H.14

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 2511 woorden
  • 28 mei 2016
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Samenvatting geschiedenis hoofdstuk 14 vrijheid en democratie



§1: vier de vrijheid




  • Vrijheid is geen eenduidig begrip. Zo was er in het oude Griekenland een vrije democratie, maar wel met slavernij. Jongens mochten wel studeren, meisjes niet.

  • Er is altijd strijd om vrijheid en vrijheidsrechten, de rechten die garanderen dat mensen vrij zijn van ongewenste bemoeienis met hu leven door personen of de staat, geweest.

  • de patriotten gaven het begrip vrijheid een nieuwe betekenis. Waar eerst vrijheid ging om economische vrijheid of godsdienstvrijheid, ging het bij de patriotten om persvrijheid, de individuele vrijheid om je mening te  uiten. Ook streden zij voor een representatieve democratie, gebaseerd op volkssoevereiniteit.

  • Omgaan met vrijheid is lastig, wat mag je wel en niet zeggen? Ook vrijheid kent grenzen, bijvoorbeeld dat je niet mag discrimineren.

  • Denkers over vrijheid:

    • Eind 15de eeuw begon met anders te denken over vrijheid. Vorsten wilden hun gezag vergroten, zelfbewuste burgers pikten dit niet.

    • De Opstand droeg bij aan de internationale discussie over in welk politiek systeem de vrijheid het beste gegarandeerd kon worden.

    • Thomas Hobbes vond dat een vrij man iemand was, die geen beletsel bestaat om te doen wat hij wil. Maar, een onderdaan kan niet zomaar in opstand komen. Mensen zijn van nature zo slecht, dat er een sterke staatsman nodig is om de boel in goede banen te leiden,.

    • John Locke vond in tegenstelling tot Hobbes, dat staatsburgers wezens met het recht op vrijheid waren  die in staat waren tot rede. De maatschappij moet gebaseerd worden op een contract tussen het hoogst uitvoerend orgaan (meestal de vorst) en zijn onderdanen. Het parlement zou volgens Locke met haar wetgevende macht belangrijker moeten zijn dan de vorst. Zolang de vorst en zijn onderdanen  zich aan de afspraken houden en de individuele vrijheid gerespecteerd wordt, kan een vorst prima.







 § 2: de opmars van het parlement (tot 1848)




  • Eind 18de eeuw: NL republiek. Door de Verlichting kwam het volk in contact met ideeën van filosofen over vrijheid en democratie. De patriotten wilden van Nederland een democratie maken met een centralisatie van de macht, waarbij gelijkheid en vrijheid belangrijk waren. Er ontstonden organisaties waarin de burgers hun ideeën bespraken en zelf met initiatieven kwamen.

  • 1795: Franse Revolutie met als belangrijkste ideeën eenheid van bestuur, scheiding van kerk en staat, gelijkheid voor de wet en vrijheid van godsdienst .



1798: met hulp van de Fransen werd Nederland een eenheidsstaat met overal dezelfde wetten en democratische rechten , zoals vrijheid van drukpers en meningsuiting, vrijheid van godsdienst, algemeen kiesrecht voor mannen, vrijheid van vereniging en vergadering.



De wetgevende macht: gekozen parlement



De uitvoerende macht: regering gekozen door parlement



Autonomie van gewesten werd afgeschaft, er kwamen departementen zonder bestuursmacht




  • Tussentijdse aanpassingen: (napoleon wilde toch meer macht in  Nederland)



1801: regering krijgt meer macht en het parlement minder, weer invoering van het censuskiesrecht, de vrijheid van vergadering en drukpers verdwijnt.



1805: bijna alle macht in handen van een raadspensionaris



1806: zowel de uitvoerende als de wetgevende macht ligt bij koning Lodewijk (de broer van Napoleon)



1810: Koninkrijk Nederland werd ingelijfd bij Frankrijk




  • 1815: de Fransen zijn verdreven, Nederland word een monarchie, een staatsvorm waarbij een vorst het staatshoofd is. De laatste stadhouder, Willem V, werd binnengehaald als koning Willem I. Nederland en België worden samengevoegd tot het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden.

  • de monarchie van 1815:

    • de koning heeft wetgevende en uitvoerende macht. Hij benoemt de 1ste kamer en de ministers die de wetten uitvoeren en hij kan regeren via Koninklijk Besluit.

    • Het volk met censuskiesrecht kiest de 2de kamer en de provinciale staten. Samen met de 1ste kamer vormt de 2de kamer het parlement, dat de wetten goedkeurt.

    • Provincies en steden krijgen weer bestuursfuncties, zij waren de macht kwijtgeraakt in de Bataafse Republiek.

    • De ministers zijn alleen verantwoording schuldig aan de koning.

    • Vrijheidsrechten komen terug (gelijke rechten, meningsuiting, vereniging + vergadering, openbare rechtspraak, godsdienst, onschendbaar in eigen woning, zonder proces geen gevangenschap)



  • 1830: België scheidt zich af van Nederland, de verschillen bleken te groot

  • In plaats van patriotten kwamen er nu liberalen, die stonden voor vrijheid en democratie. Overal in Europa braken rellen uit en koning Willem II was bang voor opstand in Nederland. Hij vroeg de liberaal Thorbecke om een nieuwe grondwet te maken , waarin de macht van de koning verkleint moest worden zonder de monarchie af te schaffen.

  • 1848: de grondwet van Thorbecke.

    • Ministeriële verantwoordelijkheid, de ministers zijn verantwoordelijk voor het beleid. Zo werd de macht van de koning ingeperkt. Ook was er koninklijke onschendbaarheid.

    • de 2de kamer, de Provinciale Staten (PS) en de gemeenteraden worden rechtstreeks gekozen door het volk met censuskiesrecht via districtenstelsel. De 1ste kamer wordt gekozen door de PS.

    • De kamers krijgen meer bevoegdheden, de 2de kamer krijgt het recht van amendement,  het recht om wetten te veranderen en recht van Enquête

    • De koning behield het recht om ministers te ontslaan of het parlement te ontbinden als deze het niet eens werden.

    • Censuskiesrecht: mannen van 25 jaar en ouder die genoeg belasting betaalden

    • Vrijheidsrechten werden aangevuld met vrijheid van onderwijs (recht om scholen op te richten, maar overheid betaalt alleen openbaar onderwijs) en vrijheid van vereniging en vergadering



  • Verlichtingsdenkers over democratie:

    • Jean-Jacques Rousseau vond dat de soevereiniteit bij het volk moest liggen. Hij zag het liefst een vorm van directe democratie. De uitvoerende macht mocht best bij een kleine groep liggen, als die maar niet ook de wetgevende macht naar zich toe trok, wat dus wel gebeurde.

    • Charles de Montesquieu kwam met de trias politica, de scheiding der machten. De wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht moesten niet bij een persoon liggen. Het gehele volk moest de wetgevende macht uitoefenen. Dat kan door volksvertegenwoordiging. Hij vond het belangrijk dat de mensen zich in konden houden en mensen zich laten besturen. Het grootste gevaar voor een democratie is extreme (on)gelijkheid.







§ 3 de democratisering van Nederland (1848-1939)




  • Grondwet 1848: vrijheid van onderwijs, iedereen mocht scholen oprichten. Katholieken en protestanten richten hun eigen scholen op met een godsdienstige basis (bijzondere scholen). Deze werden echter niet gefinancierd door de overheid, er was immers goed openbaar onderwijs. De strijd om gelijkstelling van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs is de schoolstrijd.

  • De protestanten onder leiding van Abraham Kuyper  richtten daartoe in 1878 de ARP, de Antirevolutionaire partij op. De partij verzette zich tegen het idee van de Franse Revolutie (want die plaatste verstand voor geloof). Kuyper ontwikkelde de leer van de antithese, de leer die zegt dat de confessionelen tegenover andere politiek partijen staan omdat zij uitgaan van het christelijk geloof. Ook kwam het idee soevereiniteit in eigen kring  van Kuyper, het idee dat de christenen het recht moesten hebben zoveel mogelijk in eigen kring te regelen. De schoolstrijd is hier een voorbeeld van.

  • de katholieken gingen, na lange tijd tweederangsburgers te zijn geweest, emanciperen en  in 1896 kwam er een programma, in 1916 richtte Schaepman een eigen partij op: de RKSP, de Rooms Katholieke Staatspartij.

  • Tweede helft 19de eeuw groeide het aantal industriearbeiders door de Industriële Revolutie. Hun arbeid en levensomstandigheden waren slecht. Vooral de katholieke trokken het lot van de arbeiders aan, ze waren bang dat de arbeiders door de socialistische ideeën van hun geloof afvielen. de problemen van de arbeiders worden aangeduid als de sociale kwestie.

  • Een eerste oplossing voor dit probleem was het kinderwetje van Van Houten. De liberaal Van Houten maakte een wet die verbood dat arbeid voor kinderen onder de 12 verbood. De wet was echter niet zo heel sterk, want thuisarbeid, landarbeid en werken in de persoonlijke dienstverlening vielen er niet onder. In 1901 verdween met de leerplichtwet de kinderarbeid.

  • Ook arbeider betraden uiteindelijk het politiek toneel toen de SDB, de Sociaaldemocratische Bond werd opgericht onder leiding van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Nieuwenhuis was een socialist, en wilde het liefst een revolutie.

  • De meeste socialisten vonden dat te ver gaan en in 1894 werd onder leiding van Pieter Jelles Troelstra de SDAP, de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, opgericht. Hun belangrijkste strijdpunt was de kiesrechtstrijd, de strijd dat iedereen kiesrecht had (er was censuskiesrecht en vrouwen mochten helemaal niet stemmen). Ook wilden zij gelijkheid voor iedereen en staatseigendom van de productiemiddelen. Zij waren tegen de gelijkstelling van bijzonder onderwijs.

  • De echte revolutionairen hadden sinds 1909 een eigen communistische partij, vanaf 1935 de CPN, de Communistische Partij Nederland geheten.

  • Algemeen kiesrecht ging vele christenen te ver en een aantal ARP leden , de hervormden, richten in 1908 de conservatievere  CHU, de Christelijk Historische Unie, op.

  • 1917: de pacificatie. Er waren in die tijd grote tegenstelingen in de politiek en de maatschappij. Het algemeen kiesrecht werd geruild tegen de gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs.  Mannen kregen in 1917 actief kiesrecht ( het recht om zelf te stemmen) en passief kiesrecht ( het recht om gekozen te worden). In 1919 kregen ook vrouwen actief en passief kiesrecht, daarvoor hadden ze allen passief kiesrecht. Bovendien werd het districtenstelsel vervangen door een systeem van evenredige vertegenwoordiging ( partijen behalen een zetelaantal dat evenredig is met het aantal stemmen dat op ze is uitgebracht). Door deze wetswijziging van de liberaal Cort van der Linden werd Nederland een  volwaardige rechtstaat,  een staat waarin de vrijheidsrechten van de inwoners worden gerespecteerd en de staatsmacht aan banden wordt gelegd door wetten, en een parlementaire democratie, een politiek stelsel waarin een democratisch gekozen parlement de hoogste macht heeft.

  • De samenleving in de 20ste eeuw werd steeds meer opgedeeld in zuilen: de katholieken, de protestanten, de revolutionaire socialisten, de parlementaire socialisten, de conservatieve liberalen en de progressieve liberalen. Door de verzuiling leefden gewone mensen in hun eigen zuil. De gehechtheid aan eigen zuil en eigen politiek leiders heeft er voor gezorgd dat het fascisme in Nederland weinig steun kregen.





§4 politiek, politici en de kiezers



Doorbraak van de verzuiling en oprichting van politieke partijen:




  • Na de oorlog vond men de verzuiling en de tegenstelling tussen arbeiders en kapitalisten verleden tijd. de NVB, de Nederlandse Volksbeweging, streefde naar een doorbraak, het idee na WO II dat uitging van een doorbreking van de verzuiling.

  • Als reactie besloot de SDAP zich in 1946 te vernieuwen in de PvdA, de Partij voor de Arbeid met sociaaldemocratische beginselen als uitgangspunt. Zij profileerde zich als een partij van het midden. De RKSP werd de KVP, de Katholieke Volks Partij, die ook wilde opkomen voor de massa van de bevolking. In 1948 stichtten ook de liberalen een volkspartij, de VVD, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie met liberale uitgangspunten.

  • In de jaren ’60 was Nederland een ander land. In de politiek werd er openlijk gediscussieerd en de politiek partijen stonden tegenover elkaar. In 1966 richtte Hans van Mierlo de D66 op, Democraten 66. Zijn partij moest helderheid creëren door tegenstellingen te verduidelijken en de verzuiling af te breken. Van Mierlo vond dat de confessionele partijen eigenlijk afgeschaft moesten worden.

  • De ontzuiling kwam er. in 1980 smolten de KVP, de ARP en de CHU samen tot het CDA, het Christen Democratisch Appèl.





Protestgeneratie:



In de jaren 60 en 70 trok er een democratiseringsgolf door Nederland, de periode waarin veel meer mensen betrokken raakten bij de democratie en waarin met name jongeren en vrouwen meer inspraak eisten en verwierven. Jongeren protesteerden tegen van alles en nog wat, de provo beweging, de protestbeweging van jongeren in de jaren 60 die zich verzette tegen de consumptiemaatschappij en tegen te veel machtsuitoefening door de overheid, kwam steeds in het nieuws. Ook vrouwen eisten hun rechten op op gebied van seksualiteit (abortus), zij organiseerden zich in dolle mina, de actiegroep van vrouwen die streefde naar grotere maatschappelijke en politieke deelname van vrouwen.





Opkomst van het populisme:




  • in de jaren 90 keerde het tij in de politiek. De SP, de Socialistische partij opgericht in 1972, trok veel linkse kiezers met hun scherpe kritiek op de regering.

  • Pim Fortuyn ging met zijn populisme, een stroming die politiek ideeën baseert op de onvrede die leefde bij de gewone mens, in tegen het paars kabinet, een kabinet bestaande uit een samenwerkende linkse en rechtse partij.

  • Na de moord op Pim Fortuyn kwam in 2006 al een nieuwe populistische partij, de PVV, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders. De PVV heeft de Nederlandse politiek veranderd door de stijl van debatteren (harde en ongenuanceerde uitspraken) en door het traditionele onderscheid van links en rechts in de war te schoppen.





Samenwerking in Europa:




  • In 1951 werd de EGKS opgericht met als doel o.a. de samenwerking tussen rivalen Frankrijk en Duitsland te vergroten. De EGKS was revolutionair vanwege dat doel en vanwege het feit dat de EGKS supranationaal is.

  • In 1957 werd de EGKS de EEG, om de economie in Europa te bevorderen. De Koude Oorlog was een aanleiding om opnieuw om de tafel te gaan zitten. Wilden de Europese landen nog wat betekenen, was Europese samenwerking onvermijdelijk.

  • Steeds meer landen traden toe tot de Europese Gemeenschap. Ze overleefden de stagnatie in de jaren 70 en 80 en daarna werd de EU gevormd met een gezamenlijke munt (2002)

  • Er ontstond euroscepsis, omdat de EU o.a. door de val van de Sovjet-Unie erg groot was geworden en omdat de EU wel erg veel macht had gekregen. Bovendien word de EU niet democratisch genoeg bevonden en trekt de EU veel macht naar zich toe.





Politieke partijen op chronologische volgorde:




  • 1878: de ARP, de Antirevolutionaire Partij onder leiding van Kuyper. De protestante en eerste partij van Nederland. De partij verzette zich tegen het idee van de Franse Revolutie, omdat die uitgaat van verstand in plaats van geloof als basis voor het menselijk handelen.



Schoolstrijd: voor kiesrecht: verdeeld sociale kwestie: verdeeld




  • SDB, de Sociaaldemocratische bond onder leiding van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Wilde liever een revolutie.



Schoolstrijd: tegen kiesrecht: tegen (want revolutie uitstellen) sociale kwestie: tegen




  • 1894: SDAP, de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij onder leiding van Pieter Jelles Troelstra.



Schoolstrijd: tegen kiesrecht: voor sociale kwestie: voor



1908: CHU, Christelijk Historische Unie, de conservatieve afscheiding van de ARP. Zij waren tegen algemeen kiesrecht.



1909: de communisten hadden vanaf 1909 een eigen partij, in 1935 heette deze de CPN, de Communistische Partij van Nederland.




  • 1916: de RKSP, de Rooms-Katholieke Staatspartij onder leiding van Schaepman



Schoolstrijd: voor kiesrecht: verdeeld sociale kwestie: verdeeld




  • De NVB, de Nederlandse Volksbeweging. Beweging vlak na WO II die voor een doorbraak in de verzuiling moest zorgen.

  • 1946: PvdA, Partij van de Arbeid. Het vervolg op de SDAP met sociaaldemocratische beginselen,

  • 1946: KVP, de Katholieke Volkspartij. Het vervolg op de RKSP

  • 1948: de VVD, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. De partij van de liberalen

  • 1966: D66, de Democratische bond 66 onder leiding van Hans van Mierlo. Streefde naar verdere democratisering en vernieuwing. Vond dat de confessionele partijen eigenlijk afgeschaft moest worden. De partij zou voor helderheid zorgen door de tegenstellingen te verduidelijken en door de verzuiling af te breken.

  • 1972: de SP, de Socialistische Partij. Had scherpe kritiek op de regering en trok veel linkse kiezers naar zich toe.

  • 1980: CDA, het Christen Democratisch Appèl. Samenvoeging van de ARP, de CHU en de KVP.

  • 2005: de PVV, de Partij voor de Vrijheid, onder leiding van Geert Wilders. Opgericht uit onvrede over de onwil en onmacht van de ‘oude’ politiek om belangrijke problemen aan te pakken. Deze populistische partij heeft de Nederlandse politiek veranderd, door de stijl van debatteren (hard en ongenuanceerd) en het in de war schoppen van ‘links’ en ‘rechts’.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.