hele boek

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 17590 woorden
  • 9 maart 2016
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Geschiedenis samenvatting.

Tijdvak 1: De tijd van Jagers en boeren. Tot 3000 v. Christus.



Ander woord oor dit tijdvak: prehistorie (voorgeschiedenis) Zolang er niet wordt geschreven is er sprake van prehistorie. (pre=voor en histor=onderzoek)



Het eerste tijdvak. De naam heeft te maken  met de middelen van bestaan in die tijd. De tijd waarin nog geen geschreven bronnen bestonden.





Kenmerkende aspecten van de prehistorie:



- levenswijze van jagers en verzamelaars



- het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen



- het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen





1.1: Het leven van jager-verzamelaars



Wat was de levenswijze van de jagers-verzamelaars?



- Het waren nomaden: zij trokken rond op zoek naar voedsel. Zij waren relatief kort op één plek, want voedsel raakte snel op.



- Taakverdeling tussen man en vrouw: mannen jagen en vrouwen verzamelden + zorgden voor de kinderen.



- Overgang naar sedentaire beschavingsvormen. (neolithische revolutie)





Wanneer eindigde dit tijdvak?



- Rond 3000 voor Christus, toen in het Midden-Oosten het schrift ontstond. Dit was nog niet overal zo, dus de prehistorie eindigde niet overal rond dezelfde tijd.







De Neanderthaler: uitgestorven menssoort, die tussen 130000 en 30000 voor Christus in Europa leefde. Ze waren ongeveer even groot, hadden zeker zoveel herseninhoud, liepen rechtop en joegen met speren op groot wild.





Wat is het belang van ongeschreven bronnen?



- voor de kennis van de prehistorie zijn we afhankelijk van ongeschreven bronnen, die worden bestudeerd door archeologen. Alles wat uit het verleden is overgebleven, kan als bron dienen. Verder kunnen samenlevingen uit het verleden vergeleken worden met hedendaagse samenlevingen.







Begrippen paragraaf:



Jagers-en verzamelaars: nomaden die joegen en eten verzamelden om te overleven en daarom rondtrokken.





Nomaden: mensen zonder vaste woonplaats.





Prehistorie: eerste periode in de geschiedenis. Deze duurde tot de uitvinding van het schrift ongeveer 3000 voor Christus. (tijd van jagers en boeren)





Archeologie: wetenschap die het verleden bestudeert aan de hand van ongeschreven bronnen.







1.2: Het ontstaan van de landbouw.



Hoe is de landbouw ontstaan?



- Nomaden die granen en peulvruchten aten, ontdekten dat ze deze zelf gemakkelijk konden kweken.



- Het groeide door het droge klimaat in het oosten niet meer in het wild, dus moest het wel verbouwd worden.





Wat was het gevolg van de ontdekking van de landbouw?



- Mensen werden afhankelijk van de landbouw.



- Door de landbouw moesten zij op één plek blijven en zo ontstonden er dorpen.



- Door de landbouw konden meer mensen gevoed worden en groeide de bevolking.





Is de landbouwrevolutie eigenlijk wel een revolutie?



- Eigenlijk niet, het is geen verandering van de één op andere dag. Maar deze verandering heeft een enorme impact gehad, waardoor het toch een revolutie genoemd werd.





Hoe ging door deze verandering de samenleving er uit zien?



- Er ontstond een nieuw soort samenleving: een agrarische – of landbouwsamenleving.



- Er ontstond een sedentaire levenswijze.







Begrippen pararaaf:



Landbouwsamenleving: (agrarische samenleving) maatschappij met landbouw als belangrijkste middel van bestaan.





Landbouwrevolutie: ingrijpende verandering waarbij mensen overgaan van een samenleving van jagers –en verzamelaars naar een landbouwsamenleving.





Cultuur: Het denken en doen van een groep.





Sedentaire levenswijze: leven op een vaste woonplaats.















1.3: De eerste steden.



Hoe ontstonden de eerste steden?



- Door smeltwater uit de bergen overstroomden de rivieren Eufraat en Tigris, toen gingen ze dijken bouwen. Vervolgens werden de oevers vruchtbaar, hierdoor groeiden veel dorpen uit tot steden. De eerste landbouw stedelijke samenleving was ontstaan langs de Eufraat en Tigris.





Hoe ontstonden er sociale verschillen?



- In de landbouw stedelijke samenleving hoefde niet iedereen meer boer te zijn door voedseloverschotten en gingen mensen zich specialiseren. Zo werd de één rijker of armer dan de ander.





Hoe begon het schrift?



- In de nieuwe samenleving ontstond er in de steden een bestuur. Om een samenleving te laten werken moesten er regels komen. Om de regels te onthouden, werden deze opgeschreven.





Hoe zat het in deze periode met goden?



- Door het schrift weten we dan de Soemeriërs en Egyptenaren meerdere goden vereerden en dat ze dachten dat die alles voor het zeggen hadden. (Polytheïsme)







Begrippen paragraaf:



Steden: van het platteland gescheiden plek waar veel mensen wonen





Mythologie: verhaal waarin goden of andere bovennatuurlijke verschijnselen een hoofdrol spelen.





Polytheïsme: godsdienst met meerdere goden.





Landbouw stedelijke samenleving: maatschappij waarin een minderheid van de bevolking in steden met handel en nijverheid woont.





Nijverheid: het maken en bewerken van goederen.





Beschaving:  het denken en doen van een groep.







Tijdvak 2: De tijd van de Grieken en de romeinen.



(3000 voor Christus tot 500 na Christus)





In deze lange tijd hebben veel hoogontwikkelde culturen bestaan.





Kenmerkende aspecten:



- De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat



- De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur



- De Groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde



- De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van West-Europa



- De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdienst







2.1: Wetenschap en Politiek in de Griekse stadstaat.



Hoe verliep de ontwikkeling van het wetenschappelijk denken?



Vanaf 600 voor christus gingen filosofen rationeel denken. Zij gingen vragen stellen bij van alles. Hierbij speelden de goden geen rol. Hieruit ontstonden verschillende vormen van wetenschap.





Welke Griekse bestuursvormen waren er?



- De Atheense democratie: de volksvertegenwoordiging besliste over wetten, koos de bestuurders en controleerde hen. Burgers kozen geen parlement, maar mochten zelfs spreken in de volksvergadering.



- Monarchie: Velen stadsstaten begonnen als monarchie. (poleis=stadsstaten) Er staat hierbij één vorst aan het hoofd.



- Aristocratie: (Grieks voor: regering door de besten) later kregen vaak een kleine groep rijke en voorname families de macht, dus werd het ene aristocratie of een oligarchie. Een oligarchie is een staat geleid door een kleine groep, Grieks voor: regering door weinigen.



- Als één aristocraat de macht greep, werd het een tirannie: bestuur van een tiran. Een tiran is een alleenheerser die met geweld de macht heeft gegrepen.





Athene werd de eerste democratie, 507 voor Christus.



Hoe werd er gedacht over deze politiek?



- De meeste Atheners waren trots op hun democratie. Grote filosofen (Aristoteles, Plato en Socrates) vonden het slecht dat de stemmen van alle burgers even zwaar telden, ook als ze er geen verstand van hadden.





Wat waren belangrijke filosofen van deze tijd?



Socrates: (470 voor christus tot 399 voor Christus) filosoof.



- Socrates trok alles in twijfel en was tegen democratie. Volgens hem hadden politici in een democratie geen andere keus dan het volk naar de mond te praten.



- Zijn kritische manier van denken werd hem uiteindelijk fataal; hij moest drinken van de gifbeker.





Plato: filosoof. Deductieve methode: de manier waarop het 100% zeker is.



- Bij geboorte kennis van grondvorm, door besturing kennis terugvinden.



 Staatsinrichting: filosofen, wachters en werkers.



- geen bezit.



Pythagoras: 580- 504 voor Christus.



- Natuur volgens wiskundige verhoudingen



- Ziel en lichaam waren van elkaar gescheiden



- Stelling van Pythagoras.



Aristoteles: 384 – 322 voor christus.



- Grondlegger van de empirische wetenschap



- geloofde niet in ‘grondvormen’ van Plato



- Men kon volgens hem de wereld leren kennen door observatie.



- Inductieve methodes:  Uit verschillende individuele empirische waarnemingen, probeert men dan algemene wetten af te leiden.





Hoe zag de Griekse cultuur er uit?



- 3000 voor christus Kreta> Minoïsche cultuur. Eerste hoogontwikkelde cultuur. De Minoïsche beschaving was één van de eerste Europese beschavingen. Het Minoïsche Rijk was erg welvarend en dreef veel handel in het Egeïsche gebied.



- Van 1600 tot 1200 voor Christus op het Griekse vaste lan: Myceense cultuur. De Myceense beschaving of Helladische beschaving was een belangrijke cultuur in Griekenland, die als opvolger van de Minoïsche beschaving bestond in de late Bronstijd, van ca. 1600 tot ca. 1100 v.Chr.. Deze belangrijke pre-Helleense beschaving werd genoemd naar de Griekse plaats Mycene, waar imposante overblijfselen van paleizen en resten van andere bouwwerken uit deze beschaving gevonden zijn.



- Na terugval ontstond rond 750 voor Christus een nieuwe landbouw stedelijke samenleving.



- 2e eeuw voor Christus werd Griekenland een deel van het Romeinse rijk.



- Mythologisch wereldbeeld.



- Sofisten= leraren in de retorica; vaak slechte naam



- rationele wetenschap: denken vanaf 6e eeuw voor Christus.





Hoe was de indeling van stadsstaten?



- Grieken leefden in Poleis.



- Acropolis (verhoogd deel in de stad)



- monarchie, aristocratie, oligarchie of tirannie



- Athene in 507 voor Christus eerste democratie, hield bijna 200 jaar stand.





Verschillende Griekse steden:



Athene:



- Volksvergadering: alle volwassen mannen met burgerrecht hadden stemrecht.



- retorica: leer of kunst van welsprekendheid.



- uitvoerende macht 10 argonten, 10 militaire leiders gekozen in de volksvergadering.







Sparta: geregeerd door twee koningen + 28 oude mannen. (genousia)



- Apella: volksraad. Volwassen mannen met burgerrecht.



- 5 ephoren (ministers) voeren alles uit.



- Spartaanse opvoeding: De Spartaanse opvoeding (agoge) was het collectieve en staatsgeleide opvoedingsmodel van het klassieke Sparta uit de zesde en vijfde eeuw v.Chr. De opvoeding leidde de jongeren op tot geharde militairen en overtuigde staatsburgers





Begrippen paragraaf:



Filosoof: wijsgeer, denker met een rationeel-wetenschappelijke manier van denken.





Rationeel: met behulp van het verstand.





Wetenschap: kennis. Systematisch en rationeel onderzoek.





Klassieke Oudheid: tijd van de Griekse en Romeinse beschaving.





Monarchie: er staat één vorst aan het hoofd.





Aristocratie: een staat geleid door een groep aanzienlijken. Grieks voor: regering door de besten.





Oligarchie: een staat geleid door een kleine groep. Grieks voor: regering door weinigen.





Tirannie: bestuur van een tiran. Een tiran is een alleenheerser die met geweld de macht heeft gegrepen.





Democratie: bestuur waarbij het volk beslist. Grieks voor: volksregering.





Politiek: wat met het bestuur van een gebied te maken heeft.





Burger: inwoner van een stad of staat met alle rechten die daaraan verbonden zijn.













2.2: Het Romeinse imperium.



Hoe verliep de ontwikkeling van Rome van stadsstaat naar wereldrijk?



- Rond 500 voor Christus was het een echte stadsstaat. Het veranderde van een monarchie in een republiek.



- Rome onderwierp het grootste del van Italië door oorlogen. In 264 voor Christus begon de expansie buiten Italië.



- Legeraanvoerders werden door veroveringen machtig, tussen hun braken burgeroorlogen uit.



- Caesar was het meest succesvol en werd in 48 voor Christus benoemd tot dictator. Stierf in 44 voor Christus.



- De neef van Caesar maakte van de republiek het Romeinse keizerrijk. In 106 na Christus bereikte het imperium zijn grootste omvang.





Hoe kon Rome uitgroeien van stadstaat naar wereldrijk?



- Door organisatietalent en militaire kracht: bij de romeinen stonden de militaire kwaliteiten hoog in het aanzien.





Hoe beïnvloedde de Griekse cultuur de Romeinen?



- De Romeinen waren sterk onder de indruk van de Griekse cultuur en namen hierdoor veel van hen over.



- Er ontstond een Grieks-Romeinse cultuur die zich over het gehele rijk verspreidde.





Welke invloed had het romeinse rijk op andere culturen?



- De volken in het westen werden geromaniseerd. Zij namen de Romeinse taal en cultuur over.





Cleopatra: laatste farao van Egypte. (69-30 voor Christus)



- Op haar 18e kwam zij na de dood van haar vader aan de macht door te trouwen met haar broertje. Dat was een middel om de macht in de familie te houden.



- Cleopatra slaagde erin alle macht naar zichzelf toe te trekken.



- Caesar versloeg vijanden van Cleopatra. Na zijn dood trouwde ze met Marcus Antonius: Caesars generaal. Samen heersten zij over het oosten van het romeinse rijk.



- Echter in 31 voor Christus werden ze verslagen voor de Griekse kust door Octavianus.



- In Alexandrië stak Marcus Antonius zichzelf neer en Cleopatra liet zich doden door een slang.





Punische oorlogen:



- 264-241 voor christus verovering Sicilië.



- in 218 voor Christus begon Hannibal een 2e oorlog.



- in 201 voor Christus werd Spanje een Romeinse provincie.





Wat waren de oorzaken van de veroveringen?



- Cultuur



- Goede organisatie



- romanisering



- verdediging en gebieden voor legionairs.



Kenmerken van het leger:



- Goede uitrusting



- legioen 5000 tot 6000 man



- wegen





Het eind van het Romeinse rijk:



- in de 3e eeuw verval. Oorzaken: epidemieën, minder inwoners, handel en productie.



- interne machtsstrijd.



- Geen controle meer over het leger.



- Germaanse stammen drongen het rijk binnen.



- Eind 4e eeuw: volksverhuizingen



begrippen paragraaf:



Republiek: staat zonder vorst aan het hoofd.





Senaat: wetgevende vergadering van het Romeinse rijk.





Expansie: groei, uitbreiding.





Burgeroorlog: binnenlandse oorlog.





Dictator: allenheerser





Keizerrijk: monarchie met een keizer aan het hoofd.





Imperium: groot rijk.





Wereldrijk: rijk in meerdere continenten.





Pax Romana: de Romeinse vrede, periode van rust en orde in de eerste eeuwen van het Romeinse keizerrijk.





Grieks-Romeinse cultuur: de door Grieken en romeinen beïnvloede cultuur in het Romeinse rijk.





Romanisering: onder de invloed van de Grieks-Romeinse cultuur brengen.









2.3: De Grieks- romeinse cultuur.



Wat was kenmerkend voor de Griekse kunst?



- De Grieken waren zelf sterk beïnvloed door de Egyptenaren.



- Ze maakten vooral beelden van goden en helden.



- In de bouwkunst maakten zij zuilen.





Wat was kenmerkend voor de Romeinse kunst?



- Ze roofden Griekenland niet alleen leef, maar haalden ook Griekse beeldhouwers en architecten naar Rome.



- Dankzij romeinse kopieën weten we hoe Griekse beelden er uit zagen, want bijna alle originelen zijn verloren gegaan.



- Romeinen maakten realistische beelden.



- Ze maakten aquaducten en amfitheaters.







Phidias: Atheense beeldhouwer (480-430 voor Christus)



- Wordt de vader van de klassieke kunst genoemd.



- van Perikles, machtigste politicus van Athene kreeg hij de leiding over grote projecten.



- Hij maakte de beelden voor het Parthenon.



- Belangrijkste beelden: Zeus en het beeld van Athene bij het Parthenon.







Begrippen paragraaf:



Vormentaal: stijl wat vormen uitdrukt





Zuil: ronde stenen paal die een dak ondersteunt.









2.4: Romeinen en Germanen.



Waarom was er strijd tussen Germanen en Romeinen?



- De Romeinen gingen eerst dat gebied bezetten.



- Germanen waren barbaren.





Hoe verliep te uitwisseling tussen Romeinse en Germaanse culturen?



- In het grensgebied hielden Romeinen en Germanen contact. Vanaf het begin werden bondgenootschappen gesloten.



- Romeinen namen Germanen op in hun leger.



- Germanen en Romeinen dreven handel. Germanen leverden luxeproducten.



- Germaanse stammen in het grensgebied namen zowel producten als het schrift van de romeinen over.





Waarom kwam het romeinse Rijk in verval?



- In de 3e eeuw deden de Germaanse stammen invallen



- Eind 4e eeuw kwamen er nieuwe volksverhuizingen.



- In 395 werd het rijk gesplitst in Oost – en west Romeinse rijk.



- In 476 zetten Germanen de laatste West- romeinse keizer af. Oost-Romeinse rijk bestaat hierna nog 1000 jaar (Byzantijnse rijk)







Begrippen paragraaf:



Barbaar: onbeschaafde vreemdeling





Volksverhuizing: migratie van een volk, in het romeinse rijk de invasies van Germaanse volkeren vanaf de derde eeuw.











2.5: Het Jodendom en het Christendom.



Hoe ontstond en ontwikkelde het Jodendom zich?



- Eerst waren joden ook Polytheïstisch, maar werd op ten duur monotheïstisch. God; Jahweh.



- Het geloof werd vastgelegd in een heilig boek, de Tenach, waarin Joodse wetten en leefregels staan.



- Vanaf 587 voor christus hebben joden in diaspora geleefd.





Hoe ontstond het christendom?



- Uit het jodendom ontstond deze nieuwe monotheïstische godsdienst. In de eerste eeuw.



- De christenen wezen de romeinse goden af en weigerden de keizer te eren.





Hoe was het christendom in het Romeinse rijk?



- De keizer (Constantijn) werd in 313 zelf christen en stopte de christenenvervolging.



- Eind 4e eeuw werd het de staatsgodsdienst. Andere godsdiensten werden verboden.



- Constantijn en zijn opvolgers lieten een orthodoxe geloofssfeer vastleggen.



- Christenen hadden een heilig boek: de bijbel. Zij vormden daarin het nieuwe testament.





Jezus van Nazareth: volgens de evangeliën van de bijbel was hij gods zoon.



- Over de eerste 33 jaar van zijn leven wordt nauwelijks gesproken.



- evangeliën zijn negatief over de joden.





Begrippen paragraaf:



Monotheïsme: geloven in één god.





Jodendom: monotheïstische godsdienst van de joden.





Tenach: het heilige boek van de Joden.





Diaspora: verspreiding van joden.





Christendom: monotheïstische godsdienst van de christenen.





Martelaar: iemand die sterft voor zijn geloof.





Staatsgodsdienst: godsdienst waarvan het staatshoofd en dienaren van de staat aanhanger moeten zijn.





Kerk: 1. Christelijk gebedshuis. 2. Organisatie van christenen.





Orthodox: streng volgens de officiële juiste leer.





Bijbel: heilig boek van de christenen.























Tijdvak 3: De tijd van monniken en ridders. (500-1500)



Middeleeuwen: tussenperiode tussen klassieke oudheid en de nieuwe tijd van na 1500. Voor de vijf eeuwen van 500 tot 1000 worden twee namen gebruikt: de vroege middeleeuwen en de tijd van monniken en ridders. Monniken en ridders vertegenwoordigden de twee overheersende groepen in de West-Europese samenleving: de geestelijkheid en de adel.





Kenmerkende aspecten:



- De verspreiding van het christendom in Europa



- Ontstaan en verspreiding van de islam



- De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarische-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hof stelsel en horigheid



- Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur





3.1: De opkomst van de islam.



Hoe is de islam ontstaan?



- Aangenomen wordt dat de godsdienst werd gesticht door de Arabische koopman Mohammed.





Hoe heeft de islam zich verspreid?



- Jihad: moslims hebben de verplichting hun geloof te verspreiden.



- Arabische generaals veroverden het Perzische rijk en een deel van het Byzantijnse rijk.





Hoe verliep de ontwikkeling van Arabische cultuur?



- Arabieren waren meestal tamelijk tolerant. Ze lieten de Joden en de christenen hun geloof te volgen.



- Christenen en Joden moesten meer belasting betalen dan moslims.



- Arabieren maakten gebruik van de Griekse en Perzische cultuur. Ze lieten werken in het Arabisch vertalen.



- Bestaande bouwkunsten voegden zij samen in een nieuwe architectuur (moskeeën)





Aïsja: bij veel moslims bekend als moeder van alle gelovigen en als voorbeeld voor alle vrouwen.



- Mohammeds tweede of derde vrouw.



- bood weerwoord aan Mohammed.



- Eén van de belangrijkste moslimleiders na Mohammeds dood.



- In 656 organiseerde ze een opstand tegen Ali, die toen net kalief was geworden.





Begrippen paragraaf:



Islam: monotheïstische godsdienst van moslims.





Profeet: iemand die goddelijke openbaringen ontvangt en ze aan mensen doorgeeft.





Koran: heilig boek van de islam.





Moslim: aanhanger van de islam





Kalief: hoogste geestelijk en politiek leider in de islamitische wereld.





Dynastie: vorstenhuis





Sjiieten: lid van de minderheidsgroep binnen de islam die alleen Ali en zijn nakomelingen als opvolger van Mohammed erkent.





Soennieten: lid van de grootste geloofsrichting binnen de islam.





Sultan: islamitische vorst.





Emir: islamitische vorst.





Moren: moslims in of uit Noordwest- Afrika.





Reconquista: christelijke herovering van Spanje en Portugal op de islam





Moskee: islamitisch gebedshuis.









3.2: Hof stelsel en horigheid.



Hoe verliep de ontwikkeling van landbouw stedelijke samenleving naar landbouwsamenleving?



- De plattelandsgemeenschappen waren grotendeels autarkisch.



- De steden waren gekrompen en verdwenen.





Hoe verliep de ontwikkeling van horigheid?



- Om te voorkomen dat de productie verder daalde verboden de keizers boeren hun grond te verlaten.



- Boeren vroegen bescherming bij heren die legertjes op de been konden brengen. In ruil daarvoor gingen ze allerlei verplichtingen aan. Zo ontstond de horigheid.





Hoe verliep de ontwikkeling van het hof stelsel?



- In de tijd van monniken en ridders bestond het hof stelsel. Horige boeren woonden op een domein van een heer of van een klooster.



- Ze deden herendiensten in ruil voor grond.





Begrippen paragraaf:



Autarkie: zelfvoorzienende gemeenschap, zonder handel met de buitenwereld.





Horigheid: toestand waarbij halfvrije boeren hun land niet mogen verlaten.





Hof stelsel: landbouwstelsel waarbij horige boeren op een autarkisch domein gebonden zijn aan een heer of klooster.





Domein: landgoed, stuk land van een heer.





Hoeve: boerderij met land.





Herendiensten: werk dat gratis gedaan wordt voor een heer.





Rentmeesters: iemand die voor een ander een landgoed beheert.









3.3: Het feodale stelsel



Hoe verliep de ontwikkeling van het feodale stelsel?



- Koningen waren afhankelijk van lagere heren, die met hun meevochten, soldaten leverden en gebieden bestuurden.



- De heren moesten beloond worden, zij werden beloond met grond en buit.



- Zo ontstond een nieuw bestuurssysteem: leenstelsel of feodale stelsel. Dit was niet gebaseerd op wetten, maar op persoonlijke banden. De koning gaf een gebied of een ambt in leen aan een vazal of een leenman en beloofde hem dan te beschermen.





Hoe verliep de ontwikkeling van het ridderschap?



- Door technische verbeteringen kregen ridders betere uitrustingen, deze werden opgebracht door rijke heren.



- Kasteelheren vormden ridderlegertjes waarmee ze hun burcht konden verdienen. Op den duur gingen van oorsprong niet-adellijke ridders behoren tot de adel.



- Na 1000 werden adellijke ridderschappen opgericht. De leden moesten ridderlijke waarden laten zien.





Waarom verdween het bestuur uit de geordende Romeinse tijd?



- Slechts weinigen konden lezen en schrijven, waardoor bestuur volgens geschreven wetten niet goed mogelijk was.



- Er was bijna geen geld meer in omloop, dus vorsten konden geen belastingen heffen. Zo konden ze militairen en bestuurders niet betalen en geen wegen onderhouden.





Karel de Grote: 742-814. De enige Europese vorst uit de vroege middelleeuwen waarvan we veel weten.



- zijn dienaar Einhard schreef een biografie over hem.



- Hij probeerde heel hard om te leren schrijven.



- Liet na een opstand van Germaanse Saksen in één dag 4500 krijgsgevangenen onthoofden.





Begrippen paragraaf:



Adel: Bevoorrechte groep in de samenleving.





Leen stelsel: bestuurssysteem waarbij koningen en andere hogere leenheren grond en ambten in leen geven aan vazallen. (feodale stelsel)





Ambt: openbare functie





Vazal: edelman die trouw heeft gezworen aan een leenheer.





Leenheer: vorst of andere hoge edelman die grond of ambten uitleent aan een vazal.





Graafschap: gebied onder leiding van een graaf.





Hertogdom: gebied onder leiding van een hertog.





Graaf: machthebber over een gebied in een middeleeuws rijk.





Hertog: machthebber over een groot en belangrijk gebied in een middeleeuws rijk.





Ridder: strijder te paard





Ridderschap: adellijke vereniging van ridders.











3.4: Christendom in Europa.



Hoe verliep de ontwikkeling van de roomse kerk?



- Wordt afgeleid van Rome, waar het christendom ontstond.



- Paus had de hoogste geestelijke macht. Volgens de pausen hadden koningen allen een wereldlijke macht.





Hoe verliep de ontwikkeling van het monnik wezen?



- Sinds de 3e eeuw waren er speciale geestelijken die zich van de wereld afzonderden: monniken en nonnen. Zij woonden meestal in een klooster.



- Benedictijner monniken mochten geen persoonlijk bezit hebben en het klooster niet verlaten. Ze moesten gehoorzamen aan de abt.





Hoe werden christelijke en Germaanse gebruiken samengevoegd?



- Om de heidenen makkelijker te bekeren, namen de christenen allerlei heidense gebruiken over.



- Het christendom zou andere religies moeten vervangen.





Benedicuts van Nursia: (480-547) kwam uit een vooraanstaande Italiaanse familie en werd naar Rome gestuurd om te gaan studeren.



- Besloot op 14 jarige leeftijd monnik te worden.



- Benedictus kreeg volgelingen.





Begrippen paragraaf:



Rooms-katholieke kerk: kerk onder leiding van de paus.





Bisschop: hoogste christelijke geestelijke in een kerkelijk gebied.





Bisdom: gebied waarover een bisschop het kerkelijk bestuur heeft.





Geestelijken: iemand die in dienst is van de kerk en godsdienstige handelingen verricht.





Paus: bisschop van Rome en leider van de rooms-katholieke kerk.





Wereldlijk: alles dat buiten de godsdienst valt.





Tweezwaardenleer: het idee dat de geestelijke en wereldlijke macht elk hun eigen gebied hebben waarover ze heersen.





Schisma: scheuring





Monnik: man die zich afzondert van de wereld om zich aan god te wijden.





Non: vrouw die zich afzondert van de wereld om zich aan god te wijden.





Klooster: gebouw waar monniken en nonnen samenwonen.





Abt: hoofd van een klooster.



Kerstenen: bekeren tot het christendom.





Dopen: ritueel waarbij mensen door onderdompeling met water toetreden tot het christendom.





Missionaris: geestelijke die eropuit is gezonden om heidenen tot het christendom te bekeren.





Heiden: iemand die volgens moslims of christenen niet de ware godsdienst aanhangt.





Heilige: gestorvene die volgens de kerk aanbeden en vereerd mag worden.





Relikwie: overblijfsel van een heilige dat in de rooms-katholieke kerk vereerd wordt.









Tijdvak 4: de tijd van steden en staten. (1000-1500)



In West-Europa ontstonden veel steden en een aantal staten die er tegenwoordig nog zijn. De jaren 1000-1300 worden de hoge middeleeuwen genoemd, de jaren 1300-1500 de late middeleeuwen





Kenmerkende aspecten.



- De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving



- De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden



- Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben



- De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten



- Het begin van staatsvorming en centralisatie.





4.1: de opkomst van steden.



Hoe kwam de handel weer op rond het jaar 1000?



- Er kwam rond het jaar duizend een einde aan de invasies, waardoor er weer steden opkwamen.



- Na meer dan 500 jaar kreeg West-Europa weer een agrarisch-urbane samenleving.



- De steden zagen er heel anders uit dan in de oudheid.



- Tussen 1000 en 1300 verdubbelde de bevolking zich.



- De landbouwmethoden werden verbeterd. Door het drieslagstelsel bracht de akkerbouw veel meer op. Boeren gingen meer voedsel produceren dan ze zelf nodig hadden. Hierdoor gingen sommigen zich specialiseren.



- De boeren verkochten hun overschotten op markten aan handelaren. De markten ontstonden bij waterwegen.



- Ook gingen er mensen wonen die zich specialiseerden in ambacht. Zij maakten producten die boeren konden gebruiken. Zo groeiden kleine handelsnederzettingen uit tot steden.





Hoe verliep de ontwikkeling van de handel verder?



- Naarmate de steden groeiden, nam ook de welvaart toe. Steden gingen zich specialiseren.



- Honderden steden waren aangesloten bij de Duitse Hanze.



- Door de oplevende handel ontstond weer een geldeconomie.



- Hierdoor ontstonden er banken. Die met giro en wisselbrieven werkten.





Begrippen paragraaf:



Drieslagstelsel: akkerbouw waarbij telkens een derde van het land in braak ligt, een derde is bezaaid met wintergranen en een derde is bezaaid met zomergranen.





Markt: plaats waar producten en diensten worden verhandeld.





Ambacht: beroep waarbij met geschoold handwerk een product wordt gemaakt en bewerkt.





Specerij: plantaardige geur –en smaakstof





Hanze: organisatie van handelssteden die bij elkaar handelskantoren hadden en gezamenlijk optraden om hun belangen te behartigen.



Wisselbrief: Brief waarmee handelaren geld konden opnemen bij een bank.





Giro: betalingssysteem waarbij geld van de ene op een andere bankrekening wordt overgemaakt.





















4.2: De stedelijke burgerij.



Hoe verliep de opkomst van de stedelijke burgerij?



- De steden konden alleen groeien als er mensen verhuisden van het platteland naar de stad.



- De steden kregen stadsrechten van een hertog, graaf of koning. In ruil voor die privilege betaalden de steden belasting.



- De burgerij werd machtiger door de afhankelijkheid van de heersers van de steden. De horigheid verdween.





Begrippen paragraaf:



Stadsrechten: privileges van een stad.





Privilege: speciale rechten van een groep mensen.





Baljuw: door een edelman aangestuurde rechter en bestuurder in een stad of op het platteland.





Schutterij: gewapende burgerijwacht die zorgde voor de veiligheid in de stad.





Gilde: stedelijke organisatie van zelfstandige beoefenaren van een bepaald ambacht.





Schepenen: leden van het bestuur en de rechtbank van een middeleeuwse stad.

























4.3 Staatsvorming en centralisatie.



Hoe werden er staten gevormd in West-Europa?



- Er was een proces van centralisatie en staatsvorming op gang gekomen in Frankrijk, wat verder ging in Duitsland en Engeland.





Hoe waren staatsvorming en centralisatie mogelijk?



- Door de toenemende geldeconomie. Koningen hieven belastingen en betaalden met het geld ambtenaren, huursoldaten en wapens.





Jan zonder land.



-In 1215 dwongen edelen de Engelse koning Jan zonder land een stuk te tekenen: de Magna Carta. Dit bond hem aan regels. Voor belastingen moest hij voortaan toestemming vragen.



- Later werd hier voor het parlement gevormd. Dit bestond uit vertegenwoordigers van de drie standen: adel, geestelijkheid en de burgerij.





Geldeconomie:



- In grotere steden maakten ambachtslieden en arbeiders luxeproducten voor langeafstandshandel. Dure textiel of sieraden. Waar specialisatie van steden op volgde.



- Gent: textiel, wol uit Engeland.



- Italiaanse kooplieden verkochten zijde en specerijen van de Arabieren.





Stedelijke burgerij:



- Middeleeuwse steden hadden grote vrijheden.



- Burgers bestuurden grotendeels zichzelf volgens eigen recht en eigen wetten.



- Steden vaak getroffen door voedsel tekort en slechte hygiëne.



- s ’avonds gingen de poorten dicht, Er was verdediging tegen rovers.





Hoe verliep de staatsvorming en centralisatie in Frankrijk?



- Uit het rijk van Karel de Grote ontstonden op den duur Frankrijk en Duitsland.



- De koning van Frankrijk had alleen macht in Parijs en omgeving.



- Door huwelijken, erfenissen en oorlogen breidden koningen hun macht uit.



- Vanaf 1337 100 jarige oorlog (niet steeds) tussen Frankrijk en Engeland. Uiteindelijk verliest Engeland.



- Rond 1500 heeft de koning 10000 soldaten in dienst en duizenden ambtenaren. Hij kondigde wetten af die overal golden en hief belastingen (Gabelle in 1286).





Hoe verliep de staatsvorming en centralisatie Duitsland?



- Duitse koning was rond 1000 machtiger dan de Franse koning maar van centralisatie kwam weinig. Duitsland had geen hoofdstad.



- De koning werd door de paus tot keizer gekroond.



- De keizerstitel was niet erfelijk maar werd gekozen door 7 keursvorsten.



- Keursvorsten kozen vaak een zwak persoon, die waren hen minder tot last.













Hoe verliep de staatsvorming en centralisatie in Engeland?



- 1066 De Normandische hertog Willem de Veroveraar stak het kanaal over en veroverde Engeland.



- Hij gaf delen aan Normandische edelen en hield ze onder controle.





Begrippen paragraaf:



Centralisatie: ontwikkeling waarbij een land steeds meer vanuit een hoofdstad wordt bestuurd.





Staatsvorming: vorming van een overheid met ambtenaren en een door de overheid betaald leger.





Huursoldaten: iemand die zich verhuurt als soldaat, vaak in dienst van een buitenlands leger.





Parlement: volksvertegenwoordiging. Oorspronkelijke vergadering van vertegenwoordigers van de drie standen in Engeland.





Stand: Groep met privileges. In de tijd van steden en staten: adel, geestelijkheid en burgerij.





Geestelijkheid: alle geestelijken van een kerk.





Staten-Generaal: volksvertegenwoordiging. Oorspronkelijk de vergadering van vertegenwoordigers van de drie standen in Frankrijk en de Nederlanden.











4.4: Kerk en staat.



Wat was de positie van de kerk in de samenleving in de 14e eeuw?



- Vanaf 1075 hadden pausen ruzie met koningen en keizers over wie het primaat had. Volgens de tweezwaardenleer waren er twee machten: de wereldlijke macht en de geestelijke macht.





Hoe verliep de investituurstrijd in 1075 tussen paus Gregorius VII en keizer Hendrik IV?



- In 1075 stelde Gregorius VII dat de paus als vertegenwoordiger van Christus boven de wereldlijke heersers stond. Koningen en keizers moesten hem gehoorzamen en hij mocht hen afzetten als hij ze ongeschikt vond. De paus vond dat leken zich niet met de kerk moesten bemoeien.



- De keizer benoemde zijn eigen bisschop van Milaan, waarna de paus hem in de ban deed en iedereen verbood de keizer te gehoorzamen.



- Hierop volgde dat Hendrik de paus ging smeken om vergiffenis om een opstand te voorkomen. De paus liet hem drie dagen wachten voor hij genade kreeg. (in de kou anossa)



- De strijd tussen paus en keizer ging verder, en eindelijk in 1122 gaf de keizer toe. (concordaat van Worms) Bisschoppen bleven wereldlijke heersers, maar de keizer had er niks meer over te zeggen. De paus had dus gewonnen.





Hoe verliep de verdere strijd tussen koningen en pausen?



- Naast de bisschoppen benoemen was er ook strijd om geld. De kerk was rijk en de koningen eisten geld.



- De paus bleef de hoogste geestelijke machthebber. Hij bepaalde wat het juiste geloof was en wie daarvan afweek, was een ketter. Er kwam een speciale rechtbank op: de inquisitie.





De inquisitie.



- 12e eeuw; inquisitie. Wie van het juiste geloof afweek, was een ketter.



- Ketters werden heel zwaar gestraft. De wereldlijke overheid voerde deze straffen uit. Dingen als brandstapels en galg.



- Later deed de inquisitie ook de heksenvervolgingen.





Mathilde van Toscane: (1046-114)  machtigste bondgenoot van paus Gregorius VII.



-Adviseerde de paus om de keizer op te wachten in een van haar vele burchten: een kasteel op een berg bij het plaatsje Canossa. Daar zou hij veilig zijn voor als de keizer hem zou willen overvallen.



- Zij had als zesjarige get graafschap Toscane en grote delen van Noord-Italië geërfd van haar vader.



- Werd la gran contessa (de grote gravin) genoemd.



-Had groot politiek en militair inzicht, was een moedige ridder die in volle wapenuitrusting voorging in de strijd.



- tot het eind van haar leven voerde ze oorlog tegen de keizer en zijn bondgenootschappen.



- Onderwierp Parma, Prato en andere steden die de kant van de keizer gekozen hadden.



- Na haar dood kregen haar steden, als Florence en Siena, stadsrechten en ontwikkelden zich tot onafhankelijke stadstaten.









Begrippen paragraaf:



Primaat: oppergezag, hoogste gezag.





Leek: iemand die niet tot de geestelijkheid behoort, iemand die geen deskundige is.





Ban: kerkelijke straf waarbij iemand uit de kerk wordt gezet (excommunicatie)





Ketter: gelovige die een deel van de leer van de rooms-katholieke kerk verwerpt.





Inquisitie: kerkelijke rechtbank die onderzoek deed naar ketterij en ketters vervolgde.





Heks: man of vrouw die volgens de kerk met de duivel samen werkt.







4.5: Christelijk Europa en de buitenwereld.



Waarom deed paus Urbanus II in 1095 een oproep aan alle christenen?



- Hij wilde dat ze stopten tegen elkaar te vechten en in plaats daarvan hun krachten te bundelen en te vechten tegen de islamitische Turken. Hij wilde met deze gebundelde kracht een gewapende toch naar Jeruzalem maken, om deze heilige stad te heroveren.





Waarom moest Jeruzalem nu ineens heroverd worden?



- De Byzantijnse keizer had de paus om hulp gevraagd tegen de Turken. Die hadden vanaf 1050 grote delen van het Byzantijnse rijk en het Midden-Oosten veroverd.





Werd deze eerste tocht een succes?



- Ja. Langs het oosten van de Middellandse zee werden verscheidene steden veroverd. In 1099 werd ook Jeruzalem.





Hoe waren die veroveringen mogelijk?



- Verdeeldheid onder de moslims: moslims bestreden elkaar onderling.





Hoe verliep de christelijke expansie?



- De kruistochten waren hier onder meer een voorbeeld van.



- Christenen veroverden onder meer Spanje, Portugal en eilandjes als Sicilië in de 11e eeuw.





Begrippen paragraaf:



Pelgrims: gelovigen die reizen naar een heilige plaats.





Kruistocht: gewapende tocht om Jeruzalem of andere gebieden voor het christendom te veroveren.





Expansie: uitbreiding.





Tijdvak 5: De tijd van ontdekkers en hervormers. (1500-1600)



Door de reizen van ontdekkers kwam de Europese expansie over de wereld in dit tijdvak goed op gang. Hervormers leverden kritiek op de kerk Rome, wat leidde tot de Reformatie of Hervorming. De christenheid in West-Europa viel uiteen in het katholicisme en het protestantisme. Andere naam van deze tijd is; de renaissancetijd. De renaissance ideeën werden vanuit Italië over Europa verspreid.



Kenmerkende aspecten:



- het begin van de Europese overzeese expansie.



- Het veranderde wereld –en mensbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.



- De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid.



- De protestantse Reformatie die splitsing in de christelijke kerk van West-Europa als gevolg had.



- Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.





5.1: De Renaissance.



Hoe veranderde de godsdienst in Italië rond de tijd van de Renaissance?



- De rijke Italiaanse stedelingen waren welvarend en gingen positiever kijken naar het leven. Zij baseerden niet meer alles op god en het leven na de dood.





Waardoor veranderde dit beeld?



- De machtige handelaren leefden welvarend. Zij kregen hierdoor een ander mensbeeld, wereldbeeld en levensgevoel. Zij kregen belangstelling voor het klassieke erfgoed.





Wat waren de eerste verschijnselen van de Italiaanse Renaissance?



- In Italië kregen de mensen weer oog voor de Griekse en Romeinse kunst.



- De Middeleeuwen werden vanaf toen gezien als een donkere tussenperiode.





Rond welke periode begon de Renaissance en wanneer verspreidde dit zich?



- Vanaf de 15e eeuw begon de Renaissance in Italië en vanaf 1500 verspreidde dit zich over de rest van Europa. Hiermee begon de vroegmoderne tijd.





Wat speelde een belangrijke rol bij deze ‘herontdekking’?



- Het humanisme. Humanistische geleerden vertaalden klassieke teksten zij wilden het denkbeeld van klassieke auteurs begrijpen zoals het écht was, los van het christendom.





Michelangelo: (1475-1564) kunstenaar renaissance tijd



- In 1506 verliet hij boos Rome, omdat de paus hem niet wou ontvangen.



- Stond bekend om zijn onbehouwen omgangsvormen.



- Hij gaf niet om luxe. Het enige dat voor hem telde was werken.



- 1508 werd hij ingehuurd door de paus voor de beschildering van het plafond van het Sixtijnse kapel in het pauselijke paleis in Vaticaanstad. 4,5 jaar lang is hij er mee bezig geweest.



- Een van de figuren die hij schilderde op het plafond was menselijke versie van Go, die met zijn vinger Adam aan raakt en hem zo een ziel geeft. Dit is een hoogtepunt van renaissancistische schilderkunst.





Constantinopel.



- 1453: Turkse verovering van Constantinopel.



- Geleerden uit deze plek vluchtten naar Italië en namen veel oorspronkelijke Griekse manuscripten uit de Griekse Oudheid mee. Op den duur werden deze schriften een leer van de hogere burgerij.





De ideale mens van de renaissancetijd werd; homo universalis. “Iemand die op veel verschillende terreinen ontwikkeld was.





Hoe verliep de verspreiding van de Renaissance over Europa?



- Erasmus van Rotterdam was een belangrijke humanist buiten Italië. Hij propageerde een christelijk humanisme.



- De leergierigheid en kritisch denken in de tijd van ontdekkers en hervormers stimuleerden het natuurwetenschappelijk denken.





In de 16e eeuw was één van de belangrijkste natuurwetenschappers Copernicus. Hij ontwierp een zonnestelsel met de zon als stilstaand middelpunt. Dit was een aanloop naar de Wetenschappelijke Revolutie van de 17e eeuw. Deze zou het wereldbeeld verder moeten veranderen.





Begrippen paragraaf:



Mensbeeld: het idee dat mensen hebben over de mens.





Wereldbeeld: het idee dat mensen hebben van de mens én van de wereld.





Erfgoed: wat is geërfd van vorige generaties.





Renaissance: vernieuwing van de Europese cultuur van de 15e eeuw met een herboren belangstelling voor de Grieks-Romeinse cultuur. Letterlijk: wedergeboorte.





Vroegmoderne tijd: vierde historische periode (1500-1800)





Humanisme: stroming van geleerden omstreeks 1500 die de klassieke cultuur bestudeerden, levensbeschouwing die de nadruk legt op de menselijke waardigheid en vrijheid.





Tijd van ontdekkers en hervormers: 5e tijdvak, 1500-1600









5.2: De Europese expansie.



Wat zijn de oorzaken van de Europese expansie?



- De Europeanen wilden zelf specerijen uit Indië halen omdat ze anders heel duur waren door de tussenhandel.











Hoe verliep de expansie in de 15e en 16e eeuw?



- Portugezen voeren het meest buiten Europa. Met behulp van zeelieden die gegevens meebrachten van expedities maakten zij nieuwe kaarten die ze goed geheim hielden. De Portugezen stichtten versterkte handelsposten aan de Aziatische kusten en dreven er handel met Aziatische volken.



- In 1492 ging een Italiaan in Spaanse dienst, Columbus, op zoek naar Indië. Jaren later werd duidelijk dan hij een ‘nieuw’ continent had ontdekt doordat een andere Italiaan in Spaanse dienst, Amerigo Vespucci d e Zuid-Amerikaanse kust lang en breed verkende.





Christoffel Columbus. (1451-1506) ontdekker.



- augustus 1492 voer hij er op uit om Indië te vinden. Hij noemde de bewoners van het continent dat hij ‘ontdekt’ had indianen.



- In werkelijkheid was hij in het Caribisch gebied aangekomen.



- Tot zijn dood in 1506 maakte hij nog drie reizen naar Midden-Amerika. Hij heeft nooit geweten dat hij niet bij Indië was aangekomen.



- Een jaar na zijn dood werd het continent dat hij ‘ontdekt’ had vernoemd naar Amerigo Vespucci. Zelf had Amerigo het ‘mundus novus’ genoemd, wat Latijns is voor nieuwe wereld.





Conquistadores: veroveraars.



- In 1519 veroverde de Spaanse Hernando Cortés het rijk van de Azteken in Mexico.



- In 1530 nam Francisco Pizarro, in Spaanse dienst, het Incarijk in Peru in bezit.



- De Spanjaarden vernietigden de Indiaanse samenleving en dwongen de bevolking voor zich te werken.



- De Europeanen hadden ziektes meegebracht waar de Indianen geen weerstand tegen hadden, dus de bevolking stief binnen een halve eeuw grotendeels uit.





Wat was het aandeel van andere Europese landen bij deze expansie?



- Engelsen, Fransen en Nederlanders die mee wilden doen aan de Europese expansie gingen op zoek naar alternatieve zeeroutes.



- Eind 16e eeuw kwamen hierdoor nieuwe ontdekkingsreizen.



- De pogingen van Engeland en Nederland om naar Azië te varen mislukten.







5.3: De reformatie:



Wat zijn de oorzaken van de reformatie?



- Er kwam kritiek op de kerk. In de vertaalde versie van de Vulgaat zaten fouten Erasmus maakte in 1516 een nieuwe vertaling.



- Onder andere Erasmus vond dat de geestelijken niet in rijkdom hoorde te leven. Hij werd een wegbereider van de hervorming/reformatie.





Hoe verliep in grote lijnen de reformatie?



- Priesters en andere geestelijken lapten het celibaat aan hun laars.



- Door Luthers optreden scheurde het christendom in West-Europa uiteen in twee vijanden: protestanten en rooms-katholieken.









Wat was Luthers aandeel in de reformatie?



- Luther wilde een hervorming binnen de kerk opgang brengen, maar de paus beschuldigde hem van ketterij.



- Luther breidde zijn verhalen uit in boekwerken. Het geloof moest volgens hem gebaseerd zijn op de bijbel en alléén de Bijbel.



- In 1521 werd Luther uit de kerk gezet.



- Karel V nodigde Luther uit om een scheuring in de kerk te voorkomen. Luther weigerde zijn woorden terug te nemen en verloor al zijn rechten.





Maarten Luther. (1483-1546) Reformeerde.



- 2 juli 1505 geraakt door bliksem, waarna hij monnik wou worden.



- 31 oktober 1517 timmerde hij zijn 95 stellingen op de deur van de kerk in Wittenberg.





Wat was Calvijns aandeel in de reformatie?



- Overeenkomst Luther: voor hem was de Bijbel de enige bron van geloof.



- Verschillen met Luther: 1. Calvijn dacht dat er vanaf het begin vaststond wie er naar de hemel of hel ging.



2. Volgens Luther moesten vorsten het geloof voor hun volken bepalen. Calvijn vond dat de overheid naar de Bijbel moest handelen en anders mochten lagere bestuurders in opstand komen.





Wat waren de gevolgen van de reformatie?



- Het Duitse rijk raakte na 1520 verscheurd door godsdienstoorlogen. Daaraan kwam in 1555 een einde met de Godsdienstvrede van Augsburg. De vorsten bepaalden vanaf toen welke geloven er werden toegestaan in hun gebied.



- In Frankrijk woedden vanaf 1562 bloedige godsdienstoorlogen tussen katholieken en Hugenoten. In 1598 kwam hieraan een einde met het Edict van Nantes. Dit was een wet waarin stond dat Frankrijk katholiek was maar dat de hugenoten ook rechten hadden.



- In Engeland ontstond in 1534 de Anglicaanse kerk, een protestantse kerk met koning aan het hoofd.





Begrippen paragraaf:



Reformatie/Hervorming: beweging in de 16e eeuw die de roomse kerk wilde veranderen, waarbij een splitsing in de kerk ontstond.





Celibaat: Het verplicht ongetrouwd blijven van katholieke geestelijken.





Protestantisme: geloofsleer van kerkgemeenschappen die zich losmaken van de roomse kerk in de 16e eeuw.





Calvinisme: protestantse leer gebaseerd op de denkbeelden van Johannes Calvijn.





Hugenoten: Franse calvinisten.











5.4: De Nederlandse Opstand.



Wat zijn de oorzaken van de opstand?



- Nederland was eerst geen eenheid. Karel V wou een centraal bestuur. Dit onder andere door gebruik te maken van juristen uit de burgerij in plaats van de adel en door zijn godsdienstpolitiek. In 1522 stelde hij keizerlijke inquisitie in, die protestanten moes opsporen.



- Karel V werd opgevolgd door Filips II, die in 1559 naar Spanje vertrok. Hij stelde Margaretha van Parma aan als landvoogdes van de Nederlanden.



- Lagere edelen hadden moeite met de centralisatie maatregelen van Filips want dat tastten hun zelfstandigheid en privileges aan.



- Burgers en edelen waren het niet eens met de strenge kettervervolgingen. In 1566 trokken 400 lagere edelmannen naar Brussel en vroegen om vermindering van de geloofsvervolging. De landvoogdes zette de kettervervolgingen tijdelijk stil.



- De beeldenstorm. In honderden kloosters en kerken werden beelden en schilderijen vernield.





Hoe begon de Nederlandse Opstand?



- In augustus 1567 arriveerde ‘de ijzeren hertog’ Alva met een groot leger om orde op zaken te stellen. Hij stelde een speciale rechtbank die zo’n 1100 doodvonnissen velde.



- Tienduizenden ontvluchtten de Nederlanden, waaronder Willem van Oranje. Hij vormde in Duitsland een legen waarmee hij in 1568 de Nederlanden binnenviel. Daarmee begon de Nederlandse opstand. Deze aanval mislukte.





Hoe verliep de Opstand verder in de jaren 1568-1588



- In 1569 voerde Alva een nieuwe belasting in om zijn leger te kunnen betalen.



- 1 april 1572 namen watergeuzen het stadje Den Briel in. Dit gaf de Opstand een nieuwe impuls.



- Alva liet het stadje Naarden uitmoorden omdat ze zich niet snel genoeg overgaven.



- In 1570 voerde Filips ook oorlog tegen de Turken, hij kwam in geld nood.



- In 1579 gingen Spanjaarden aan het muiten.



- In 1579 sloot de Hertog van Parma een bond met zuidelijke gewesten. Gewesten en steden sloten onder leiding van Willem van Oranje de Unie van Utrecht. Dit werd de kern van een nieuwe staat.



- 1580: Filips verklaarde Oranje vogelvrij en de Gewesten van de Unie van Utrecht zwoeren Filips af.



- 26 juli 1581: Plakkaat van Verlatinghe: onafhankelijkheidsverklaring



- 1584: Willem van Oranje vermoord door katholieke fanaticus.



- 1588: Parma’s aanval op Engeland mislukt, de Opstand was gered.



- 1588: De opstandige Nederlandse gewesten besloten dat jaar verder te gaan zonder landsheer. Zo ontstond de Republiek der verenigde Nederlanden.







Hoe is uiteindelijk deze tachtigjarige oorlog geëindigd?



- In 1609 sloten Spanje en de Republiek een bestand voor 12 jaar.



- Vanaf 1621 werd de strijd gevoerd vooral in Brabant.



- 1648: Vrede van Münster beëindigde de strijd.





Begrippen paragraaf:



Landsheer: vorst met soevereiniteit over meerdere Nederlandse gewesten.





Stadhouder: plaatsvervanger van de landsheer in een gewest; in de Republiek de hoogste functionaris in dienst van de gewesten, onder meer als opperbevelhebber.





Staat: gewestelijk bestuur dat bestond uit vertegenwoordigers van de standen.





Landvoogdes: bestuurder die namens een vorst regeert.





Godsdienstvrijheid: het recht om een eigen godsdienst uit te oefenen.





Nederlandse Opstand: opstand in de Nederlanden tegen Filips II die leidde tot de vestiging van een onafhankelijke Nederlandse staat.





Unie van Utrecht: militair en politiek verbond van de noordelijke gewesten.





De republiek: afkorting van de republiek der zeven verenigde Nederlanden.





Bestand: wapenstilstand, onderbreking van een oorlog.





Tachtigjarige oorlog: De Nederlandse Opstand tegen Spanje. (1568-1648)





Tijdvak 6: De tijd van regenten en vorsten. (17e eeuw)



Nederland werd geregeerd door regenten. In andere landen breidden vorsten hun macht uit, zoals de Franse koning Lodewijk XIV, die een absoluut koningschap vestigde. Voor Nederland was de 17e eeuw de Gouden Eeuw, een economische en culturele bloeiperiode.





Kenmerkende aspecten:



- Het streven van vorsten naar absolute macht.



- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.



- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.



- De wetenschappelijke Revolutie.





6.1: Een wereldeconomie.



Wat waren de activiteiten van de VOC?



- De concurrentie werd sterk en de winsten daalden. In 1602 werd hierom de VOC (verenigd Oost-Indische compagnie) opgericht. Op initiatief van de Staten-Generaal.



- VOC kreeg monopolie op de handel in Azië: buiten de VOC mocht geen Nederlander daar handel drijven.



- VOC: werd een multinational.



- VOC was een groot handelsnetwerk. Leider: heren zeventien.





Wat waren de activiteiten van de WIC?



- Handelsrelaties die Europeanen buiten Europa aanknoopten, vormden het begin van de wereldeconomie.



- Nederlanders waren actief in Afrika en West-Indië. In 1621 werd hiervoor de West-Indische Compagnie opgericht (WIC)



- De eerste tijd hield de WIC zich bezig met kaapvaart.



- De WIC verwierf kolonies in onder meer Brazilië.



- De WIC behield alleen zes Antilliaanse eilanden en Suriname.



- De WIC is nooit heel winstgevend geworden.





Begrippen paragraaf:



Multinational: onderneming met vestigingen in meerdere landen.





Handelskapitalisme: economisch systeem waarbij koopman ondernemers zich met handel én nijverheid bezighielden en een deel van de winst in hun onderneming investeerden,





Kapitalisme: economisch systeem waarbij de productie middelen privébezit zijn en personen geld in een onderneming investeren met het doel winst te maken.





Gouverneur-Generaal: hoogste bestuurder van de VOC in Azië, later hoogste bestuurder van Nederlands-Indië





Wereldeconomie: economie die bestaat uit verschillende werelddelen die door handel met elkaar zijn verbonden.







Tijd van regenten en vorsten: 6e tijdvak (1600-1700)





Kaapvaart: piraterij met toestemming van de overheid.







6.2: De gouden eeuw van Nederland.



Wat was er zo bijzonder aan de republiek?



- De republiek had geen centrale regering, terwijl andere landen bestuurd werden door vorsten. Naar buiten toe was het een eenheid. Maar binnenlands waren de zeven gewesten gewoon aparte staatjes. De macht was in handen van regenten.



- Nergens had de burgerij zoveel invloed als in Nederland.



- Door haar rijkdom kon de republiek in de 17e eeuw een leger opbouwen door buitenlandse soldaten in te huren. Zo was ze toch een militaire grootmacht.





Wat was de functie van een stadhouder?



- Dit was de machtigste man in de Republiek.



- Tot 1581 waren stadhouders vertegenwoordigers van een landheer, daarna kwamen ze in dienst van de staten. Tot de 18e eeuw waren er officieel 2.



- Stadhouder was opperbevelhebber van leger en vloot, hield toezicht op de rechtspraak en mocht zich in veel steden bemoeien met de benoeming van regenten.



- In 1672 eindigde het eerste stadhouderloze tijdperk met twee moorden.





Wat was de Staten-Generaal en wat had deze voor functie?



- Overkoepelend overheidsorgaan in Den Haag. Er zaten afgevaardigden van alle gewesten in.



- De Staten-Generaal beslisten over buitenlandse politiek, over in –en uitvoerrechten en over leger en vloot.



- Besluiten in de Staten-Generaal konden pas genomen worden als alle gewesten ermee instemden. Er werden flink wat compromissen gesloten.



- Holland kon vaak zijn wil doordrukken omdat dit gewest de helft van het geld binnentrok.



- Binnen de Staten-Generaal was de landadvocaat of raadspensionaris de belangrijkste man. Hij was voorzitter van de Staten van Holland, vertegenwoordigde dat gewest in de Staten-Generaal en onderhield namens de Staten-Generaal de contacten met het buitenland.





De welvaart van Holland.



- De Republiek dankte haar welvaart in de eerste plaats aan de handel. Amsterdam was de belangrijkste stapelmarkt van Europa.



- In de 16e eeuw had Amsterdam een belangrijke plaats gehad in de handel met Noord-Europa.



- In 1585, na de val van Antwerpen groeide ook de handel met Zuid-Europa. Dit kwam doordat Antwerpse kooplieden vluchtten naar Amsterdam en hun geld, contacten en deskundigen meebrachten.



- De handel en nijverheid bloeiden in Hollandse en Zeeuwse steden.



- De Hollandse landbouw beleefde gouden tijden. Holland werd groot exporteur van boter en kaas.







Hoe verliep de bloei van de cultuur in de Gouden eeuw?



- Vooral de schilderkunst was van uitzonderlijk hoog niveau.



- Rijke burgers kochten veel kunst.



- In de wetenschap liep de Republiek voorop.



- Geestelijke vrijheid was zeer groot. Buitenlandse geleerden zochten hun toevlucht in Nederland. Er werden boeken gedrukt die elders verboden waren,



- De republiek was calvinistisch, maar er was wel een gewetensvrijheid. Niemand werd om zijn geloof vervolgd.





Begrippen paragraaf:



Regent: bestuurder.





Volkenrecht: regels voor het gedrag van staten.





Gereformeerd: calvinistisch





Gewetensvrijheid: het recht om een eigen overtuiging of geloof te hebben.







6.3: Het absolutisme.



Wat is de Franse monarchie?



- Lodewijk was niet meer afhankelijk van de adel maar van ambtenaren die zich met allerlei zaken bemoeiden in de provincies.



- Lodewijk bepaalde de godsdienst van zijn onderdanen



- Betekenis: De macht van de koning werd minder, maar niet volledig beperkt door grondrechten.





Lodewijk XIV;



- Om meer geld binnen te halen, voerde Lodewijks’ minister van Financiën Colbert een politiek bam mercantilisme.



- Lodewijks kreet: l’etat, c’est moi. = de staat, dat ben ik.



- Hij had een schitterend paleis in Versailles. Hij deed niet zuinig met geld bij het bouwen van zijn paleis.



- Had als kleuter in 1643 de troon geërfd.



- In 1648 ontvluchtte hij Parijs met zijn moeder.



- stierf in 1715





Waarom was er in 1648 een burgeroorlog in Frankrijk?



- Het parlement van Parijs eiste meer invloed op het bestuur. Edelen sloten zich aan bij de opstand.



- In 1653 werd het verzet pas neergeslagen.



- gevolg: de gebeurtenissen maakten indruk op Lodewijk XIV. Lodewijk wantrouwde nu de edelen. Vanaf het moment dat hij zelf regeerde, beperkte hij hun macht. Zo ontstond het absolutisme.









Wat gebeurde er in het rampjaar?



- Frankrijk werd onder Lodewijk XIV het machtigste staat van Europa. De koning veroverde delen van de zuidelijke Nederlanden en het Duitse rijk.



- Hij probeerde de republiek te onderwerpen door geheime afspraken te maken met de Engelse koning en met Münster en Keulen.



- Om 1672 vielen ze aan. In het oosten drongen de Fransen binnen. De gebroeders Witt kregen de schuld voor de zwakte van het Nederlandse leger.



- De prins Willem werd nu stadhouder.





Na het rampjaar wist stadhouder Willem III de Franse en Duitse troepen te verdrijven en voerde hierna nog jarenlang oorlog met Lodewijk XIV.





De Engelse monarchie was een constitutionele monarchie. Ook in Engeland streefde de koning naar meer macht.





Wat houdt de glorious revolution in?



- Willem III viel Engeland binnen en Jacobus vluchtte. Willem III werd koning en moest beloven de rechten van het parlement te respecteren.





Wat was het gevolg van de glorious revolution?



- Engeland werd in 1688 een constitutionele monarchie.





Begrippen paragraaf:



Absolutisme: regeringssysteem waarbij de macht van de vorst niet wordt beperkt door een grondwet of rechten van anderen





Mercantilisme: economisch systeem waarbij de overheid ingrijpt in de nationale economie door productie en export te bevorderen en import te beperken.





Constitutionele monarchie: koninkrijk met een grondwet constitutie.









6.4: De wetenschappelijke revolutie



Hoe verliep de ontwikkeling van de wetenschappelijke revolutie?



- In de 16e eeuw veranderde het beeld van het heelal. Cospernicus was de eerste die op grond van wiskundige berekeningen beweerde dat de zon niet om de aarde draaide, maar andersom. In 1543 werd zijn theorie gepubliceerd in de Revolutionibus.



- Eerst werd zijn theorie belachelijk gevonden. In de 17e eeuw werd duidelijk dat het oude beeld niet klopte.



- In 1609 bewees de Duitse wiskundige Johan Kepler dat de aarde en andere planeten wél om de zon heen draaien.





Wat heeft Galileo Galilei betekend voor de wetenschap?



- Hou bouwde telescopen die beter waren dan al bestaande telescopen.



- Hij ontdekte dat de maan een berglandschap was en niet zelf licht gaf, maar het weerkaatste van de zon.



- Zijn ontdekkingen brachten hem in conflict met de kerk. (katholieke kerk) Het werd hen verboden het stelsel te verdedigen. De kerk verbood ook ‘de revolutionibus’.



- Galilei gaf niet op. Hij schreef een boek waarmee hij de verdedigers van het stelsel van Ptolemaeus belachelijk maakte.



- Hij werd bedreigd. In 1992 erkende de paus pas dat hij gelijk had.





Wat heeft Newton betekend voor de wetenschap?



- In 1687 verscheen Isaac Newton’s boek “wiskundige principes van de natuurfilosofie” Hierin verklaarde Newton de bewegingen in het heelal. Er lag één mechanisme dan ten rondslag: de zwaartekracht. De wetenschappelijke revolutie begon Copernicus en bereikte bij Newton een hoogtepunt.





Wat veranderde er in de werkwijze van wetenschappers in de 17e eeuw?



- Volgens de Britse wetenschapsfilosoof Francis Bacon moest kennis gebaseerd zijn op het doen van proeven en op eigen waarneming.



- Franse filosoof en wiskundige René Descrates was overtuigd dat de wereld geregeerd werd door wiskundige wetten die je met verstand kon ontdekken. Hij vond zintuiglijke waarnemingen onbetrouwbaar.



- Uitvinden en ontdekken gingen een grote rol spelen in de wetenschap.





Waar werd wetenschap voor gebruikt?



- Oorlogvoering. Voor het eerst konden er precieze zeekaarten worden gemaakt.



- Kurve van kogels konden berekend worden en de vuurkracht van kanonnen en geweren kon worden vergroot.





Gevolg van deze gebruiken:



- Het hielp opstandige edelen onder de duim te krijgen.



- De Europeanen kregen een militair overwicht in de wereld.



- Oorlogsgeweld richtte veel meer verwoestingen aan en er werden veel meer slachtoffers gemaakt dan eerst.



- De Britse overheid steunde in 1660 “Royal society for the emprovement of Natural Knowledge”.



- In 1675 liet Engelse koning karel II sterrenwacht bouwen.



- De wetenschappelijke revolutie vormde opmaat voor de verlichting van de 18e eeuw.





Begrippen paragraaf:



Wetenschappelijke revolutie: doorbraak van een wetenschappelijke manier van denken in de 17e eeuw.





















Tijdvak 7: De tijd van pruiken en revoluties. (1700-1800)



De tijd van pruiken en revoluties werd ook wel de eeuw van de verlichting genoemd. Pruiken werden sinds de 17e eeuw in westerse landen door mannen en vrouwen gedragen als teken van rijkdom, aanzien en macht. Het was ook de tijd van de verlichting, waarin kennis en het gebruik van de rede hoogd in aanzien stonden. De verlichtingsideeën waren één van de oorzaken van de democratische revoluties aan het eind van de 18e eeuw in onder meer Noord-Amerika, Nederland en Frankrijk.





Kenmerkende aspecten:



- rationeel optimisme en “verlicht denken” dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.



- Voortbestaan van het Ancièn Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven. (verlicht absolutisme)



- Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekolonies en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.



- De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grond rechten en staatsburgerschap.





7.1: De verlichting.



Wat heeft Adam Smith voor aandeel in de Verlichting?



- In 1776 publiceerde deze Schotse filosoof een boek over de economie: The wealth of nations. Volgens hem streven mensen altijd hun eigen voordeel na, wat niet erg is. Het eigenbelang zou steeds meer wekvaart moeten brengen.



- De overheid moet zich volgens Smith niet bemoeien met handel en nijverheid, want dan werkt het mechanisme van vraag en aanbod niet meer.



- Laisser faire: iedereen moest volgens hem de vrijheid hebben om rationeel het eigen belang na te jagen.





Wat was de Verlichting?



- beweging die meende dat met de rede alles kan worden verklaard en dat een op de rede gebaseerde samenleving opgebouwd moest worden.





Hoe kwam de Verlichting tot stand en wat gebeurde er allemaal tijdens deze verlichting?



- De verlichting volgde op de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw. De ontdekkingen gebaseerd op logisch denken leidde tot een groot optimisme om alles te begrijpen en de wereld te verbeteren.



- In de 18e eeuw werd alles onderwerp van onderzoek.



- Verlicht denken zou volgens aanhangers van de verlichting een einde maken aan onwetendheid, intolerantie, geloofsfanatisme en onredelijke verschillen tussen mensen. Rationalisme leidde tot vooruitgang.



- Verlichte denkers wilden meer vrijheid.



- De verlichting begon aan het eind van de 17e eeuw in Engeland en Nederland.





Hoe was dit mogelijk?



- In Engeland en in Nederland was veel vrijheid in vergelijking met bijvoorbeeld Frankrijk. Toch werd Parijs in de loop van de 18e eeuw het centrum van de verlichting. Parijs was de intellectuele wereld stad.



Wat voor invloed had de verlichting op geloof?



- Opvallend was tijdens de Verlichting: kritiek op godsdienstig fanatisme en intolerantie.



- Voltaire: bekendste bestrijder. Hij was een deïst. Hij geloofde dat God de wereld had gemaakt, maar niet meer ingreep. Dat was in strijd met de natuurwetten.





Hoe had de Verlichting invloed op de politiek?



- Verlichte denkers ontwikkelden nieuwe politieke ideeën.



- Het was de taak van de overheid om de natuurlijke rechten van burgers te beschermen: recht op leven, vrijheid en bezit. (mensenrechten)



- De overheid stond niet boven de wet, maar moest zich er net als iedere burger gewoon aan houden.



- De besluiten van de volksvergadering waren de uitdrukking van de algemene wil.





Hoe verliep het met de verdere ontwikkeling van de sociale verhoudingen?



- Volgens Rousseau was de mens van nature goed. “onnatuurlijke” sociale verhoudingen bedierven volgens hem de goedheid van ieder mens.



- In Europa gingen vrijheid en gelijkheid verloren toen het eigendom ontstond. Dat zorgde voor hebzucht.





Begrippen paragraaf:



Rationalisme: toepassing van redelijkheid, gebruik van gezond verstand.





Tijd van pruiken en revoluties: zevende tijdvak. (1700-1800)





Sociale verhoudingen: verschillen, overeenkomsten en onderlinge betrekkingen tussen groepen in een samenleving.





Verlicht denken: volgens de ideeën van de verlichting.





Westerse wereld: landen en gebieden met een oorspronkelijk uit West-Europa afkomstige cultuur, zoals West-Europa zelf, de VS, Australië en Nieuw-Zeeland.





Atheïst: persoon die aanneemt dat er geen god bestaat.





Deïst: iemand die aanneemt dat er wel een god bestaat die de wereld gemaakt heeft, maar denkt dat die god er zich verder niet mee bemoeit.





Mensenrechten: rechten waarop ieder mens aanspraak kan maken.





Driemachtenleer: theorie van Montesquieu over een staatsvorm met drie gescheiden machten (trias politica) namelijk de wetgevende, uitvoerend en de rechterlijke macht.





Volkssoevereiniteit: het hoogste gezag berust bij het volk, dat de staatsmacht toevertrouwt aan een gekozen regering.





Soevereiniteit: opperste macht.





7.2: Het ancien Régime.



Wat houdt het ancien régime in?



- de oude orde in de samenleving, voorafgaand aan democratische revoluties.





Hoe ging het in Frankrijk in de 18e eeuw?



- In Frankrijk werd kritiek niet geduld en al snel werd iets gezien als kritiek.



- De Franse economie maakte in de 18e eeuw een indrukwekkende groei door. De gegoede burgerij werd er rijk van.



- Frankrijk bleef een standenmaatschappij.



- De Franse koningen hielden vast aan absolutisme. De adel versterkte zijn positie in het staatsapparaat, ten koste van de burgerij.



- De landbouwproductie nam toe, maar de boeren leden onder belastingen en plichten die de edelen hen oplegden.



- Boeren en burgers draaiden op voor de hoge kosten van de koninklijke hofhouding en de oorlogen die Frankrijk voerde.





Wat is het verlicht absolutisme?



- Systeem waarbij een vorst de absolute macht heeft en verplichte hervormingen van boven af invoert.



- Frederik II De Grote zijn manier van regeren. Hij vond onderdanen te dom voor medezeggenschap. Hij liet boeren en burgers veel belasting betalen, de adel bleef hiervan vrijgesteld.





Hoe was de situatie in Nederland in de 18e eeuw?



- Toen stadhouder Willem II in 1702 kinderloos overleed, begon een tweede stadhouderloos tijdperk. De regenten hadden het voor het zeggen, groeiende corruptie was het gevolg.



- De bloeitijd van de economie was voorbij en de republiek hadden hoge schulden.



- De regenten verdienden veel geld doordat ze hoge bedragen leenden van de Overheid en rente ontvingen. Overheid kon dit alleen betalen door meer geld te lenen en belastingen te heffen.



- In 1747 trokken Franse troepen de Republiek binnen en werd er groepen om Willem IV.



- Willem IV werd in alle gewesten stadhouder.



- De republiek begon op een monarchie te lijken.





Marie Antoinette: (1755-1793)



- Dochter van de keizerin van Oostenrijk.



- In 1770 werd een verband tussen Frankrijk en Oostenrijk bezegeld met een huwelijk: de 15-jarige prinses trouwde met de 17 jarige kroonprins Lodewijk van Frankrijk.



- In 1789 brak een revolutie uit. Marie Antoinette had familie uit Oostenrijk gevraagd om hulp.



- In 1793 werd ze wegens dit hoogverraad tot de dood veroordeeld.















7.3: De democratische revoluties.



Het verloop van de Amerikaanse revolutie. (1763)



- De Amerikanen wilden geen belastingen meer betalen, zolang ze niet waren vertegenwoordigd in het Britse Parlement. (no taxation, no representation)



- Om het verzet te bundelen werd in 1774 het Continentaal Congres opgericht waarin alle kolonies vertegenwoordigd waren. Een jaar later brak een onafhankelijkheidsoorlog uit tussen de kolonies en Groot-Brittannië.



- In juni 1776 wees het Congres vijf leden aan om een onafhankelijkheidsverklaring te schrijven. Deze werd gepresenteerd 18 juni 1776 aan het congres.



- Op 4 juli verklaarden de 13 kolonies zich onafhankelijk.



- De nieuwe staat werd gebaseerd op het idee dat alle mensen gelijk zijn. Regeringen moeten mensen rechten garanderen.



- In 1783 erkende Groot-Brittannië de onafhankelijkheid van Amerika. De VS namen daarna de eerste grondwet ter wereld aan en werken een rechtsstaat.



- Het Congres (de senaat en het Huis van afgevaardigden) kreeg de wetgevende macht. De president kreeg de uitvoerende macht en het Hooggerechtshof kreeg de rechterlijke macht.



- Aan de grondwet werd een bill of rights toegevoegd. Daarin stonden de grondrechten van de Amerikaanse staatsburgers. (vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld)





Het verloop van de Bataafse revolutie.



- In september 1781 gaf de schrijver van een pamflet de schuld aan de stadhouder van het gehele politieke en economische verval. Het pamflet vormde het start sein voor een democratische beweging. (patriotten.



- Na 1786 verjoegen de Patriotten in meerdere steden de regenten en installeerden een democratisch bestuur.



- In 1787 maakte de koning van Pruisen met een leger een einde aan de Patriotten opstand.



- Er werd een Nationale Vergadering gekozen. Die nam in 1798 een democratische grondwet aan, hief de onafhankelijkheid van de gewesten op en maakte Nederland een eenheidsstaat.



- De Bataafse revolutie werd in 1806 door Napoleon beëindigd.



- In 1813 werd Nederland bevrijd. Daarna werd het weer een monarchie en eenheidsstaat.





Het verloop van de Franse Revolutie.



- Frankrijk was voor Amerika. Door de oorlog liep de staatsschuld van Amerika hoger op.



- In 1788 riep Lodewijk XVI de Staten-Generaal op, die in mei 1789 bijeenkwam in Versailles. Onenigheid over de manier van stemmen leidde er toe dat de derde stand, de burgerij, zichzelf in juni uitriep tot Nationale Vergadering.



- Begin van de Franse Revolutie: menigte neemt de Bastille in.



- 1791: Grondwet die van Frankrijk een constitutionele monarchie maakte.



- 1792: Wetgevende vergadering verklaart de oorlog aan Oostenrijk.





Wat was de invloed van Robespierre en Napoleon Europa?



- Radicale revolutionairen kregen het onder leiding van Robespierre volledig voor het zeggen. 40000 mensen werden onthoofd wegens verraad aan de revolutie. Na een jaar werd Robespierre onthoofd.







- In 1799 dreigde alsnog een nederlaag en toen greep Napoleon de alleenheerschappij. In een reeks oorlogen wist hij veel van Europa te onderwerpen.



- In 1812 leidde een invasie in Rusland tot omkeer.



- in 1815 werd Napoleon verslagen.





Begrippen paragraaf:



Moederland: land met koloniale bezittingen.





Grondwet: wet waarin staat hoe een land geregeerd moet worden en wat de rechten en plichten van de burgers zijn (constitutie)





Amerikaanse revolutie: opstand van de 13 kolonies in Noord-Amerika tegen Groot-Brittannië, waarbij de Verenigde Staten van Amerika ontstonden. (1775-1783)





Rechtsstaat: staat waarin de rechten en plichten van burgers en overheid zijn vastgelegd in wetten.





Grondrechten: basisrechten voor alle burgers, vastgelegd in een grondwet.





Staatsburgers: iemand die burgerrechten in een staat heeft.





Democratische revolutie: ingrijpende politieke verandering waarbij een democratische grondwet wordt ingevoerd.





Eenheidsstaat: staat met één hoogste gezag, waaraan lagere organen ondergeschikt zijn.





Bataafse revolutie: democratische revolutie.





Franse revolutie: democratische revolutie waardoor Frankrijk een constitutionele monarchie en later republiek werd. (1789-1799)





Radicaal: fanatiek, met de wil tot grondige verandering.









7.4: kolonialisme en slavernij.



Wat was de trans-Atlantische slavenhandel?



- handel in zwarte Afrikaanse slaven tussen Afrika en Amerika.





Hoe verliep deze handel?



- 11 miljoen Afrikanen werden tussen 1500-1800 als slaaf naar Noor-en Zuid Amerika gebracht.



- In 1667 werd Suriname een Nederlandse kolonie.











Wat hield de driehoek handel in?



- Aan de kusten van West-Afrika kochten Europese kooplieden de slaven van Afrikaanse opkopers.



- De slaven werden via overvolle schepen naar Amerika gebracht.



- Met de opbrengst werden plantageproducten gekocht die naar Europa gingen.





Wat is het abolitionisme?



- Beweging voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij.





Wanneer ontstond deze beweging?



- In de 18e eeuw.





Hoe ontstond deze beweging?



- verlichte critici vonden de slavernij in strijd met de natuurlijke gelijkheid van mensen.





Welke invloed had het abolitionisme op de wereld?



- In 1807 verbood de Britse regering de slaven handel. In 1833 werd slavernij in alle Britse kolonies afgeschaft.



- In de VS hadden de noordelijke staten vóór 1830 de slavernij afgeschaft. Het zuiden verzette zich hiertegen en zo kwam er een Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) Het Noorden won en slavernij werd ook in de zuidelijke staten afgeschaft.



- Nederland was één van de laatsten die slavernij verbood. In 1814 werd slavenhandel verboden. En in 1863 werd slavernij pas verboden.





Begrippen paragraaf:



Abolitionisme: beweging voor afschaffing van slavenhandel en slavernij.





Tijdvak 8: De wereld in de tijd van burgers en stoommachines. (1800-1900)



Met de 19e eeuw begon de moderne tijd. Deze eeuw wordt de tijd van burgers en stoommachines of de industrialisatietijd genoemd. De stoommachine staat symbool voor de industriële revolutie die in de 18e eeuw in Groot-Brittannië begon en vanaf de 19e eeuw zich over de wereld verspreidde. De burgers werden toonaangevend in de industriële samenleving, waarin de meeste mensen in steden woonden.





8.1 De industriële revolutie.



Betekenis: De industriële revolutie is een omwenteling in productiemethoden, waarbij handarbeid wordt vervangen door machines.





Hoe verliep de industriële revolutie?



- De industrialisatie begon met redelijk simpele uitvindingen in de textielnijverheid.



- Mensen raakten werkloos door deze revolutie, waardoor ze armoede of zelfs honger leden.



- Er kwam een voortdurende technologische vooruitgang op gang, waarbij de productie werd gemechaniseerd.





Was de industriële revolutie wel een revolutie?



- Ja en nee. Het was geen plotselinge verandering. Industrialisatie begon in de 18e eeuw in Groot-Brittannië en verbreidde zich daarna geleidelijk over de wereld. Vanwege de enorme gevolgen spreken we wel van een revolutie. Maar het is in feite een ontwikkeling over een periode gespreid.





Waarom begon de industriële revolutie juist in Groot-Brittannië?



-In de eerste plaats waren daar rijke ondernemers die winst wilden maken. Zo breidde het kapitalisme zich uit van handel naar industrie.





Met welke veranderingen had de industriële revolutie nog meer te maken?



- Bijvoorbeeld: de agrarische revolutie: Verbetering van de landbouwmethodes vanaf de 18e eeuw. De bevolking groeide, dus meer mensen moesten gevoed worden. Hierop volgde dat de Britse land adel er vanaf de 17e eeuw in slaagden de methodes te verbeteren.



- Een andere verandering was de transport revolutie: ingrijpende verbetering van de vervoersmogelijkheden. Aan het eind van de 18e eeuw lieten ondernemers overal in het land kanalen bouwen. In 1830 kwam ook de eerste spoorlijn gereed, tussen Manchester en Liverpool.





Hoe verliep de tweede industriële revolutie?



- Vanaf 1850 verspreidde de revolutie zich naar andere Europa landen, zoals Duitsland en Nederland. Ook kwamen de staalindustrie, de chemische industrie en de elektrotechnische industrie op.



- Vooral na 1890 gingen de ontwikkelingen snel.



1. ijzer werd vervangen door staal: vanaf 1890 werden met staal de eerste hoge flats en wolkenkrabbers gebouwd.



2. De komst van elektriciteit leidde tot elektrische straatverlichting, de telefoon en de gloeilamp. (Philips: 1892)



3. De chemische industrie zorgde voor plastics en kunstmest, waardoor de voedselproductie enorm steeg.



James Watt: uitvinder van de stoommachine (1736-1819)



- Er bestonden al stoommachines, maar die verbruikten te veel energie.



- In de jaren 1782-1784 construeerde hij met een financier de machine die een eeuw lang motor van de industrie zou moeten blijven.



- De stoomdruk werd gebruikt om wielen in beweging te zetten. Vanaf 1787 werd zijn machine gebruikt in de katoen industrie



- 1809 werden er stoomschepen mee gebouwd en vanaf 1830 stoomtreinen.





Verder ontwikkelingen van de 19e eeuw:



- Spoorwegennet werd over grote delen van de wereld uitgebreid.



- Grote bedrijven kregen laboratoria, waar wetenschappers werkten aan nieuwe en steeds beter producten.



- Over brede rivieren werden bruggen gebouwd.



- Auto en fiets werden uitgevonden.





Wat was de industriële samenleving?



- Een steeds groter deel van de bevolking werkte in de industrie of- dienstensector.



- Rond de fabrieken ontstonden nieuwe steden. Deze steden werden groter dan ooit.





Begrippen paragraaf:



Industriesector: het deel van de economie dat bestaat uit industrie en mijnbouw.





Mechanisatie: vervangen van handarbeid door machines.





Technologische vooruitgang: verbetering van technieken.





Industrialisatie: toename en uitbreiding van fabrieken tijdens de industriële revolutie.





Transportrevolutie: ingrijpende verbetering van de vervoersmogelijkheden.









8.2: politiek-maatschappelijke stromingen.



Mogendheden: machtige landen.





Wat hield het Congres van Wenen in?



- In 1815 kwamen overwinnaars van de oorlogen bij elkaar om afspraken te maken over de naoorlogse orde.





Wat waren de gevolgen van dit congres?



- Frankrijk en Nederland werden allebei een monarchie.



- Duitsland werd een los verbond van tientallen monarchieën waaronder twee grote mogendheden: In het Noorden Pruisen en in het Zuiden Habsburgse keizerrijk (Oostenrijk)



- Italië werd verdeeld tussen koningen, hertogen en de paus.



- Overal werden voorrechten van adel en kerk hersteld en burgerrechten werden beperkt.







Wat waren de politieke stromingen die ontstonden? (ontstaan in 1815)



1. Het liberalisme: politiek-maatschappelijke stroming die de vrijheid van het individu centraal stelt. Kenmerken:



- De liberale ideeën kwamen uit de verlichting en de democratische revoluties.



- Liberalen wilden een grondwet die de macht van de koning beperkte en de burgerrechten garandeerde.



- De wet moest voor iedereen gelijk zijn.



- Eigenbezit: niet gehinderd worden door allerlei wetten of hoge belastingen.





2. Het nationalisme: voorliefde voor het eigen volk. Politiek-maatschappelijke beweging die streeft naar de vorming van een natiestaat. Kenmerken:



- mensen hadden in een volk een verbintenis op gebied van geschiedenis, taal en cultuur en moesten daarom verenigd zijn in een onafhankelijke staat.





3. Socialisme: politiek-maatschappelijke stroming en emancipatiebeweging van de arbeiders die streeft naar vermindering van verschillen in macht en inkomen. Kenmerken:



- Beweging van de arbeiders.



- Kwamen voort uit de verlichting en democratische revoluties.



-Socialisten zijn voor gelijkheid.



- Ze kwamen op voor de onderdrukten.



- ze bestreden verschillen in macht en inkomen.





4. Conservatisme: politiek-maatschappelijke stroming die historisch gegroeide verschillen in macht en invloed wil behouden. Kenmerken:



- Ze wilden de gevestigde orde handhaven.



- Het idee van vrijheid en gelijkheid was gevaarlijk. Als menselijke instincten vrij spel kregen werd het chaos.



- Kerk, adel, monarchie en leger moesten de leiding hebben.





Wat was het gevolg van het ontstaan van deze stromingen?



- België ontstond los van Nederland: kreeg een liberale grondwet.



- In Frankrijk, februari 1848, vluchtte de koning en Frankrijk werd weer een republiek.



- De machthebbers schrokken van alle opstanden en beloofden veranderingen.



- Volksopstanden.





Hoe waren deze opstanden mogelijk te slagen?



- Door de industriële revolutie groeide de economische macht van de burgerij.





Wat wilde de conservatieve Pruisische kanselier. Bismarck?



- Het Nationalisme gebruiken in plaats van te bestrijden.



- Een verenigd Duitsland onder leiding van Pruisen, zonder Oostenrijk.



- Hij wou oorlogen met Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk.



- Hij dwong Duitse vorsten zich aan te sluiten bij Pruisen.











Wat was het agressief nationalisme?



-Na 1871 groeide in bijna alle Europese landen een nieuw nationalisme.



- Dit nationalisme zette zich tegen andere naties af.





Karl Marx. (1818-1883)



- Hij schreef ‘das kapital’.



- Hij was een socialist en een communist.



- Zijn aanhangers kregen in de 20e eeuw in veel landen de macht.



- Hij schreef met Friedrich Engels in 1848 het Communistisch Manifest.



- Volgens Marx en Engels woedde er een klassenstrijd tussen het proletariaat (arbeiders) en de bourgeoisie (de rijke burgerij) die zou uitlopen op revolutie in de wereld en op een klasseloze maatschappij.



- Volgens Marx was er geen revolutie nodig, want arbeiders hadden het goed.



- Het proletariaat moest de macht grijpen, kapitalisme afschaffen en de bedrijven in eigendom van de staat brengen.



- Hij was sterk tegen nationalisme.



- Voor internationale arbeidssolidariteit.





Wat gebeurde er in 1919 met het socialisme?



- Dit viel uiteen in de sociaaldemocratie en het revolutionaire communisme.





Begrippen paragraaf:



Sociaaldemocratie: gematigde vleugel van het socialisme die de parlementaire democratie aanvaardt en het kapitalisme wil beperken.





Politieke stroming: beweging die wil deelnemen aan het staatsbestuur met bepaalde opvattingen over de inrichting van de staat en de maatschappij.





Natie staat: staat voor één volk.





Burgerij: in de 19e eeuw alle groepen tussen de adel en de arbeidersklasse.







8.3: Democratisering. In Europa en de VS: 1815-1919



Hoe verliep de democratisering in Brittannië?



- Het parlement bestond al vanaf de 14e eeuw uit Hogerhuis en Lagerhuis. In het hogerhuis zaten erfelijke edelen. Het lagerhuis was gekozen door een districtenstelsel.



- 1837: koningin Victoria erfde de troon. Vanaf toen was het parlement volledig de baas.



- Strijd om kiesrecht. Vanaf 1850 meer gevoel om kiesrecht te verruimen.



- 1884: twee derde van de volwassen mannen kreeg kiesrecht.



- 1919: algemeen mannen kiesrecht + de meeste vrouwen.



- 1928: volledig algemeen kiesrecht.













Hoe verliep de democratisering in Nederland?



- Vanaf het begin was Nederland een constitutionele monarchie met een grondwet en de Staten-Generaal.



- 1848 was er een volksopstand in Parijs, waarop volgde dat Nederland ook onrustig werd.



- Thorbecke moest van Willem II een nieuwe grondwet schrijven. Thorbecke was een liberaal. Nu werd Nederland een parlementair stelsel. Door censuskiesrecht mocht maar één op de acht mannen stemmen.



- 1887: kiesrecht uitgebreid.



- 1917: algemeen kiesrecht voor mannen.



- 1919: ook vrouwen kregen kiesrecht.





Hoe verliep de democratisering in Duitsland?



- De adel had grote voordelen in het kiesrecht.



- 1861: de liberalen haalden de meerderheid.



- Bismarck negeerde het parlement en breidde het leger uit. Bismarck werd populair en conservatieven wonnen de verkiezingen. Hij gaf Duitsland een grondwet die de keizer de macht gaf.



- Rijksdag kreeg budgetrecht en kon wetsvoorstellen afkeuren, maar verder had ze geen invloed.



-Na 1871: de invloed van de burgerij in de maatschappij nam toe.



- Duitsland werd pas een democratie toen het rijk ten onder ging aan het eind van de eerste wereldoorlog.





Otto von Bismarck. (1815-1898) de ijzeren kanselier.



- mensen waren volgens hem slechts instrumenten die hij kon manipuleren voor zijn politieke doelen.



- 28 jaar kanselier vanaf 1862-1890.



- De eerste negen jaren van zijn kanselier zijn had hij succes.



- Zijn vijanden waren eerst de katholieken en socialisten.



- 1890: hij werd door keizer Wilhem II aan de kant gezet.





Begrippe paragraaf:



Democratisering: groei van invloed van de bevolking in de politiek en samenleving.





Parlementair stelsel: politiek systeem waarin de volksvertegenwoordiging de hoogste macht heeft.





Parlementaire democratie: politiek systeem waarbij de regering verantwoording schuldig is aan een met algemeen kiesrecht gekozen parlement.





Algemeen kiesrecht: kiesrecht voor alle meerderjarigen.





Districtenstelsel: kiesstelsel waarbij het land is verdeeld in districten die hun eigen kandidaten voor het parlement kiezen.





Censuskiesrecht: kiesrecht dat afhankelijk is van de hoogte van de betaalde beslastingen.





Budgetrecht: recht van het parlement om uitgaven van de regering goed af te keuren.







8.4: de emancipatiebewegingen.



Wat is een emancipatiebeweging?



- Beweging die streeft naar gelijkberechtiging van achtergestelde groepen.



Voorbeelden van emancipatiebewegingen:



1. Feminisme: politiek-maatschappelijke beweging die streeft naar emancipatie van vrouwen.



2. Confessionalisme: politiek-maatschappelijke stroming die uit gaat van een geloof. Streefde naar een volwaardige positie in de samenleving voor streng gelovige christenen.



3. Socialisme: streefde naar een betere positie van de arbeiders.





Hoe verliep de opkomst van het katholieke confessionalisme?



- Pruisen en Nederland hadden een grote katholieke minderheid.



- Katholieken kregen in de 19e eeuw gelijke rechten, maar werden niet voor vol aangezien.



- Liberalen vonden dat het katholicisme een achterlijk geloof was dat de vooruitgang in de weg stond.



- 1871: Bismarck begon met liberalen een strijd tegen de katholieken.



- Er kwamen antikatholieke wetten.



- Katholieken gingen massaal stemmen op de katholieke zentrumspartei, waardoor Bismarck ze met rust ging laten.





Hoe verliep de opkomst van het protestantse confessionalisme?



- Ontstond in Nederland in Duitsland.



- Katholieken en protestanten waren vijanden, maar nu streden ze tegen; liberalisme, socialisme en het toenemende ongeloof.



- 1879: Abraham kuyper richtte de antirevolutionaire partij (ARP) op. Samen met katholieken verzetten zij zich tegen liberale kabinetten.



- Kuypers partij werd de grootste en in 1901 werd hij minister-president.





Hoe verliep de opkomst van het feminisme?



- Rond 1900 werd voor het eerst gediscussieerd over de ondergeschikte positie van de vrouw.



- Feminisme in opkomst vanaf 1880.



- Positie werd rond 1900 beter.



- 1908: half miljoen mensen deden in Londen mee aan een betoging voor vrouwelijk kiesrecht.



- Onder leiding van Emmeline Parkhust werden hevige acties gevoerd. Dit leverde veel publiciteit op.



- 1919 in Groot-Brittannië werd vrouwelijk kiesrecht ingevoerd.















Wilhelmina Ducker. (1847-1925)



- 1970: Dolle mina, vernoemd naar Wilhelmina ducker, groep steekt korsetten in brand voor het standbeeld van Ducker omdat zij dit ook had gedaan in haar tijd.



- Zij kon zich wijden aan het feminisme doordat ze haar erfenis claimde bij jaar half broer.



- Ze organiseerde acties en financierde drukwerken voor het feminisme.





Begrippen paragraaf:



Minister-President: regeringsleider.







8.5: Sociale kwestie.



Wat zijn kenmerken van de sociale kwestie?



- De leef –en werkomstandigheden waren altijd slecht geweest, maar nu viel het meer op door de omgeving waarin de arbeiders woonden.



- In moderne fabrieken bepaalden de machines het werktempo.



- Inkosten verschillen en klassentegenstellingen: welvaart van burgerij maakte armoede van arbeiders minder vanzelfsprekend.



- Liberalen geloofden dat armoede eigen schuld was.



- socialisten zagen armoede als gevolg van kapitalisme.





Hoe werd de situatie van de arbeiders verbeterd?



- rond 1900 kwamen de eerste sociale wetten tot stand.



- Arbeiders richtten vakbonden op.



- 1850: vakbonden succes in Groot-Brittannië: de lonen werden hoger, werkdagen korter en huisvesting en voeding beter.





Charles Dickens. (1812-1870)



- In zijn boeken schreef hij over de hardheid waarmee armen behandeld werden. Oliver Twist (1838) was een voorbeeld hier van.



- Mede door zijn boeken werd de behandeling van kinderen in Groot-Brittannië op den duur menselijker.





Begrippen paragraaf:



Sociale Kwestie: vraagstuk van de armoede en de slechte leef-en werkomstandigheden van de arbeiders in de 19e eeuw.





Nachtwakersstaat: staat met een overheid die alleen zorgt voor orde en veiligheid.





Vakbond: vereniging van werknemers uit hetzelfde vak die met de werkgevers afspraken maakt over lonen en andere arbeidsvoorwaarden.





8.6: Modern imperialisme.



Wat is het modern imperialisme?



- Europese expansie vanaf 1870, waarbij Europese mogendheden hun koloniale bezit uitbreidden en hun kolonies grondiger exploiteerden.





Wat is het Fashoda-incident?



- Frankrijk bezat in 1898 in Afrika een onafgebroken gebied tussen de west -en oost kust (fashoda, sudan) en wachtte op versterkingen.



- Er kwamen geen Fransen maar Britten. De Britse commandant beval de Franse Marchand de vlag weg te halen, maar die weigerde.



- Ze sloten een compromis: de vlaggen hingen voorlopig naast elkaar.



- Fransen trokken zich terug na oorlogsdreiging.





Wat hield de wedloop om Afrika in?



- wedloop om de onbekende plekken van Afrika in bezit te nemen.



- 1884: Bismarck nodigde VS en Europa uit spelregels ad te spreken.



 - Conferentie van Berlijn 1884/1885: Belgische koning Leopold kreeg het onbekende Congo. De rest van Afrika werd verdeeld in invloedssferen.





Ook in Azië breidden de Europeanen hun invloed uit:



- Vanaf 1870 kregen Europese ondernemers alle ruimte in Nederlands-Indië. Het Nederlandse bestuur werd uitgebreid.



- Het koloniale leger vocht in Atjen vanaf 1873 meer dan 30 jaar Een guerrillaoorlog uit met islamitische strijders.



- Alle Europese landen waren geïnteresseerd in China, maar China was een te sterk rijk.





Wat waren de oorzaken van het modern imperialisme?



- sterk nationalisme en de concurrentie tussen de Europese mogendheden.



- Blank superioriteitsgevoel: de Europeanen vonden dat ‘hogere’ rassen mochten heersen.



- hebzucht.



- Industriële revolutie: kolonies leverden grondstoffen.



- Kolonies waren afzetmarkten voor de Europese industrie.





Waardoor werd de koloniale expansie versterkt?



- transportrevolutie.





Leopold II. (1835-1909)



- Vanaf 1878 liet hij Stanley honderden verdragen sluiten met stamhoofden.



- hij kreeg Congo, maar het werd zeer slecht bestuurd.



- 1908: België moest onder internationale druk een goed bestuur instellen.



- Congo werd van Leopold afgenomen.





Begrippen paragraaf:



Invloedssfeer: gebied die door een buitenlandse mogendheid wordt overheerst.





Inheems: uit het land zelf.





Guerrillaoorlog: oorlog waarbij een militair zwakkere tegenstander zich verschuilt onder de bevolking en de sterkere vijand met kleine aanslagen en aanvallen probeert te verzwakken.



Tijdvak 9: De wereld in de tijd van de wereldoorlogen. (1900-1950)



De eerste helft van de twintigste eeuw wordt de tijd van de wereldoorlogen genoemd. In 1914 brak een oorlog uit tussen de grote Europese mogendheden. Het werd een ‘wereldoorlog’ doordat buiten Europa ook kolonies en onafhankelijke staten erbij betrokken raakten. Na de Eerste wereldoorlog werd de Volkenbond opgericht om nieuwe oorlogen te voorkomen. Ruim 20 jaar later brak echter een nieuwe oorlog uit in Europa, die uitgroeide tot de Tweede Wereldoorlog. Na deze oorlog werden de Verenigde naties opgericht. De periode tussen de twee wereldoorlogen wordt het interbellum genoemd. De jaren 1920, de roaring twenties, waren in de VS en een deel van Europa een tijd van economische bloei. De jaren 1930 waren een crisistijd.





9.1: De Eerste wereldoorlog (1914-1918)



Wat waren de oorzaken van de eerste wereldoorlog?



- Het sterke nationalisme.



- Duitsland voelde zich tekort gedaan en vernederd door het verdrag van Versailles. Duitsland wou meer invloed op Europa.



- Door de industriële revolutie was de vernietigingskracht van wapens ernstig toegenomen. De landen kwamen in een wapenwedloop terecht.



- Het militarisme. Hoge militairen hadden veel invloed. Zij zagen oorlog als een goed middel om de nationale belangen te dienen.



- Er ontstonden twee vijandige blokken: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije tegen de fransen, Russen en Britten.





Hoe brak de Eerste Wereldoorlog uit?



- Er waren grote spanningen op de Balkan (Zuidoost Europa)



- Duitsland beloofde Oostenrijk-Hongarije steun tegen Servië, maar Servië kreeg steun van Rusland. 28 juli werd de oorlog tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië verklaard.



- Drie dagen later verklaarde Duitsland oorlog aan Rusland en Frankrijk. De geallieerden Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland vochten tegen de centralen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije.



- Vanaf 1917 een echte wereldoorlog, wanneer de VS de oorlog verklaard aan Duitsland.



- Directe aanleiding eerste wereld oorlog: Servië vermoordde de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije.





Hoe verliep de Eerste wereldoorlog?



- In het westen liepen de Duitsers de eerste weken België onder de voet. Daarna naar Noord-Frankrijk, maar werden teruggeslagen door Parijs.



- Er werd gebruik gemaakt van loopgraven.



- Het westelijk front lag bijna vier jaar muurvast.



- Oostfront erg belangrijk.. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije vochten daar tegen Rusland.



- 1917 volk Rusland kwam in opstand. De tsaar trad af. De nieuwe regering zette oorlog voort, maar het land bleef chaos.



- Lenin in Rusland greep de macht. Zijn regering sloot in maart 1918 vrede met Duitsland.



- 11 november 1918 wapenstilstand.









De vrede van Versailles.



- Duitsland werd een democratie, maar moest in 1919 dit vredesverdrag tekenen.



- In dit verdrag stond dat de oorlog Duitslands schuld was.



- Duitsland kreeg hoge herstelbetalingen opgelegd.



- Duitsland verloor Elzas-Lotharingen.



- Duitse kolonies werden van Groot-Brittannië, Frankrijk en België



- Duitsland mocht maar een klein leger hebben.



- Duitsland mocht geen lid worden van de volkenbond.





Wat waren de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog.?



- Vrede van Versailles.



- Ongekende verwoestingen.



- Militairen raakten psychisch beschadigd.



- Vanaf 1916 kwamen Duitsers om van de honger.



- België leed vier jaar onder bezetting.





Adolf Hitler. (1889-1945)



- Meldde zich op zijn 25e vrijwillig bij het leger.



- Oostenrijker.



- Haatte ‘mengelmoes van vreemde volkeren’.



- Regiment vocht vooral in Vlaanderen.



- Blind door gifgas tijdens wapenstilstand.



- Woedend door de overgave van Duitsland.



- Duitsland was volgens hem niet verslagen, maar verraden.



- Werd leider van nazi-Duitsland.



- Nam wraak over Eerste Wereldoorlog door een tweede te starten.





Begrippen paragraaf:



Wereldoorlog: oorlog waarbij veel volkeren en meerdere werelddelen betrokken zijn.





Wapenwedloop: race om de beste en meeste wapens te krijgen.





Militarisme: verheerlijking van alles wat met het leger te maken heeft.





Geallieerden: bondgenoten, in de twee wereldoorlogen de landen die tegen Duitsland vochten.





Centralen: Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en hun bondgenoten in de Eerste Wereldoorlog.





Loopgraven: uitgegraven gangen voor soldaten ter bescherming tegen de vijand.





Front: voorste gebied waar gevochten wordt.





Wapenstilstand: afspraak tussen oorlogvoerende landen om niet meer te vechten.





Massavernietigingswapen: wapen die grote aantallen mensen tegelijk kan doden.





Bezetting: toestand waarin een legermacht een gebied is binnengetrokken en dat onder bedwang houdt.







9.2: de economische wereldcrisis.



Ontwikkeling van de wereldeconomie in de jaren 1920



- Tijdens WOI vergrootte de VS zijn economische voorsprong.



- Wegennet werd vlug uitgebreid.



- de meeste Europese huishoudens schaften pas luxe Amerikaanse producten aan na WOI.



- Na 1924 kwam ook in Europa  de welvaart opgang.



- De economische groei leidde tot optimisme.





Hoe verliep de economische wereldcrisis van 1929?



- 24 oktober 1929 ontstond paniek, op zwarte donderdag.



- koersen gingen omlaag op Wall Street, beurs van New York.



- De beurskach werd gevolgd door wereldwijde recessie.



- Veel bedrijven gingen failliet.



- De productie kromp, werkloosheid steeg.



- Geen sociale zekerheid.



- Ook Europa en kolonies werden getroffen.





Wat waren de oorzaken van deze ‘Grote Depressie”?



- Belangrijkst: in de voorafgaande jaren bleven de lonen achter bij de productie.



- Lonen stegen niet hard genoeg met de productie.





Hoe werd de crisis bestreden?



- Herstel in 1933 door president Roosevelt. Door de New Deal let hij de overheid ingrijpen in de economie.



- De wekloosheid daaldie hierdoor.





Hendrik Colijn. (1869-1944)



- 1890 maakte hij carrière in Nederlands-Indië als harde beroepsmilitair.



- In 1920 en 1930 leider ARP en minister-president van vijf kabinetten.



- Crisis bestreed hij met economisch liberalisme.



- Hij wou mensen laten bezuinigen.



- Na de tweede oorlog werd hij gezien als prototype van de hardvochtige kapitalist. Zijn beleid werd het voorbeeld van hoe het niet moest.





Begrippen paragraaf:



Recessie: achteruitgang van de economie





Grote Depressie: de langdurige economische crisis van de jaren 1930.





Crisis: noodsituatie, ernstige toestand.









9.3 De totalitaire systeem.



Het communisme in de Sovjet Unie:



- Na Lenins machtsovername brak in Rusland burgeroorlog uit.



- Communisten onderwierpen Oekraïne en Georgië.



- 1922: stichting Sovjet-Unie: strak geleide eenpartijstaat.



- Na Lenins dood kwam Stalin aan de macht. Die bouwde vanaf 1929 grof een industriële samenleving op.





Wat was Lenins invloed op de Russische samenleving?



- Een democratische regering probeerde het land te besturen met Sovjets (raden) van arbeiders en soldaten.



- Lening was leider van een klein groepje communisten.



- Lenin zorgde voor chaos in Rusland omdat hij een tweede revolutie wou.



- 7 november 1917 gaf Lenin het sein voor een opstand en zijn aanhang groeide. ’s Nachts vonden ze de regering in de voormalige eetkamer van het Winterpaleis. De ministers werden opgepakt en afgevoerd.



- Lenin zei dat die macht voor de Sovjets was, maar in de realiteit hadden de communisten de macht gegrepen.





Het Fascisme in Italië:



- In Italië stortten de democratieën als eerst in.



- Fanatieke nationalisten waren ontevreden omdat Italië aan geallieerde zijde had meegevochten, ma nauwelijks was beloond.



- De leider van deze fanatieke nationalisten, Benito Musslino vormde in 1919 de fascistische beweging.



- In 1922 marsde de fascistische beweging op Rome en dreigde met geweld als zij de macht niet kreeg.



- De beweging kreeg de macht. De koning had Mussolini benoemd tot regeringsleider.



- Mussolini greep de macht. Hij liet andere partijen verboden worden en vestigde een dictatuur.





Ontwikkeling van het nationaalsocialisme in Duitsland:



- Adolf Hitler werd leider van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NS DAP)



- 1930 groeide Hitlers aanhang enorm. Hierdoor benoemde president Hindenberg hem in 1933 tot regeringsleider.



- In 1934 werd een eed op hem afgelegd.



- De Duitse samenleving werd gelijkgeschakeld.





Nazi-ideologie kenmerken:



- rassenleer



- nazi’s droegen bruine uniformen.





Overeenkomsten fascisme en nationaalsocialisme:



- Extreem nationalistisch.



- verheerlijkten geweld en leiderschap.



- Hun naam kwam van het Romeinse ‘fâces’



- Beide bewegingen vormden een enorm partij leger dat zich bezig hield met straatterreur.



Verschillen tussen communisme en nazi’s:



- Lenin wees het nationalisme af.



- Geen rassenleer bij het communisme.



- Communisten wilden het kapitalisme vernietigen.



- Bedrijven moesten volgens communisten in handen van de staat zijn.





Overeenkomsten communisme met nazi’s en fascisme:



-Alle drie totalitaire ideologieën.



- Ze wilden de bevolking compleet beheersen.





Stalin: (1979-1953) was een Georgiër.



- Heette officieel Josif Szjoegasjvili.



- Sloot zich in 1903 bij Lenin aan. Lenin waardeerde zijn ruwheid.



- In 1929 had Stalin de absolute macht.



- Hij genoot van het leiden van anderen.



- Vertoonde zich nauwelijks aan de bevolking.



- Bevolking wist niet dat de wreedheid van Stalin kwam en dat hij er niks van af wist.





Begrippen paragraaf:



Communisme: radicale politieke stroming die het particuliere bezit van de productie middelen wil afschaffen. Of: Economisch systeem waarin de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zijn.





Eenpartijstaat: staat waarin één politieke partij is toegestaan die alle macht in handen heeft.





Interbellum: periode tussen de twee wereldoorlogen. (1918-1939)





Gelijkschakelen: het aanpassen van maatschappelijke organisaties aan de ideologie van de staat.





Censuur: toezicht op media en andere publicaties.





Nationaal socialisme: racistische variant van fascisme.





Ideologie: geheel van opvattingen over de maatschappij en hoe deze ingericht moet worden.





Totalitair: politiek systeem dat een totale controle van de maatschappij nastreeft, inclusief het denken en doen van mensen.



















9.4: Propaganda en communicatie.



Ronde de 19e eeuw ontwikkelden politieke partijen zich tot massaorganisaties.





Oorlogspropaganda:



- 1914 werd reclame gemaakt om je aan te sluiten bij het legen in Brittannië.



- 1917 deed Amerika hetzelfde.



- Voor propaganda werden moderne communicatiemiddelen gebruikt. Zoals film en radio.





Totalitaire propaganda:



- totalitaire bewegingen gebruikten de moderne communicatiemiddelen volop voor hun propaganda.



- Tegenstanders werden zwartgemaakt.





Joseph Goebbels. (1897-1945)



- Afgekeurd voor militaire dienst door een misvormde voet.



- Vanaf 1924 zette hij zich in voor Hitler.



- 1933 mocht hij het ministerie van Volksvoorlichting en propaganda opzetten.



- Zijn doel was de volledige geestelijke mobilisatie van het Duitse volk.



- Een van de machtigste nazi’s.



- Pleegde na Hitlers zelfmoord ook zelfmoord en nam zijn vrouw en kinderen daarin mee.





Begrippen paragraaf:



Propaganda: het verspreiden van ideeën en het beïnvloeden van meningen.





Massaorganisatie: organisatie met grote aantallen mensen als aanhang.





Communicatiemiddelen: middelen waarmee informatie wordt overgebracht.









9.5 Verzet tegen het imperialisme.



Soekarno:



- Ging vanaf 1916 naar een Nederlandse middelbare school op Java.



- Op zijn 26e richtte hij een politieke partij op die volledige en onmiddellijke onafhankelijkheid eiste.



-In 1933 werd hij verbannen.





Aziatisch nationalisme kenmerken en ontwikkeling:



- In Nederlands-Indië woonden vele volkeren, die zich niet verbonden voelden. Daardoor ontstond er nationalisme.



- In Brits-Indië ontstond ook een beweging die onafhankelijkheid wilde.





Waardoor werd het Aziatische nationalisme opgewekt?



- Modern imperialisme: Europeanen maakten hun kolonies tot eenheid.



- Europeanen wilden overal hetzelfde onderwijs. Zo leerden Indiërs over vrijheid en gelijkheid, die niet in de kolonie te vinden waren, dit maakte hen opstandig.







Japan en Nederland:



- in 1905 won Japan oorlog van Rusland, waardoor men wist dat Rusland niet onverslaanbaar was.



- Europa raakte door de WOI verzwakt. Hierdoor was onafhankelijkheid voor Indië mogelijk.





Non-coöperatie:



- 1919 kreeg Indië van de Britse regering meer rechten, maar nationalisten wilden meer. Er braken opstanden uit.



- Gandhi kreeg veel steun, waardoor de Britse regering gedwongen werd met hem te onderhandelen en zo kreeg India meer autonomie.





Mohandas Gandhi. (1869-1948) zoon van een hoge Indiase bestuurder.



- Studie rechten gedaan in Londen, keerde terug in 1915. Hij werd leider van de Congrespartij.



- Koos een derde weg: onafhankelijkheid afdwingen zonder geweld.



- Wou India een modern land maken.



- In 1947 werd India onafhankelijk.





Begrippen paragraaf:



Non-coöperatie: weigering om met de koloniale overheid samen te werken.





Autonomie: zelfbestuur, zelfstandigheid.









9.6 De Tweede Wereldoorlog.



Wat waren de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog?



1. De Duitsers voelden zich vernederd door het verdrag van Versailles. Zij hadden als enige straf gekregen voor de Eerste Wereldoorlog.



2. Nationalisten waren boos omdat de democratische regering het verdrag had getekend.



3. Velen geloofden dat het Duitse leger niet was verslagen, maar verraden.



4. Hitler wou dus wraak, en deze keer zou Duitsland heerschappij krijgen over Europa. Hij hield zich niet aan het verdrag van Versailles.





Voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog:



- Andere mogendheden lieten Hitler zijn gang gaan.



- Vrede van Münster: 1938: Hitler beloofde zich rustig te houden als hij sudetenland kreeg.



- Staling hield zich afzijdig.



- Duitsland en Italië hadden een bondgenootschap, later sloot Japan zich ook aan.





Hoe verliep de tweede wereldoorlog?



- 1 september 1939 vielen de Duitsers Praag binnen, Frankrijk en Groot-Brittannië begrepen nu dat Hitler zijn beloftes niet hield.



- Twee dagen hierna verklaarden zij Duitsland de oorlog.



- 23 augustus 1939 sloot Hitler een niet-aanvalsverdrag met Stalin. Zij spraken in het geheim af Polen te verdelen. Zo zou Hitler geen tweefronten oorlog hoeven te voeren.



- Maart 1940 nam Duitsland in één dag Denemarken en Noorwegen in.



- 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland, België en Frankrijk aan.



- 22 juni 1941 vielen Duitse troepen de Sovjet-Unie binnen. (operatie barbarossa). Dit mislukte door de strenge winter waar de Duitsers niet op voorbereid waren .



- 7 december viel Japan de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor aan.



- De VS, Groot-Brittannië en de Sovjet-unie werden bondgenoten.



- 31 januari 1943 gaven de Duitsers zich over bij Stalin.



- 6 juni 1944, d-day, landde het rode legen in Normandië. Berlijn viel echter pas 2 mei 1945, na Hitlers zelfmoord. 8 mei 1945 gaf Duitsland zich over.



- Japan had veel gebieden veroverd in Azië, zoals Nederlands-Indië. Vanaf 1943 drongen de VS de Japanners terug. 15 augustus 1945 legden Japanners de wapens neer.





Wat waren de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog?



- Grote delen van Europa lagen in 1945 in puin.



- Duitse burgerbevolking had geleden.





Eleanor Roosevelt. (1884-1962)



- Politiek actief, eerste first lady.



- Nicht van Theodore Roosevelt.



- Zette zich in voor de rechten van vrouwen en zwarten.



- 1945 werd ze Amerikaans vertegenwoordiger bij de Verenigde naties.





Begrippen paragraaf:



Appeasement: verzoening, politiek van concessies aan een agressor om oorlog te vermijden.





As mogendheden: alliantie van Duitsland, Italië en Japan voor de tweede Wereldoorlog.









9.7 De holocaust.



Ontdekking van de holocaust:



- 3 april 1945 ontdekten Amerikanen de kampen in Duitsland. In de maanden daarna drong het door dat Duitsers genocide op de joden hadden gepleegd.



- Vanaf juni 1942 had BBC het uitroeien van joden al door 25 augustus 1944 zagen westerse journalisten voor het eerst een vernietigingskamp.





Antisemitisme:



- In de geschiedenis was er al een Jodenhaat geweest.



- Joden werden gezien als kapitalisten en uitbuiters.



- Antisemitisme werd gevoed door ‘wetenschappelijke’ ideeën over mensenrassen.



- Nazi’s zeiden dat kapitalisme en communisme onderdeel waren van een wereldwijd joods complot.













Discriminatie:



- Na nazi’s machtisovername werden joden gediscrimineerd.



- 9/10 november 1938 was er een pogrom in Duitsland. (Kristallnacht)



- Endlösung (definitieve oplossing) voor het ‘joodse probleem’.





Het verloop van de vernietiging van de joden:



- Na inval in de Sovjet-Unie besloten nazileiders alle joden te vernietigen.



- Eind 1941 werd gekozen voor vergassing.



- 20 januari 1942 werden daar vaste afspraken over gemaakt.



- In het voorjaar van 1942 reden de eerste goederentreinen met joden naar deze kampen.





Begrippen paragraaf:



Genocide: volkerenmoord.





Holocaust: moord op de joden in de Tweede Wereldoorlog.





Racisme: discriminatie op grond van ras.





Discriminatie: het onrechtmatig maken van onderscheid.





Antisemitisme: Jodenhaat.





Getto: stadswijk maar joden moesten wonen.





Pogrom:  gewelddadige uitbarsting van joden haat.





Endlösung: naziterm voor de massamoord op de joden.









9.8: De bezetting



Hoe verliep de ontwikkeling van de Duitse bezetting van Nederland?



- 10 mei 1940 werd Nederland overvallen door Duitse troepen.



- De rechtsstaat werd uitgeschakeld.



- Anti-Duitse gevoelens werden sterker.





Het verzet:



- 1941 Februaristaking in Amsterdam tegen de eerste deportaties van joden.



- 1943 landelijke april-meistakingen tegen gedwongen arbeid in Duitsland.



- 1944: spoorwegenstaking om Duitse troepen transporten te hinderen.



- 1944: de Duitsers veroorzaakten de Hongerwinter.





Het verloop van de joden vervolging in Nederland:



- begin van de bezetting werden joden al geïsoleerd.



- 1942: werd het dragen van Jodenster verplicht. Kort daarna begonnen deportaties.





Collaboratie: samenwerken met de vijand.



De wereld in de tijd van televisie en computer. (1950-2010)



De tijd van 1950 tot het heden wordt de tijd van televisie en computer genoemd. Het zijn twee symbolen voor de welvaartsgroei in de westerse wereld in de tweede helft van de 20e eeuw. En voor de informatiemaatschappij die in dit tijdvak ontstond. Het pictogram van dit tijdvak is een raket: die staat voor de dreiging van een allesverwoestende kernoorlog tijdens de Koude oorlog.





10.1: Dekolonisatie.



17 augustus 1945: onafhankelijke republiek Indonesië uitgeroepen. Echter geen samenwerking.



1949: Nederland gaf Indonesië op onder druk van de Verenigde staten en de Verenigde naties.



27 december 1949: soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië.



1975: Suriname onafhankelijk.





Politionele acties: twee Nederlandse militaire ingrepen in Indonesië. In 1947 en de tweede in 1948-49





Begrippen paragraaf:



Dekolonisatie: onafhankelijk worden van kolonies.





Supermacht: zeer grote mogendheid (de VS en de SU na 1945)





Hegemonie: overwicht.





Derde wereld: ontwikkelingslanden.









10.2 De koude oorlog.



Wat waren de oorzaken van de Koude oorlog?



1. Twee voormalige bondgenoten waren na de Tweede Wereldoorlog veel sterker dan de rest.



2. Sovjet-Unie en de Verenigde Staten kwamen als twee supermachten uit de oorlog en werden elkaars concurrenten in de strijd om macht en invloed.



3. Amerikanen zagen zichzelf als voorvechters van kapitalisme en democratie en waren overtuig dat Stalin uit was op de communistische wereldheerschappij.



4. Sovjet-Unie voelde zich bedreigd door de kracht van de Amerikanen.





Hoe verliep de koude oorlog?



- De koude oorlog leidde tot blokvorming: het Oostblok en het vrije westen.



- Na Roosevelts dood veranderde de sfeer tussen de VS en de SU. Dit was het begin van een wapenwedloop die de gehele koude oorlog zou duren.



- Tussen 1945 en 1948 kwam er door midden Europa een IJzeren Gordijn.



- 1947 beloofde Truman economische en militaire steun aan landen die door het communisme werden bedreigd. Onderdeel van deze containmentpolitiek was het Marshallplan.



- 1949 werden in Duitsland de westerse bezettingszones samengevoegd in een nieuwe staat: de Bondsrepubliek.



- 1955 sloten ook communistische landen een militair verbond; het Warschaupact.



- 1949 paniek door succes atoombom van de SU. Mao had de macht in China.



- 1950 viel Noord-Korea met geheime militaire steun van Stalin Zuid-Korea binnen.



- 1953: Stalin dood, Korea oorlog beëindig. Spanning in de wereld nam af.



- 1961: spanning in Berlijn.



- Kennedy dreigde met een atoomoorlog.



- Na de Cubacrisis volgde een periode van ontspanning.



- jaren 1965-1973 voerden de VS oorlog in Vietnam.



- Na 1970 spraken VS en SU af kernwapens niet uit te breiden.



- Na 1975 nam vijandigheid weer toe, mede door kernwapens.



- Na 1985 werd de koude oorlog verrassend snel geëindigd.





Wat waren de gevolgen van de koude oorlog?



- Communistische landen hadden enorme economische problemen. Nieuwe Sovjetleider sloot daarvan met de VS president Reagan een akkoord.



- 1989: Oostblok viel uiteen. Dat jaar viel het communisme weg.



- 9 november 1989 viel de Berlijnse muur.



- 4 December 1989 was deze oorlog officieel over.





Wat gebeurde er na de Koude oorlog?



- Voor de Sovjet Unie werden problemen alleen maar groter.



- In 1991 werd de Sovjet-Unie opgeheven.



- 11 september 2001 startten de twee torens van het WTC (world trade center) in New York City in door el Qaida.



- 2003 oorlog in Irak die jaren duurde en brachten de VS in financiële problemen.



- 1989 Peking democratische opstand. Communistische partij had de macht gehouden, maar de economie werd geliberaliseerd. Dat leidde tot een enorme economische groei.







Michaïl Gorbatsjov. (1931) in 1985 leider van de Sovjet Unie.



- Een communist.



- Door ramp met kerncentrale in Tsjernobyl (1986) doordrong hem dat het systeem ziek was.



- Iedereen moest de waarheid kunnen spreken. Een kwam vrijheid van meningsuiting, particuliere bedrijven en vrije verkiezingen.



- 1991 werd hij afgezet bij een staatsgreep door oude communisten.





Begrippen paragraaf:



Koude oorlog: toestand van vijandschap waarbij de Sovjet unie en de VS elkaar wereldwijd bestreden met alle middelen zonder een regelrechte oorlog.





Blokvorming: verdeling van de wereld in twee ideologisch tegengestelde blokken onder leiding van de SU en VS.





Oostblok: vlok van communistische landen in Europa onder leiding van de Sovjet-Unie.





Verenigde Naties: volkerenorganisatie sinds 1945.





Veiligheidsraad: onderdeel van de Verenigde naties dat zorgt voor het handhaven van de vrede en veiligheid in de wereld.





Wapenwedloop: race om de krachtigste en meeste wapens te krijgen.





IJzeren Gordijn: gesloten grens tussen het communistische en niet-communistische deel van de Europa.





Containmentpolitiek: Amerikaanse politiek in de koude oorlog om het communisme te minderen door steun van regeringen die zich tegen het communisme verzetten.





Marshallplan: Amerikaanse economische en financiële hulp aan West-Europa vanaf 1947.





Atoomoorlog: oorlog gevoerd met kernwapens.





Ontspanning: periode in de Koude Oorlog waarin de VS en de SU streefden naar vermindering van de spanningen (1962-1975)






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.