Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Examenstof 2002

Beoordeling 4.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 5404 woorden
  • 23 mei 2002
  • 22 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.3
  • 22 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
1.1 De ontdekking van Indonesië

Op 2 april 1595 verlieten 3 schepen Amsterdam, een vierde schip zou later vergaan. De Kapiteins, Cornelis de Houtman en Pieter Dirksz. de keyser hadden de belangrijke opdracht om een zee weg naar Oost Indië te vinden

Op zoek naar specerijen
De scheepslui hoopten in Oost-indie grote winsten te behalen. Een kleine hoeveelheid specerijen kon een groot bedrag opleveren. De Portugezen hadden dit eerder bewezen.
De Nederlanders waren niet de enige die de Portugese monopolie wilde doorbreken. Ook Fransen en Engelsen waren opzoek. Door spionage bij de porugezen wisten de Nederlander waar ze ongeveer moesten zoeken.

Het 1e gedeelte van de reis voor Houtman en Keyser verliep zonder problemen. Na 124 dagen bereikte ze Zuid-Afrika. Vanaf hier begonnen de problemen. De bemanning kreeg last van scheurbuik. Pas na 14 maanden kwam er land in zicht (Sumatra) Vanuit hier voeren ze verder naar Java.

Terug met lege ruimen
Eenmaal op Java bleek de plaats Bantam een drukke handelsstad te zijn. Tot schrik van de Hollanders waren er ook Portugezen.
Al snel konden de Nederlanders contacten voor de aankoop van peper sluiten. Dit liep helemaal mis. De Portugezen stookte de Javanen op tegen de Hollanders. Zij hadden door het lompe gedrag van Houtman al een slechte indruk. Toen het afleveren van peper niet snel genoeg naar Houtmans zin ging, liet hij de stad beschieten. Hierdoor moesten de Nederlanders vluchten met alleen wat peper aan boord.
Later ontstond er een ruzie aan boord van het schip. Houtman wilde verder varen naar de Molukken maar de bemanning wilde naar huis. Toen een van de leiders stierf werd Houtman van vergiftiging beschuldigd. Om muiterij te voorkomen moest hij de bemanning hun zin wel geven.

Oprichting van de VOC
Ondanks alle ellende werd de eerste scheepvaart naar Oost-Indië toch als een succes beschouwd. Er was een zeeweg gevonden. Er werden grote winsten verwacht. Er werden nieuwe compagnieën opgericht om nieuwe expedities mogelijk te maken. De winstverwachtingen werden waargemaakt. De specerijen leverde 400% winst op.
Hoe succesvol de reizen ook waren. Concurrentie zette de winsten onder druk. Doordat er in Azie meer inkopers verschenen, stegen de inkoopprijzen. Door het grote aanbod in Europa daalde de verkoopprijzen.

Om grotere winsten te behalen werd in 1602 een samenzwering gesloten. De Hollandse en Zeeuwse compagnieën, werden verenigd in een grote handels - organisatie: de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie) Zij kreeg het alleenrecht op handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop. Ook kreeg ze enkele politieke rechten. (blz 11 onderaan)

1.2 Het rijk van Insulinde (Indische eilanden)

Verlangen naar het oosten
In de tijd van de VOC heette het gebied nog geen Indonesië, deze naam kreeg het pas vanaf 1922.
Met het begrip ‘oost-Indië’ bedoelde de VOC rond 1600 heel Azië.
Tot 1500 was Indië voor de Europeanen een mythisch land van wonderbaarlijke wezens en fabelachtige rijkdom. Deze fantasie werd verspreid door de Arabische handelaren die verhalen uit de onbekende verte met zich meebrachten.
De specerijen werden gebruikt als smaakversterker, drug, seksueel stimuleermiddel, medicijn en conserveermiddel.

De gordel van smaragd
De eerste Europeanen die ver buiten Europa voerden waren de Spanjaarden en de Portugezen. De Spanjaarden ontdekte Amerika en de Portugezen voerden als eerste om Afrika naar Azië
Volgens schrijver Multatuli slingerde de Insulinde rond de evenaar als een gordel van smaragd (het was een tropische gebied dat zich uitstrekte van oost naar west) Er leefde 300 etnische groepen en er werden 250 talen en dialecten gesproken. Ruim de helft van de bevolking (3miljoen) woonde op Java. Hiernaast waren er nog 4 andere grote eilanden: Sumatra, Nieuw Guinea, Borneo en Celebes

De Islam
De bevolkingsgroepen verschilden sterk in omvang, leefwijze, macht en rijkdom.
De handelscontacten leidden tot uitwisselingen van ideeën en godsdiensten. Vanuit India kwam het Hindoeïsme naar Java rond het jaar nul. Dit zou eeuwenlang de belangrijkste godsdienst zijn. Vanaf 1300 kwam de Islam, eerst op Sumatra en in 1500 ook op Java. Toen de Portugezen arriveerden was de Islam een dominante godsdienst. Alleen Bali was Hindoeïstisch.
Vanaf de 16e eeuw brachten Portugezen en Hollanders het Christendom naar Indonesië. Veel invloed hadden ze niet. Dat was niet belangrijk want het ging bij de Europeanen ook niet om het geloof, maar om de handel. Propaganda voor het Christendom kon problemen met de Islam opleveren, dit kon de handel belemmeren.

1.3 Het handelsnetwerk van de VOC

Het specerijen monopolie
Vanaf het begin sloot de VOC contracten met lokale vorsten die haar het recht gaven specerijen te kopen. In 1605 veroverde de VOC het Portugese fort op het Molukse eiland Ambon. Het lukte alleen niet om de Engelse, Portugese en Aziatische concurrentie uit te schakelen.
In 1906 werd er een gouverneur-generaal aangesteld. Deze moest de totale VOC organisatie in Azië gaan leiden. Het hoofdkwartier lag eerst op Ambon maar werd later door de 4e gouverneur-generaal Coen verplaatst naar Jacatra (nu Jakarta). Alle handelswaren moesten eerst daarheen. Coen veroverde de stad in 1619 en veranderde de naam Jacatra in Batavia.
Vervolgens probeerde hij het monopolie te krijgen op de Molukse specerijen. Maar omdat er veel om de VOC heen gehandeld werd (tegen afspraken in) probeerde Coen hier een einde aan te maken. Dit mislukte. 13 jaar later nam hij opnieuw wraak. Hij nam de persoonlijke leiding over een strafexpeditie en liet vele inwoners doden en als slaaf wegvoeren. Vervolgens leende de VOC grond uit aan voormalige medewerkers waar de slaven op moesten werken. Vanuit Banda trok Coen naar Ambon. Hier verjoeg hij de Engelse en Portugezen. Ook liet hij de bevolking zweren alleen nog maar Kruidnagel te leveren aan de VOC. In 1625 waren de Nederlanders nog de enige Europeanen op de Molukken. De VOC was de grootste handelsonderneming ter wereld.

Een Aziatisch netwerk
De monopolie op kruidnagel, noodmuskaat en foelie was mogelijk omdat deze specerijen slechts in een beperkt gebied voorkwamen. Bij peper was dit niet zo. Dit groeide op verschillende plaatsen. Hierbij bevond de VOC zich dus in een vrije markt.
Coen vond dat de Specerijen met Aziatische producten gekocht moesten worden i.p.v. met Nederlands geld. De opbrengst zou in Nederland dan pure winst zijn.
Al vanaf haar oprichting nam de VOC deel aan de inter-Aziatische handel, de eeuwenoude handel tussen verschillende delen in Azië . Na de stichting van Batavia, breidde dit netwerk fors uit. Er kwamen verschillende factorijen (handelsposten). Dit maakte de VOC tot een multinational

De VOC raakt in verval
Na verloop van jaren bleken de specerijen een steeds minder groot deel uit te maken van de Nederlandse inkomsten. Koffie begon een steeds grotere rol te spelen. Hierdoor ging de VOC zich bezig houden met het op grote schaal verbouwen van koffie.
In de loop van de 18e eeuw raakte de VOC in verval omdat ze steeds meer last kregen van Britse concurrentie. De VOC kreeg steeds meer schulden en werd beroofd door haar eigen personeel. In 1799 kwam het zover dat de overheid de onderneming opdoekte en haar bezittingen en schulden overnam

1.4 invloed aan de oppervlakte

Invloed op de Molukken
De VOC was alleen aanwezig op Java, de Molukken en wat verspreide handelsposten de rest van Indonesië merkte hier niks van. Zelfs op Java oefende de VOC alleen het bestuur uit over de Europeanen en niet over de lokale bevolking. Met vorsten en machthebbers waren verdragen gesloten. Vaak hadden die de VOC als bondsgenoot binnengehaald en vroegen in ruil militaire steun.
Verdragen tussen de VOC en de Molukkers leidde al snel tot problemen. De VOC dacht dat de ‘contracten’ leidde tot monopolie en eeuwige vriendschap. Voor de Molukkers waren het slecht tijdelijke overeenkomsten die vervielen nadat de omstandigheden veranderden.
Met geweld kreeg de VOC een monopoliepositie. Verder beperkte zij haar bemoeienis met de Molukkers tot economische belangen. De Molukkers moesten een aantal herendiensten verrichten.

Invloed op Java
Op java werd de VOC als bondsgenoot binnengehaald. Maar na het stichten van Batavia werd zij meer gezien als een indringer. Doordat de VOC niet geliefd was, bleef Batavia afgezonderd . Pas toen de rust was wederkeert liet de VOC het gebied rond Java met plantages bebouwen. Boeren waren verplicht om koffie te produceren. De VOC bemoeide zich hier verder nauwelijks mee.

Een mengcultuur
Vele Europeanen bleven in Oost-indie. Door het ontbreken van Europese vrouwen woonden veel Europese mannen samen met Indische vrouwen. Soms trouwden ze. Er ontstond dan een soort Europees-Aziatische mengcultuur. Nederlanders die de kolonie bezochten waren geschokt. De cultuur verschilde erg van de Nederlandse. Ook was de voertaal maleis. Kinderen van de mengcultuur spraken vaak niet eens Nederlands

2.1 De eerste jaren van Nederlands-Indie

Nederlands indie: een nieuw begin
Toen de VOC werd opgeheven ging het al snel slechter met Nederland. Er ontstond veel werkloosheid en de welvaart nam af. Doordat Napoleon in die tijd ook een groot deel van Europa wilde veroveren was er oorlog. In 1795 stormden de franse troepen Nederland binnen. Nederland moest Napoleon steunen. Voor de Nederlandse handel was dit rampzalig. Frankrijks grootste vijand Engeland bezette alle Nederlandse gebieden. In 1811 was Indonesië aan de beurt.
Na Napoleons nederlaag hielp Engeland Nederland weer op de been. Engeland gaf de Indonesische bezittingen weer terug. Prins van Oranje werd Koning Willem I. De indonesche arcipel werd voortaan Nederlands Indie Genoemd. Ook werd de oude VOC monopolie afgeschaft. Boeren moesten i.p.v. herendiensen nu landrente gaan betalen.

Indonesië wordt een wingewest
De nederlandse handelaren konden de vrije handel niet aan. Ze waren geen partij voor de Amerikanen en Britse ondernemers. Door de Java oorlog liep alles volledig uit de hand. Koning Willem I besloot het anders aan te gaan pakken.
In 1828 benoemde hij een lid van de oude VOC-elite, Johannes van den Bosch tot Gouveneur generaal (hoogste bestuurder van Nederlands indië) Volgens Bosch moesten de koloniën niet modern worden maar alleen als wingewest dienen. Hij zette een cultuurstelsel op dat zich vooral richtte op Java, de rest van de archipel leverde volgens hem geen winsten op.

Het cultuurstelsel
Het stelsel hield in dat de Javaanse bevolking voor de Nederlandse overheid moest produceren. Er mocht door het koloniale gouvernement een vergoeding voor de boeren gevraagd worden, voor het uitlenen van grond. Per dorp werd de productie door het gouvernement bepaald.
Om de bevolking te laten meewerken kregen de regenten en de volkshoofden hun gezag terug. Nederlandse ambtenaren controleerde de regenten en deden bestellingen.
Het cultuurstelsen betekende een terugkeer naar de werkwijze van het VOC. De Nederlandse Handelsmaatschappij werd (1824 opgericht door Willem I) ook wel door zijn monopolie de ‘kleine compagnie’ genoemd

2.2 De kurk waarop Nederland dreef

Het batig slot
Java was de kurk waarom Nederland dreef. In 1850 was 1/3 van het Nederlandse staatsinkomen uit Indonesië afkomstig. Dankzij het cultuurstelsel kon de belasting in Nederland laag blijven. Met het ‘batig slot’ (hetgeen in de schatkist) werd de aanleg van wegen enz betaald.
Ook was Java belangrijk voor de Nederlandse industrie. Nederland kreeg hierdoor een grotere afzetmarkt. Hiermee werden buitenlandse concurrenten geweerd.
Nederland werd voor vele landen als een voorbeeld beschouwd. Er was echter ook veel kritiek. De Javaanse bevolking zou op deze manier uitgebuit worden.

Negatieve gevolgen
Van den Bosch had het aantal werkdagen van de Javaanse boeren op een maximum van 66 dagen per jaar gesteld. Dit werd in werkelijkheid niet uitgevoerd. Sommige boeren werkte veel minder, andere veel meer.
Doordat de plantages werden bezet door de suiker en indigoplantages voor de Nederlanders konden de Javanen geen rijst verbouwen in bepaalde delen van het jaar. Hierdoor kwam het hoofdvoedsel van de Javanen in een gedrang.
Ook moesten de boeren landrente blijven betalen en herendiensten blijven verrichten.
Doordat de Nederlandse ambtenaren een deel van de opbrengst kregen (cultuurprocenten) was het verleidelijk om de Javanen zo hard mogelijk te laten werken voor een hoge productie.

Positieve Gevolgen
De infrastructuur op Java verbeterde door het cultuurstelsel. Ook hoefde de boeren het werk niet voor niks te doen. Ze kregen een plantloon, dat al snel hoger werd dan de landrente. De Javaanse economie ging iets vooruit en de welvaart steeg.
In 1845-1850 werden delen van Java getroffen door een hongersnood. Het gouvernement besefte dat de werkdruk te hoor was geworden en paste het cultuurstelsel aan. Er kwamen meer rijstvelden. Ook groeide de bevolking razend snel.

2.3 Samen besturen, gescheiden leven

Het dualistisch bestuursstelsel
Van de Bosch voerde een dualistisch besturrsstelsel. (er zijn 2 besturen naast elkaar) Er kwam een binnenlands bestuur (Nederlands) en een inlands bestuur (Indonesisch). De javanen hadden alleen met het inlands bestuur te maken. De Nederlandse regering had geleerd dat zij het zonder steun van e javaanse regering niet kon redden. De javaanse hoofden werden daarom gehoorzaamd. Daarom mochten die vanouds om herendiensten vragen en werden zij in hun machtige positie gesteld.

Een handjevol bestuurders
De Nederlanders waren eigenlijk niet meer dan opzichters van een enorme plantage. Dat kon ook niet anders want er waren te weinig Nederlanders om Java zelf te besturen. Na de rampjaren 1845-1850 veranderde deze verhoudingen. Het binnenlandse bestuur nam erg toe en bemoeide zich steeds meer met zaken. Langzaam kregen de Nederlanders meer greep op het cultuurstelsel en dus ook op het bestuur en de economie. Maar op cultuur bleef de invloed heel gering.

Een Indo-Europese cultuur
In Batavia en andere steden leefden grotere Europese groepen. De Nederlandse regering probeerde de elite te vernederlandsen. Er werd vereist dat Ambtenaren in het binnenlands bestuur een opleiding in Nederland gevolgd hadden. Dit lukte maar ten dele. Nieuwkomers paste zich aan bij de Indo-Europese cultuur. Sommige trouwden. Tijdens werk waren ze Europees (in pak, spraken Nederlands) Maar eenmaal thuis veranderde ze van cultuur. 1 op de 7 kinderen had in die tijd 2 Nederlandse ouders. Het merendeel was van gemengde komaf.

3.1 Van onthouding naar modern imperialisme

Politiek van onthouding
Rond 1860 hoorde het overgrote deel van de archipel bij Nederlands-Indië. Buiten Java werd dit gezag slechts door tientallen ambtenaren en militairen vertegenwoordigd.
Van den Bosch had in 1830 bepaald dat Nederland een politiek van onthouding moest zijn. Dit hield in dat Nederland zich zo weinig mogelijk met de gebieden buiten Java moest bemoeien. Deze politiek was mogelijk doordat andere landen de grenzen van Nederlands-Indië respecteerden.

Strafexpedities
Ondanks de politiek van onthouding werden er regelmatig militaire expedities naar de buitengewesten verzonden.
Ook het bestuur in Den Haag en Batavia hield zich niet aan de politiek. Het hield zich ook bezig met Sumatra omdat ze bang waren dat de Britten dit inpikte. Indonesische vorsten die zich onafhankelijk gedroegen moesten gestraft worden. Alleen op Sumatra werd later het Nederlandse gezag uitgebreid. Landen als Engeland en Frankrijk hadden ook een onthoudingspolitiek. Zij bemoeide zich ook met hun eigen koloniën

Modern imperialisme
Rond 1870 veranderde dit. Het tijdperk van het modern imperialisme brak aan, deze periode eindigde met de 1e WO. De westerse landen breidde hun macht naar de niet westerse landen erg uit. Vooral Afrika moest eraan geloven.
Deze uitbreiding had vooral politieke reden. Grote landen als Italië en Frankrijk dreigden steeds meer macht te krijgen. Andere landen probeerden hun positie hiertegen te versterken.
Ook wilde alle landen zich verzekeren van goedkope grondstoffen en afzetgebieden voor hun industrie.
Ook waren er morele motieven het blanke ras en eigen natie moest de wereld overheersen.
Het modern imperialisme was niet mogelijk geweest zonder de technologische voorsprong die het westen op de rest van de wereld had. (betere bewapening, infrasructuur)

3.2 De onderwerping van de buitengewesten

De Atjeh-oorlog
In 1869 werd in Egypte het Suezkanaal geopend. Dankzij dit kanaal konden schepen sneller Indonesië bereiken. Hierdoor kon de Nederlandse infrastructuur sterk uitbreiden.
Maar er ontstond ook een probleem: de route liep langs het sultanaat Atjeh op noord Sumatra, dat piraterij bedreef. Om hier een eind aan te maken viel het koloniale leger Atjeh binnen in 1873.
Nadat Atjeh verslagen was sloegen de Atjehse krijgers terug, ze sleurden Nederland mee in een Guerrillaoorlog. In 1894 vroeg Lombok aan Nederland steun tegen hun Balinese overheersers. Nederland wilde weigeren omdat de Atjeh oorlog al duur genoeg was. Toch besloot de gouverneur-generaal steun te bieden. Dit was een fatale fout. Toen alles onder controle leek te zijn werden ze overvallen. Er vielen 97 doden.

Van Lombok tot Pacificatie
Na de aanval, heerste er een drang van wraak.In heel Nederland boden vrijwilligers zich aan voor uitzending naar Lombok. Dit was niet nodig. Het koloniale leger maakte direct korte metten met de Balinezen. In 1903 gaven belangrijke atjeh leiders zich over en in 1918 was de oorlog gewonnen. Er wordt ook wel gesproken dat atjeh was gepacificeerd.
De nederlandse regering wilde de rust en orde ook in de toekomst behouden. Nederland zou zich niet meer terugtrekken uit de gebieden die het tot orde geroepen had.

De methode-Atjeh
Nadat gouverneur generaal Van Heutsz in 1904 benoemd was had de politiek van onthouding definitief plaats gemaakt voor imperialistische expansie. Vorsten in de buitengewesten moeste nu nieuwe contracten ‘politiek van korte verklaring’ tekenen dat zij het Nederlandse bestuur gingen aanvaarden en gehoorzaamden.
Dit gebeurde op sommige plaatsen niet zonder enkele opstanden.
In 1914 behoorde bijna de hele archipel onder het Nederlandse gezag op Nieuw Guinea na. Volgens de Nederlandse regering was zij anders dan andere landen. Het was haar doel om beschaving en welvaart te brengen door de uitbreiding. Niet om meer macht en winst te krijgen. In werkelijkheid speelde economische motieven en angst voor buitenlandse inmenging een rol

3.3 Stormachtige economische groei

Ruim baan voor ondernemers
Na 1848 kwam er steeds meer kritiek op het cultuurstelsel. Toch duurde het nog lang voordat het verdween. Dit systeem vulde de schatkist erg goed. De definitieve afschaffing kwam in 1870.
Hierna ontstond een enorme economische groei. Op Java en Sumatra ontstonden landbouw ondernemingen, grote plantages met honderden werknemers. Er ontstonden fabelachtige winsten. Uit heel Europa trokken mensen hier naartoe om het geluk te beproeven.
Ook bleek dat de buitengewesten rijk waren aan delfstoffen.

Olie, rubber en kopra
In 1884 bevond Indonesië door overproductie en prijsdaling zich in een economische crisis. Rond 1900 ging het alweer beter. Vooral nieuwe producten als olie groeiden. Door de komst van de auto werd rubber ook erg belangrijk. Ook Kopra, het gedroogde vlees van een kokosnoot was erg gewild. De olie hiervan werd voor margarine en zeep gebruikt.

Produceren voor de wereldmarkt
De economische groei was mede mogelijk gemaakt door een verbeterde infrastructuur. Op Java en Sumatra kwamen duizenden kilometers spoor en asfaltwegen. Ook de verbindingen met de rest van de wereld verbeterde (telefoon verbindingen, vliegvelden Batavia -Schiphol)
Door deze ontwikkelingen raakte Indonesië betrokken met de wereldmarkt. De Nederlanders werden minder dominant. Bijna alle plantages waren in hun handen. Ook verkocht Indonesië nu haar producten zelf op de wereldmarkt.

3.4 Dominantie en toenemende contacten

Onrust op Java
Doordat er steeds meer lagere ambtenaren kwamen die alle Javaans huispersoneel hadden raakte de bevolking steeds meer aan de Nederlanders gewend. Boeren hoefden tot kort geen herendiensten meer te betalen maar werden loonarbeiders. Hier waren ze ontevreden over omdat ze weinig aanzien op deze manier hadden. Vooral na 1884 (periode van terugval) was het onrustig op het Javaanse platteland, voortdurend waren er rellen en opstanden. Het inkomen van de boeren liep terug maar door de imperialistische expansie en bestuursuitbreiding namen de belastingen toe.

Indo-Europese cultuur onder druk
De vele nieuwkomers paste zich minder bij de kolonie aan. Dit kwam o.a. door de betere infrastructuur. Nederlanders konden zo nu en dat terug naar hun moederland. Ook kwamen er steeds meer Europese vrouwen naar Indonesië. Die verboden hun mannen relaties met hun huishoudsters te hebben.
Doordat de Nederlandse elite zich meer op Europa ging richten nam de afstand tot de Indo-europeanen toe. Er opstond discriminatie. In de ogen van vale Nederlanders was dit rassenbederf.

Uitbuiting op Deli
De tabaksplanters op Deli werden lomp en onbeschoft door de Nederlanders behandeld. Er was geen gezondheidszorg. Wel waren er zware straffen. De overheid legde de planters weinig in de weg. Hun almacht werd bevestigd door de koelie-ordonnantie hierin stond dat koelies (plantagewerkers) streng gestraft mochten worden.

4.1 Koloniaal ontwikkelingsbeleid

Een ontwikkelingsideaal
De meeste ambtenaren wilde door de Indonesische bevolking als een koning behandeld worden. Ondanks dit hadden vele het goed met de bevolking voor. Ze werkten vanuit een ontwikkelingsideaal: ze wilden de Indonesiërs op een op een westers niveau van welvaart en beschaving brengen en beschermen tegen de inlandse hoofden en het westerse bedrijfsleven.

De voogdijgedachte
Oppositiepartijen in Nederland vonden het belachelijk dat hun land niets voor zijn kolonie terug deed. Het gevoel groeide dat er iets goed te maken was. Volgens Kuyper oefende Nederland een voogdij uit over een bevolking die meer zelfstandigheid moest krijgen
Voor alle miljoenen die Nederland uit Indonesië had gehaald moest een ereschuld betaald worden volgens Van Deventer. Het moest jaarlijks forse bedragen steken in het Indonesische onderwijs en de armoedebestrijding. (etische politiek)
Deze politiek sloeg aan door het ontstaan van de economische crisis en de bevolkingsgroei op Java en de imperialistische expansie

De associatiegedachte
Wat was het doel van de Ethische politiek? Er werd een welvaartsbeleid opgezet. Onder de leus: ‘irrigatie, emigratie, educatie’
Irrigatie: dit sloeg op het kunstmatige bevloeiing van akkers. Dit moest bevorderd worden
Emigratie: de regering wilde een deel van de bevolking laten verhuizen naar de buitengewesten. Dit zou de overbevolking op Java verminderen en het gebrek aan werkkrachten elders oplossen
Educatie: Mensen moesten geschoold worden. Onderwijs moest de Indonesiërs zelfstandiger maken, zodat ze Indonesië op den duur zelf konden gaan besturen. Er werd hierbij uit gegaan van de associatiegedachte:Indonesische bovenlaag zou kennis moeten maken met de Nederlandse cultuur, zonder de eigenachtergrond te verliezen. Zo zou Indonesië rijp worden voor zelfstandig bestuur, maar wel onderdeel blijven van het koninkrijk der Nederlanden.

4.2 Ethisch Politiek: succes of mislukking?

Overwinning op de honger
Vooral op Java werd de infrastructuur verbeterd. Er werden irrigatiewerken aangelegd. Ook het onderwijs en de voorlichting van het ministerie van landbouw leidde tot verbeteringen,
Toch vielen de resultaten van het welvaartsbeleid tegen. Er ontstonden geen economische ontwikkelingen.
De ethische politiek leidde wel tot een betere gezondheidszorg. Ook probeerde de overheid de arbeidsomstandigheden te verbeteren.

Nieuw scholen
Rond 1900 was bijna iedereen nog analfabeet. Er werden kleine dorpsschooltjes (dessascholen) met een onderwijzer voor kinderen van 6 tot 9 jaar opgericht.
Voor de elite kwamen er aparte scholen. Naast Europese scholen kwam er voor chinezen een Hollands-Chinese school en voor Indiërs een Hollands-Indische. Deze scholen gaven een europees lesprogramma met Nederlands als voertaal.
Vanaf 1914 kwamen er middelbare Europese scholen en in de jaren 20 scholen voor hoger onderwijs.

Vasthouden aan de voogdijgedachte
Het dessaonderwijs kwam langzaam van de grond. Vele buitengewesten moesten de school zelf betalen. Pas in de jaren 30 veranderde dit. Het analfabetisme nam terug tot 70% van de bevolking. Toch waren er nog te weinig hoog opgeleide om Indonesië zelfstandiger te maken.
De Indonesiërs kregen zelf iets meer inspraak. Toch bleven de hoge functies in Nederlandse handen.

4.3 Onderdrukking van het Nationalisme

Nationalisten worden radicaler
Het indonesisch nationalisme ontstond pas in de 20e eeuw. De eerste vereniging werd pas in 1908 opgericht: Boedi Oetomo. Deze wilde vooral uitbreiding van het westers onderwijs. Volgens hun was dit de manier voor emancipatie en ontwikkeling onder het Javaanse volk.
Iets radicaler en veel groter was de in 1911 opgerichte Sarekat Islam. Deze kwam op voor de economische belangen voor de Javanen .De 2 verenigingen gingen in de 1eWO om meer inspraak vragen. Dit had succes want er werd een volksraad opgericht .
In 1912 kwam er een nog radicalere partij. Zij eiste een onafhankelijk indoniesie. De partij werd verboden door het gouvernement.
Langzaam ontstond er door honger en armoede steeds meer radicalisme(na de 1e WO oorlog). De sarekat Islam begon steeds meer te eisen en stapte uiteindelijk uit de volksraad. Er ontstonden opstanden tegen het Nederlandse gezag .
Een communistische opstand
De radicale partij PKI. Organiseerde stakingen en liet het volk voortdurend in opstand komen. 100 jaar later besloten ze zelf een opstand te organiseren. Het doel was een onafhankelijk communistisch Indonesië. Deze opstand moest op sumatra beginnen. De PKI hoopte een groot deel van het leger weg te lokken van Java en zo de macht te grijpen op Java.
De KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) sloeg het verzet in 1926 neer. De opstand maakte een diepe indruk op de Nederlanders. Er kwamen harde onderdrukkingen. Indonesiërs werden naar kampen in het binnenland van Nieuw guinea gestuurd.

Non-coöperatie en onderdrukking.
Eind 1927 was de PKI verdwenen en de Sarakat Islam in geschrompeld. Nieuwe oppositieleiders stonden al klaar. In 1922 hadden Indonesische studenten in Nederland hun studentenvereniging de naam PI gegeven. Volgens voorzitter Mohammed Hatta vormde alle inheemse inwoners van Nederlands-Indië een volk. Ze moesten zich verenigen in een strijd voor een Indonesia Merdeka, een vrij onafhankelijk Indonesië.
Studenten in Indonesië richtte vanaf 1924 studieclubs op om Hatta’s ideeën propageren. Daarbij viel vooral de jonge ingenieur Soekarno op. Hij had veel talent op het volk toe te spreken en op te zwepen. Dit maakte hem al snel de leider van de Nationalisten.
In 1927 richtte Soekarno de PNI op. Deze partij nam de ideeën van Hatta over: Via non-coöperatie en massa actie moest zo snel mogelijk een onafhankelijk Indonesië ontstaan, waarin voor de Nederlanders geen plaats was.
In 1929 werd Soekarno samen met medestanders opgepakt. Hij kreeg 4 jr cel. Hij werd na 1 jaar al vrijgelaten. Maar in 1933 nam de repressie weer toe. Er ontstonden bredere veiligheidsdiensten en verklikkernetwerken. Soekarno,Hatta en andere nationalistische leiders werden opgepakt en naar kampen gestuurd waar ze tot de Japanse invasie 1942 zouden blijven

Toenemend Nederlands Isolement

Bedrieglijke rust
Door de keiharde onderdrukking van het radicale nationalisme, besloten veel Indonesiërs toch maar weer met de Nederlanders samen te werken. Wel kwamen er een paar kleine veranderingen om de onrust wat weg te nemen. Burgers kregen bijv meer inspraak en er werd rekening gehouden met de cultuur van de buitengewesten.
Diep in hun hart verlangde de Indonesiërs naar een onafhankelijk Indonesië.
De onwil tegen het Nederlandse bestuur werd gestimuleerd door landen als Japan en India, zij waren er in geslaagd een Europese mogendheid te verslaan

Wassenaar in de tropen
De Europese toplaag zonderde zich steeds meer af van de Indonesische samenleving. Alles was erg vernederlandst onder de bevolking. Iedereen probeerde zo Nederlands mogelijk. Ook ontstonden er bepaalde wijken die op wassenaar of Bloemendaal.

Een Europese levensstijl
De apartheid was ook in de wet vastgelegd. Er waren 3 aparte wetboeken: Europeanen, vreemdelingen en Indonesiërs. Toch waren de Europeanen nog sterk in de minderheid

5.1 Indonesia Merdeka

De Japanse bezetting
maanden nadat Japan zich als bondsgenoot van Duitsland in de oorlog had gestort, dwongen de het KNIL tot overgave. Omdat Nederlands Indisch Leger geen schijn van kans maakte gaven ze zich over. De Indonesiërs zagen de japanner als een soort bevrijders.
De snelle Nederlandse nederlaag vernietigde in één klap het geloof in de blanke superioriteit. Elders werden de Engelse en Amerikanen ook door japanners lastig gevallen.
Na de Nederlaag begonnen de japanners alle Nederlandse sporen uit te wissen. Europeanen werden verwijderd. Batavia ging Jakarta heten. De japanners namen zelf de hoogste bestuursposten in handen maar de Indonesiërs mochten de meest opvallende functies zelf doen.

De republiek Indonesia
Soekarno wilde wel met de Japanners samenwerken. Via vage afspraken geloofde hij dat als Japan de oorlog zou winnen, er een onafhankelijk Indonesië zou ontstaan. Met anti-Nederlandse propaganda werden hij dwangarbeiders. Jongeren sloten zich aan bij para militaire organisaties waar ze als ‘hulpsoldaat’ van de japanners werden opgeleid.
Doordat er door het vrede Japanse beleid chaos en honger ontstond groeide er al snel een haat tegen de japanners. Er ontstond een afkeer voor elke vorm van vreemde overheersing. Japan was aanvankelijk niet van plan Indonesië onafhankelijkheid te geven. Daarvoor was het land met zijn delfstoffen en rijstproductie te belangrijk. Maar doordat Japan aan het eind van de oorlog zo verzwakt was, werd in overleg besloten dat Indonesië op 18 augustus 1945 onafhankelijk zou worden. Maar het liep allemaal anders: op 15 augustus gaf Japan zich aan de geallieerden over, 2 dagen later riepen Hatta en Soekarno de onafhankelijke republiek Indonesië uit

Chaos en revolutie
De eerste weken na het uitroepen van de onafhankelijkheid bleef het vrij rustig. Maar toen de Britten op het eiland Java kwamen braken er opstanden uit, ze lieten weten dat ze alleen Batavia en wat andere grote steden zouden bezetten. Dit verergerde de chaos alleen maar. De laatste 3 maanden van 1945 keerden er radicale jongeren tegen iedereen die ze als vijand beschouwden.

5.2 Het akkoord van Linggadjati

Praten met de vijand
In 1942 had de regering wat vage beloftes gedaan over de hervormingen van het bestuur van Indonesië. Na de oorlog zou daarover gesproken worden maar eerst moest het Nederlandse gezag hersteld zijn. Eind oktober had de hoogste Nederlandse vertegenwoordiger , luitenant gouverneur generaal Van Mook, een geheime ontmoeting met soekarno. Van Mook had de republiek niet serieus genomen, maar de Britten eiste onderhandelingen anders zouden ze de Nederlanders in Indonesië niet beschermen. De regering was woedend toen ze van de geheime gesprekken hoorde. Er volgde nog meer geheime gesprekken tussen van Mook en de Indonesische premier Sjahrir. Ze werden het snel eens. Indonesië moest een zelfstandig en gelijkwaardig lid worden van het Koninkrijk Der Nederlanden.

Een aangekleed akkoord
In 1946 werd in het javaanse bergdorp Linggadjati een officieel akkoord bereikt. De republiek beloofde mee te werken aan een federale indonesisiche staat. Deze staat zou uit 3 deelstaten bestaan: de republiek, oost Indonesië en Borneo. Voor het regelen van gemeenschappelijke belangen zouden Nederland en Indonesië een unie vormen.
Toch waren vele Nederlanders het niet een met de onafhankelijkheid, zij geloofde dat het verarmde Nederland haar status zou verliezen. Vele ondertekende een ‘smeekschrift’ tegen Linggadjati aan koningin Wilhelmina.
In een toelichting op het akkoord werd gesteld dat Nieuw-Guinea niet bij Indonesië zou horen. De koningin moest de soevereiniteit behouden. Deze kreeg Indonesië dus niet zelf.

Op weg naar confrontatie
Het gebrek aan steun voor het akkoord maarte een confrontatie onvermijdelijk. Vanaf het voorjaar 1947 stuurde Nederland aan op een militaire actie

5.3 Politionele acties en soevereiniteitsoverdracht

Politionele acties
De regering sprak van een politionele actie. Volgens haar ging het om het herstel van een rechtmatig gezag. Nederland wilde de republiek niet vernietigen maar tot orde roepen. De export en voedselvoorziening moest worden hersteld.
Binnen een paar dagen werd bijna meer als de helft van Java bezet. Exportbedrijven en olievelden werden door de Nederlanders opnieuw veroverd. Maar het politieke doel werd niet bereikt: de republiek bond niet in. De veiligheidsraad eiste een staakt-het-vuren en Nederland legde zich daarbij neer nadat de raad besloot dat ze de veroverde gebieden mocht houden.
Dit bleek ook geen succes. De Indonesische soldaten begonnen weerstandsnesten te vormen. De Nederlanders waren niet in staat het veroverde gebied te contoleren. Overal kon de vijand loeren.

Soevereiniteitsoverdracht
In januari 1848 werd een nieuwe overeenkomst bereikt. Deze leek voor Nederland gunstig. De republikeinse soldaten moesten hun weerstandsnesten verlaten, en de republiek ging opnieuw akkoord met een federaal Indonesië. In praktijk stelde het verdrag niks voor. De oorlog ging gewoon door.
Soekarno, Hatta en andere republikeinse leiders werden gevangen genomen. De Amerikanen begonnen de Nederlandse acties beu te worden. Zij eiste nu ook onafhankelijkheid. Als Nederland niet meewerkte zouden de Amerikanen hun miljardensteun aan de wederopbouw van de Nederlandse economie (marshall hulp) stopzetten.
Nederland weigerde een paar maanden de leiders vrij te laten maar gaf uiteindelijk toch toe. Het gezag werd overgedragen aan de federale staat van Indonesië . Voor gemeenschappelijke belangen bestond nog wel een unie. Op 27 september werd in het paleis op de dam de soevereiniteit overgedragen. Indonesië was nu een onafhankelijke staat

Repatrianten en migranten
De deelstaten werden opgeheven op 17 augustus 1950. Soekarno maakte er een eenheid van.
Voor Nederland verliep alles ook spoedig.
Tussen 1948 en 1958 kwamen 300.000 repatrianten en migranten terug naar Nederland.
Veel mensen die in Indonesië geboren en getogen waren konden hun draai in Nederland niet goed vinden

5.4 Nederlands laatste bastion in de oost

Wederzijds wantrouwen
Nederlanders waren woedend over de uitroepen van de indonesiscie eenheidsstaat. Dit bewees volgens hen opnieuw hoe onbetrouwbaar Soekarno was. De Indonesiërs vertrouwde de Nederlanders niet. Volgens hen was de opstand van de Molukkers door de Nederlanders veroorzaakt. Ook ergerde ze zich aan het feit dat ze altijd nog afhankelijk van koloniale tijd waren. Manier van lesgeven op scholen enz…
Een zaak van prestige
Bij de ruzie om nieuw guinea ging het tussen Indonesië en Nederland meer om een prestige kwestie: gelijk krijgen was het doel.
In 1956 liep het conflict uit de hand. Indonesië zegde de unie op Nederland op en begon met wegpesten.
Vele Nederlander vluchten weg uit het land.

Nederland haalt bakzeil
In 1960 verslechterde de situatie voor zover mogelijk. Nederlanders ontdekte Indonesische infiltranten op Nieuw Guinea. Soekarno kondigde aan dat Indonesië met militaire middelen zou worden bevrijd. Nederland stuurde extra marine en dienstplichtigen.
Tot grote schrik van de Nederlanders koos de VS voor Indonesië. De regering moest instemmen met een Amerikaans voorstel om de macht over te dragen. OP 1 oktober 1962 vroeg zij het bestuur van Nieuw Guinea over aan de VN en zij droeg het weer over op 1 mei 1963.
Hetzelfde jaatrnog werden de diplomatieke verbanden tussen de 2 landen hersteld. Nederland begon af te rekenen met haar koloniale verleden. En Soekarno werd in 1965 afgezet

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.