H8 t/m 10

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 4379 woorden
  • 10 oktober 2015
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Hoofdstuk 8,  verlichting en revoluties. 





Paragraaf 1, De verlichting. 



- Wat is de verlichting?



In de 18e eeuws geloofden de meeste mensen dat God een directe invloed had op hun leven. Dit gaf mensen een gevoel van zekerheid. Voltaire vond dit gevoel misplaatst: iets werd zonder bewijs voor waarheid aangenomen en er mocht geen kritiek op worden geleverd. Hij nam niet zomaar aan wat de kerk vond, maar zocht naar bewijzen en onderbouwde zijn standpunten met logische redeneringen. 



Sinds de wetenschappelijke revolutie was het vertrouwen in het eigenverstand (ratio) enorm gegroeid. Mensen begrepen de wereld beter door logisch na te denken (rationalisme) en door onderzoek via waarneming (empirisme). Dit maatschappelijke verschijnsel word de verlichting genoemd. 



Verlichte denkers hielden zich ook bezig met de samenleving en de rol van de kerk. Ze leverden kritiek op het dogma (de koning moet alle macht krijgen omdat hij deze van God heeft gekregen). Ook privileges van adel en geestelijkheid waren gebaseerd op een mengeling van traditie en dogma’s. Ook vonden veel verlichte denkers dat er onnodig veel honger, armoede en uitbuiting in de samenleving bestond. Een goed bestuur moest het welzijn van het volk op rationele wijze verbeteren.





Ook vonden ze dat de belangrijkste manier om de samenleving te verbeteren het verlossen van allerlei bijgeloven. Mensen moesten opgevoed worden tot rationele burgers.  Beter onderwijs en meer onderzoek zou leiden tot meer kennis, bijvoorbeeld over ziektes. In de 18e eeuw was men over het algemeen heel optimistisch over wat het menselijk verstand kan bereiken. 



Toch waren niet alle verlichte denkers het met elkaar eens, Voltaire bond de strijd aan met mensen die meenden dat God de wereld naar beste vermogen had geschapen. Volgens hem was er te veel kwaad in de wereld om dat te geloven. 





-Verlichte denkers over de samenleving. 



Verlichte denkers dachten toch wel het meest over geloof en samenleving. Veel denkers vonden het lastig om het rationalisme met hun geloof te verenigen. Toch waren de meeste verlichte denkers wel gelovig, ze combineerden het geloof en rationalisme in een ‘mechanistisch wereldbeeld’; god had de wereld, de mensen en de natuurwetten geschapen, maar bemoeide zich na de schepping niet meer met de wereld. Sommige mensen zagen god niet meer als persoon maar zagen het goddelijke alleen nog in procesessen dit heet het deïsme. 



Behalve geloof schreven ze ook veel over de verbetering van de samenleving. Ze dachten na over de ideale bestuursvorm. 



De Engelsman John Locke vond dat alle mensen van natura dezelfde rechten hebben, zoals het recht op leven, bezit en vrijheid. 



De Fransman Jean-Jaques Rousseau ging ervan uit dat een regering niets anders is dan een uitvoeder van de gezamenlijke wil van alle burgers. De burgers kunnen hun macht altijd weer terugnemen. Dit heet volkssoevereiniteit. 



De Fransman Montesquieu vond dat machtsmisbruik kan worden voorkomen door trias politica. 



Ook dachten ze na over het strafrecht en het denken over het verleden. Ze vonden dat bewijzen in rechtszaken onbetrouwbaar waren. 







Paragraaf 2, Vorsten en verlichte ideeën. 



Onder druk van oorlogen probeerden alle Europese vorsten hun land efficiënter te leiden. De vorsten stimuleerden ook de wetenschap zodat zij gebruik konden maken van de modernste oorlogstechniek. Verlicht absolutisme is wanneer een vorst met de bedoeling om de samenleving te verbeteren volgens de ideeën van verlichte denkers zijn hervormingen door de voeren en als de vorst zijn macht niet baseerde op religie maar op een rationele redenering. De vorst is dan van nut voor de samenleving. De vorst streeft naar een moderne, welvarende en rechtvaardige samenleving. De Pruisische koning deed dit ook, maar toch liet hij één misstand staan: de lijfeigenschap. De sociale verhoudingen  in Pruisen waren nog helemaal feodaal en om de adel tevreden te houden schafte hij het niet af. In Oostenrijk werd het daarin tegen wel afgeschaft, maar dit leidde tot grote opstanden van de adel, de kerk en de boeren, de keizer stierf verbitterd. Het verlicht absolutisme legde de verlichtingsideeën van bovenaf op. Hierdoor namen de mogelijkheden voor scholing toe en de rechtspraak werd eerlijker. Tegelijk bracht het ook onzekerheid het land werd een moderne staat: oude rechten van gebieden en groepen werden afgeschaft. De kerk werd net zo behandeld als andere organisaties en zo kwam er religieuze vrijheid en moest de kerk belasting betalen. 



(Het ontstaan van een publieke opinie)





Paragraaf 3, burgers aan de macht. 



De Amerikaanse revolutie was de eerste democratische revolutie. Het land werd de Verenigde Staten en kreeg vervolgens de meest democratische grondwet van die tijd. Blanke mannen met bezit  konden zelf hun president kiezen en lieten die controleren door een volksvertegenwoordiging. In de grondwet werden ook de grondrechten  van staatsburgers vastgelegd. De staat kreeg de plicht om de burgerrechten te beschermen. 



Oorzaken voor de Amerikaanse revolutie:



1. De Amerikanen waren duidelijk beïnvloed door verlichte denkers. 




  1. De koloniën waren al sinds hun stichting gewend aan enige mate van zelfbestuur en religieuze vrijheid. Toen de Engelse koning meer belasting wilde heffen en dit met geweld ging invoeren richtten de kolonisten burgermilities op om hun vrijheid te kunnen verdedigen. 



Europa zag dat democratische ideeën toch werkelijkheid konden worden. Het begon in Nederland. Ondanks dat daar al lang burgers aan de macht waren vonden sommigen dat de Republiek op een monarchie leek omdat het stadhouderschap erfelijk was geworden en de regenten een gesloten volk werden. Ook zagen veel burgers  het corrupte bestuur als reden voor de slechte economie. De kritische burgers noemden zichzelf patriotten. De patriotten wilden dat burgers meer macht kregen. De groep patriotten groeide snel en kwamen in opstand waardoor Pruisische troepen ze weg jaagden. 



Ook in Frankrijk namen de burgers de macht over. De franse revolutie duurde tien jaar.



Het word de revolutie der revoluties genoemd door 2 redenen:



1. Het was radicaler dan de andere revoluties.




  1. Half Europa raakte er bij betrokken. 



Oorzaken radicaliteit van de franse revolutie:



- Situatie in Frankrijk viel onder het ancien regime.



- Sociale ongelijkheid was extremer. 



- Macht koning was groter.



- Er was nog een feodale samenleving waarin de geestelijkheid en de adel voorrechten hadden. De rest vond dit onrechtvaardig. 



Toen Frankrijk bijna failliet ging voerden de burgers de hervorming door en ontstond de Nationale Vergadering, wat het nieuwe bestuur van Frankrijk zou worden. De Nationale vergadering schafte privileges af en legden de grondwet vast en het parlement kwam. De koning kreeg de uitvoerende macht. De kreet van de revolutie was: “Vrijheid, gelijkheid en broederschap.”



Toch vonden een aantal dit niet genoeg, deze radicalen maakten gebruik van gruwelijk terreur. Ze vermoorden de koning en de koningin. De Franse revolutie werd een zaak van heel Europa. De Fransen vochten met Oostenrijk, Pruisen, Spanje , Engeland en de Republiek. De fransen vochten niet alleen om het vaderland te verdedigen, maar ook om de idealen te verspreiden. Hierdoor werd Nederland ook een eenheidsstaat met een democratische grondwet. 



En in de derde en laatste fase van de Revolutie nam Napoleon over. 





Paragraaf 4, Vrijheid, ook voor de slaven?



De belangrijkste reden voor de slavenhandel en de slavernij waren de enorme opbrengsten uit de slavenhandel en de plantagekoloniën. Amerika bleek goede grond te hebben, maar de indianen waren zwak, daarom moesten de Afrikaanse slaven op de plantages werken.  Dit zorgde ervoor dat de driehoekshandel begon (Te zien op het plaatje.) Deze winstgevende handel heet de trans-Atlantische slavenhandel. Doordat er veel vraag kwam naar koffie en tabak kwam er een verdere overheersing van West-Indië en de aanleg van nog meer plantages. Er was weinig moeite met de slavenhandel. Deze werd met religieuze argumenten verdedigd. Ook vond men Afrikanen geen volwaardige mensen, ze waren heidens en onbeschaafd. 





Eind 18e eeuw groeide de kritiek op de slavenhandel en slavernij. Deze kritiek richtte zich vooral op de onmenselijke omstandigheden waarin de slaven leefden. Veel slaven sterfden doordat schepen overvol waren en het gebrek aan medische kennis. Ook op de plantages was het slecht, de slaven hadden geen enkel zeggenschap over hun eigen leven. De eerste critici op de slavernij baseerden zich op hun geloof. Tijdens de verlichting kwamen er nieuwe argumenten bij; de slavernij ging in strijd met de rechten die elk mens van nature bezat. In Engeland werd eind 18e eeuw de eerste organisatie tegen slavernij opgericht, het streven naar afschaffing van slavernij werd abolitionisme genoemd.  Hun acties hadden succes, het Engelse parlement voerden een wet door over hoeveel slaven één schip mocht vervoeren. Afschaffing was echter nog lang niet aan de orde. 



In de VS was de verdeeldheid groter, het zuiden wilde de slavernij houden, terwijl het in het noorden verboden was. Slavernij was bovendien in strijd met de principes uit de Onafhankelijkheidsverklaring. Uiteindelijk zal de slavernij worden afschaft na een bloederige burgeroorlog tussen het Noorden en Zuiden. 





Hoofdstuk 9, De economische sprong van Europa. 



Paragraaf 1, De industriële revolutie. 



Oorzaken van de industriële revolutie:



- Opbrengsten en productie in de landbouw stegen door het toepassen van wetenschappelijke kennis en nieuwe gewassen en landbouw werktuigen te gebruiken. 



- De bevolking groeide en verhoogde de vraag naar voedsel en kleding.




  • Azië en Amerika produceerden steeds meer goedkope grondstoffen als katoen wat de textielnijverhied ondersteunde. 





Doordat nieuwe apparaten te groot en duur waren voor huishoudens maakten ze speciale textiel fabrieken. Dit was makkelijk en goed van kwaliteit en zorgde ervoor dat de huishoudens geen kans meer hadden. Fabriekssteden kregen een nieuwe sociale groep: De Arbeidsklasse. Mensen in deze klassen hadden het niet breed en je kon er niet aan ontsnappen. 





Het huidige kapitalisme begon te ontstaan. Het doel was om zoveel mogelijk winst te maken. De arbeid word geleverd door vrije mensen die geen productie middelen bezitten maar leven van de verkoop van hun arbeid. Deze vorm van kapitalisme richt zich op de productie en niet op handelen. Ook gingen mensen anders denken over hoe je een land welvarend maakt. De staat probeerde de economie te sturen en te beschermen. 



Dit viel niet in de smaak en de taak van de overheid was om verheid in de economie te ondersteunen: geen minimum loon of heffingen. Met die beelden legde Smith de grond voor economische liberalisme. Hij werd ondersteunt door veel handelaren en fabrikanten wat er voor zorgde dat gilden afgeschaft werden. 





Paragraaf 2, Nationalisme. 



In de 19e eeuw kwam in veel landen de sterke nationale gevoelens op. Dit noemen we nationalisme. Het nationalisme gaat uit van de gedachten dat mensen tot verschillende volken behoren en een gemeenschappelijke geschiedenis,taal en cultuur hebben. Deze nationale gevoelens had te maken met de veranderingen in de politiek. Omdat het volk in de revolutieperiode steeds belangrijker was geworden, het volk was nu geen onderdaan meer maar een burger. Ze moesten vooral eenheid uitstralen en samen sterk staan. Het was daarom van belang overeenkomsten binnen een volk te onderstrepen en verschillen te negeren.



Juist in de 19e eeuw kwam overal in Europa een beweging op gang om de identiteit van het eigen volk vorm te geven. Dichters, schilders en beeldhouwers brachten daden van roemrijke daden in beeld. Door het onderwijs, de nationale landstaal en geschiedenis maakten ze een eenheid. Ook keken ze niet alleen naar het verleden maar ook naar de trosten van nu.



De politieke grenzen die binnen Europa in de loop van de geschiedenis binnen Europa waren getrokken, vielen niet altijd samen met taal- en cultuurgrenzen. Geen wonder dat nationalistsen daar niet blij mee waren. Dat leidde in de praktijk dan ook tot drastische consequenties voor gebieden waar volken verdeeld waren over meerdere staten.



Duitse eenwording:



bij voorbeeld in het Duitse taalgebied. In de lappendeken van Duits sprekende staten werd daarom gestreefd naar Duitse eenwording hetgeen in 1848 leek te slagen. Maar het oppermachtige Pruisen wilde alleen een Duitse eenheidsstaat onder Pruisische leiding zonder democratische grondwet. Pas in 1871 slaagde Otto van Bismarck erin Duitsland tot een eenheidsstaat te smeden. Maar die staat leek echter niet op de door de nationalisten in 1817 of 1848 gewenste staat. De keizer bleef namelijk oppermachtig



Maar sommige staten vielen juist uit elkaar zoals het Ottomaanse Rijk. Binnen het Ottomanse Rijk woonden veel volken die ontevreden waren over de Turkse overheersing en het recht op zelfbeschikking op begonnen te eisen. Dat speelde zich ook af binnen Oostenrijkse keizerrijk waar tal van volken regelmatig in opstand kwamen. 



In 1815 hadden de overwinnaars in Wenen besloten dat de Nederlanden een koninkrijk moesten vormen, als sterke macht tegen Frankrijk. De zuidelijke Nederlanden kwamen daartegen in 1830 in opstand en in 1839 ontstond daaruit België.



Dat het nationalisme ook onaangename kanten had bleek uit het feit, dat door het opkloppen van vaderlandslievende gevoelens staten tegenover elkaar kwamen te staan. Nationale trots ging ook een rol spelen bij het veroveren van koloniën door de Europese staten. Juist dat leidde tot grote internationale spanningen en zou een van de dieperliggende oorzaken zijn van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.





Paragraaf 3, Modern imperialisme



In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich een nieuw soort imperialisme: Het modern imperialisme. mede als uitvloeisel van de Industriële revolutie. Dat had een aantal oorzaken:






  1. Voor landen die aan het industrialiseren waren, was het erg belangrijk dat ze genoeg grondstoffen ter beschikking hadden. Men deed dat via handel maar ook zagen ze de bevolking van de koloniën als grote nieuwe afzetmarkt voor hun producten.

  2. Een groot rijk gaf veel politieke en militaire aanzien. 

  3. Vanuit Europa leefde ook de gedachte dat de volken 'beschaving' moest worden bijgebracht. Daarbij ging men dan wel weer uit van Europese superioriteit. Het christelijk geloof moest worden verspreid en de Europese beschaving. 

  4. Europese landen waren niet langer met handelsposten of kleine bezittingen waaruit ze handel konden drijven.





Door nieuwe technologische wetenschappen werd het veroveren vergemakkelijkt. Hierdoor was er een snelle verbinding tussen de kolonies en het thuisland, waren de Europeanen veel beter bewapend en de Europeanen hadden goede medicijnen gevonden tegen malaria.





Gevolgen van het modern imperialisme zijn:




  1. Mensen in de koloniën kregen te maken met de Europese machthebbers.

  2. De inheemse bevolking van de koloniën werden ingeschakeld bij de economische activiteiten van het moederland. 

  3. Het gevolg was hongersnoden. 

  4. De inheemse bevolking werd ingeschakeld bij het bestuur en in het leger.

  5. Bij het vaststellen van de kolonies werd er geen rekening gehouden met de traditionele stamverbanden.

  6. Goed gevolg: Er kwam aanleg van spoorwegen en wegen, het onderwijs werd beter en ook kwamen er kleine ziekenhuisjes.





Hoofdstuk 10, Politieke strijd en emancipatie



Paragraaf 1, conservatisme en liberalisme



Na de Franse revolutie was Frankrijk in revolutionaire oorlog geraakt met veel omliggende staten en hadden ze verschillende staten veroverd. Ook hadden ze een nieuwe leider: Napoleon Bonaparte. Nadat Napoleon werd verslagen, wilden ze in Europa alles weer zo als het was voor de revolutie, dit was de periode van de restauratie. Ze wilden 



Napoleon had veel dingen verandert:



1) Hij had in de veroverde staten een eind gemaakt aan allerlei eeuwenoude privileges van de adel.



2) Traditionele vorsten werden vervangen door nieuwe staatshoofden



3) Er werden nieuwe grenzen getrokken, nieuwe wetten uitgevaardigd en nieuwe bestuursfuncties ingevoerd.





Tijdens het zogenaamde Congres Van Wenen 1814-1815 werden de landen het er samen over eens dat vorsten die door Napoleon waren verdreven, in hun oude rechten moesten worden hersteld. Maar ook moest het machtsoverwicht tussen de grote staten worden hersteld, daarom werd Frankrijk omringd met enkele nieuwe sterke staten. Zoals de republiek der Nederlanden (België en Nederland). Hierdoor moest de laatste afstammeling van de Oranje familie weer aan de macht komen. Nederland was geen republiek meer



Het conservatisme: Volk kan zichzelf niet regeren het wordt een grote chaos. 



Het liberalisme: Zij hadden blijvend geloof in de idealen van de Franse revolutie, zij stonden voor vrijheid en vonden dat burgers best wel meer macht konden krijgen.



Het voorkomen van nieuwe revoluties hield niet lang stand want al in 1830 ontstond er in Frankrijk en ook elders in Europa revoluties aangevoerd door liberale burgers die meer inspraak en politieke vrijheden wilden. Daarna vonden er in tal van landen in 1848 liberale revoluties plaats en Frankrijk werd in 1848 een Republiek waar mannen als eerste het algemeen kiesrecht kregen. In steeds meer landen moesten vorsten en adel hun  macht afstaan aan de gegoede burgerij. 



Nederland was nu dus een koninkrijk, met een Oranje aan de macht. Het koninkrijk had veel verschillen met het oude republiek:





























Republiek



Koninkrijk



Alleen Nederland



Nederland + België



Samenwerkingsverband van zelfstandige gewesten, elk gewest had andere regels en afspraken



Er was een centrale bestuurseenheid, er golden overal dezelfde regels



Geen grondwet



Er was een constitutionele monarchie ontstaan, de koning was gebonden aan de grondwet.



De republiek had geen verkiezingen



De koning en zijn ministers werden gecontroleerd en gekozen. Toch had de koning veel macht want hij kon een kritisch parlement zelfs naar huis sturen. Het parlement werd gekozen door alleen maar een kleine groep rijke mannelijke bevolking voor de provinciale staten. Zij kozen dan de tweede kamer.












Paragraaf 2, Emancipatie



De idealen van de revolutietijd waren begin 19e eeuw in Europa nog nauwelijks werkelijkheid geworden. Alleen een kleine groep welgestelde mannelijke burgers hadden toegang gekregen tot het landsbestuur. Een meerderheid van de bevolking had geen invloed op het bestuur en werd op economisch en sociaal vlak achtergesteld. Dat was niets nieuws, maar sinds de democratische revoluties werd dat gezien als onrecht. Heel veel groepen wilden Emancipatie: Gelijkberechtiging. Slaven, Vrouwen, arbeiders en religieuze minderheden.



Slaven:



Kort na 1800 schaften de Europese landen slavenhandel af. Maar pas in 1833 maakte het Engelse Parlement een eind aan de slavernij in de koloniën en de Fransen in 1848.



Vrouwen in de 19e eeuw:



-Hadden geen stemrecht



-Konden geen huis kopen zonder toestemming van een man



-Ze kon geen echtscheiding aanvragen



-Ze verdienden minder en ze mocht nergens een handtekening onder zetten.





Vrouwen hoopten door het kiesrecht op een verbetering van hun maatschappelijke positie. Het zou nog tot 1920 duren voordat Amerikaanse vouwen naar de stembus mochten.



In 1870 kwam de eerste feministische golf, die kwam eerst in de VS daarna pas in Europa. 



Arbeiders:



Er waren grote verschillen tussen arm en rijk. Oftewel de baas en de arbeiders. Dit noemen we de sociale kwestie. Arbeiders probeerden door middel van vakbonden de handen in elkaar te slaan en door middel van onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden hun positie te verbeteren. Maar volgens sommigen was dat niet voldoende. Er diende een structurele verbetering van het lot van de arbeiders te komen. Een beweging die zich daarvoor ging inzetten noemen we het socialisme.



Binnen het socialisme tekenden zich twee stromingen af. De ene stroming wilde de veranderingen bereiken via parlementaire weg, de sociaal-democraten genoemd, en streefde dus naar algemeen kiesrecht voor iedereen. Verandering door evolutie.



Daartegenover stond een groep die alleen nog maar heil zag in een revolutie omdat een vreedzame oplossing niet mogelijk was. Van die groep was Karl Marx de belangrijkste. Volgens Marx werden de rijken steeds rijker en de armen steeds armer. Dat moest onvermijdelijk leiden tot een klassenstrijd. De uitgebuite onderklasse, het proletariaat,  zou in opstand komen tegen de heersende klasse, de bourgeoisie. Deze opstand of revolutie zou uiteindelijk leiden tot de omverwerping van de kapitalistische samenleving, waarin alle productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zouden zijn en niemand meer gebrek zou leiden. Marx noemde zijn leer communisme.



In 1848 publiceerde Marx samen met Friederich Engels Het Communistisch Manifest  waarin ze de proletariërs opriepen zich te verenigen en de maatschappelijke orde omver te werpen.



Liberale politici zagen dat de scheve welvaart -en machtsverdeling op den duur onhoudbaar zou zijn. Tegen het einde van de 19e eeuw zien we dan ook dat overheden wetten invoerden die kinderarbeid verboden, onderwijs, volksgezondheid en volkshuisvesting verbeterden en dat het kiesrecht steeds meer werd uitgebreid. Rond 1920 hadden de meeste Europe se landen het algemeenkiesrecht voor mannen ingevoerd en zaten er socialistische afgevaardigden in het parlement. Op sociaal-economisch gebied  bestond er echter nog grote ongelijkheid, niet alleen in Nederland maar ook in de rest van Europa.





Paragraaf 3, Naar een verzuilde samenleving



Verzuiling: Indelen van samenleving op basis van geloof (overtuiging) eigen geloof.



In 1848 komt er een Liberale grondwet dit heeft een paar gevolgen:



1.Macht van de koning beperkt



2.Liberale burgers willen meer vrijheid



3.Vrijheid van onderwijs



4.Vrijheid van vereniging en vergadering



5.Kerk mag zich naar eigen inzicht besturen (godsdienstvrijheid)



Deze godsdienstvrijheid heeft ook weer een paar gevolgen:



1. Katholieken emanciperen




  1. Nieuwe calvinistische geloofsrichtingen; strengere vormen

  2. Bovenstaande ontwikkelingen hadden ook hun invloed op de politiek. Al in 1849 kwam Guillaume Groen van Prinserer in de Kamer als vertegenwoordiger van het orthodoxe calvinisme. Hij en zijn aanhangers veroordeelden het liberalisme als een gifappel aan de boom van de Franse Revolutie. Zijn aanhangers gingen zich anti-revolutionairen noemen en bepleiten een politiek op christelijke grondslag. Het was het begin van het confessionalisme, een politiek stroming die het geloof centraal stelde.



Confessionalisme



Mensen gingen zich verenigen “in eigen kring” 



School is dan een belangrijk onderdeel



Onderwijs: Liberalen en confessionelen





















Liberalen



Confessionelen



Overheid is verantwoordelijk voor modern, godsdienst neutraal onderwijs. Hierdoor krijg je goede burgers die politiek beslissingen kunnen nemen zoals kiesrecht



Op scholen staat de bijbel centraal



Vrijheid van onderwijs



Ze richten hun eigen scholen op 








Schoolstrijd



Met dit bijzondere onderwijs ontstond een groot conflict: de schoolstrijd. Toen de regering in 1878 met een nieuwe onderwijswet kwam, wilde men het onderwijs daarmee verbeteren, maar daardoor werd het onderwijs ook duurder. De ongesubsidieerde bijzondere scholen dreigden daardoor onbetaalbaar te worden. Albert Kuyper, de nieuwe leider van de Anti-revolutionairen wist dat hij de eigen achterban achter zich moest verenigen in deze strijd. Hij richtte daarom in 1879 de eerste politieke partij van Nederland op, de Anti-Revolutionaire Partij. Ook de katholieken begonnen zich politiek te organiseren. Anti-revolutionaire en katholieke kamerleden sloten een verbond tegen de liberalen en samen streefden ze naar financiële gelijkstelling van het bijzondere onderwijs.







1917 einde schoolstrijd: onderwijs gelijk gefinancierd én algemeen mannenkiesrecht



Maar de scholen strijd was maar één aspect van een grote verdeeldheid. Elke groep kregen eigen kranten, vakbonden, gezelligheidsverenigingen. Alleen in de poliek hadden de mensen van verschillende groepen nog contact met elkaar dit werd later een aparte algemene zuil. We waren een land van minderheden geworden.





Paragraaf 4, wetenschap al in de 19e eeuw



in de 19e eeuw was god overal de oplossing voor, op alle levensvragen gaf hij antwoord. Waar komt de mens vandaan? Hoe is de aarde ontstaan? Iedereen geloofde hierin en degene die hier niet in geloofde hoorden niet bij de samenleving. Voor verschillende christenen was de bijbel dus een bron van kennis. Maar wetenschappers hadden hun twijfels over de bijbel, want veel diersoorten groeiden langzaam mee.



Maar toen de onderzoeker Darwin in 1859 zijn boek publiceerde 'Over de oorsprong der soorten', bleek waarom en hoe soorten zich ontwikkelden. Levende wezens pasten zich aan, aan het klimaat en leefgebied. Dankzij kleine verschillen hebben sommige individuen een grote kans om te overleven . Darwin noemde dat een natuurlijke selectie. Er was dus sprake van een evolutie. Darwin realiseerde zich dat de evolutietheorie zich moeilijk niet combineren met het traditioneel beeld van God . Soorten ontwikkelden zich niet volgens goddelijk plan maar door toevallige omstandigheden. De mens was uiteindelijk geëvolueerd uit apen. Het is duidelijk dat dit voor veel christelijke mensen een hele schok was. 



Rond 1840 deed de Duitse filosoof Ludwig Feuerbach er nog een schepje bovenop. Hij stelde dat God niet de mens had geschapen, maar de mens God. De mens had dus God verzonnen. Feurebach geloofde slechts in wat hij kon zien. 'de mens is wat hij eet', zij hij, 'en niets meer'. 





Karl Marx ging nog een stap verder en beschreef de godsdienst als 'opium voor het volk'. De belofte om na dit aardse leven een plaats te krijgen in de hemel was alleen maar bedoeld om de armen te onderdrukken en af te houden van een gerechtvaardigde opstand.





Friederich Nietzsche zette in 1882 de volgende stap door te verklaren 'God is dood'. De nieuwe mens moest een trots zelfstandig wezen zijn, dat zelf bepaalde wat goed of slecht was.





In de loop van de 20e eeuw kregen  het Darwinisme steeds meer aanhangers. Dit tot zorg van de kerken. Er trad een steeds verdere secularisering op en mensen verlieten de kerk. Deze secularisering werd ook verder aangewakkerd door de opkomst van de welvaartsstaat en de ontwikkeling van de medische wetenschap. Tegelijkertijd ontstond er ook weer een tegenbeweging van mensen die juist op zoek gingen naar de fundamenten van hun geloof. Ze namen de Bijbel zeer letterlijk en dus ook het scheppingsverhaal en niet de evolutietheorie van Darwin.





Kenmerkende aspecten van Hoofdstuk 6 tm 10!!



Tijdvak 5 Tijd van ontdekkers en hervormers



1500-1600, vroegmoderne tijd



Kenmerkende aspecten:



22: Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.





Tijdvak 6 Tijd van regenten en vorsten



1600-1700, vroegmoderne tijd



Kenmerkende aspecten:



23: Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme, en het begin van een wereldeconomie.



24: De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek



25: Het streven naar absolute macht



26: De Wetenschappelijke revolutie





Tijdvak 7 Tijd van pruiken en revoluties



1700-1800, vroegmoderne tijd



Kenmerkende aspecten:



27. rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: politiek, economie en sociale verhoudingen.



28. voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).



29. de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.




  1. uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.





Tijdvak 8 Tijd van burgers en stoommachines



1800-1900, moderne tijd



Kenmerkende aspecten:



31. de industriële revolutie legde in de westerse wereld de basis voor een industriële samenleving



32. de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme



33. voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.



34. de opkomst van emancipatiebewegingen



35. discussies over de ‘sociale kwestie’



36. de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.