Geschiedenis Elite en Volk: tegenspel of samenspel? + aantekeningen



Een sport die eerst bij de elite hoorde, inmiddels een onderdeel van onze gemeenschappelijke, nationale cultuur is geworden.



H1.



Het leven werd voor een groot deel beheerst door het geloof in magie. Missionarissen probeerden dit via het christendom te bestrijden, maar ze konden niet verhinderen dat magie later zou uitgroeien tot een van de grootste kenmerken van de Europese volkscultuur.



Vroeg Middeleeuwse Samenleving 500 - 700



Laat Middeleeuwse Samenleving 1300 – 1500

Middeleeuwse Renaissance 500 – 1500



De vroegmiddeleeuwse samenleving zijn ontstaan uit een vermenging van Romeinse en Germaanse elementen.



Tijdens achteruitgang van het Christelijke Romeinse Rijk vielen Germaanse volken Europa binnen Ë overal Germaanse koninkrijkjes Ë geen Christendom, maar: vele goden, natuur had goddelijke krachten Ë magie was bij alle gelegenheden belangrijk



Toen de Germanen Romeinse Rijk binnenvielen, was het Christendom inmiddels de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk Ë dit was het enige bolwerk van kennis, wetenschap en bestuurservaring.



De goed opgeleide elite van missionarissen zag het als heilige taak de ongeletterde Germanen te kerstenen Ë Germaanse koning der Franken Clovis liet zich tot Christen dopen Ë veel Germanen werden Christen omdat hun koning dat oplegde Ë eenheid van godsdienst was een belangrijk middel om veroverde gebieden bij elkaar te houden Ë bekering was ook belangrijk voor de grootschalige kerstening



Missionaris Willibrord was niet zo’n heilige omdat:



1. Hij afgodsebeelden kapot sloeg, en hierbij gewond raakte

2. Mensen doopte in een bron die voor de Friezen heilig was

3. Heilig beschouwde runderen liet slachten, zodat het zou dienen voor zijn avondmaal.

Ë Willibrord zou worden gestraft maar ontkwam



Radbod werd uiteindelijk niet gedoopt, omdat hij niet met zijn voorouders verenigd zou worden Ë willibrord heeft de Friezen niet definitief kunnen bekeren



Opvolger van Willibrord werd Bonifatius



Christelijk geloof stond in de boeken en was dus een concreet bewijs van ‘Gods Woord’



Mensen werden gedoopt in de naam van het vaderland i.p.v. in de naam van de vader.



De 3 middelen om het Christendom te verspreiden:

1. Heiligen dingen toekennen

2. Feestdagen

3. Eigen gebruiken mengen met de Germaanse gebruiken



De missionarissen konden het heidense geloof niet zomaar afschaven, want dan kom dat de bekering tegenhouden. Dus deden ze dit langzaam aan.



Hoewel de bijbel als basis voor de christelijke leer gold, werd deze in de loop van de tijd aangevuld met verhalen over heiligen. Dit waren mensen die een zo voorbeeldig christelijk leven hadden geleid, dat zij officieel door de kerk heilig werden verklaard.



Rond 800 was een groot deel van Europa verenigd onder leiding van de christelijke keizer Karel de Grote en was de kersteninggolf ten einde.



H2.



Na 800 was de grote kerstengolf voorbij. Vanaf deze periode ontstond langzamerhand een onderscheid tussen elite- en volkscultuur doordat de adel een eigen levensstijl ging ontwikkelen.



In de periode tot 1000 waren in vrijwel geheel West-Europa zo goed als geen steden.



Je moest in die tijd zeer alarm zijn voor rovers, en wilde dieren. Maar vechten tegen ze deed je niet, de mensen toen geloofde nog steeds in reuzen, wildemannen ect. Ook werd de buitenwereld, ook een naburig dorp, al snel als vijand gezien.



Het dorpsleven was hard, na een te droge of te natte zomer en een te koude winter sloegen ziekte en dood toe. Families moesten zichzelf zien te redden, maar je kon ook naar het Huis, dat wil zeggen opa allen met dezelfde stamvader.



De adel woonde in versterkte boerderijen met landerijen erom heen. Officieel moest de edelman in zijn gebied voor veiligheid en rechtspraak zorgen, maar dat kwam er vaak niet van.



De edelman was bezig met vechten op eigen gebied, of op andere gebieden. Hij leek dan nog het meest op een ruwe bendeleider.Het toezicht op het boerenbedrijf werd gedaan door de edelvrouwen.



Vanaf de twaalfde eeuw konden veel adellijke families meer aandacht besteden aan hun eigenlijke bestuurstaken, al bleef de plicht tot oorlog voeren bestaan.



De culturen van de boeren en die van adel in de periode voor 1200 weinig scheelde: de adel kwam ook niet verder dan oorlog voeren.



Het gezag in het dorp werd uitgeoefend door de dorpspastoor. De dorpspastoor leefden dan ook met een gezin met vrouw en kinderen. De dorpelingen hadden hier weinig problemen mee: als een pastoor kon leven en schrijven was hij extra nuttig voor het dorp. De priester trad op als notaris, hij las officiële stukken voor, en bij conflicten was hij de bemiddelaar.



Het hele jaar door werden er dorpsfeesten gehouden om allerlei verschillende redenen.



H3.



Van 1300 tot 1500 zag het leven er veel dynamiser uit dan op het platteland. Er bestond een enorme variatie aan beroepen, inkomens en opleidingsniveau. Dit leidde tot het ontstaan van verschillende elites naast elkaar.



Patriciaat= de toplaag van de goede burgers



Dirc Potter begon al eenvoudige klerk en klom spoedig op tot de adelstand.



Ook trokken de adel naar de stad, hier hielden ze er een eigen hofhouding aan over. Steeds meer begon te patriciaat zich te gedragen en kleden als de adel.



Een stad was opgedeeld in buurten, wat vaak niet meer was dan een straat met zijstegen. De basis van de buurt was een buurtverenging, een privé-organisatie waarvan vele bewoners lid waren. Je had dan rechten en plichten, en moest je contributie betalen.



De buurschout was de belangrijkste bestuursfunctie. De buurtschout moest alle conflicten oplossen.



Broederschappen waren kerkelijke verenigen die gericht waren op de verering van een heilige.



Blijde Inkomsten: dit waren feestelijke gebeurtenissen waarbij een nieuwe landsheer naar de steden van zijn gebied kwam om daar de stedelijke privileges te bevestigen.



De Blijde Inkomsten werd georganiseerd door de landheer, maar de andere stadsfeesten werden georganiseerd door het stadsbestuur(=stedelijke elite).

Bij bijna alle feesten werd de adel uitgenodigd en deed dan ook mee.



Processies= kerkelijke aangelegenheden, maar in de tweede helft van de vijftiende eeuw werd de jaarlijkse progressie meer een stadsevenement

De belangrijkste processies waren die van Maria- of de Sacramentenprocessie.

Steeds vaker werden processies gesubstieer door het stadsbestuur en werden professional regisseurs benoemd.



De verschillende bevolkingsgroepen communiceerden ook door alles op de hak te nemen. Buurten werden ‘sportrijken’met hun eigen vorst.



H4.



Rond 1200 heeft de katholieke kerk in deze periode een enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt. Toen was zij op de top van haar macht. In de eeuwen daarna groeit de kritiek. De hervormingen zorgde er in de Nederlanden voor dat de katholieken kerk haar machtspositie zelfs volledig kwijtraakte.



Afhankelijk kon alleen de geestelijkheid lezen en schrijven, maar dit veranderde in de loop van de elfde en twaalfde eeuw. Dit kwam door het gevolg van het ontstaan van steden.



Het onderwijs kwam in de veertiende eeuw op gang. Rond 1500 kon een aanzienlijk minderheid van de bevolking in Europa kon lezen en schrijven.



Bij een groeien aantal mensen groeide een behoefte om het geloof intenser te beleven.

Het deelnemen aan kerkelijke plechtigheden was niet genoeg. De eerste vroomheidbeweging ontstond in de elfde eeuw, wilde terug naar het eerste christendom van eenvoud en armoede. Ë er kwamen nieuwe kloosteroorden die het nadruk legde op het sombere leven, ook ontstonden er bedelmonniken die predikkend rondtrokken: de Franciscanen en Domicanen.



Katharen = zuivereraars



In de Nederlanden werd de beweging de Moderne Devotie belangrijk, zij waren geïnspireerd van de geestelijke Geert Groote uit Deventer.



Naast de vroomheidbewegingen kwamen in de dertiende en veertiende eeuw vanuit Arabische landen nieuwe vormen van magie Europa binnen o.a. astrologie.



De kerk wilde haar geloof op het rechte pad houdenË de kerk besloot van bovenaf te disciplineren



In 1215 werd het leer opnieuw vastgesteld en een aantal belangrijke besluiten werden genomen:

1. Franciscanen en Dominicanen werden als wandelende beroepspredikers en inquisiteurs ingezet

2. In iedere parochie moest een parochieschool komen, eventueel met de priesters als enige onderwijzer.

3. De gelovige moest minimaal eenmaal per jaar ter communie gaan en minimaal eenmaal per jaar biechten bij een priester van de eigen parochie. De oorbiecht, het geheime, persoonlijke gesprek tussen geestelijke en gelovige, was het belangrijkste instrument bij het ontwikkelen van een christelijk geweten.

4. Parochies moesten eens per jaar bezocht worden namens de bisschop.



Ondanks de maatregelen bleef de verhouding tussen schrijvende leken en geestelijken in de dertiende eeuw slecht.



Magie werd verboden:

Magie moet men niet verwarren met de heilzame werking van sacramenten en sacrmamentilia (zoals met een kruisteken zegenen of wijwater sprenkelen), die kracht geven om een christelijk leven te leiden.



Protestantisme: was tegen het ‘paapse bijgeloof’ met zijn sacramenten, wonderdoenende heiligen en rijkdom. De priester was volgens het protestantisme noodzakelijke bemiddelaar tussen God en de mens. Centraal is de bijbel als het woord van God te staan. Mensen waren voortaan zelf verantwoordelijk voor de contact met God.



Door godsdienstoorlogen Ë werd calvinistische godsdienst de officiële geloofsrichting Ë

1. verhouding tussen elite en volkcultuur veranderde: de oude elite verdween.

2. in plaats van kerkelijke discipline van buitenaf moest zelfdiscipline worden ontwikkeld

3. er ontstonden nieuwe verhoudingen tussen elite en volkscultuur



De scholing was belangrijk voor de relatie tussen volkscultuur en elite cultuur, want: betere scholing zorgde ervoor dat je hogerop zou kunnen komen, en dat was ook belangrijk voor het geloof.



H5.



In de republiek der Zeven Nederlanden speelde de katholieke kerk als instituut geen rol van betekenis meer. Ook was de acht van de adel minder groot dan in de meeste andere landen. Het patriciaat werd de elite. Daarnaast was de calvinistische richting de officiële godsdienst geworden. Geen kritiekloze gehoorzaamheid maar de ontwikkeling van het individuele geweten stond bij beide groepen hoog in aanzien.

Rond 1570 was de mate van geletterdheid in de Noordelijke Nederlanden volstrekt uniek in Europa, want zelfs eenvoudige mensen konden lezen.



Wittewrongel: de ouders hebben 2 taken te aanzien van hun kinderen:

1. goede christenen van hen te maken

2. zorgen dat ze behoorlijke leden van de maatschappij worden, met goede manieren en een goede opleiding



Ideaal beeld van de vrouw voor de katholieken: Maria maar ook Eva



Een priester leefde celibatair omdat: vanwege vreselijke lusten.



Het huwelijk diende voor de noodzakelijk voortplanting en om de seksuele lusten te kanaliseren.



Wittewrongel: dominee, orthodox



Jacob Cats: een gezaghebbende politicus en dichter



Wittewrongel: de man is de baas, de vrouw is de medemaat en huisvrouw. De man en de vrouw dienen elkaar tot gezelschap, hulp en troost.



Erasmus komt met een boek over de beschaafde manieren. Over adel zegt hij dat naast de adel van het bloed ook de adel van de geest bestaat. Alle jonge knapen moeten goede manieren krijgen en welgemanierdheid hoort daarbij.

Erasmus boeken bleken een succes.



Antoine de Cortin: schreef strikte gewoontes voor aan tafel



Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd de top van de rijke regenten , het patriciaat, een naar beneden vrijwel afgesloten groep ‘De Grote Wereld’ genaamd Ë

1. er werd niet meer persoonlijk bemoeit met de handel

2. hun werk als bestuurder werd gedaan door plaastveravangers

Ë het sociale leven van het particiaat onder elkaar werd steeds belangrijker



De Grand Tour: te reizen naar de plaatsen van beschaving en cultuur.



Als jongeman hoorde je een Grand Tour te doen. Dit niet echt voor de opleiding maar voor de beschaafde algemene ontwikkeling op te doen.



H6.



Door de ontwikkeling van een christelijke geweten en het aanleren van omgangsvormen diende de bevolking zichzelf te disciplineren.



Rond 1650 hoorde 1/3 v.d. bevolking bij het calvinisme(publieke kerk). 1/3 bij de katholieken, en de rest betond uit allerleiandere, kleinere richtingen.



Kerkraad= ouderlingen(de meest gegoeden van de calvinistische gemeente) en de dominee



Er werden allerlei straffen uitgedeeld aan de ongebonden, woeste niet gelovende mensen.

Van het bekendmaking van de zonde, tot aan het uitsluiten van mensen.



Eerdieven: mensen die definitief werden uitgesloten uit de kerk



Ook bij tovenarij, hoererij e.d. werden veel straffen uitgedeeld. Zoals verboden worden bij het Avondmaal aanwezig te zijn.



Omdat de calvinistische kerk als enige ‘publieke’ kerk werd beschouwd, was een samenwerking tussen kerk en overheid normaal. Zo hadden veel haverkisten de overheidsbaantjes.



Een constante strijd voerde de calvinistische kerk op 3 fronten:

1. de volksfeesten op katholieke heiligendagen

2. te uitbundig dansen

3. weelderig leven in het algemeen



De zaken waarmee stadsbesturen zich mee bezighielden:

1. de verstoring van de zondagsvieren en de kerkelijke feestdagen

2. maatregelen tegen katholieken kerkelijke feestdagen

3. regulering van het sociale verkeer in besloten verband

4. regulering van het sociale verkeer op de openbare weg of aan het water



In 1795 kwam aan de Nederlandse Republiek een einde.



Aantekeningen:



De verlichting: als we met elkaar ons verstand gebruiken kunnen we tot een betere samenleving komen



1. Montesquieu: Trias Politica

Macht:

a.Uitvoerende

b.Wetgevende

c.Rechtsprekende



18de eeuw



2. Voltoure (acceptatie alle geloven)



3. Rousseau:

Volkssoevereiniteit – bevolking bepaalde wie er aan de macht moet komen



Derde stand: goedegeburgerde burgerij



1917 Algemeen kiesrecht



1789 –1799 Franse revolutie Ë napoleon



Patrioten – tegen oranje gezinnen



Elite: middeleeuwse grootgrondbezitters: adel en geestelijkheid



Monotheïsme: geloof in 1 god

Polytheisme: geloof in meerdere goden



Patriciaat: voor aanstaande burgers



Regenten: stadsbestuur



Prehistorie: geen geschreven berichten



500-1100 als de steden ontstaan

Koning

geestelijkheid

adel

bourgeoisie

boeren



Eind Middeleeuwen:

Patriciaat/regenten

Bourgeoisie

Ambachtslieden + boeren



Patriciaat: voorstaande burgers

Regenten: stadsbestuur


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.