. Welke feiten belangrijk zijn is afhankelijk van de vraagstelling, welke weer wordt beïnvloed door de standplaatsgebondenheid (zie 8).



6.



 Historici proberen gebeurtenissen uit het verleden te verklaren door te zoeken naar oorzaken. Geschiedenis is ingewikkeld omdat er meestal niet maar 1 oorzaak is aan te wijzen voor gebeurtenissen. In werkelijkheid is er vaak sprake van heel veel samenhangende oorzaken. Het is daarom ook moeilijk om aan te geven welke oorzaken belangrijker zijn dan andere.



aanleiding→meest directe oorzaak

directe oorzaak→heeft de gebeurtenis onbetwistbaar rechtstreeks beïnvloed

indirecte oorzaak→heeft geen onbetwistbaar rechtstreeks verband met de gebeurtenis, maar heeft er wel invloed op gehad



bedoeld gevolg→wat iemand met een actie voor ogen heeft gehad, wat iemand verwacht en/of bedoeld had dat zou gebeuren als gevolg van zijn actie.

onbedoeld gevolg→wat iemand niet verwacht en/of bedoeld had dat zou gebeuren als gevolg van zijn actie

gewild gevolg→niet alleen de persoon die de gebeurtenis laat plaatsvinden hoeft het gevolg te willen, anderen kunnen dit ook willen

ongewild gevolg→ tegenovergestelde van een gewild gevolg



Daarnaast heb je ook nog directe gevolgen en gevolgen op langere termijn. Dit spreekt wel voor zich. Om te bepalen of een gevolg niet, of juist wel van groot belang is gebruik je deze vragen;

- Hoeveel mensen waren erbij betrokken?

- In welke mate waren zij er bij betrokken?

- Hoe lang duurde voor hen die betrokkenheid?



7.



Dingen veranderen. Dit kan snel gaan en dit kan langzaam gaan. Dit kan op een bepaald terrein, of op meerdere terreinen tegelijk plaatsvinden.

Maar er blijven ook dingen hetzelfde, dit zijn continuïteiten. Omdat dingen niet overal tegelijk veranderen kunnen er ook veranderingen en continuïteiten naast elkaar bestaan.



Sommige begrippen veranderen in de loop van de tijd. ‘Democratie’ betekende vroeger bijvoorbeeld iets heel anders dan dat het nu doet. Dat is het verschil tussen de unieke en de generieke betekenis van het begrip democratie.



8.



Om te weten te komen wat er gebeurt is moet je je verplaatsen  in de tijd en de situatie van toen. Iemands tijd, opvoeding en cultuur beïnvloedt namelijk zijn gedachten en zijn handelen. Dit heet standplaatsgebondenheid



9.



Wat mensen vertellen/schrijven over het verleden is niet dé werkelijkheid, alleen een interpretatie ervan. Een interpretatie wordt gevormd door de kennis die iemand over het onderwerp heeft. Meestal groeien samenhangende feiten uit tot een interpretatie. Door verschillen in de manier van denken, kunnen mensen dingen verschillend interpreteren.



Geschiedenis wordt vaak misbruikt. Vaak op deze manieren;



-Anachronismen→Met de kennis van nu reageren op een gebeurtenis uit het verleden

-Geschiedenis en identiteit→ het gebruik van geschiedenis om de identiteit van een eigen groep te onderscheiden van andere groepen gaat vaak gepaard met vertekeningen van het verleden

-schuld denken→schuldigen benoemen nog voordat de oorzaken goed zijn uitgezocht leidt meestal tot vertekening van het verleden

-zwart-wit denken→historische gebeurtenissen zijn vaak een opeenstapeling van feiten, oorzaken en gevolgen. Er is dus niet een simpel goed en fout, of een simpel oorzaak-gevolg te benoemen. Het is vaak veel gecompliceerder.





2. Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648



In 1568 begon in de Nederlanden een opstand tegen Spanje. Dit begon door een meningsverschil over hoe de overheid moest reageren op protestanten.



Groeiende kritiek op de katholieke kerk rond 1500. De bijbel werd volgens sommigen anders uitgelegd dan wat zij dachten dat het moest zijn. Ook de aflatenhandel, en andere gebruiken van de katholieke kerk werden bekritiseerd. Zo ontstond het protestantse geloof.

Belangrijke hervormers waren Luther en Calvijn.

Luther had kritiek op de machtsaanspraken en zelfgemaakte wetten. Ook vond hij dat de bijbel alleen richtinggevend was. Daarnaast was hij heel erg tegen de aflatenhandel, hij wilde dat dit afgeschaft werd. Ook dingen als het pausschap, celibaat, veel sacramenten, de heiligenverering en de kloosterorden wilde hij afschaffen omdat hierover niks in de bijbel stond.

Vorsten vonden dit aantrekkelijk, omdat zij hierdoor het hoofd van de kerk zouden worden, ze kloosters konden sluiten en dus ook bezittingen overnemen, en omdat volgens het lutheranisme onderdanen hun vorst altijd moeten gehoorzamen.



De Vrede van Augsburg (1555) was een enorme nederlaag voor Karel V. Hierbij werd vastgelegd dat de vorst van een gebied het geloof van de onderdanen van dat gebied bepaald. Karel V wilde juist eenheid van christenen in zijn rijk.



Verschillen Lutheranisme en Calvinisme




  • Volgens Luther was de vorst het hoofd van de kerk. Volgens Calvijn bestuurt iedere ‘gemeente’ zichzelf door een raad van gekozen ouderlingen

  • Calvinisten mogen tegen hun vorst in verzet komen als deze tegen ‘Gods gebot’ handelt. Lutheranisten mogen dit niet.



Calvinisme werd in de Nederlanden het belangrijkste.



Oorzaken van de opstand

Indirecte oorzaken;




  • De sterke positie van de stedelijke burgerij in de Nederlanden

    Door Bourgondische vorsten hadden geprofiteerd van de welvaart in de Nederlanden door belastingen te heffen in ruil voor privileges aan de gewesten. Later weigerden steden belastingen (bedes), zich beroepend op oude privileges.

  • De splitsing van de christelijke kerk door de hervorming

    Het aantal protestanten groeide in de Nederlanden, dit ging tegen de wil van de Spaanse overheersers in, want die waren streng katholiek.



Directe oorzaken




  • Karel V en Filips II gaan protestanten streng vervolgen

    De Spaanse vorsten wilden de katholieke kerk handhaven, daarom gingen zij protestanten steeds strenger vervolgen. Deze maatregelen waren onverdraagzaam, en het volk van de Nederlanden (vooral het groeiende aantal protestanten) was het hier dan ook niet mee eens.

  • Karel V en Filips II streven naar centralisatie en ongedaan maken van privileges

    Door de drie Collaterale Raden en de Landvoogdes hadden de Nederlanden nu een centrale regering voor alle gewesten. Dit beperkte de macht van de burgerij.





Als reactie op de kettervervolgingen boden een aantal lagere edelen in 1566 het smeekschrift aan, aan Margaretha van Parma (landvoogdes). Hierin stond het verzoek de kettervervolgingen te matigen. Margaretha stuurde het smeekschrift door naar Filips en in de tussentijd beloofde ze de vervolgingen te matigen. Hierdoor durfden calvinisten hun geloof openlijker te verkondigen.

In 1566 begon toen de Beeldenstorm. Een openlijk verzet tegen de katholieke kerk. Het begon in het zuiden, in Vlaanderen (hier woonden de meeste calvinisten). Protestanten wilden op deze manier de katholieke kerk zuiveren.





Als reactie op deze Beeldenstorm zendt Filips II de hertog van Alva met een leger naar de Nederlanden. Deze werd toen landvoogd. De ‘raad van beroerten’ werd ingesteld om de schuldigen van de Beeldenstorm te straffen. Ook de tiende penning werd ingevoerd door Alva, een belasting van 10% over alle roerende goederen.





De directe aanleiding tot de opstand was de inval van Willem van Oranje en twee van zijn broers. Deze vielen met huurlegers de Nederlanden binnen. Deze werden verslagen door Alva. Ook de Geuzen deden mee met deze inval.





Op 1 april 1572 veroverden de watergeuzen Den Briel. Vanaf toen veroverden Calvinisten veel Hollandse en Zeeuwse steden, en delen van Overijssel en Gelderland. Vertegenwoordigers van deze steden, en van de geuzen kwamen toen bijeen in een statenvergadering. Ze besloten toen gezamenlijk de verdediging te betalen en Willem van Oranje te erkennen als stadhouder. Dit was revolutionair omdat: alleen de landsheer, stadhouder of landvoogd(es) mocht een staten vergadering bijeenroepen, en alleen de landsheer mocht een stadhouder benoemen.



Alva ondernam hier weinig tegen omdat hij bang was voor een Franse inval. Toen dit gevaar geweken was (door de moord op bijna alle protestantse leiders), besloot hij tot een harde aanpak van het verzet.





Alva stuurde legers naar de veroverde gebieden om de protestanten te verdrijven. Eerst lukte dat goed, maar daarna liepen ze vast bij Haarlem. Ook Alkmaar en Leiden werden een tijd lang belegerd, maar uiteindelijk zegevierden de protestanten. Omdat Alva het protest niet kon onderdrukken werd hij in 1573 vervangen door Requesens

Het lukte de Spaanse overheersers niet de opstand te onderdrukken omdat;




  • De strijd kostte veel geld in verhouding tot de resultaten

    Door andere oorlogen zat Filips II constant in geldnood, hierdoor konden de troepen niet meer betaald worden, wat weer zorgde voor een gebrek aan motivatie.

  • Holland en Zeeland waren militair-strategisch in het voordeel, omdat de opstandelingen de waterwegen in hun gebied beheersten.



In 1576 stierf Requesens onverwachts, waardoor een gezagscrisis ontstond. Hiervan konden Holland en Zeeland weer profiteren.





De pacificatie van Gent



De strijd leidde tot politieke en godsdienstige verdeeldheid in de Nederlanden;




  • Het Spaanse leger heroverde alle opstandige steden behalve een aantal steden in Holland en Zeeland

  • Op godsdienstig gebied ontstond er een tegenstelling tussen katholieke en calvinistische gewesten. In Holland en Zeeland heerste beperkte vrijheid van godsdienst.





Maar omdat de Spaanse troepen gingen muiten en plunderen kregen ook andere gewesten steeds meer overlast van de Spaanse overheersing. Daarom sloten deze gewesten vrede met Holland en Zeeland. Dit is de pacificatie van Gent (1576). Er werd afgesproken dat de Spaanse troepen de Nederlanden moesten verlaten, dat er geen vervolgingen op godsdienstig gebied meer plaats zouden vinden, dat in Holland en Zeeland alleen het calvinisme werd toegestaan (er bleef wel gewetensvrijheid), en dat ieder ander gewest de vrijheid kreeg om zelf een beleid te maken wat de godsdienst betrof.



De pacificatie van Gent hield niet lang stand; tegen het verdrag in maakten calvinisten zich van de macht meester in een aantal Vlaamse steden en verboden hier het katholicisme, drie Waalse gewesten sloten in 1579 de Unie van Atrecht en onderwierpen zich weer aan Filips II, in alle noordelijke gewesten werd het calvinisme de enige door de overheid toegestane kerk. 





De Noordelijke Nederlanden stichten de Republiek der Verenigde Nederlanden (in vier fases)



Fase 1: Unie van Utrecht in 1579. Dit is een reactie op de Unie van Atrecht, en is opgesteld ter verdediging tegen de troepen van Parma.

Fase 2: Filips II verklaart Willem van Oranje vogelvrij. Hierdoor was de breuk tussen de koning en de opstandige gewesten een feit.

Fase 3: In 1581 zetten de opstandige gewesten hun vorst af in het plakkaat van verlatinghe. De gewesten verklaarden dat ze het recht hadden een vorst die zich als tiran gedroeg te vervangen. Dit is ook de definitieve scheiding tussen de opstandige gewesten en de gewesten die Filips II als vorst bleven beschouwen.

Fase 4: Zonder succes werd naar een andere vorst gezocht. De Engelse koningin Elizabeth, en de Franse hertog van Anjou bleken geen optie. Enkele jaren na de moord op Willem van Oranje (1584) besloten de gewesten zonder vorst verder te gaan. In 1588 werd de Republiek der Verenigde Nederlanden uitgeroepen.





Tegenslagen voor de republiek waren o.a. de moord op Willem van Oranje, de vergeefse zoektocht naar een staatshoofd, en de militaire successen van Parma (Spaanse landvoogd 1578-1592). Parma nam in de zuidelijke gewesten veel steden in, en drong de opstand terug toet Holland, Zeeland, Utrecht, en delen van Overijssel en Gelderland. De opstandige gewesten ontkwamen doordat Parma zich van Filips II moest richten op de strijd tegen Engeland, en later Frankrijk.



Toch lukte het om een levensvatbare republiek te vormen. De volgende factoren droegen daartoe bij;




  • Oorlog van Spanje tegen Engeland en Frankrijk, welke de republiek dus goed als bondgenoot konden gebruiken. Zij erkenden de republiek.

  • De opstand in de Nederlanden had vaak niet de prioriteit van Filips II.

  • Het leger van de Republiek werd geleid door zeer capabele legeraanvoerders; Maurits en Frederik Hendrik.

  • De handelspositie van de Republiek groeide rond 1600 uit tot een sterke internationale handelspositie.





Willem van Oranje was een groot leider omdat;




  • Hij was voor verdraagzaamheid, en was zeer tolerant wat betreft godsdienst. Hij stelde zelfs religievrede voor in de Nederlanden.

  • Hij was zeer vaderlandslievend en riep anderen op dit ook te zijn. Zo sprak hij van ‘Nederlanders’ die hun ‘Vaderland’ moesten beschermen.



Helaas lukte het Willem van Oranje niet die religievrede te bereiken, omdat radicale katholieken en calvinisten dit afwezen. De radicale calvinisten kregen eenn overheersende invloed. Dit kwam mede omdat zij goed georganiseerd waren, en het calvinisme inhoudelijk steun bood voor de strijd tegen de Spanjaarden.



De afloop van de oorlog



In 1609 werd het Twaalfjarig bestand uitgeroepen. Het was de bedoeling dat na verloop van tijd dit zou leiden tot een vredesverdrag. Voor de Spanjaarden kwam dit bestand goed uit omdat zij voor hun andere oorlogen geld en mankracht nodig hadden. In de Republiek was niet iedereen voorstander van het Twaalfjarig bestand.



Johan van Oldenbarneveld, raadspensionaris, was een voorstander van het beëindigen van de oorlog. Hij werd hierin gesteund door de Staten van Holland. Dit zou namelijk gunstig zijn voor de Hollandse handel.

Echter, Maurits en de andere gewesten wilden een hervatting van de oorlog. Maurits vreesde dat tijdens dit bestand, Spanje hun troepen zouden versterken. Ook had Maurits natuurlijk meer invloed in tijden van oorlog dan in tijden van vrede. Voor de gewesten speelde het verspreiden van het calvinisme een grote rol, zij wilden dus meer gebied in het zuiden veroveren.

In 1621 werd de oorlog hervat.

In 1648 eindigde de strijd uiteindelijk met het verdrag van Münster. Spanje moest zich meer focussen op andere oorlogen, en in de Republiek was Holland steeds minder bereid om de kosten voor de oorlog op te brengen. Bovendien was dit gunstig voor de handel. Door de vrede van Münster werd de republiek internationaal erkend



De Gouden Eeuw



De 17e eeuw wordt de Gouden Eeuw genoemd vanwege de bloei in de scheepvaart, handel, nijverheid, kunst en wetenschap.

Twee belangrijke indirecte oorzaken van de economische groei;




  • De moedernegotie

    De moedernegotie is de graanhandel met het oostzeegebied. Dit is de eerste belangrijke vorm van handel voor de Republiek

  • Het ontbreken van een feodale traditie

    Omdat de feodale traditie voor het grootste deel ontbrak in de Nederlanden konden boeren in de Republiek hun productie veranderen.



Twee belangrijke directe oorzaken van de economische groei;




  • Specialisatie en commercialisering

    Er was genoeg voedsel in de Republiek door de moedernegotie. Hierdoor konden boeren zich gaan specialiseren in producten die ze konden gaan verkopen, waardoor ze overschakelden op de commerciële markt.

  • De val van Antwerpen en het afsluiten van de Schelde

    Antwerpen was voor 1585 de grootste en belangrijkste haven- en handelsstad stad in Europa. Door het afsluiten van Antwerpen vertrokken veel rijke kooplieden naar Amsterdam, waardoor Amsterdam de rol van Antwerpen overnam.



De kooplieden die naar Amsterdam kwamen zorgen ook voor een toevloed aan kapitaal en commerciële kennis.



Voor de internationale handel werden twee organisaties  opgericht; de V. O.C. (1602) kreeg een monopolie voor de handel op Azië, en de W.I.C.(1621) kreeg een monopolie voor de handel op Amerika en West-Afrika. De V.O.C. bleek het meest winstgevend voor de Republiek door de handel in specerijen. De W.I.C. hield zich bezig met een driehoekshandel. Ze handelden in slaven, wapens, en plantageproducten als koffie, suiker, cacao en tabak.



Door de bloei in de scheepvaart en handel kwam ook de nijverheid tot ontwikkeling. Er waren namelijk scheepswerven en zeilmakerijen nodig. Ook werden handelsproducten vaak eerst bewerkt en dan doorverkocht.



Cultuur in de Gouden Eeuw



Het meest welvarend waren de regenten en de gegoede burgerij, bijna 10% van de bevolking. Daaronder kwam de kleine burgerij (winkeliers, ambachtslieden, predikanten, meesters), zo’n 25%. De rest van de bevolking, zo’n 60 tot 70% verdiende net genoeg om van te kunnen leven.



In de Gouden Eeuw werden ontzettend veel schilderijen gemaakt. De opbloei van de schilderkunst had veel te maken met de groeiende vraag. Daarbij gingen de schilders zich ook specialiseren om sneller en beter te kunnen werken.

Sommige inwoners van de Republiek kochten schilderijen als belegging, maar de meesten deden het om hun huizen wat mooier te maken.



Ook de boekdrukkunst bloeide op. Oorzaken hiervan waren; Drukkers gaven allerlei boeken uit die ook in het buitenland populair waren, veel buitenlanders lieten hun boeken in de Republiek drukken vanwege de relatieve politieke en godsdienstige vrijheid, en internationale wetenschappers vestigden zich in de Republiek.



Aan het einde van de 17e eeuw werd de Republiek ingehaald door landen als Engeland en Frankrijk, Dit kwam mede door;




  • Engeland en Frankrijk hadden lange tijd veel binnenlandse problemen, maar hebben deze rond 1660 opgelost

  • Ze hebben toen hoge invoerrechten ingesteld op producten uit het buitenland om handel en nijverheid te beschermen

  • Zij gingen zich ook steeds meer bezighouden met handel, waardoor de Republiek minder producten kon verkopen.



Ondanks dat de Republiek niet meer zo welvarend was als vroeger, bleef het een belangrijke handelsstaat.



5. Verlichtingsideeën en de democratische revoluties 1650-1848



Vanaf de renaissance kwamen er steeds meer onderzoekers die geen geestelijke waren. Zij gingen ook andere onderwerpen bestuderen die niet met godsdienst te maken hadden. Onderzoekers gingen proeven doen, kijken wat er gebeurde. Hierdoor ontstond een periode met een groot aantal uitvindingen die later de Wetenschappelijke Revolutie is genoemd.

Belangrijke kenmerken van deze wetenschappelijke revolutie;




  • Een nieuwe manier van onderzoeken

    observeren, experimenteren, redeneren

  • Grote veranderingen in het leven van veel mensen

    Bijv. vooruitgangen in de medische zorg en nieuwe energiebronnen als gas, magnetisme, stoom en elektriciteit

  • (gewelddadig) Verzet van de Kerk, en aanvankelijk ook van de overheid en sommige bevolkingsgroepen



Het baseren van een onderzoek op waarneming, ervaring en experiment wordt empirisme genoemd. Dit komt van het Griekse empeira; ervaring/experiment. Het verschil tussen de renaissance en de oudheid is dat de onderzoeken in de renaissance veel systematischer waren.



De Kerk was het niet eens met de Wetenschappelijke Revolutie. Deze verloor namelijk haar greep op de wetenschap. Ook waren de bevindingen van wetenschappers soms in strijd met kerkelijke opvattingen. Belangrijke wetenschappers van de kerkelijke tegenstand zijn Bruno en Galilei.



Vanaf eind 16e eeuw gaan regeringen de Wetenschappelijke Revolutie steunen



De wetenschap ging een belangrijke plaats innemen in de samenleving. Ook de regeringen gaan hier het nut van inzien. Door de uitvindingen kregen de Europeanen een voorsprong op de rest van de wereld. Door de Wetenschappelijke revolutie groeide het aantal mensen dat niet meer iets als waar aannam, omdat het in de Bijbel stond of omdat Socrates of Aristoteles het had gezegd. Ze gingen vertrouwen op hun eigen verstand. Ook gingen ze zich dingen afvragen over de samenleving. Zo leidde de Wetenschappelijke revolutie tot de Verlichting.



De 18e eeuw wordt de Verlichting genoemd. Tijdens de verlichting ontstond het rationalisme: Als je de samenleving op een redelijke (met je verstand) manier onderzoekt dan neemt de kennis van mensen toe, en met deze kennis zouden problemen in de samenleving kunnen worden opgelost.

Het rationalisme leidde tot optimisme, en de vooruitgangsgedachte.



In de middeleeuwen was het aardse leven eigenlijk een voorbereiding op het hiernamaals. In de Verlichting werd het leven op aarde ook veel belangrijker. Zo vonden verlichters vrijheid (van maningsuiting, van drukpers, van geloof, etc) en gelijkheid heel belangrijk.



Op religieus gebied waren verlichters het eens over;




  • Religieuze tolerantie

    Aanhangers van godsdiensten hoorden andersdenkenden niet te bestrijden

  • Scheiding tussen kerk en staat

    Volgens dit uitgangspunt hebben kerk en staat ieder een eigen taak



Er was echter ook verdeeldheid;




  • Veel verlichters zagen God als schepper van de wereld, maar volgens hen greep god niet in de wereld in

  • Andere verlichters wisten niet of zij wel of niet in een god moesten geloven. Zij werden agnosten genoemd.



Op economisch gebied waren de belangrijkste uitgangspunten;




  • Ieder individu moet de vrijheid hebben zijn eigenbelang na te streven

  • Iedere staat moet zijn economisch beleid op de volgende pijlers laten rusten; vrije markteconomie, vrijhandel, en zo weinig mogelijk ingrepen van de overheid



Op politiek gebied waren de belangrijkste uitganspunten;




  • Volkssoevereiniteit

    De inrichting van de samenleving moet op rede gebaseerd zijn, daarom moeten degenen die de macht uitoefenen hun macht ontlenen aan het volk, waardoor ze dus verantwoording schuldig zijn aan het volk (Locke, Rousseau, Montesquieu)

  • Het sociaal contract tussen vorst en volk of burgers onderling

    Sommige verlichters pleitten voor een contract tussen vorst en volk, of het volk onderling. Dit zou voorkomen dat er nieuwe oorlogen tussen vorst en volk, of het volk onderling ontstonden (Locke en Rousseau)

  • De scheiding van de machten in een staat

    Als een iemand de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht is heeft diegene de macht om mensen te onderdrukken. Hierdoor zal er geen vrijheid zijn. Daarom is het belangrijk dat er een scheiding is tussen deze drie machten. (Montesquieu)



Verbreiding van de Verlichting



Dankzij de uitvinding van de drukpers in de 15e eeuw was het mogelijk boeken in grote aantallen te drukken. Met deze boeken werden grote bibliotheken opgericht.

Het belangrijkste boek van de Verlichting werd de encyclopedie.



In een salon kwamen onderzoekers, kunstenaars, ambtenaren, zakenlieden en andere belangstellenden bij elkaar. Hier mocht alles worden gezegd. Daardoor werd de kennis van de verlichters verbreid.

Door toneel werden de ideeën van de verlichting onder alle lagen van de bevolking verbreid



Vooral in de Republiek en in Engeland kon vrijwel alles worden gedrukt. In Frankrijk was de censuur officieel strenger dan in werkelijkheid. Zo kon censuur op allerlei manieren worden ontdoken. Zo waren het gebruik van fictieve personages, dubbelzinnige formuleringen, en het illegaal uitgeven van boeken populair.



Het absolutisme gaat in de Europese politiek de toon aangeven



Tussen 1660-1789 wordt Frankrijk bestuurd volgens het Ancien Régime. Deze periode kenmerkt zich door absolute macht, en een ongekende pracht en praal aan het hof van de koning. Frans werd veel gesproken onder de bovenlaag van de bevolking in veel Europese landen, ook in de mode en kookkunst gaf Frankrijk de toon aan.

Koningen werden steeds machtiger in die tijd. Dit riep de vraag op; Hoe groot moet de macht van een koning zijn?

Absolute vorsten hadden de overtuiging dat ze door god waren aangesteld om zijn onderdanen te besturen, dit heet het Droit divin.

Vorsten bouwden ook een eigen ambtenarenapparaat op. Doordat de vorst erin slaagde de edelen aan zijn macht te onderwerpen, en doordat steden doorgaans niet goed samenwerkten, lukte het de vorsten hun centralisatiebeleid door te voeren.

Ook eigenden absolute vorsten zich het recht toe als enige te beslissen over het economisch beleid. Dit beleid werd gekenmerkt door het mercantilisme; enerzijds aan de eigen handel subsidies en voorrechten verlenen, en anderzijds invoerrechten te heffen op buitenlandse producten.

Daarnaast hadden vorsten ook het geweldsmonopolie (zeggenschap over politie en leger).

Bijna alle vorsten kozen voor één staatsgodsdienst. Karel V wilde alleen katholicisme in zijn rijk, maar bij de vrede van Augsburg moest hij noodgedwongen toestaan dat de Duitse vorsten in zijn rijk de godsdienst in hun gebied zelf mochten bepalen.

Aan de absolute macht in Frankrijk kwam na 1789 een einde door de Franse Revolutie.



Engeland en de Republiek als uitzonderingen



Alleen in Engeland en de Republiek heersten geen vorsten met absoluut gezag. De Republiek was een bond van zelfstandige gewesten, en in Engeland werd volgens de Magna Charta geregeerd.



Verlicht absolutisme en verlichte despoten



Veel verlichte denkbeelden waren in strijd met het absolutisme → vaak conflicten tussen verlichters en vorsten.

Toch gingen sommige vorsten verlichte ideeën uitvoeren; verlichte despoten. Dit heet het verlicht absolutisme. Ze hielden wel alle macht in handen.

Voorbeelden van verlichte despoten zijn; Frederik de Grote van Pruisen en Tsarina Catharina de Grote van Rusland.



De franse Revolutie



De Franse samenleving was verdeeld in 3 bevolkinslagen; de standen.




  1. Geestelijken

  2. Adel

  3. Gegoede burgers en gegoede boeren

    De arme bevolking in steden en op het platteland werd niet meegeteld.



Vanaf het einde van de 16e eeuw werd Frankrijk bestuurd door een absoluut vorst. Uiteindelijk leidde dit tot een revolutie. Maar waarom?




  • Geestelijkheid en adel hebben het veel beter

    De kerk, 1% van de bevolking, bezat ong. 10% van al het land in Fr. Ook hoefde de kerk geen belasting te betalen. De adel, 1,5% van de bevolking, bezat ong. 20% van al het land in Fr. Edelen hoefden bijna geen belasting te betalen.

  • Ontevredenheid onder andere bevolkingsgroepen

    Gewone burgers (boeren & handwerkers) wilden meer grond en eerlijkere belastingen. Ook de arbeidsomstandigheden waren slecht. De rijkere burgers wilden belangrijkere functies, vrijheid van meningsuiting en drukpersvrijheid.

  • Het land wordt slecht bestuurd



De regering had grote schulden, hoge functies konden worden gekocht dus incapabele mensen bekleedden belangrijke functies, rechtspraak was oneerlijk.



Het verloop van de franse revolutie



Financiële crisis in Frankrijk→koning wil meer belasting heffen.

De adel is het hiermee oneens en wil dat de Staten-Generaal om toestemming wordt gevraagd.

Dus, in 1789, kwam de SG bijeen. Er werd per stand gestemd dus de adel dacht met behulp van de geestelijkheid te kunnen winnen.

Maar: 3e stand riep zich uit tot Nationale Vergadering en ging apart vergaderen → besloten dat Frankrijk een grondwet moet hebben zodat de koning minder machtig werd.

Laagste geestelijken/edelen steunen de Nationale vergadering.



Koning was woedend en verbood de Nationale Vergadering→3e stand trekt zich hier niets van aan.



→Koning trok verbod in, maar mobiliseert troepen in Parijs.

Parijse bevolking was bang voor deze soldaten → bestormde de bastille.

De koning stuurt hierop de soldaten weg, maar dit was al te laat want de bevolking (vooral 3e stand) raakte in paniek en ging landgoederen plunderen. Edelen vluchtten het land uit.



De koning werd overgehaald om in Parijs te komen wonen.

Uit angst voor nieuwe problemen keurde de koning alle besluiten van de NV goed → leidt tot eerste grondwet in 1791.



De koning probeerde in juni  1791 te vluchtten met zijn gezin. Ze werden alleen herkend onderweg, en gevangen genomen.

Omdat het buitenland de revolutie niet gunstig gezind waren, verklaarde Frankrijk in april 1792 de oorlog aan Oostenrijk, dat hulp kreeg van Pruisen. Deze landen vielen Frankrijk binnen, en dit kostte Lodwijk/Marie-Antoinette hun troon en later hun leven.



Lodewijk werd toen in augustus 1792 afgezet, nadat een menigte de verblijfplaats van de koning in Parijs had bestormd. Dit wordt de tweede revolutie genoemd. → Hierna werd de republiek uitgeroepen.

In 1793 werd ‘Louis Capet’ ter dood veroordeeld → hierna barst de strijd lost tussen de Jacobijnen (radicalen) en de Girondijnen(gematigden).

In juni 1793 verzamelde zich een menigte rond het parlementsgebouw om de Girondijnen gevangen te nemen, degenen die niet ontsnapten werden een maand later terechtgesteld.



De Jacobijnen hadden dus de macht, o.l.v. Robespierre → leidt tot de Terreur (Wie het niet eens was met de radicalen werd onder de guillotine onthoofd).

Wel organiseerden de radicalen de staat en het leger goed d.m.v. bijv. de dienstplicht.

Na een tijd leek niemand meer veilig voor de terreur → er kwam een opstand → radicale leiders zelf afgezet en onthoofd.



De gematigden kregen de macht nu weer in handen. Deze periode heet het Directoire, omdat er 5 directeuren aan de macht waren. Ze kregen te maken met moeilijke problemen;

- Hongersnood

- Oorlogen

- Adel probeert met geweld de regering omver te werpen

Deze opstand werd neergeslagen door troepen o.l.v. Napoleon Bonaparte.



Het bleef onrustig in Frankrijk tot Napoleon de macht pakte in 1799.

Napoleon veroverde tussen 1797 en 1812 grote delen van Europa.

In 1812 viel hij Rusland binnen → dit werd uiteindelijk zijn ondergang.

In veroverde landen voerde hij de Code Napoléon in, een nieuwe wetgeving waarmee hij ook verlichtingsideeën verbreidde.



De invloed van de Verlichting op de politieke cultuur tussen 1815 en 1848



Restauratie na de val van Napoleon



Velen waren diep geschokt door de revolutie. Het begrip was voor veel mensen een spookbeeld geworden door de bloederige taferelen waartoe de revolutie had geleid. Ze wilden voorkomen dat iets dergelijks ooit weer zou gebeuren → zagen in de macht van de vorsten de beste garantie.

Deze aanhangers van de vorsten worden conservatieven genoemd ; ze streven ernaar veranderingen langzaam en voorzichtig door te voeren en daarbij alles wat van waarde is te behouden.

Zo komen conservatieven en liberalen tegenover elkaar te staan; de ene wil de macht bij de vorst, de ander wilden de macht in handen van het parlement.



Zo waren vele liberalen, en alle socialisten voor uitbreiding van het kiesrecht. Conservatieven waren tegen.

Conservatieven→macht komt van god

Liberalen & socialisten→overheid ontleent de macht aan de wil van het volk (volkssoevereiniteit).



Ook vonden conservatieven dat de overheid de arbeiders in bescherming moest nemen door als goede vader voor hen te zorgen (paternalisme).



Na de overwinning op Napoleon → congres van Wenen.

Het ging om het regelen van de toekomst van Europa → de Restauratie begon. Het congres ging uit van twee beginselen;




  • Het wettige recht van vorsten op hun rijk

  • Het nastreven van een nieuw Europees machtsevenwicht door de macht van Frankrijk in te perken en die van andere Europese mogendheden te vergroten.



Deze beginselen leidden tot het herstel van oude en de vorming van nieuwe staten.




  • Door napoleon bezette gebieden werden weer losgemaakt van Frankrijk. Oude vorstenhuizen keerden er terug.

  • In Frankrijk kwamen de Bourbons weer aan de macht.

  • Zuidelijke en noordelijke Nederlanden werden samengevoegd tot één staat.

  • Overwinnaars kregen gebiedsuitbreiding.

  • In Duitsland werd de Duitse bond opgericht; politiek bondgenootschap van alle Duitstalige vorstendommen. Economische aanvulling; Tolverbond.



1815: Heilige Alliantie opgericht; verbond waar de meeste Europese vorsten zich bij aansloten. Vorsten gaan uit van de ‘droit divin’ gedachte en geven zichzelf het recht op te treden tegen nationalistische en liberale onrust. Ook wilden zij onderlinge vrede handhaven. De kern van dit verbond vormde de Grote Alliantie; de vier grote overwinnaars van Napoleon (Oostenrijk, Pruisen, Rusland, Engeland).

Na het Congres van Verona kwam er een einde aan het streven van de Europese mogendheden om gezamenlijk via congressen de vrede in Europa te handhaven.



Liberalisme



Liberalisme als stroming ontstond in de eerste helft van de 19e eeuw uit de ideeën van verlichters als Montesquieu, Rousseau en Smith.

Het liberalisme wil vrijheid voor het individu op alle gebieden.

Op economisch gebied is het liberalisme een reactie op het mercantilisme. Liberalen wilden vrijheid van handel, productie en arbeid. Ieder individu moest de vrijheid hebben zijn eigenbelang na te streven.

Op politiek terrein was het voornaamste liberale principe volkssoevereiniteit → in praktijk; streven naar een grondwet, parlement en uitbreiding van kiesrecht.

De overheid moest dus zo min mogelijk ingrijpen, en had eigenlijk maar 3 taken;




  • Burgers beschermen tegen buitenlandse vijanden

  • Binnenlandse rechtsorde handhaven

  • Openbare werken uitvoeren



De staat mocht belasting heffen om deze 3 taken uit te voeren.



Echter, in de loop van de 19e eeuw bleek het principe van vrijheid op economisch gebied te leiden tot uitbuiting en armoede van arbeiders→veel liberalen vonden dat hun opvatting aan herziening toe was→overheid moest meer taken op zich nemen. Ook waren ze voorstanders van zekere vormen van sociale wetgeving.



Liberalen wilden een indirecte democratie. Conservatieve en radicale liberalen waren het oneens over de mate waarin en de snelheid waarmee het kiesrecht moest worden uitgebreid. Het percentage kiesgerechtigde mannen nam in de 19e eeuw geleidelijk toe.



Het socialisme



Tijdens de industrialisatie nam de ongelijkheid toe → aantal denkers; kapitalisme moest worden vervangen door socialisme; ideaal dat de gemeenschap alle, of tenminste de belangrijkste, productiemiddelen bezit en beheert.



Marxisme is een vorm van socialisme, bedacht door Karl Marx. Uitgangspunten zijn;




  • Elke samenleving bestaat uit de rijke bovenlaag en de onderdrukte benedenlaag, op basis van economische positie.

  • Deze verhoudingen veranderen in de loop van de tijd, de verschillen tussen rijk en arm zullen groter worden.

  • Dan ontstaat er de klassenstrijd tussen de heersende en de uitgebuite bevolkingsgroep.

  • De onderdrukte klasse zal door een revolutie en na de fase van de dictatuur van het proletariaat een nieuwe klassenloze samenleving tot stand brengen.



Maar eind 19e eeuw kregen arbeiders het iets beter i.p.v. slechter → marxisten wilden niet meer op revolutie wachten. Door algemeen kiesrecht zouden marxisten de gewenste hervormingen ook via het parlement kunnen doorvoeren.

Dit heet revisionisme, de wijziging van het marxisme door evolutie in plaats van revolutie → deze groep werd later socialisten of sociaal-democraten genoemd. De andere groep werd aangeduid met communisten.



Nationalisme



Factoren die het ontstaan van nationalisme (gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen) bevorderen;




  • Het besef over gemeenschappelijke ervaringen te beschikken

  • Het besef gemeenschappelijke belangen te hebben



In alle tijden hebben gevoelens van saamhorigheid in allerlei gradaties in samenlevingen bestaan. Dit betekende echter lang niet altijd dat de mensen die zo’n gevoel hadden, dan ook samen een natiestaat konden of wilden vormen.



Vanaf het begin van de 19e eeuw breidde het nationalisme zich over Europa uit. De volgende factoren droegen bij tot een sterke groei van het nationalisme in Europa;




  • De Franse overheersing onder napoleon



Veel Europeanen werden zich in deze tijd bewust van het feit dat ze tot een volk behoorden met eigen taal, geschiedenis etc.




  • Het congres van Wenen



Het congres had geen rekening gehouden met het nationalisme, dus mensen die Duits of Italiaans spraken bleven verdeeld over een groot aantal staatjes. Ook in het Habsburgse rijk woonden allerlei Slavische volken. Deze volken voelden zich onderdrukt door vreemde overheersers, en streefden naar zelfstandigheid.




  • Turkse overheersing op de Balkan



In het turkse rijk woonden grieken, Albanezen, roemenen en Slavische volken. De eigen talen en godsdienst waren zeer belangrijk voor het nationalisme. De overheersers waren moslims. De leiders van het nationalisme binnen dit rijk waren dan ook vooral christelijke geestelijken.



In de 19e eeuw ontstonden nieuwe nationale staten; de belgen en de grieken in 1830, en in de 2e helft van de 19e eeuw de Italianen, duitsers en roemenië, Servië en Montenegro.



In 1848 braken overal in Europa revoluties uit. Het begon in Frankrijk. In 1848 dreef niet de industrialisatie maar de ontstane armoede in sommige landen als gevolg van werkloosheid en voedselproblemen na een slechte oogst de arbeiders tot actie.

In Frankrijk kwamen socialisten aan de macht in de voorlopige regering. Echter, deze bleek meer werk te maken van liberale dan van socialistische wensen. Hierop volgde dus nog een opstand. Ook elders in Europa kwam van de socialistische idealen in de 1848 revoluties weinig of niets terecht.



Aanvankelijk wisten de liberale revolutionairen in sommige landen nog wel successen te behalen. Maar in de loop van 1848/1849 lukte het de conservatieve regeringen die successen weer ongedaan te maken. Dit had zeker te maken met de zwakte van hun tegenstanders, omdat hun doelen sterk verschilden.



Frankrijk veranderde van een constitutionele monarchie naar een republiek.

In Denemarken kwam een einde aan de absolute monarchie.

In Nederland gaf koning Willem II onder de indruk van wat er elders in Europa gebeurde opdracht voor het opstellen van een liberale grondwet aan Johan Rudolf Thorbecke.

Veel meer wisten de liberalen in 1848 niet te bereiken.



Voor de nationalisten was de situatie nog gecompliceerder. Net als eerder tijdens het congres van Wenen dolven in 1848 de nationalisten ook het onderspit tegen de regeringen in de staten waarvan ze deel uitmaakten.



3 Duitsland 1871-1945



Het Duitse keizerrijk



D.m.v. de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) bracht Otto von Bismarck, rijkskanselier, een groot aantal staten en staatjes bijeen; Duitsland. In 1871 werd het Duitse keizerrijk uitgeroepen. Wilhelm I werd keizer.

Daarna werd Duitsland in kiesdistricten verdeeld, die elk met algemeen mannenkiesrecht een afgevaardigde voor de Rijksdag kozen. Deze vormden samen in Berlijn de Bondsraad. Duitsland bestond uit 25 deelstaten, van welke de regeringen veel bevoegdheden voor zichzelf behouden hadden. De keizer had grote macht, de rijksdag slechts beperkte macht.



De belangrijkste politieke stromingen waren;




  • Conservatieven en nationaal-liberalen, vooral aanhang onder de hogere lagen van de bevolking.

  • Centrumpartij/Centrum, vooral aanhang onder de katholieke bevolking.

  • Socialisten, vooral aanhang onder de industrie-arbeiders.



De bevolking bestond ook uit verschillende lagen;




  • Adel, officieren en hoge ambtenaren

  • Grote fabrikanten en bankiers

  • Werknemers in dienstensectoren, lagere ambtenaren, kleine ondernemers, chefs van afdelingen van grote ondernemingen

  • Boeren, arbeiders in de landbouw en industrie, lagere ambtenaren



Dit nieuwe Duitse keizerrijk was een politieke en militaire grootmacht. Door de snelle industrialisatie was het ook een economische grootmacht geworden. Bismarck zag dat Duitsland omringd was door grote mogendheden en wilde met zijn alliantiepolitiek daarom het bestaande machtsevenwicht handhaven; Door het sluiten van allianties wilde hij zowel Duitslands positie in de wereld versterken als de vrede handhaven. Voorbeeld van deze politiek is de conferentie van Berlijn(1884).



In 1888 verving Wilhelm II zijn vader als keizer, en versterkte deze positie. Zijn regering werd autocratischer. Duitsland wilde onder zijn leiding een belangrijke plaats op het wereldtoneel → weltpolitik.

Deze politiek was in de eerste plaats op het overzees imperialisme gericht.

Tot verontrusting van Groot Brittanië en Frankrijk gingen deze groeiende internationale ambities van Duitsland samen met sterke economische groei en toenemend militarisme.



De eerste wereldoorlog



Toenemend militarisme vergrootte de kans op oorlog. Geen land wilde een vernietigende oorlog, maar oorlog werd wel gezien als een middel om macht en invloed veilig te stellen. De Franse en Duitse regeringen vonden een sterk leger noodzakelijk, en streefden tegelijkertijd naar een krijgshaftige geest onder de bevolking.



Toenemend imperialisme leidde tot conflicten tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland. Frankrijk en Duitsland wilden zich niet neerleggen bij het Engelse overwicht, en er ontstond een wedloop om zoveel mogelijk koloniaal grondgebied in Afrika te verwerven. Tussen Engeland en Frankrijk kwam het in 1904 tot een verzoening, tussen Engeland en Duitsland niet, en tussen Frankrijk en Duitsland ook niet.



Sommige bevolkingsgroepen wilden zich losmaken van de staat waarin ze leefden → gingen samenwerken met aan hen verwante staten. Sommige staten maakten aanspraak op gebieden in andere staten waarin aan hen verwante minderheden leefden.



Voor zowel nationalisme, imperialisme als militarisme was een sterk leger vereist, dan stond men sterk. Daarom gingen regeringen hier steeds meer geld aan uitgeven. Zo ontstond een bewapeningswedloop, wat weer de vrees voor elkaar versterkte.



Doordat de onderlinge angst voor elkaar toenam gingen regeringen opzoek naar bondgenoten. Men dacht dat niemand dan een oorlog zou durven beginnen. Het vergrootte echter juist de kans op oorlog, want juist omdat regeringen bondgenoten hadden gedroegen zij zich onvoorzichtiger. Sinds 1882 bestond er een bondgenootschap tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië (Triple Alliantie). In 1907 sloten Engeland, Frankrijk en Rusland een bondgenootschap (Triple Entente).



De directe aanleiding van WOI was de moord op Frans Ferdinand, de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije tijdens een bezoek aan Sarajevo. Frans Ferdinand en Sophie werden vermoord door Gavrilo Princip, lid van een Servische nationalistische groep ‘de zwarte hand’.

Oostenrijk-Hongarije wilde hierna dat Servië zich niet meer zou bemoeien met de Slavische nationalisten, maar Servië werd gesteund door Rusland. Oostenrijk-Hongarije zocht dus steun bij Duitsland, waarna ze Servië een ultimatum stuurden. Servië rekende op de steun van Rusland en verwierp het ultimatum. Op 28 juli verklaarde OH dus de oorlog aan Servië → leidde tot een kettingreactie van mobilisaties en oorlogsverklaringen → Centralen kwamen tegenover de Geallieerden.



Aanvankelijk gingen alle partijen enthousiast de oorlog in. Dit kwam in de eerste plaats door de aangewakkerde strijdlust door nationalisme, militarisme en vaderlandsliefde. Ook was men overtuigd van de eigen superioriteit.



Generaal Von Moltke stelde het Von Schlieffenplan in werking (genaamd naar Von Moltkes voorganger). Het Duitse leger zou via België naar Noord-Frankrijk trekken om de sterke Franse Verdediging aan de Frans-Duitse grens te omzeilen. Het Franse leger moest dan verslagen zijn voor het Russische leger in actie kon komen → zo voorkwam Duitsland een twee fronten oorlog.

Dit mislukte door deze 3 factoren;




  • Sterke tegenstand van de belgen, wreed onderdrukt



De snelheid viel in praktijk tegen omdat de Belgen meer weerstand boden dan gedacht.




  • Deel van de Duitse troepen moet naar het Oostfront



Doordat het trager ging dan verwacht waren de Russische troepen al gemobiliseerd, waardoor een deel van de Duitse troepen naar het Oostfront moest om tegen Rusland te vechten.




  • Definitieve mislukking Von Schlieffenplan na Slag bij de Marne



Bij de Marne ging een Brits-Frans leger tot de tegenaanval over. Er werd een gat van ongeveer 40 km geslagen tussen het Eerste en het Tweede Duitse leger. Von Moltke besloot toen tot terugtrekken. Dit was ook het begin van de loopgravenoorlog.



Kenmerken van de loopgravenoorlog;




  • Legers stonden in loopgraven tegenover elkaar met ‘niemandsland’ ertussen.

  • Maandenlang leefden soldaten in deze loopgraven, vaak vol modder, water en ongedierte.

  • Regelmatig werden aanvallen ondernomen die doorgaans weinig terreinwinst opleverden. Vooral de mitrailleurs van de verdedigers bleken dodelijk effectieve wapens.

  • Het aantal doden en gewonden was vooral onder de aanvallende partij buitengewoon groot.



De leiders zagen de enorme verliezen aan mensenlevens als onvermijdelijk en gingen er vanuit dat de vijand eerder dan zijzelf de strijd zou opgeven bij gebrek aan voldoende mankracht.

In Verdun probeerden Duitse generaals een beslissing te forceren door al hun aanvalskracht op 1 punt te concentreren. Het grootste doel was de Fransen grote verliezen toe te brengen. Dit bracht echter geen beslissing, na 10 maanden gaven de Duitsers deze uitputtingsslag op.



De Engelsen waren toen bezig met een eigen offensief in de buurt van Ieper. Op 1 juli 1916 begonnen de Engelsen en de Fransen wel samen een aanval aan de Somme, mede om het front bij Verdun te ontlasten.



In de loopgraven verdween ook bij velen het enthousiasme voor de oorlog, al zeggen historici dat de meeste soldaten wel met de oorlog bleven instemmen.



Door industrialisatie en technologische vooruitgang hadden de legers veel meer vuurkracht gekregen. T.o.v. eerdere oorlogen was WOI dus ongekend verwoestend. Vergeleken met WOII waren de verwoestingen van beperkte omvang. Ook werden burgers aan het thuisfront meer bij de oorlog betrokken dan in voorgaande oorlogen. Toch was de oorlog natuurlijk voor iedereen anders; bejaarden, kinderen, mannen, vrouwen, rijken en armen.



Eind 1917 verbeterde de situatie van Duitsland. Met Rusland werd de vrede van Bresk-Litovsk gesloten waarna de Duitsers zich konden gaan concentreren op het westfront. Dit mislukte echter na een succesvol begin omdat de VS versterking bracht. Duitse bevelhebbers begrepen nu dat de oorlog niet meer te winnen was. In vier stappen kwam toen ook het keizerrijk ten val;




  • Wilhelm II benoemde een nieuwe regering

  • Overal in Duitsland braken opstanden uit toen dit bekend werd → Duitse soldaten en arbeiders wilden onmiddellijk vrede.

  • De Duitse regering trad op 9 nov. Af en droeg de macht over aan een socialistische regering o.l.v. Friedrich Ebert.

  • De Duitse regering waarin de socialisten een meerderheid hadden, riep de republiek uit en tekende twee dagen later de wapenstilstand.



Tijdens de val van het keizerrijk ontstond een machtsstrijd tussen de socialisten en de communisten. De socialisten wonnen, communisten kwamen in Berlijn in opstand tegen de door socialisten geleide regering. Deze opstand werd onderdrukt → socialisten en communisten kwamen als onverzoenlijke vijanden tegenover elkaar te staan.

In 1919 werd een nieuw parlement gekozen. De afgevaardigden kwamen bijeen in Weimar; vandaar Republiek van Weimar.



In de nieuwe republiek werd door een vreedzame politiek geprobeerd weer aanzien te krijgen in Europa. De Vrede van Versailles maakte dat echter moeilijk, deze was zeer nadelig geweest voor Duitsland.




  • Duitsland kreeg de schuld → moest herstelbetalingen doen

  • Duitsland moest grondgebied afstaan

  • Duitsland moest ontwapenen



De republiek van Weimar kreeg geen steun van de bevolking;




  • De communisten deden alleen mee om propaganda te maken voor het eigen ideaal, ze wilden zelf alle macht.



Zij bleven de parlementaire democratie vijandig gezind, maar het parlement zagen zij wel als een goed middel om propaganda te maken voor hun ideaal.




  • Nationalisten en conservatieven wilden het keizerrijk terug met minder macht voor de politieke partijen en meer voor hen zelf.



De nationalisten en conservatieven verlangden naar herstel van een autoritaire staat zoals het keizerrijk met beperkte macht van de politieke partijen.




  • Veel teleurgestelde ex-soldaten sloten zich aan bij communistische, conservatieve of fascistische groepen.



Na WOI keerden miljoenen soldaten terug naar huis, waar zij geen baan konden vinden. Zij gaven hiervan de parlementaire democratie de schuld, samen met alle andere dingen die in hun ogen verkeerd waren.



In een parlementaire democratie wordt de regering meestal samengesteld uit vertegenwoordigers van partijen die samen een meerderheid in het parlement hebben. In Weimar; SPD, Deutsche Demokratische Partei en de Centrumpartij. Bij latere verkiezingen verloor de DDP echter veel zetels, dus had de republiek nog twee steunpilaren over; de socialisten en katholieken. Het vertrouwen tussen die twee partijen was niet groot.



De herstelbetalingen drukten zwaar op de economie, en wegens achterstallige betalingen bezetten Fransen en Belgen het Ruhrgebied; belangrijk industriegebied in Duitsland.

→arbeiders gingen in staking→Duitse regering betaalde hun lonen door→liet daartoe bankbiljetten bijdrukken→dit leidde tot hyperinflatie. Zo ontstond er in ’23 een grote economische crisis.



Het Dawesplan werd toen opgesteld;




  • Het jaarlijkse aandeel in de aflossing van de herstelbetalingen werd gekoppeld aan de economische draagkracht van Duitsland

  • De VS gingen vanaf 1925 leningen aan Duitsland verstrekken om de Duitse economie weer op de been te helpen



Dit leidde tot vertrek van de bezettingstroepen, en tot een tijdelijk economisch herstel.





In oktober 1929 daalden de waarden van de aandelen op de beurs van New York opeens zeer sterk → gevolg was een economische crisis.

Dit sloeg over naar landen in Europa. Deze crisis duurde jaren voort.



De crisis is gunstig voor de nazi’s




  • In Europa wordt vooral Duitsland door de crisis in de VS getroffen



De VS gingen leningen terugvragen aan Europese landen → deze hebben de leningen echter nog steeds nodig → veel bedrijven gaan failliet → werkloosheid groeit.




  • De economische crisis wordt ook een politieke crisis



De partijen die de Republiek van Weimar altijd hadden gesteund vonden geen oplossing voor de economische problemen. De coalitieregering van democratische partijen viel in 1930 uiteen door meningsverschillen over de werkloosheidsuitkeringen. Het kabinet kon bij een noodtoestand regeren met noodvorderingen → macht lag in handen van de Rijkskanselier en de president.




  • Vooral de NSDAP profiteert van de crisis



Deze partij bood een duidelijk en voor een groeiend aantal Duitsers aanvaardbaar alternatief voor de parlementaire democratie, waarin de heersende partijen het niet eens werden over de bestrijding van de economische crisis.



De NSDAP, opgericht in 1920, was aanvankelijk een kleine partij. Pas in nov. 1923 werden Hitler en zijn partij landelijk bekend door een staatsgreep. Deze mislukte echter volledig door het optreden van de politie → Hitler ging naar de gevangenis. In 1925 begon hij echter opnieuw.



Het fascisme van de nazi’s



Fascisme = totalitaire ideologie

Kwam in veel Europese landen voor.



Gemeenschappelijke kenmerken van het fascisme;




  • Het fascisme is negatief

    Er wordt grote aandacht besteed aan zaken waar men tegen is

  • Het belang van de eigen groep wordt vooropgesteld

  • Het fascisme is ultra-nationalistisch

  • Het fascisme wil een corporatieve staat

    De maatschappij moet worden georganiseerd in beroepsgroepen (corporaties), zo wordt concurrentie voorkomen

  • De mensen zijn niet gelijk, ‘hogeren’ moeten het volk leiden

  • Aan het hoofd staat één leider

  • De fascistische partij beheerst alle uitingen van cultuur in een staat

  • Verstand als basis voor handelen is minder geschikt dan het gevoel

  • Het fascisme verheerlijkt de daad

    Vooral daden waarbij kracht gebruikt wordt staan hoog aangeschreven

  • Vrouwen moeten veel kinderen voortbrengen en voor hun gezin zorgen



Aanvullende kenmerken van het fascisme;




  • De rassenleer

    Er waren 3 soorten rassen; één hoogwaardig ras (arische ras), minderwaardige rassen (slaven en gekleurde bevolking), verderfelijke rassen (zigeuners, maar vooral joden). Het fascisme is dus antisemitisch. Dit begrip bestond al eeuwenlang in Europa.

  • Lebensraum in Oost-Europa



Hitlers eerste doel was alle Duitsers in één staat verenigen, zijn tweede doel was het veroveren van leefruimte voor het Germaanse ras en in het bijzonder de Duitse bevolking.



Rijkspresident Von Hindenburg ontsloeg Brüning als rijkskanselier en verving hem door Von Papen, welke kort daarop verkiezingen liet houden (juli 1932). De NSDAP behaald 37% van de zetels en werd zo de grootste partij in de rijksdag. Hitler eiste toen het Rijkskanselierschap op.



Von Papen en Von Hindenburg vonden dit te ver gaan → besloten tot nieuwe verkiezingen (omdat er weer geen kabinet met een parlementaire meerderheid kon worden gevormd).

De uitslag veranderde weinig, wel liepen de stemmen van de NSDAP wat terug.

Von Papen stelde toen voor dat Hitler Rijkskanselier zou worden, hijzelf vice-kanselier, en de conservatieven zouden de meerderheid hebben in het kabinet → 1933 werd Hitler als Rijkskanselier benoemd. Het leek een gewoon coalitiekabinet zoals er al zoveel geweest waren.



Hitler had echter andere plannen → op 1 feb ontbond hij de rijksdag → schreef, met toestemming van Von Hindenburg, nieuwe verkiezingen uit.

Hitler verwachtte met de NSDAP de absolute meerderheid te behalen, vooral door de terreur van het partijleger, de SA.

De avond van 27 feb 1933 stond het Rijksdaggebouw in brand. Göring (nationaal-socialist) had de leiding over het politieonderzoek → gaf de KPD en Komintern de schuld, en was er zeker van dat ze een communistische revolutie hadden beraamd → politie en SA arresteren die nacht en de volgende dag duizenden communistische leiders.

Dit werd allemaal in een wet goedgekeurd, de volgende dag al → de ‘noodverordening ter bescherming van volk en staat’ maakte een einde aan alle burgerrechten → politie kon willekeurig arresteren. Deze noodverordening zou blijven bestaan zolang Hitler aan de macht was.

Ook mocht de KPD wel deelnemen aan de verkiezingen, maar ze mochten hun zetels niet innemen.



Bij de nieuwe verkiezingen haalde Hitler 44% met zijn NSDAP. Net geen meerderheid, en hij wilde niet afhankelijk zijn van de DNVP. Daarom besloot hij zichzelf voor de Rijksdag te laten machtigen alleen verder te regeren → Machtigingswet moest de Rijksdag en de grondwet buiten spel zetten.

Er was een tweederde meerderheid nodig, en deze werd behaald, grotendeels omdat de Centrumpartij voor stemde.



De nazi’s schakelden daarna de andere bronnen voor georganiseerd verzet uit;




  • De vakbonden

    Deze werd vervangen door één nationaal-socialistische organisatie; het Deutsche Arbeitsfront.

  • De andere politieke partijen

    De KPD en de SPD werden verboden, op andere partijen oefenden de nazi’s ‘druk uit’ zodat ze zichzelf zouden opheffen. Daarna werd een wet tegen oprichting van partijen afgekondigd.

  • Een deel van de SA

    In de SA namen velen het woord ‘socialisme’ in de naam van de partij ernstiger dan de leiders van de partij, dus Hitler was bang voor een revolutie. Hij besloot met geweld in te grijpen, met behulp van de SS. Hoge SA mannen in het hele land werden vermoord, samen met andere tegenstanders.

  • President Von Hindenburg

    Kort daarop overleed Von Hindenburg, Hitler nam zijn bevoegdheden over.

  • Het leger

    Hitler liet het leger een eed van trouw aan hem persoonlijk als staatshoofd en opperbevelhebber afleggen.

  • De kerken

    Hitler probeerde hen tot bondgenoten te maken.



De nazi’s hadden nu alle macht in handen. Bij hun machtsgreep konden zij rekenen op de steun van een groot deel van de bevolking, mede dankzij hun aanvallen op het Verdrag van Versailles en het onvermogen van de Weimar-regeringen om de werkloosheid het hoofd te bieden.

Maar bij democratische verkiezingen kregen de nazi’s nooit een meerderheid.

Tienduizenden Duitsers werden in de volgende maanden in concentratiekampen gevangen gezet. Velen vluchtten naar het buitenland.



Nazificatie van de samenleving



De school moest de jeugd in nieuwe leerboeken opvoeden in de geest van het nationaal-socialisme. Het onderwijzend personeel werd ‘gezuiverd’. Alle jeugdverenigingen werden opgeheven of gingen op in een jeugdbeweging van de nazi’s; de HitlerJugend of de Bund deutscher Mädel.

Hierna kwam de rijksarbeidsdienst; alle achttienjarigen moesten een half jaar ‘arbeidsdienstplicht’ vervullen. Hiertoe werden grote werkkampen opgericht.



In maart 1933 kreeg het ministerie voor volksvoorlichting en propaganda de leiding over pers, radio, en film in Duitsland. Joseph Goebbels, propagandaleider van de NSDAP, werd de nieuwe minister.

Deze middelen gebruikten de nazi’s om de massa te beïnvloeden. Goebbels voerde ook de censuur in, en stelde de Rijkscultuurkamer in. Iedereen die actief was op het gebied van publiciteit of kunst, moest hiervan lid worden.



Hitler had de steun nodig van het bedrijfsleven voor zijn plannen. De staat werd zo de belangrijkste opdrachtgever van de industrie, vooral de oorlogsindustrie.

De boeren stonden bij de nazi’s hoog aangeschreven, op het platteland was volgens hen het arische ras het zuiverst bewaard gebleven. In de propaganda werden boeren dan ook verheerlijkt. In de praktijk moesten de boeren zich evenzeer aan de leiding van de nazi’s onderwerpen als ieder ander.



Ook verheerlijkten de nazi’s de vrouw als moeder. Tegelijkertijd werden vrouwen in het werk gediscrimineerd. Ook mochten meisjes slechts 10% van het aantal studenten vormen. In de oorlogsjaren hadden de nazi’s vrouwen echter juist nodig als vervanging van de mannen die naar het front waren.



Door terreur wilden nazi’s twee doelen bereiken;




  • Verzet van gevaarlijke tegenstanders direct uitschakelen

  • Weifelaars en toekomstige tegenstanders zodanig schrik aanjagen dat ze niet aan verzet zouden durven denken



SS (Schutz-Staffel) was een onderdeel van de SA. Na de nacht van de lange messen kwam de SS echter direct onder Hitler te staan. Ze kregen 4 belangrijke taken;




  • Bescherming van de leiders

  • Uitschakelen van tegenstanders

  • Opbouw Waffen-SS om de eigen macht te vergroten

  • Miljoenen mensen ombrengen in vernietigingskampen tijdens de oorlog



Leider van de SS was Heinrich Himmler.



Oprichting van de concentratiekampen was van tevoren niet gepland, echter de gevangenissen bleken te klein. Gevangenen werden naar afgelegen plekken gebracht, en hebben de kampen zelf opgebouwd. Sommige kampen stamden al van voor de oorlog.



Voor de oorlog was de rassenpolitiek van de nazi’s vooral op Duitsland gericht. Het werd de joden moeilijk gemaakt zodat ze zouden emigreren. Al sinds 1933 brachten de nazi’s hun antisemitische ideeën in de praktijk;




  • Boycot van Joodse winkels

  • Afkondiging van de Neurenberger wetten (joden werden de rechten van Duits staatsburger ontomen, ook werd hen verboden met personen van ‘Duits bloed’ te trouwen)

  • Openbare voorzieningen werden verboden voor joden



Bij verzet werden de joden naar concentratiekampen gebracht. Ook werden veel joden slachttoffer van het straatterreur van de SA. Toppunt hiervan is de Reichskristallnacht; tienduizenden joden werden gevangen genomen, velen vermoord, synagogen  werden verwoest en winkels geplunderd en verwoest. De daders werden niet gestraft.



Na het begin van de oorlog richtte de rassenpolitiek zich ook op de bezette gebieden. Emigratie van de joden was nu geen optie meer. Plan B was de Endlösung.




  • Speciale Einsatzgruppen schoten in de veroverde Russische gebieden joden en zigeuners dood in opdracht van Hitler

  • Omdat doodschieten te omslachtig bleek gingen de nazi’s over tot vergassen



Er kwamen verschillende soorten vernietigingskampen




  • Kampen die zoveel mogelijk gevangenen wilden vermoorden d.m.v. de gaskamer

  • Kampen die zowel vernietigingskamp als werkkamp waren

  • Kampen die gevangenen lieten werken tot ze er dood bij neervielen

  • Kampen waarin krijgsgevangenen werden ondergebracht





Naast de joden en zigeuners werden de gehandicapten, homoseksuelen en jehova’s getuigen ook vervolgd.



Verzet in Duitsland



Door het nationaal socialisme kwamen de voor en tegenstanders van het nazi-bewind tegenover elkaar te staan. Natuurlijk werden de tegenstanders bestreden, maar lang niet alle Duitsers waren het dus eens met dit bewind.



Verzet in Duitsland was moeilijk omdat;




  • De NSDAP, SA en SS hielden de bevolking constant en overal in de gaten

  • De kans op verraad was groot gezien het aantal voorstanders

  • Mensen, hoewel tegenstanders van de gang van zaken, zagen verzet toch als landverraad



Toch bestonden er, vooral onder de socialisten en communisten, kleine verzetsgroepen. Men zorgde voor onderduikadressen, verspreidde anti-Hitlerpamfletten, en gaf inlichtingen door aan de tegenstanders van Duitsland. Tegen het nazi-regime had het verzet echter geen schijn van kans.



De kerken vreesden dat ze zouden worden verboden, bovendien waren zij het deels wel eens met het nationaal-socialisme (bijv. door het anticommunisme etc.). Het liefst had Hitler de kerken ook opgeheven, maar dit durfde hij niet aan. Daarom probeerde hij hen tot bondgenoot te maken.



In Duitsland overheersten de evangelisch-lutherse Kerk en de rooms-katholieke kerk. Nadat Hitler de vrije uitoefening van de katholieke godsdienst had beloofd , erkende de katholieke kerk de nazi-regering. Hitler hield zich echter niet aan dit concordaat, dus de kerk veranderde van houding.

Over het algemeen hield de kerk zich alleen bezig met protesten tegen het opheffen van kerkelijke instanties. De lagere geestelijken gingen soms verder in hun verzet, maar dit liep vaak niet goed af.



Alleen het leger was een echte dreiging voor het Hitler-regime. De meeste hoge officieren waren het niet eens met de gang van zaken, maar voelden zich door de eed van trouw toch gebonden aan Hitler. Toch waren sommigen van hen bang dat Hitler het Duitse rijk naar de ondergang zou voeren. Er waren dus weldegelijk plannen om Hitler ten val te brengen. In 1944 probeerden een aantal officieren Hitler te doden d.m.v. een tijdbom in zijn hoofdkwartier (geplaatst door Von Stauffenberg). Dit mislukte echter, en Hitler nam bloedig wraak.



Een andere vorm van verzet in het leger was het deserteren van veel Duitse soldaten. Ruim 10000 moesten dit met de dood bekopen. Pas in 2002 werd echter de eer hersteld van deserteurs, want ze werden daarvoor vaak nog gezien als landverraders.



Oorzaken van de Tweede Wereldoorlog



De directe oorzaak van WOII in Europa → binnenvallen van Polen door Duitsland op 1-9-1939

Volgens sommige onderzoekers was Hitler wel de hoofdschuldige, maar Frankrijk, Engeland, en de SU waren medeverantwoordelijk.

Volgens hen wilde Hitler de ‘leefruimte’ verbreiden in Oost-Europa, en was hij dus van begin af aan van plan oorlog te voeren, maar niet een wereldoorlog. Dat deze wereldoorlog er toch kwam ligt deels aan de politiek van de geallieerden;




  • Door Hitler in bepaalde eisen tegemoet te komen dachten de geallieerden de vrede te kunnen bewaren

  • Stalin maakte door zijn verdrag met Duitsland de weg vrij voor Hitler om Polen aan te vallen



Volgens andere onderzoekers ligt de schuld eerder bij Frankrijk en Engeland;




  • Het verdrag van Versailles was te streng, en Hitler probeerde terug te pakken wat Duitsland afgenomen was

  • Frankrijk en Engeland lieten Hitler te lang zijn gang gaan, waardoor hij niet verwachtte dat deze landen hem de oorlog zouden verklaren wanneer hij polen binnen zou vallen

  • Frankrijk en Engeland hadden de SU niet zo moeten wantrouwen, dan zou een verdrag tussen deze landen mogelijk geweest zijn i.p.v. het verdrag tussen de SU en Duitsland



Weer andere onderzoekers geven de schuld aan Hitler, zijn politieke ideeën en zijn grote aanhang;




  • Engeland en Frankrijk hadden terecht een schuldgevoel over het Verdrag van Versailles, daarom kwamen ze Hitler tegemoet in zijn eisen

  • Ze vonden het terecht dat het zelfbeschikkingsrecht ook voor Duitsers moest gelden

  • Hard optreden tegen Hitler zou sowieso tot oorlog hebben geleid, en de herinnering aan WOI was nog steeds zeer levend

  • Het wantrouwen van Frankrijk en Engeland tegen de SU was zeker gerechtvaardigd



Het militaire verloop van  WOII



Aanval op Polen (1-9-1939)→oorlogsverklaring aan Duitsland van Frankrijk en Engeland. Hier had Hitler niet op gerekend → plande een Blitzkrieg (snelle oorlog)

lente 1940; verovering van Denemarken, Noorwegen, Nederland, België, Luxemburg en een groot deel van Frankrijk → Frankrijk sloot een wapenstilstand en verbrak het bondgenootschap met Engeland. →Engeland stond bijna een jaar alleen in de strijd tegen Duitsland.



December 1941 kwam echter hulp uit onverwachte hoek; de VS gingen deelnemen na de aanval op Pearl Harbor → economisch overwicht van de Geallieerden ging daardoor steeds meer meetellen → langzaamerhand veroverden ze de bezette gebieden terug.



Juni 1941 brak Duitsland het niet-aanvalsverdrag en opende de aanval op de SU → ook Finland, Hongarije en Roemenië verklaarden de SU de oorlog. Het Duitse leger behaalde grote overwinningen, maar kon Leningrad, Moskou en Stalingrad niet innemen.

Het bezettingsplan was voor Oost-Europa heel anders dan voor West-Europa, omdat in Oost-Europa de leefruimte voor de Duitsers gevonden moest worden, en omdat de nazi’s Oost-Europeanen een lager ras vonden. Ook waren de nazi’s streng tegen het communisme. Bij Stalingrad vond de ommekeer aan het oostfront plaats.



De meerderheid van het Duitse leger vocht aan het oostfront, waardoor er voor andere fronten weinig overbleef. In 1943 capituleerde Italië, nadat Mussolini door het leger was afgezet.

6 juni 1944 (D-day) ondernamen de Engelsen en Amerikanen hun grote invasie in Normandië en bevrijdden in korte tijd Frankrijk, België en Zuid-Nederland.

Voorjaar 1945 begonnen zij het offensief tegen Duitsland zelf, en tijdens de slag om Berlijn pleegden Hitler en Goebbels zelfmoord. Enkele dagen later capituleerde het Duitse leger.





4.De Koude Oorlog 1945-1991



Tijdelijk bondgenootschap tussen Oost en West valt na WOII uiteen



Tijdens de koude oorlog stonden de SU en de VS tegenover elkaar. Redenen voor de SU en het westen om elkaar te wantrouwen waren;




  • Tijdens WOI streed Rusland samen met Engeland, Frankrijk en de VS tegen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Maar na de Oktoberrevolutie (1917), toen Rusland communistisch werd sloot het apart vrede met Duitsland. Dit werd als verraad beschouwd, en het westen viel Rusland binnen, om de communisten ten val te brengen.

  • In 1919 werd in Moskou de Komintern opgericht, met als doel de hele wereld communistisch te laten worden. Bijna alle communistische groeperingen sloten zich hierbij aan. Het westen voelde zich bedreigd.

  • De SU voelde zich bedreigd door de anti-communistische houding van het westen, en vreesde dat het westen na de burgeroorlog opnieuw zou proberen een einde te maken aan het communisme. (‘kapitalistische omsingeling’)

  • Stalin concludeerde uit de conferentie van München dat de SU niet op hulp van het Westen hoefde te rekenen bij een Duitse aanval.

  • Eind augustus 1939 sloten Hitler en Stalin een niet-aanvalsverdrag.

  • In september 1939 werd Polen door Duitsland en de SU aangevallen en verdeeld.



Toen raakte beide landen bij WOII betrokken doordat




  • De SU werd op 22 juni 1941 aangevallen door Hitler, die het niet-aanvalsverdrag schond

  • Japan voerde op 7 december 1941 een zware aanval uit op de marinebasis van de VS in de haven van Pearl Harbor op Hawaii



Het geallieerde bondgenootschap berustte dus op een gemeenschappelijke vijand en niet op wederzijds vertrouwen. Het wantrouwen werd juist versterkt doordat;




  • Stalin wilde een twee-fronten oorlog voeren tegen Duitsland, en wel door een invasie van de westerse geallieerden in Frankrijk. Deze kwam er pas in juni 1944, en volgens Stalin stelden de westerse geallieerden dit met opzet uit om hun krachten te sparen en die van de SU te verzwakken.

  • De gebeurtenissen in Polen tijdens de oorlog. De oude Poolse regering wilde dat na de oorlog de oude grenzen werden hersteld. De SU vond dit belachelijk. Ook vermoordden Russen in 1943 tienduizenden door hen krijgsgevangen gemaakte Poolse officieren, en andere Polen uit de bovenlaag van de bevolking in het woud van Katyn bij Smolensk. Daarnaast schoot de SU niet te hulp toen in augustus 1944 het Poolse verzet in opstand kwam tegen de Duitse bezetter. Het westen meende dat dit expres was, omdat het verzet niet communistisch was. Als laatste hielp de SU in Polen een communistische regering aan de macht.



De conferentie van Potsdam



Februari 1945: de Grote drie (VS, Engeland en de SU) hielden een conferentie in Jalta op de krim over de voortzetting van de oorlog/toekomst van Duitsland en Europa.

Op 8 mei 1945 capituleerde het Duitse rijk → einde WOII.

Eind juli kwamen de grote drie opnieuw bij elkaar om de onderhandelingen voort te zetten. Deze conferentie is de conferentie van Potsdam. De grote drie van Jalta waren niet meer dezelfde als die van Potsdam; Roosevelt was plotseling overleden, en werd opgevolgd door Truman. Churchill had de verkiezingen verloren, en was opgevolgd door Attlee. Stalin was er nog wel bij.



De Geallieerden hadden verschillende ideeën over de toekomst van Duitsland




  • De SU wilde Duitsland militair zwak houden, hoge herstelbetalingen opleggen, en een regering die niet tegen de SU was.

  • Het westen wilde dat Duitsland in de eigen behoeften zou kunnen voorzien, een democratische regering, en geen hoge herstelbetalingen.



Uit deze conferentie kwamen de volgende voorlopige besluiten;




  • Duitsland werd in 4 bezettingszones verdeeld, en de SU, VS, FR en ENG kregen elk een zone toegewezen. Met de hoofdstad Berlijn werd hetzelfde gedaan.

  • Duitsland moest in het oosten gebied aan Polen afstaan. Het westen stemde hier met tegenzin mee in.

  • Oostenrijk werd van Duitsland gescheiden, en ook in 4 zones verdeeld.

  • De politiek zou democratisch geregeld worden.

  • Het nazisme zou worden uitgeroeid en oorlogsmisdadigers zouden worden berecht.

  • Duitsland zou volledig worden ontwapend en de oorlogsindustrie zou worden ontmanteld.

  • Herstelbetalingen werden vooral ten behoeve van de SU opgelegd.

  • Duitsland zou als economische eenheid worden beschouwd.



Ondanks de afspraken werd Duitsland niet als economische eenheid beschouwd. Er waren belangrijke verschillen tussen de SU en de westerse Geallieerden. Zo schafte de SU in haar zone het particulier bezit van grond, fabrieken, banken en verzekeringsmaatschappijen af, en haalde ze er zoveel mogelijk schadevergoeding vandaan. De westerse geallieerden handhaafden het particulier bezit en bevorderden het economisch herstel.



Dit waren wel slechts tijdelijke maatregelen, in afwachting van een vredesverdrag voor de lange termijn → die kwam echter nooit want vredesonderhandelingen mislukten nadat de westerse geallieerden hun zones samenvoegden.



Geallieerden verdelen de wereld in invloedssferen



De SU en de westerse geallieerden voerden na WOII steeds meer een apart beleid, waardoor Europa werd verdeeld in twee invloedssferen. Daarvoor waren verschillende redenen;




  • De SU wilde veiligheid door een buffer in Midden-Europa tegen westerse agressie → m.b.v. geweld communistische partijen in Midden-Europa aan de macht helpen

  • De VS wilde het net van de fascistische dictaturen bevrijdde Europa niet laten veroveren door het communisme van de SU.



→scheidslijn tussen westerse/SU invloedssfeer werd het IJzeren gordijn genoemd.



Vijandbeelden over en weer



In de VS/SU heerste angst en wantrouwen over en weer. Die angst kwam voort uit de voortdurende kans op een gewapende confrontatie, en de ideologische propaganda van beide partijen. Twee mogelijke redenen waarom beide supermachten in hun propaganda een vijandbeeld ontwikkelden zijn;




  • Om hun optreden te verklaren en te verdedigen.

  • Omdat zij geloofden in dit vijandbeeld en de juistheid ervan meenden te kunnen bewijzen.



Het vijandbeeld van de VS hield in dat zij de SU zagen als een land dat de communistische wereldrevolutie nastreefde:




  • Waarin de communisten een einde wilden maken aan het kapitalisme en de vrijheid in de VS en de rest van de westerse wereld.

  • En waarvoor de SU communistische activiteiten in andere landen steunde.



Dit vijandbeeld leidde onder president Truman tot een nieuwe buitenlandse politiek, de Trumandoctrine.

Ook leidde dit vijandbeeld tot twee keer toe tot een heksenjacht op echte en vermeende communisten. Eerst kort na het aan de macht komen van de communisten in Rusland, en nog eens na WOII o.l.v. senator McCarthy.



Het vijandbeeld van de SU



De SU zag de VS als agressieve mogendheid die




  • Communisme wilde vernietigen

  • D.m.v. politieke macht en invloed in de hele wereld afzetmarkten en grondstoffen wilde werven



Als reactie op de VS steunde de SU juist communistische groeperingen in de hele wereld. Het binnenland werd afgesloten voor producten en informatie vanuit het westen.



Een vertroebeld beeld van de tegenstander



Beide supermachten gingen zich na een tijd in hun vijandbeelden vergissen. Zo was er in de VS weinig begrip voor de binnenlandse problemen in de SU, terwijl er in de SU maar weinig begrip was voor de angst voor het communisme en de sympathie voor zelfbeschikking en democratie van de VS.



Trumandoctrine (of; containment politiek)



Door deze 3 oorzaken groeide de overtuiging in de VS dat de SU streefde naar machtsuitbreiding;




  • De SU had bijna alle Oost-Europese staten en Noord-Korea bezet en was daar bezig communistische regeringen aan de macht te helpen.

  • De opstand van communisten in Iran en Griekenland was volgens het westen grotendeels aan de SU te wijten.

  • De communistische partijen in het westen volgden de door Stalin aangegeven partijlijn en bleken daardoor sterk onder invloed van de SU te staan.



Truman reageerde hierop door de Truman doctrine / containment politiek; het in bedwang houden van het communisme door zich te verzetten tegen elke communistische aanval of opstand, gericht tegen vrije volken, waar ook ter wereld. De truman doctrine was echter moeilijk toepasbaar omdat er in de meeste gebieden met communistische dreiging geen vrije verkiezingen waren. Daardoor was het moeilijk uit te vinden wat de bevolking zelf dacht.



Het Marshallplan



Na WOII kwam de VS te hulp in Europa, met een plan van Marshall, de minister van Buitenlandse Zaken. De SU wees dit af, en ook vele andere Oost-Europese staten zagen er (ondanks interesse) vanaf omdat dit kon worden opgevat als actie tegen de SU. Uiteindelijk is dit plan uitgevoerd in West-Europa, Joegoslavië, Griekenland en Turkije.



Belangrijke politieke redenen bij aanvaarden van het Marshallplan door het Congres van de VS waren:




  • De VS zagen armoede als voedingsbron voor het communisme.

  • Een welvarend West-Europa zou kunnen helpen in de strijd tegen het communisme.



→ Het Marshallplan droeg bij aan de eenwording van West-Europa, en de economische opbloei ervan. Tegelijkertijd droeg het bij aan de tegenstellingen tussen Oost en West.



Spanningen in Europa 1948-1968



Blokkade van West-Berlijn 1948-1949



Na een geldsanering (vervanging waardeloze mark door D-mark gekoppeld aan de dollar) in de zones van de westelijke geallieerden besloot de SU in te grijpen → werd besloten tot de blokkade van Berlijn: alle wegen vanuit de westerse zones naar de stad werden afgesloten.

→eerste echte krachtmeting tussen de VS en de SU

de VS en Engeland begonnen een luchtbrug om West-Berlijn voldoende te bevoorraden, en na bijna een jaar hief Stalin de blokkade op.

De bedoelingen van Stalin zijn zelfs nu nog niet duidelijk, vermoedelijk wilde hij West-Berlijn annexeren.



Onbedoelde gevolgen van de blokkade:




  • De splitsing van Duitsland; in mei 1949 werden de 3 westelijke bezettingszones tot een zelfstandige staat verklaard, de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) → Stalin antwoordde met oprichting van DDR, of Duitse Democratische Republiek in oktober 1949.

  • De oprichting van de NAVO in 1949.

  • De oprichting van het Warschaupact door de SU → DDR werd lid.



Het doel van de NAVO: gezamenlijke verdediging tegen buitenlandse aanvallen. Het Warschaupact was de communistische tegenhanger van de NAVO.



Volksdemocratieën in Oost-Europa: onderdrukking en verzet



De SU stond geen afwijking van de door haar uitgestippelde lijnen toe. Dreigden zaken uit de hand te lopen, dan greep de SU met geweld in.



In 1953: opstand in Oost-Berlijn tegen de strakke leiding en het economisch beleid. Dit verspreidde zich al snel over de hele DDR. De regering sloeg deze opstand snel en hard neer, m.b.v. het leger van de SU.



In Hongarije was stalinist Rákosi aan de macht. Deze ging te ver en na Stalins dood riep de SU om versoepeling. Ondertussen kreeg gematigde communist Imre Nagy een grote aanhang. In 1956 moest Rákosi het veld ruimen → kwam een beweging op gang die volgens de SU veel te ver ging. De bevolking eiste het vertrek van alle russen, vrije verkiezingen, en processen tegen de oude leiders. Op 4 november maakte troepen van het Warschaupact met geweld een einde aan alle illusies → het westen reageerde met grote verontwaardiging. In Nederland hield men protestbijeenkomsten.



In 1968 vond er in Tsjecho-Slowakije een machtswisseling plaats in de top van de communistische partij. De nieuwe machthebbers wilden communisme met een menselijk gezicht (betere naleving burgerrechten etc.). Er waren ook plannen voor hervorming van de economie → dit is de Praagse Lente.

→SU vreesde het verlies van invloed dus vielen troepen van het Warschaupact op 21 augustus 1968 Tsjecho-Slowakije binnen. De bevolking protesteerde, maar zonder gewapend verzet. Er kwam een nieuwe regering die trouw was aan de SU.



Er ontstaat een kernwapenwedloop



Sinds 1945 beschikten de VS over atoombommen. Stalin wilde ook zo’n bom → het evenwicht was verstoord en hij liep achter op de VS. 4 jaar later had de SU ook atoombommen ontwikkeld.

Beide partijen waren bang achter te raken, dus de eigen kernbewapening werd voortdurend gemoderniseerd → beide partijen probeerden elkaar te overtreffen. Zo ontstond een wapenwedloop, die constante dreiging met  zich meebracht.



Er waren 3 kernwapenstrategieën;




  • Strategie van de ‘afschrikking door massale vergelding’

    De VS hadden eerst een groot voordeel omdat zij kernwapens hadden. De SU had echter veel meer conventionele wapens, dus bij een aanval zouden zij veel sterker zijn. Daarom dreigden de VS de SU te vernietigen met hun kernwapens als de SU het westen zou aanvallen.

  • De strategie van ‘wederzijdse afschrikking’

    Toen de SU ook kernwapens ontwikkelde was er een toestand van wederzijdse afschrikking. Als de SU de VS vernietigde zou de VS de SU vernietigen en vice versa.

  • De strategie van het ‘aangepaste antwoord’



Een Sovjet-aanval zou niet direct met kernwapens beantwoord worden, maar met middelen die aangepast waren aan de situatie, met als doel het gebruik van kernwapens zo lang mogelijk uit te stellen. De regeringen van de Europese NAVO-landen voelden weinig voor deze wijziging in de strategie. Pas 5 jaar later gingen zij akkoord.



Begin jaren 80 vonden in Nederland en andere West-Europese staten massale demonstraties tegen de kernwapenwedloop plaats.



De VS staan in Azië en Afrika tegenover China en de SU



Snelle afbrokkeling van machtspositie van de Europese koloniale mogendheden na 1945



In de jaren ’20 en ’30 van de 20e eeuw groeide het verzet tegen de Europese koloniale overheersing. Na WOII brokkelde de machtspositie van het westen in Azië snel af;




  • Tijdens WOII bezette Japan de Nederlandse en Franse koloniën in Azië, en een klein deel van de Britse koloniën.

  • Tijdens WOII groeide het nationalisme in de koloniën.

  • Machtsvacuüm na de Japanse capitulatie



Na de capitulatie waren troepen van de koloniale mogendheden nog niet ter plaatse, nationalistische bewegingen in de koloniën profiteerden hiervan.




  • Inzicht in Engeland dat de tijd van het kolonialisme voorbij was.



Zowel in economisch-politiek opzicht als in sociaal opzicht kwam Engeland tot het inzicht dat het besturen van een kolonie niet winstgevend meer was en indruiste tegen de westerse waarden als zelfbestuur en allerlei andere vrijheden.




  • Sterke groei van het communisme in enkele Aziatische landen.



Communisten in China en Vietnam verdreven de regeringen van de koloniale mogendheden.



De VS en de SU gaan anti-koloniale bewegingen steunen



Hiervoor hadden zij verschillende redenen;




  • Ideologische motieven



De SU wilde de gehele wereld communistisch maken, de VS wilde juist democratie stimuleren.




  • Machtspolitieke motieven



De SU wilde greep te krijgen op de onafhankelijkheidsbewegingen in koloniën  omdat dit voor een toenadering zou kunnen zorgen. De VS probeerde dit juist tegen te houden.




  • Economische motieven

    Voor de SU→economie middel om eigen macht te vergroten en macht VS(/China) te beperken. VS wilde dat Aziatische staten zich zouden openstellen voor handel/investeringen.



Zo beïnvloedden de dekolonisatie en koude oorlog elkaar.



Communistisch China kiest voor een eigen weg



Voor de oorlog → burgeroorlog in China. Tijdens WOII hadden de nationalisten en communisten een gezamenlijke vijand; Japan. Na WOII laaide de onderlinge strijd weer op → VS steunden nationalisten, SU steunde communisten (in het geheim).



Communisten wonnen → 1949 Volksrepubliek China o.l.v. Mao Zedong → verlies van  invloed VS in Azië → VS erkende de Republiek China in Taiwan o.l.v. Chiang Kaisjek.



Rond 1960: openlijke breuk tussen China en SU. Oorzaken;




  • Mao Zedong nam steeds meer afstand van de Sovjet-politiek van vreedzame co-existentie.

  • Rivaliteit tussen China en SU om het leiderschap van de internationale communistische beweging.

  • SU en China wilden communisme op verschillende manieren in de praktijk brengen.



De VS zag China en de SU als één groot machtsblok, maar;




  • De VS zagen de rivaliteit wel, maar de opvatting dat beide landen communistisch waren overheerste.

  • De VS gaf geen aandacht aan het feit dat China de SU als een imperialistische mogendheid zag in Azië.



De VS nemen de leiding in de strijd tegen het communisme in Azië



Politiek van containment →eerst vooral in Europa toegepast, maar later ook in Azië;




  • Communistische bewegingen speelden een rol bij de dekolonisatie in Azië.

  • Toen China communistisch werd ontstond er een tweede communistische grootmacht in Azië.

  • Na de aanval van Noord-Korea op het westers gezinde Zuid-korea was de VS bang dat andere landen hier een voorbeeld aan zouden nemen



In de VS ontstond de dominotheorie; Als een land in Zuid-Oost-Azië communistisch werd, zou een hele reeks landen als dominostenen voor het communisme ‘omvallen’. Door het geven van economische en militaire steun, en marionettenregeringen (regeringen die zich niet op eigen kracht kunnen handhaven, maar hulp nodig hebben van een grote mogendheid) probeerden de VS het communisme in te dammen.



Door de communisten werden deze bemoeienissen westers imperialisme genoemd. De SU gebruikte dezelfde middelen.



Koreaanse Oorlog (1950-1953)  vergroot tegenstellingen



Korea was na WOII opgedeeld in Noord en Zuid → Noord-Korea door SU gesticht

VN Veiligheidsraad  riep op de agressie van Noord-Korea tegen te gaan, en de SU kon zijn veto niet uitspreken na het boycotten van een veto van de VS.

De Koreaanse Oorlog werd vooral een oorlog van de VS. Vredesonderhandelingen duurden lang, en de strijd ging door. Onder Eisenhower werd in 1953 een wapenstilstand bereikt.



De Koreaanse oorlog wordt overschaduwd door WOII en de vietnamoorlog , de gevolgen zijn echter groot;




  • Noord-, en Zuid-Korea bleven gescheiden.

  • Ruim 2 miljoen doden (soldaten en burgers), miljoenen anderen waren dakloos en arm geworden.

  • Vrees voor het communisme nam toe in het westen.

  • West-Duitsland mocht een leger oprichten.

  • In Azië namen de VS anti-communistische maatregelen.



Nederlaag VS in Vietnam leidt tot toenadering tot China en SU



Na WOII riep Ho Tsji Minh de Republiek Vietnam uit→de Fransen waren het hier niet mee eens, dus stuurden ze een leger. Ze verloren de slag bij Dien Bien Phoe, en gaven zich over. Ze besloten tot vredesonderhandelingen en terugtrekking uit Vietnam.

→toekomst van Vietnam werd besproken op Conferentie van Genève (juli1954);




  1. Vietnam werd tijdelijk verdeeld langs de 17e breedtegraad. Vietminh(bevrijdingsbeweging) moest zich terugtrekken ten noorden hiervan, de Fransen ten zuiden hiervan.

  2. Beide delen moesten neutraal zijn; geen militaire bondgenootschappen o.i.d.

  3. Binnen 2 jaar zouden democratische verkiezingen gehouden worden.



Na 1954; Noord-Vietnam communistisch en Zuid-Vietnam o.l.v. Ngo Dinh Diem (autoritaire regering).  De VS steunden de Zuid-Vietnamese staat in de hoop deze in stand te houden.



In Zuid-Vietnam kwam de regering tegenover de Vietcong te staan, geleid door communisten. De vietcong werd gesteund door Noord-Vietnam. Als snel beheerste de vietcong grote stukken van het platte land in Zuid-Vietnam.

De regering bleek de vietcong niet te kunnen verslaan;




  • Er kwamen steeds meer troepen en oorlogsmateriaal uit Noord-Vietnam.

  • De bevolking steunde het Zuid-Vietnamese dictatoriale regime niet.



→President Johnson vond een oorlog noodzakelijk, en hiermee werd ingestemd mede dankzij;




  • Het Tonkin-incident (later zeer omstreden)



Noord-Vietnamese torpedo aanvallen op marine schepen van de VS in de golf van Tonkin




  • De Tonkin-resolutie



Hierdoor kreeg de president de bevoegdheid om alle mogelijke maatregelen te nemen tegen de agressie in Zuid-Oost-Azië.




  • De verkiezingsoverwinning van Johnson



Deze overwinning in 1964 was zo groot dat Johnson erop vertrouwde dat het Congres en het publiek zijn maatregelen goedkeurde.



→toen besloot Johnson tot een escalatie;




  • De luchtmacht van de VS werd ingezet voor massale bombardementen.

  • Grondtroepen werden ingezet om de Vietcong en de Noord-Vietnamese soldaten uit te schakelen.



Het lukten de VS niet om de oorlog te winnen, mede dankzij;




  • Steeds nieuwe Noord-Vietnamese troepen drongen het zuiden binnen ondanks de bombardementen en grondtroepen.

  • De VS en Zuid-Vietnam slaagden er niet in de steun te verwerven van de Zuid-Vietnamese bevolking.

  • Door de gruwelijke beelden in de media kwam er steeds meer afkeer tegen de oorlog onder de westerse bevolking.

  • De grote aantallen gesneuvelde VS-militairen veroorzaakten ook afkeer tegen de oorlog onder de westerse bevolking.

  • Er waren massale demonstraties tegen de oorlog.

  • Het toenemend besef dat de Zuid-Vietnamese troepen en de VS niet op steun konden rekenen van de Zuid-Vietnamese bevolkking.

  • De hoge kosten die de oorlog met zich meebracht.

  • Ook veel westerse regeringen stelden zich steeds kritischer op t.o.v. de oorlog.



Toen: President Nixon→beloofde andere aanpak van oorlog, wilde het met een eervolle vrede beëindigen. Zuid-Vietnam mocht echter niet communistisch worden, dat betekende gezichtsverlies. Door deze stappen kwam Nixon tot een eervolle beëindiging;




  1. Vietnamisering van de oorlog

    De troepen van de VS trokken zich geleidelijk terug, het Zuid-Vietnamese leger nam de strijd van de VS over.

  2. Zware VS-bombardementen op de vijand

    Om de vietnamisering te laten slagen en Noord-Vietnam tot onderhandelingen te dwingen.

  3. Verbetering van de betrekkingen met China (pingpongdiplomatie)

    China steunde Noord-Vietnam, dus door de betrekkingen met China te verbeteren hoopten de VS dat China druk op Noord-Vietnam zou uitoefenen om akkoord te gaan met een wapenstilstand.

  4. Voeren van een driehoeksdiplomatie

    Er ontstond een driehoeksdiplomatie tussen de VS, China en de SU omdat de SU niet buitenspel wilde komen te staan. Beide landen gingen nu druk uitoefenen op Noord-Vietnam.



In 1973 werd uiteindelijk een wapenstilstand gesloten.



Gevolgen van de Vietnam-Oorlog



In 1975 veroverde Noord-Vietnam Zuid-Vietnam, waardoor heel Vietnam communistisch werd. Vele Zuid-Vietnamezen werden opgesloten in ‘heropvoedingskampen’. Duizenden Vietnamezen vluchtten.



De betrekkingen tussen de VS en China verbeterden. De VS beschouwden ook niet langer elk bewind, hoe ondemocratisch ook, als een geschikte bondgenoot tegen het communisme.



De koude oorlog verplaatst zich naar Zwart-Afrika (landen ten zuiden van de Sahara)



Zowel de SU, China, als het westen probeerden hier invloed te krijgen. Deze waren echter voor neutraliteit, omdat ze net onafhankelijk waren en geen deel van deze onafhankelijkheid wilden opgeven. Toch kozen de meesten in de praktijk voor het westen, omdat;




  • De invloed van het vroegere moederland was in elke nieuwe Afrikaanse staat nog groot.

  • Van het rijkere westen viel meer financiële steun te verwachten dan van de SU.

  • Het westen had meer deskundigheid wat betreft de voormalige koloniën.

  • De SU en China verwachtten van de nieuwe Afrikaanse regeringen dat zij een communistische staat zouden opbouwen.



De SU kreeg in enkele landen wel wat grond, omdat;




  • Ideologisch verwantschap.

  • Waardevolle militaire wapens.

  • De SU bood gratis vervolgonderwijs aan voor jonge Afrikanen.







Vreedzame co-existentie door conflicten in gevaar gebracht tussen 1955-1963



Regeringswisselingen in de VS en de SU 1953-1955



Begin 1953 wordt Eisenhower de opvolger van Truman. De buitenlandse politiek werd toen grotendeels verwoord door John Foster Dulles → wilde de containment politiek vervangen door een politiek van rollback; bevrijding van aan communisme onderworpen volken. Hij kon dit echter niet uitvoeren door;




  • Het congres wilde niet voldoende geld ter beschikking stellen.

  • De SU had intussen een eigen kernmacht opgebouwd dus was een oorlog met de SU veel gevaarlijker.



Na het overlijden van Stalin (1953) kwam Chroesjtsjov aan de macht. Hij ging door met het opbouwen van een kernmacht, en pleitte daarnaast voor vreedzame co-existentie met de kapitalistische wereld: de rivaliteit bleef bestaan, maar mocht niet tot oorlog leiden.

→hoogtepunt op conferentie van Genève (1955), waaraan Chroesjtsjov, Eisenhower en Dulles persoonlijk deelnamen.



Pogingen tot vreedzame co-existentie



De Oost-West-verhouding leek gestabiliseerd, want in de volgende voorbeelden respecteerden beide blokken elkaars invloedssferen;




  • De reacties van het Westen en de SU op de beide Duitslanden.

  • De wederzijdse concessies bij het vredesverdrag met Oostenrijk.

  • De reacties van het Westen op de opstand in Hongarije.

  • De reacties van de VS en de SU op de Suezcrisis.



Nieuwe conflicten staan vreedzame co-existentie in de weg



Enkele jaren later verhardden de Oos-West verhoudingen toch;




  • Er kwam een grote crisis rond de Berlijnse Muur.

  • In 1962 liep de Cubaanse rakettencrisis bijna uit op een wereldoorlog waarbij Europa ook betrokken bij zou raken.



In 1960: John F. Kennedy tot president gekozen, hij beloofde een krachtiger binnen- en buitenlandse politiek. Ook wilde hij met meer kracht de idealen van vrijheid en welvaart verbreiden. Chroesjtsjov bleek niet bereid tot concessies en kreeg enkele ernstige conflicten met Kennedy.



Berlijnse muur

Chroesjtsjov wilde leider van de communistische wereld blijven, maar had in Mao Zedong een rivaal gevonden → Chroesjtsjov kon successen goed gebruiken.

Om het leegbloeden van de DDR tegen te gaan werd daarom een muur gebouwd dwars door Berlijn (populairste vluchtroute) op 13 augustus 1961.



Cubacrisis

1959: Fidel Castro verdreef Cubaanse dictator Batista → Castro nationaliseerde al het bezit van de VS op Cuba en sloot een handelsovereenkomst met de SU.

→Regering Eisenhower reageerde met economische boycot.

In 1962 begon Chroesjtsjov kernraketten te plaatsen op Cuba, hij wilde hiermee communistisch Cuba beschermen tegen de VS. De VS had kernraketten geplaatst in verschillende West-Europese landen, en in aan de SU grenzende landen. Chroesjtsjov vond daarom dat hij het volste recht had kernraketten op Cuba te plaatsen.

De VS reageerde met een marineblokkade van Cuba (oktober 1962). Haar taak was Sovjet-schepen met raketten of materiaal voor lanceerbases tegen te houden. Daarbij verklaarde Kennedy dat iedere raketaanval vanaf Cuba vergolden zou worden met een kernaanval op de SU.

Enkele dagen later → akkoord tussen Chroesjtsjov en Kennedy.



Spanningen tussen Oost en West nemen af 1963-1991



Beide partijen streven naar Détente 1963-1983



Détente = periode van ontspanning tijdens de Koude Oorlog van na de Cubacrisis tot de lancering van het SDI-project begin jaren ’80 door de VS. Dit kwam tot stand om de volgende redenen;




  • Voorkomen van een onbeheersbaar nucleair conflict.

  • Beperken van de zeer hoge kosten voor de kernwapenwedloop.



De VS stelde zich terughoudender op na het verliezen van de Vietnamoorlog, en stapten af van het idee dat Moskou of Peking achter elke communistische beweging zat, en beschouwden niet iedereen meer als geschikte bondgenoot tegen de communisten.



Waaruit de toenadering tussen Oost en West bleek




  • Het aanleggen van een hot line tussen Washington en Moskou.

    dit is een telexverbinding om in geval van crisis beter te communiceren.

  • Het verbeteren van de betrekkingen tussen de VS en China .

    Dit veranderde de verhouding Oost-West; China was nu niet langer de vijand, maar streefde naar samenwerking met het Westen, zo verloor het communistische blok zijn eenheid.

  • Het sluiten van verdragen over kernwapenbeheersing.

    het Non-Proliferatieverdrag verbond 111 landen in de afspraak om geen kernwapens te leveren aan landen die er nog geen hadden, om de verspreiding ervan te voorkomen. Ook in de SALT-verdragen I en II werden afspraken gemaakt (tussen VS en SU) over het verminderen van intercontinentale kernraketten.

  • Het erkennen van de grenzen van de DDR door de BRD.

    In ruil voor deze concessie van de BRD garandeerde de SU het verkeer tussen West-Duitsland en West-Berlijn nooit meer te zullen hinderen.



Beide partijen houden vast aan de eigen invloedssfeer



Wat de invloedssfeer van de SU betreft

in de Brezjnevdoctrine(1968) gaf de SU zichzelf het recht in te grijpen in staten binnen haar invloedssfeer als het communisme daar werd bedreigd;




  • SU onderdrukte de Praagse Lente.

  • In 1979 viel de SU Afghanistan binnen om het communistische bewind te ondersteunen.

  • In 1982 werd onder druk van de SU door de Poolse regering de vakbond ‘solidariteit’ verboden.



Wat de invloedssfeer van de VS betreft

Onder invloed van het verliezen van de Vietnam-Oorlog grepen de VS amper in toen;




  • In Afghanistan in 1978 een pro-westerse bewind werd verdreven door een bewind dat met de SU ging samenwerken.

  • In Nicaragua in 1979 een westers gezind, corrupt en dictatoriaal bewind werd verdreven door de socialistische Sandinisten.



Einde van de Koude Oorlog



Het einde het communistisch bewind in de SU 1991 ook het einde aan de Koude Oorlog.



Indirecte oorzaken van het einde van de Koude Oorlog;




  • Te hoge kosten.



Het SDI-project gaf de SU de nekslag. Dit zou een computergestuurd ruimteschild moeten vormen tegen inkomende raketten. Overigens bleek het te duur en technisch onhaalbaar te zijn.




  • Verlies aan vertrouwen in het communisme.



Het Oostblok raakte steeds verder achter bij de welvaart in West-Europa. De communistische planeconomie faalde voortdurend. Ook werd de technologische achterstand t.o.v. het Westen groter.




  • Verzet in het Westen tegen kernbewapening



Directe oorzaken van het einde van de Koude Oorlog;




  • Het in de SU aan de macht komen van Michail Gorbatsjov (1985).



Hij zag in dat het slecht ging met de SU, en dat er veel moest veranderen en dat er een ander beleid nodig was.




  • De invoering van de Glasnost (openheid).

    Tot dan toe was kritiek op de communistische partij of op de regering altijd verboden geweest, dit mocht vanaf nu wel. Glasnost was nodig om tot Perestrojka te komen.

  • De invoering van Perestrojka (hervorming).

    Het belangrijkste onderdeel was het vervangen van de planeconomie door de westerse markteconomie. Dit bracht veel problemen met zich mee, zoals het privatiseren van staatsbedrijven, het maken van winst, en de werkeloosheid en schaarste.

  • Het loslaten van de Brezjnevdoctrine.

    De SU stond de Oostbloklanden toe de alleenheerschappij van de communistische partij af te schaffen en zich om te vormen tot een meerpartijendemocratie(1989).



Het Wonderjaar 1989



Het gevolg van al deze (in)directe oorzaken was het wonderjaar. In enkele maanden was in het grootste deel van Oost-Europa het communisme afgeschaft. Hierdoor was ook aan de invloed van de SU in Oost-Europa grotendeels een einde gekomen. De VS en de SU sloten overeenkomsten waarin werd bepaald dat beide landen hun kernwapens en hun legers in Europa sterk zouden verminderen.



Belangrijke gevolgen van de mislukte staatsgreep in de SU



Conservatieve communisten in de SU wilden de hervormingen van Gorbatsjov terugdraaien, zij pleegden in 1991 een staatsgreep. Deze mislukte, maar had wel belangrijke gevolgen:




  • Boris Jeltsin werd de machtigste man, de president van de grootste republiek van de SU, Rusland. Hij wilde de SU ontmantelen, de Communistische partij afschaffen en van Rusland een onafhankelijke staat maken.

  • De SU viel uiteen: binnen enkele dagen verklaarde een hele reeks Sovjet-republieken zich onafhankelijk: Estland, Letland, Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië, Georgië, Armenië, en Azerbeidzjan.

  • Gorbatsjov trad op 25 december 1991 af als leider van de SU, die toen ophield te bestaan. Hij droeg zijn macht over aan Jeltsin.

  • Het Warschaupact werd opgeheven. De meeste nieuwe regeringen wilden alle banden met de SU doorsnijden.



Met het verdwijnen van het IJzeren Gordijn verdween op den duur ook het wantrouwen tussen Oost- en West-Europa, wat leidde tot het toetreden van voormalige neutrale landen en Oostbloklanden tot de EU.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.