H4

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas vwo | 1035 woorden
  • 14 december 2015
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

GESCHIEDENIS



§ 1 t/m 5



§ 1: Nederland krijgt een koning:



Begrippen:



Koninkrijk der Nederlanden: het koninkrijk dat in 1814 werd gesticht (tot 1839 inclusief België)



Parlement: volksvertegenwoordiging (eerste en tweede kamer), in Nederland ook wel Staten-Generaal genoemd



Constitutionele monarchie: een koninkrijk met een grondwet (=constitutie)



Samenvatting:



Nederland vormde in de 16e eeuw een republiek  waarbij de gewesten alleen samenwerkten als het echt nodig was. In de 18e eeuw gaat het minder goed met de economie en het bestuur was  niet effectief. In 1795 grijpen de patriotten samen met de Fransen de macht en Nederland krijgt een grondwet en een centraal bestuur. In 1815 komen de overwinnaars van Napoleon bijeen en zij besluiten dat Nederland en België samengevoegd worden, en Willem I werd de vorst van het Koninkrijk der Nederlanden. In de grondwet staat hoe de macht is verdeeld tussen de koning en het parlement. Het parlement werd gevormd door rijke burgers en de koning die edelen uitkoos. Dat betekend het volgende:



Wetgevende macht: parlement en koningen.



Uitvoerende macht: koning en ministers.



De koning kon alleen ministers ontslaan en benoemen, dus de koning had de eigenlijke macht. Willem I hield zich wel aan de grondwet, dus Nederland was een Constitutionele Monarchie. Willem I kreeg de bijnaam koopman-koning omdat hij streefde naar een sterke en bloeiende Nederlandse economie. De Belgen waren het echter niet eens met de samenwerking met Nederland door godsdienst verschillen en het gevoel dat zij de staatschuld van de Nederlanders zaten te betalen.



Jaartallen:



16e eeuw: meeste Europese landen waren een monarchie.



18e eeuw: het gaat slechter met de republiek



1795: patriotten grijpen, samen met de Fransen, de macht.



1815: overwinnaars van Napoleon komen bijeen op het Congres van Wenen.



1830: Belgen komen in opstand.



1839: Willem I tekent het document waarmee België onafhankelijk wordt.







§ 2 Het revolutiejaar 1848:



Begrippen:



Conservatieven: mensen die alles zo veel mogelijk bij het oude willen laten; in de negentiende eeuw zagen conservatieven niets in  moderne ideeën over inspraak en vrijheden.



Liberalisme: politieke stroming die opkomt voor zo veel mogelijk vrijheid voor de burgers.



Ministeriële  verantwoordelijkheid: de plicht van ministers om aan het parlement (en niet de koning) goedkeuring te vragen voor hun regeringsdaden; deze plicht geldt in Nederland sinds 1848.



Censuskiesrecht: beperkt kiesrecht dat alleen geldt voor mensen die aan bepaalde (inkomens)eisen voldoen.



Samenvatting:



Na 1789 hadden de Fransen een grondwet, maar na het verslaan van Napoleon (1815) kwamen er weer conservatieve koningen. Zij waren tegen gelijkheden. Maar tijdens de Belgische Opstand eisten de Belgen weer vrijheid, wat de Nederlanders weer op het idee bracht om vrijheid te eisen, waarbij zij zich baseerde op de Franse revolutie. Zij wilden ook burgers in het parlement, geen bemoeienissen met de economie, alleen met de orde. Dit heet Liberalisme. Toen koning Willem II aan de macht kwam in 1840 en in 1844 de nieuwe grondwet weigerde, wilde de conservatieve de macht van de koning inperken. De andere conservatieve leden van het parlement hielden dit echter tegen. Toen in 1848 er een revolutie begon in Parijs wilde Willem II voorkomen dat die op Nederland oversloeg, en liet de liberalen een grondwet maken. Dit betekende grondrechten voor burgers (vereniging, vergadering, scholen), het parlement moest wetten goedkeuren en beslissingen nemen over de hoeveelheid geld, er kwam ministeriële verantwoordelijkheid dus ministers moesten het parlement goedkeuring vragen, en het parlement mocht ministers ontslaan en verkiezingen om de 4 jaar. Er was helaas nog wel censuskiesrecht.



Jaartallen:



1789: Franse burgers kregen een grondwet, met gelijke rechten en plichten.



1815: Oorspronkelijke conservatieve vorsten komen weer aan de macht.



1840: De conservatieve opvolger van Willem I, Willem II, komt aan de macht.



1844: Willem II weigert nieuwe grondwet.



1848: In Parijs breekt een revolutie uit, met een liberale grondwet.





§ 3 Arbeiders strijden voor gelijke rechten



Begrippen:



Klassenstrijd: volgens Karl Marx de strijd tussen heersende en de overheerste klasse in een samenleving, met als uitkomst dat iedereen uiteindelijk gelijk zou zijn.



Socialisme: politieke stroming die opkomt voor gelijkheid tussen arm en rijk in de samenleving.



Sociaaldemocratie: gematigde stroming binnen het socialisme, die de arbeids- en leefomstandigheden van arbeiders wil verbeteren langs parlementaire weg.



Sociale wet:



Samenvatting:



Door de industriële revolutie gingen veel mensen in fabrieken werken. De arbeidsomstandigheden waren slecht en door vakbonden werd er geprotesteerd. Karl Max stelde dat er altijd een klassenstrijd kwam als er grote ongelijkheid was, de keer dat er internationale betrekkingen kwamen om de machthebbers af te zetten en daarna alles voor iedereen zou zijn. (Communisme revolutie, socialisten beide, sociaalliberalen alleen parlement). Ferdinand Domela was de eerste socialist in het parlement, maar omdat hij maar in zijn eentje was zette hij ook veel revolutionaire acties op. 1894 was het jaar dat de SDAP werd opgericht, ze eisten kortere werkdagen, hogere lonen en een verbod op de kinderarbeid, uitbreiding van het kiesrecht. Na 1917 kwamen er 22 socialisten in de tweede kamer. In 1872 werden vakbonden toegestaan, en al in 1874 kwam de eerste sociale wet, in 1901 begon de sociale verzekering en in 1919 werden de werktijden verbeterd.



Jaartallen:



1870: industriële revolutie in Nederland zet door.



1894: de SDAP wordt opgericht.



1917: Alle mannen krijgen kiesrecht.



1872: Het parlement besluit dat arbeiders vakbonden mogen oprichten.



1874: eerste sociale wet, kinderarbeid in fabrieken wordt beperkt.



1919: 45-urige werkweek en een achturige werkdag wordt ingevoerd.





§ 4 de schoolstrijd:



Begrippen:



Openbare scholen: school waarin het onderwijs niet is gebaseerd op een bepaalde geloofsopvatting en die is opgericht door de overheid.



Bijzondere scholen: school die is opgericht en wordt bestuurd door een groep burgers; het onderwijs op zo’n school wordt gegeven vanuit een bepaalde (vaak godsdienstige) opvattingen.



Schoolstrijd: politieke strijd in de negentiende eeuw over de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbaar onderwijs.



Confessionelen: mensen die vinden dat het geloof richtlijnen geeft, onder meer vor het besturen van een land.



Verzuiling: verdeling van de samenleving in groepen met een eigen politieke of godsdienstige overtuiging (protestants, katholiek, socialistisch, liberaal); iedere zuil heeft zijn eigen politieke partij, krant en verenigingen.





Samenvatting:



Jaartallen:



1848: nieuwe grondwet waarin vaststaat dat er bijzondere scholen gesticht mogen worden, maar niet worden gefinancierd.



1857: er worden eisen gesteld aan het openbare onderwijs.



1878: schoolgebouwen en de opleiding van onderwijzers moesten aan bepaalde eisen volden.



1878: Confessionelen richten hun eerste partij op.



1888: Katholieken en antirevolutionairen steken de handen ineen.



1917: Overheid besluit alle kosten te dekken.




REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

dit is hoofdstuk 3 niet 4

4 jaar geleden

H.

H.

dit is hoofdstuk 3

4 jaar geleden