Doe mee met Markteffect's studiekeuze-onderzoek
Maakt niet uit of je je studie al gekozen hebt. Win één van de 200 (!) cadeaubonnen van €25

Meedoen

Historische Contexten H.3

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 3163 woorden
  • 28 mei 2016
  • 1 keer beoordeeld
Cijfer 7.3
1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Samenvatting geschiedenis Historische Contexten H.3 Duitsland 1871-1945

Het Duitse keizerrijk:

*Duitsland was lang versnipperd in een aantal losse staten -> in 1871, na de Frans-Duitse oorlog, bracht Otto van Bismarck de staten bijeen tot een groot Duits keizerrijk. Wilhelm I, de koning van Pruisen, werd de keizer, Bismarck de Rijkskanselier, de leider van de regering.

* staatsinrichting van het Duitse keizerrijk:

- Duitsland was verdeeld in kiesdistricten, elk met een door algemeen kiesrecht voor mannen uitgekozen afgevaardigde voor de Rijksdag= de volksvertegenwoordiging.

- de keizer benoemde de Rijkskanselier en was militair opperbevelhebber. De Rijkskanselier benoemde de ministers. De Rijksdag keurde begroting, belastingmaatregelen en wetten goed of af, maar mocht verder niks. De Rijksdag kon ontbonden worden door de Rijkskanselier en de Bondsraad.

- het rijk was verdeeld in 25 deelstaten. Afgevaardigden van de deelstaten vormden de Bondsraad. Zij had samen met de Rijksdag de wetgevende macht en mocht de Rijksdag ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven. De Rijkskanselier was de voorzitter.

*de belangrijkste politieke stromingen:

  • Conservatieven en nationaal-liberalen, vooral aanhang onder de hogere lagen van de bevolking
  • De Centrumpartij / Centrum, vooral aanhang onder de katholieke bevolking.
  • De socialisten, vooral aanhang onder industrie arbeiders. Viel in 1917 uiteen in socialisten en communisten.

*gelaagdheid van de bevolking:

  • Adel, officieren en ambtenaren. Beheersten de openbare mening.
  • Grote fabrikanten en bankiers, verkeerden in de hoogste kringen door huwelijk.
  • Werknemers in de dienstensector, lagere ambtenaren, kleine ondernemers, chefs van afdelingen van grote ondernemingen. Voelde zich bekneld tussen de lagen oven en beneden.
  • Boeren, arbeiders in de landbouw en de industrie, lagere ambtenaren. Stonden onderaan in de samenleving.

 

Duitsland gaat een rol spelen in de wereldpolitiek:

  • Alliantiepolitiek van Bismarck: Bismarck zag dat Duitsland omsingeld was door sterke mogendheden -> alliantiepolitiek: buitenlandse politiek die erop gericht was door middel van het sluiten van allianties het bestaande machtsevenwicht te handhaven. Hiertoe hoort ook de Conferentie van Berlijn in 1884: door Europa en VS werden afspraken gemaakt over de verdeling van Afrika
  • Weltpolitik van Wilhelm II: Wilhelm II, de opvolger van Wilhelm I, wilde meer macht (ontsloeg Bismarck ook in 1890) -> met zijn Weltpolitik wilde hij eerst een overzees imperium verkrijgen, maar kwam daarbij tegenover Groot-Brittannië te staan. Met de  vlootwet van 1898 werd begonnen aan de bouw van een oorlogsvloot. Duitsland ging zijn blik ook richten op het Europese continent.

 

WO I:

indirecte oorzaken:

  • Militarisme: het verheerlijken van militairen en het leger. Toenemend militarisme vergroot de kans op oorlog. Oorlog werd gezien als een middel om macht en invloed veilig te stellen.
  • Imperialisme: het streven van een staat om een groot rijk op te bouwen door gebieden van andere volken te veroveren, vooral in andere werelddelen. Toenemend imperialisme leidde tot conflicten tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland. Er ontstond bv. een wedloop om Afrika
  • Nationalisme: het streven van een volk naar een eigen staat.
  • Bewapeningswedloop: regeringen gingen steeds meer geld uitgeven aan de versterking van hun leger (want een sterk leger heeft macht). Er ontstond een bewapeningswedloop, en de vrees voor elkaar.
  • Oprichting van bondgenootschappen: Europese staten hadden vrees voor elkaar-> gaan opzoek naar bondgenoten. Hiermee werd de kans op oorlog juist groter, i.p.v. kleiner.

1882: Triple Alliantie (later de Centralen), bondgenootschap tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië.

1907: Triple Entente (later de Geallieerden), bondgenootschap tussen Engeland, Frankrijk en Rusland.

 

Aanleiding:
- Serviërs wilden zich afscheidden van Oostenrijk-Hongarije -> vermoordden de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, Frans Ferdinand en zijn vrouw. -> Rusland steunde Servië -> Duitsland steunde Oostenrijk-Hongarije-> Oostenrijk-Hongarije verklaarde op 28 juli 1914 de oorlog aan Servië -> kettingreactie van mobilisatie en oorlogsverklaringen.

 

Verloop van WO I:

  • Iedereen gaat vol enthousiasme de oorlog in : nationalisme en militarisme wakkerden vaderlandsliefde en strijdlust aan + iedereen overtuigd van eigen superioriteit.

1914: Von Schlieffenplan (ontstond in 1905):  bedoeling was dat Duitsland door België naar Noord-Frankrijk zou trekken om de Franse verdediging aan de Frans-Duitse grens te omzeilen. Dit plan mislukte:

  • Onverwachts sterke tegenstand van de Belgen, die wreed werd onderdrukt
  • Deel van de Duitse troepen moest naar het Oostfront -> ontstaan bewegingsoorlog
  • Slag bij Marne, een nederlaag voor Duitsland in september. Bij Marne gingen Engeland en Frankrijk in de tegenaanval. -> begin van de loopgraven oorlog en definitieve mislukking van het plan.

 

Na de slag bij Marne een jarenlange loopgravenoorlog. Kenmerken:

  • Vijandelijke legers staan in loopgraven met een stuk niemandsland ertussen
  • Leven in loopgraven voor maanden.
  • Aanvallen die weinig tot geen winst opleveren
  • Enorm aantal doden en gewonden

 

1916: Slag bij Verdun: maandenlange veldslag in Frankrijk (februari 1916), met zeer grote verliezen voor Duitse en Franse leger, zonder een beslissing. Een voorbeeld van oorlogsvoering aan het Westfront. Slag bij de Somme: grote aanval aan de Somme in juli 1916. Engelsen probeerden samen met de Franse het front bij Verdun te ontlasten. Beide partijen leden enorme verliezen en nauwelijks terreinwinst. -> enthousiasme verdween

  • meer verwoestingen, thuisfront( = de burgerbevolking die een bijdrage levert aan de oorlogvoering) meer bij oorlog betrokken en vooral in Duitsland grote schaarste door een zeeblokkade.

 

Keizerrijk komt ten val, het einde van de oorlog:
voor het Duitse Oostfront verbeterde de situatie na de vrede met Rusland (Vrede van Brest-Litovsk), maar na een succesvol begin mislukte het offensief aan het Westfront: de VS hielp de Geallieerden met nieuwe troepen. Wilhelm II en zijn opperbevelhebbers zagen dat doorvechten vanaf nu zinloos was. Het keizerrijk kwam ten val:

  • 3 oktober 1918: Wilhelm II benoemde een nieuwe regering met steun van de Rijksdag om vredesonderhandelingen te beginnen
  • In Duitsland braken toen opstanden uit, revolutiepogingen van socialisten en communisten. Soldaten en arbeiders wilden een onmiddellijke vrede.
  • 9 november: de Duitse regering treed af, een nieuwe socialistische regering zou de opstandige soldaten en arbeiders in toom kunnen houden.
  • Duitsland riep de republiek uit en tekende op 11 november 1918 in Frankrijk een wapenstilstand. Wilhelm II trad af.

 

Er ontstond een machtsstrijd tussen socialisten en communisten. De socialistische partij Sozialdemokratische Partei Deutschlands wilde een parlementaire democratie, de Kommunistische Partei Deutschlands een communistisch regime. De socialisten wonnen.

In januari 1919 werd een nieuwe parlement gekozen in Weimar -> ontstaan van de Republiek van Weimar

 

De Weimar republiek:

 

Ondanks nieuwe democratische staatsvorm bleef de sociaal economische en politiek structuur en de daarmee samenhangende machtsverhoudingen dezelfde.

Geen van de partijen had tot 1933 de meerderheid. Vanwege doctrinaire karakter en gebrek aan democratische en parlementaire traditie en ervaring was coalitievorming zeer moeilijk. Voornaamste regeringspartijen waren Centrum en SPD. Credo: Erfühlungspolitiek: Proberen het Verdrag van Versailles zo loyaal mogelijk na te komen.

 

Problemen Weimar republiek:
*De Vrede van Versailles (juni 1919): zeer nadelige vrede voor Duitsland:

  • Duitsland kreeg de schuld en moest herstelbetalingen betalen aan de Geallieerden
  • Duitsland moest grondgebied afstaan
  • Duitsland moest ontwapenen, alleen een klein beroepsleger

 

*een groot deel van de bevolking was de Republiek van Weimar en de democratie vijandig gezind -> machtsstrijd en wantrouwen:

  • Communisten (partij: KPD) zagen het parlement als een middel om propaganda te maken voor hun eigen ideaal: een communistische staat
  • Januari 1919: Spartacus opstand: poging tot communistische revolutie
  • Nationalisten en conservatieven wilden het keizerrijk terug (met minder macht voor de politieke partijen en meer voor henzelf)
  • Dolkstootlegende: legende die in het leven was geroepen door Duitse officieren: de socialisten hebben Duitsland in de oorlog laten verliezen met hun opstanden en pacifisme

->maart 1920: leidde tot de Kapp-Putch: gefrustreerde militairen plegen staatsgreep; arbeiders redden republiek

  • Veel mensen sluiten zich aan bij communistische,  conservatieve of fascistische groepen -> waren allemaal de parlementaire democratie vijandig gezind
  • Door deze verdeeldheid was het moeilijk een regering te vormen

 

*economische crisis:

-  Regering gaat gedwongen akkoord met Verdrag van Versailles

- 1923: geen geld -> Frankrijk bezet Ruhrgebied -> arbeiders staken -> regering drukt geld bij om loon uit te blijven betalen -> hyperinflatie

- 1924: Dawesplan: de VS kwam met herziening van het beleid voor herstelbetalingen.

  • Het aandeel van de aflossing van de herstelbetalingen werd gekoppeld aan de economische draagkracht van Duitsland
  • VS verstrekte vanaf 1925 leningen om de economie van Duitsland weer op gang te helpen

-1929: beurskrach-> Duitslands moet geleend geld direct terugbetalen -> crisis

 

 

Het fascisme van de nazi’s

Fascisme is een totalitaire ideologie: een duidelijk omschreven wereldbeschouwing die betrekking heeft op alle aspecten van de maatschappij. De wil van het individu is ondergeschikt aan die van het volk.

Kenmerken fascisme:

  • Fascisme is negatief, tegen alles wat een volk kan verdelen (daarom ook tegen socialisten/communisten met hun klassenstrijd)
  • Belang van de eigen groep wordt vooropgesteld
  • Ultra nationalistisch, eigen staat is de beste en heeft het recht andere volkeren te overheersen
  • Corporatieve staat, de maatschappij is georganiseerd in beroepsgroepen.
  • Ongelijkwaardigheid van mensen-> de hogere mensen leiden, de rest gehoorzaamt
  • Führerprinzip: aan het hoofd staat één sterke leider die de wil van het volk vertegenwoordigt
  • De fascistische partij beheerst alle uitingen van cultuur in de staat en maakt daarbij uit wat goed en slecht is
  • Verstand als basis voor het handelen minder geschikt dan het gevoel
  • Fascisme verheerlijkt de daad, vooral waarbij kracht en geweld gebruikt worden
  • Vrouwen moeten veel kinderen voortbrengen en voor hun gezin zorgen

 

Aanvullende kenmerken van het Nationaal- Socialisme, het fascisme van Hitler:

  • Rassenleer: er zijn hoogwaardige rassen (het Arische), minderwaardige rassen (zij moeten dienen, zoals het Slavische volk) en verderfelijke rassen (vooral de joden -> antisemitisme= Jodenhaat)
  • het veroveren van Lebensraum in Oost-Europa om alle Duitsers en hun nakomelingen een goed bestaan te bieden
  • Deze ideeën leidden tot de gedachte dat er een 1000 jarig nieuw 'Derde Rijk' gesticht moest worden: Grossdeutschland en dat Europa (liefst de wereld) ‘bevrijd’ moest worden van de Joden.

 

Opkomst van Hitler en nationaal-socialisme aan de macht:

1919: Hitler lid van de NSDAP (Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, aanvankelijk een lokale Beierse partij) . In 1921 werd hij voorzitter.

1923: Hitler doet een poging tot staatsgreep-> mislukt -> wordt gevangen gezet-> schrijft daar zijn ideeën uit in ‘Mein Kampf. -> besluit om op legale manier aan de macht te komen.

Waardoor krijgt Hitler de massa achter zich?

  1. Getalenteerd redenaar en leider
  2. Bood voor elk wat wils en simpele oplossingen voor ingewikkelde problemen (sloegen nergens op, maar sloegen wel aan bij het publiek)
  3. Gaf iedereen de schuld, met name de Joden, behalve het Duitse volk
  4. De omstandigheden: economische crisis en slecht functionerende democratie
  5. Strakke partijorganisatie en discipline, propaganda

 

30 januari 1933: Hitler wordt rijkskanselier in een conservatief kabinet

1 februari 1033: hij ontbindt de Rijksdag en schrijft nieuwe verkiezingen uit

27 februari 1933: brand in de Rijksdag -> de nazi’s geven de KPD en de Komintern(= organisatie van alle communistische partijen in de wereld, gedomineerd door de SU) de schuld -> vele communisten werden gearresteerd door de SA (Sturm-Abteilung, het partijleger van de NSDAP)

29 februari 1933: noodverordening: communisten verliezen burgerrecht

  • De conservatieven en president Von Hindenburg stemden er mee in, omdat ze in de communisten een groter gevaar zagen dan in de fascisten

5 maart 1933: nieuwe Rijksdag verkiezing: NSDAP 44 % v.d. stemmen, maar had 2/3 meerderheid nodig

23 maart 1933: door de afwezigheid van vele afgevaardigden en met steun van o.a. de Centrumpartij werd de machtigingswet ondertekend: de regering mocht voor 4 jaar zonder tussenkomst van de Rijksdag wetten uit vaardigen, die ook van de grondwet af mochten wijken -> de Rijksdag schakelde zichzelf en de grondwet hiermee uit -> Hitler kon alleen regeren -> einde van de Weimarrepubliek

 

Nazi’s schakelen andere bronnen van verzet uit:

  • vakbonden: vervangen door het Deutsche Arbeitsfront (DAF)
  • andere politiek partijen: KPD en SPD werden verboden, de leiders gearresteerd. Op andere partijen werd druk uitgeoefend om zichzelf op te heffen -> juli 1933: Duitsland een éénpartijstaat
  • een deel van de SA: een deel van de SA was socialistischer dan Hitler hebben wilde-> de SS, een onderafdeling van de SA, wilde macht vergroten en  hielp de SA uit te schakelen -> 30 juni 1934: Nacht van de lange messen: hoge SA mannen werden door de SS vermoord. De macht van de SA was over
  • president Von Hindenburg: overleed -> Hitler nam zijn bevoegdheden over en werd Führer van het Duitse rijk
  • het leger: moest een eed van trouw aan Hitler afleggen
  • de kerken: Hitler probeerde hen tot bondgenoot te maken
  • de nazi’s hadden alle macht in handen in ‘het Derde rijk’.

 

 

nazificatie van de samenleving:

de nazificatie van de samenleving = het organiseren van de samenleving volgens de leer van de nazi’s. het ‘denken’ en het ‘doen’ werden door de staat gecontroleerd.

  • jeugd wordt genazificeerd op school en in organisaties:

school moest de jeugd in nieuwe boeken opvoeden zoals de nazi’s dat wilden: strijdbaar, nationalistisch en rassenbewust-> onderwijspersoneel werd ‘gezuiverd’

jeugdvereniging werden opgeheven-> daarvoor in de plaats kwamen de Hitlerjugend (HJ) voor jongens en de afdeling voor meisjes, de Bund deutscher Mädel (BdM). Iedereen moest er lid van worden. Na de HJ moesten 18 jarigen naar de Rijksarbeidsdienst: een halfjaar arbeidsdienstplicht vervullen.

 

  • Kunst en publiciteit komen in de greep van de nazi’s:

Maart 1933: oprichting ministerie voor volksvoorlichting en propaganda o.l.v. Goebbels (propagandaleider van NSDAP). -> censuur

1933: oprichting Rijkscultuurkamer: iedereen die actief was op het gebeid van publiciteit of kunst moest lid worden

 

  • Bedrijfsleven en landbouw ingeschakeld ter voorbereiding van een oorlog:

de staat werd de voornaamste opdrachtgever van de (oorlogs)industrie. De boeren waren het meest Arisch en werden verheerlijkt. Zij waren erg belangrijk voor de voedselvoorziening. -> Duitsland moest zelfvoorzienend worden

 

  • vrouwen worden als moeder verheerlijkt en in het werk gediscrimineerd:

moederschap werd verheerlijkt, getrouwde vrouwen werden ontslagen

 

door terreur wordt ieder verzet onderdrukt:

de SS (Schutz-Staffel=beschermingsafdeling) was een onderdeel van de SA, maar kreeg na de Nacht van de lange messen rechtstreeks onder Hitler. Taken:

  • oorspronkelijke taak bij oprichting 1925: bescherming van leiders van de NSDAP, in het bijzonder Hitler
  • uitbreiding van taken: bescherming van de nationaal-socialistische staat door het uitschakelen van tegenstanders -> hieronder viel het beheer van concentratiekampen
  • opbouw van eigen troepenmacht (waffen-SS) om eigen macht te vergroten. -> werd in de oorlog op belangrijke plaatsen aan het front ingezet) -> werd als elite beschouwd
  •  in de oorlog: taak om miljoenen mensen te vermoorden in vernietigingskampen

de leider was Heinrich Himmler.

 

Concentratie en vernietigingskampen: 
na de Rijksdagbrand in 1933 bleken de gevangenissen voor alle communisten te klein-> werden afgevoerd naar afgelegen streken, moesten eigen barakken bouwen -> kampen zoals Dachau en Buchenwald

In de oorlogsjaren werden nieuwe kampen opgericht, ook in bezette gebieden -> zoals Vught. Ook werden toen vernietigingskampen opgericht:

Na het uitbreken van de oorlog ging het ook om Joden in bezette gebieden-> emigratie niet meer de oplossing-> begin Endlösung: de ‘definitieve oplossing’. -> genocide: uitmoorden van een specifiek volk. 

->Einsatzgruppen van de SS schieten in veroverde Russische gebieden joden en zigeuners dood -> was te omslachtig -> vergassen in vernietigingskampen: kampen uitsluitend gericht op vernietigen van mensen.

 

Hitlers binnen – en buitenlandse politiek:
 

 

Binnenlandse politiek

 

Buitenlandse politiek

 

 

Oprichting totalitaire staat

Realiseren

‘raszuivere’ samenleving

1 Duits rijk

Oost-Europa wordt Lebensraum

 

 

 

Hitler gaat structureel

Versailles

het Verdrag van

overtreden

1933

Dui wordt eenpartijstaat en stappen worden gezet om het  doen en denken v/d bevolking te controleren

Joodse ambtenaren worden ontslagen + Boycot Joodse winkels

Duitsland uit Volkenbond

+ uitbreiding

+ herbewapening

Infrastructuur

1935

 

Neurenberger wetten

Dienstplicht ingevoerd

Uitbreiding vloot

Saarland weer bij Duitsland

Diestplicht + vloot

1936

 

 

Bondgenootschap met Mussolini + bezetting Rhijnland

 

1938

 

Openbare gelegenheden voor Joden verboden + Reichskristallnacht

Anschluss

Conferentie van München

 

1939

 

Eerste ghetto

Molotov-Ribbentroppact

 

Inval/bezetting Polen

 

 

 

 

 

Verzet in Duitsland

Er was in Duitsland veel verdeeldheid over het beleid van de Nazi’s. in Duitsland zelf was het moeilijker om zich te verzetten dan in andere bezette gebieden; overal werden mensen door SA/SS/leden NSDAP in de gaten gehouden, een groot deel van de bevolking stond achter Hitler -> kans op verraad groot, en verzet werd, ook door mensen die niet in het nationaal-socialisme geloofden, toch als landverraad gezien.

Veel kleine groepen boden verzet, vooral onder socialisten en communisten.-> maar geen kans op val van het regime.

Kerken waren verdeeld, ze waren bang verboden te worden. Hitler probeerde ze tot bondgenoot te maken. -> waren niet echt een bedreiging

Een deel van het leger was wel een bedreiging voor het Hitler-regime: de meeste hoge officieren waren conservatieven en waren bovendien bang dat Hitler ze naar de ondergang zou helpen. In 1944 werd er door hen een aanslag beraamd op Hitler, maar die mislukte.

 

Oorzaken WO II:
directe oorzaak wo II in Europa: inval Polen. Over de dieperliggende oorzaken is discussie:

  • Frankrijk + Engeland+ SU deels ook: Hitler was uit op een oorlog in Oost-Europa (vanwege Lebensraum),  maar niet op een wereldoorlog -> brak toch uit door:
    • Apeasement politiek van Frankrijk + Engeland: hadden eerder hard moeten optreden tegen Hitler
    • Niet-aanvalsverdrag van Stalin-> maakte de weg vrij om Polen aan te vallen
  • Vooral Engeland en Frankrijk:
  • Verdrag van Versailles
  • Frankrijk+ Engeland lieten Hitler zijn gang gaan-> zag hen dus niet als bedreiging toen hij Polen aan viel
  • Frankrijk+ Engeland hadden communistische SU niet moeten wantrouwen -> mogelijk een verdrag tussen geallieerden-> mogelijk geen niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en SU
  • Vooral Hitler en aanhang:
  • Engeland + Frankrijk hadden terecht een schuldgevoel over Verdrag van Versailles
  • Gaven op conferentie van München toe omdat zij vonden dat zelfbeschikkingsrecht ook voor Duitsers moest gelden
  • Hard optreden tegen Hitler zou tot oorlog hebben geleid (WO I nog vers in geheugen)
  • Wantrouwen tegen SU was gerechtvaardigd

 

Verloop WO II:

  • 1 september 1939: aanval Duitsland op Polen-> Engeland + Frankrijk verklaren oorlog aan Duitsland. -> Hitler besluit tot Blitzkrieg: een snelle veroveringsoorlog in West-Europa om Engeland en Frankrijk tot vrede te dwingen en ongestoord de SU te kunnen veroveren.
  • Gaat in 1940  over tot een offensief -> Frankrijk besloot tot een wapenstilstand, Vichy-Frankrijk is het onbezette deel van Frankrijk dat tijdens WO II met nazi-Duitsland samenwerkte. -> in Engeland werd een regering van Vrije Fransen uitgeroepen, die de strijd voortzette. -> nieuwe premier Engeland Winston Churchill wees Duits vredesaanbod af, Engeland stond een jaar lang bijna alleen tegen Duitsland ( en bondgenoot Italië). Duitsland verloor slag om Engeland (juli-oktober 1940)
  • December 1941: Japanse aanval op Pearl Harbor -> VS neemt deel aan oorlog -> Duitsland en bondgenoten verliezen steeds meer
  • Juni 1941: Duitsland verbreekt niet-aanvalsverdrag, opent aanval op SU, behaalde grote overwinningen.
  • Februari 1942: slag bij Stalingrad -> ommekeer aan het Oostfront, Duitse leger steeds verder teruggedrongen
  • 6 juni 1944: D-Day: invasie in Normandië door Engeland en VS -> bevrijden Frankrijk, België en Zuid-Nederland. Voorjaar 1945: offensief tegen Duitsland zelf. 20 april 1945: Russische leger bereikt Berlijn, tijdens slag om Berlijn plegen Hitler en Goebbels zelfmoord -> Duitsland capituleert.

    

 

 

 

 

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.