Dynamiek en Stagnatie

Beoordeling 8.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 9255 woorden
  • 17 januari 2010
  • 50 keer beoordeeld
Cijfer 8.5
50 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

ADVERTENTIE
Fix onze energie!

Studeer energie & techniek. Iedereen staat te springen om jou! We hebben namelijk veel technische toppers nodig die de energie van morgen fixen. Met een opleiding in energie & techniek ben je onmisbaar voor de toekomst. Check Power Up The Planet en ontdek welke opleiding het beste bij je past! 

Check Power Up The Planet!

Samenvatting geschiedenis 2
Examenkatern vwo: Dynamiek en Stagnatie in de Republiek
Van eind 15de eeuw tot eind 18de eeuw

1. Een deel van de Nederlanden maakt zich los uit het Habsburgse Rijk

De hertogen van Bourgondië krijgen de ‘Lage Landen’ in hun bezit.
Factoren voor ontstaan politieke eenheid in de 15de eeuw:
a. De groei van steden sinds 12de eeuw en het ontstaan van de samenwerking tussen die steden.
b. Het streven van de hertogen van Bourgondië de ‘Lage Landen’ in hun bezit te krijgen.

Kenmerken van periode 14de – 15de eeuw op gebied van handelen:
a. Machtigste gebieden in 15de eeuw waren: Vlaanderen (Brugge en Gent) en Brabant (Antwerpen en Brussel) - handelden met Engeland, Frankrijk en Italië.
b. Handelsverbond de Hanze was een handelsverbond (14de – 15de eeuw) tussen de IJsselsteden.

Vanaf 14de eeuw: 
- opkomst Holland als handelsgewest. De burgerlijke bevolking profiteerde  kreeg sterkere positie t.o.v. de adel. 
- de hertogen van Bourgondië begonnen de Lage Landen stuk voor stuk aan hun land toe te voegen. Filips de Goede werd de heer van een groot aantal gewesten  moest zich houden aan regels die voor de verschillende standen (adel, geestelijke, burger) vaststonden. Steden waren (o.a.) door het stadsrecht zeer zelfstandig.

Filips de Goede meer macht creëren, dus hij voerde een centralisatiepolitiek  alle gewesten, 1 geheel:
a. Hij voerde overal hetzelfde muntstelsel in.
b. Voor het toekennen van belastingen aan de heer moest deze een verzoek doen aan de vergadering van de Standen (vertegenwoordigd door de drie standen). De Goede zorgde ervoor dat de Gewestelijke Staten afgevaardigden stuurden naar één gezamenlijke vergadering: Staten-Generaal.

De Nederlanden gaan deel uitmaken van het Habsburgse rijk van Karel V.
Karel V was afstammeling van Filips de Goede. Tijdens oorlogen (1524-1543) breidde hij zijn macht uit in de noordelijke en oostelijke gewesten  hierdoor was hij heer van bijna de hele Nederlanden geworden: politieke eenheid van de Nederlanden vrijwel voltooid. Karel V was ook Spaanse koning, keizer van het Duitse Rijk. Hiermee stond hij aan het hoofd van het Habsburgse Rijk (ook delen in Amerika). Nederlanden werd in 1548 deel van dit rijk: en dus ondeelbaar (Nederlanden altijd één eenheid).

De centrale overheid in de Habsburgse Nederlanden tegenover de gewesten.
• Voor de reorganisatie van Karel V: het eerste bestuur was het dorpsbestuur, daarna het gewestelijke bestuur, het centrale gezag (Brussel) stond het verste van deze inwoners af.
• Na de reorganisatie van Karel V: vaak was hij niet in de Nederlanden  hij benoemde een vervanger in Brussel (landvoogd). Ter assistentie van hen stelde hij drie centrale Raden in (bepaalden regeringsbeleid). Nadeel van dit plan: financiën. Tekort aan belastingen die binnenkwamen (tekorten kwamen uit Spanje). In 1542 werden nieuwe belastingen ingevoerd: accijnzen op bier en laken (wollen stoffen). Veel van dit geld kwam gewoon bij de gewesten terecht en niet bij de centrale overheid. Na de opstand (einde 16de eeuw) ging er helemaal geen geld meer heen.

De Nederlanden komen in opstand.
Door hervorming - scheiding tussen katholieke en protestantse kerk. Protestantisme kreeg in de 16de eeuw veel aanhang. Karel V en Fillips II (zoon van Karel V) wilde de godsdienstige eenheid bewaren - Katholieke kerk: protestanten streng aangepakt. Fillips II vertrok in 1559 naar Spanje. Nederlanden kwamen in opstand door:
a. Belastingdruk vanuit Spanje
b. Centralisatiepolitiek.
c. Vervolging van de protestanten.
Gevolg: opstand tegen Spaanse gezag, Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)  scheiding Nederlanden tot gevolg. In 1579  noordelijke en zuidelijke gewesten vormen de Unie van Utrecht: bondgenootschap tegen de Spaanse troepen  begin zelfstandigheid Noordelijke Nederlanden. Vertrouwen lag in handen van buitenlandse edelen  deze vertrokken  Staten-Generaal nemen zelf macht over. Gevolg: Uitroepen onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

2. De opkomst van Holland in de 15de en 16de eeuw.

De positie van Holland in de Late Middeleeuwen is niet gunstig.
In deze periode was de economie niet goed:
a. Veengronden waren veelal ingeklonken (stond teveel water op) - geen graan verbouwen - voedselvoorziening ging achteruit.
b. Steden waren klein en konden niet tippen aan de Vlaamse steden. De handel van de Hollandse steden was sterk afhankelijk van andere steden (o.a. Gent en Brugge).

De graanhandel wordt de ‘moedernegotie’.
Graan was belangrijk voedingsmiddel. Eerst werd het uit Engeland en Frankrijk gehaald. Maar in het Oostzee gebied was het veel goedkoper. De handel verplaatste zich daarheen. Door deze import wist Holland in de 16de eeuw de groeiende bevolking te voeden. In andere Europese landen - malthusiaanse spanningen (groeiende bevolking, geen groei van de landbouw). Graan was eerste en belangrijkste vorm van echte handel  moedernegotie  Holland bouwt handelsnetwerk op wat tot conflicten leidt.

Hollandse landbouw wordt de efficiëntste van Europa.
Gecommercialiseerde landbouw (productie niet voor eigen gebruik maar voor verkoop), oorzaken:
a. Natuurlijke omstandigheden (ingeklonken veengronden)
b. Graanimport uit Oostzeegebied (goedkoop).

Verschillen met de vroegere situatie:
a. Boeren gingen zich specialiseren in enkele producten. Boeren gingen zich richten op verkopen i.p.v. eigen gebruik: zuivel, vetweiderij (ossen vetmesten en die slachten), verbouw handelsgewassen (vlas en hennep). Boerenbedrijven in de nabijheid van de steden leverden verse melk aan de steden.
b. De bedrijven werden kapitaalintensiever. Veel geld nodig voor omvorming van traditioneel naar commercieel bedrijf. Ossen kwamen veelal uit Denemarken en grond kostte ook geld.
c. Er werden technische vernieuwingen ingevoerd. Windmolens om de waterstand op peil te houden, andere vernieuwingen waren niet belangrijk.

Er ontstaan waterschappen.
Er was wel eens sprake van wateroverlast waarbij waterschappen deze wouden bestrijden. Waterschappen bestonden uit boeren uit de omgeving die deze wateroverlast wouden bestrijden. Gunstige gevolgen:
a. Boeren werden vertegenwoordigd door heemraden hierdoor raakten ze gewend om te investeren op lange termijn.
b. Ontbreken van feodale traditie (verplichting van boeren aan adellijke heer) - macht van adel beperkt, boeren hierdoor zelfstandiger.

De urbanisatie komt op gang.
Door commercialisering van de landbouw minder arbeidskrachten nodig - mensen trokken naar de steden en konden werk vinden in de nijverheid (want deze steeg doordat boeren deze producten konden kopen).

In het oosten en zuiden blijft de landbouw traditioneel.
Verschillen tussen Hollandse landbouw en die van het oosten en zuiden (later Republiek) waren groot:
a. In het oosten en zuiden nog traditionele landbouw (voor eigen kost produceren).
b. Oosten en zuiden hadden een markt die alleen voor lokale bevolking van belang was. Geen ruimte voor commerciële landbouw.
c. In het oosten en zuiden bestond feodale traditie - veel adellijk grootgrondbezit.

In Holland en Zeeland gaan talrijke bedrijfstakken sterk vooruit.
In de 15de en de 16de eeuw groeiden in Holland en Zeeland bedrijfstakken. Trafieken horen tot de nijverheid - veredelen grondstoffen tot een eindproduct. Oorzaken groei lag binnen/buiten de gewesten:
a. Binnen Holland en Zeeland groeit de vraag naar producten (door urbanisatie + bevolkingsgroei).
b. Holland en Zeeland konden profiteren van een groei van Brugge, Gent en vooral Antwerpen. Er werden goederen verkocht aan Antwerpen maar ook via Antwerpen verhandeld. Zo raakten zij in de 16de eeuw verbonden met het handelscentrum Antwerpen.

Bedrijfstakken die groeiden met oorzaken daarvan:
a. Handel. Holland maakte gebruik van gunstige ligging - oosthandel (Oostzeegebied) en westhandel (Spanje, Frankrijk) werden aan elkaar geknoopt. Zo kon men in één seizoen een driehoekstocht maken. Door de handel in massagoederen te voeren groeide de commerciële basis.
b. Scheepsbouw. Holland lag eerst sterk achter met de bouw/het gebruik van scheepsbouw. Maar aan het begin van de 16de eeuw maakte zij toch gebruik van de nieuwe technieken. Zelfs verbeteringen: groter laadvermogen en minder bemanningsleden.
c. Nijverheid. Deze concentreerde zich in de steden. Stadsbesturen probeerden goede vestigingsvoorwaarden te bieden aan de stedelijke nijverheid. In middeleeuwen - nijverheid in handen van gilden (organisatie van ambachtslieden met hetzelfde beroep). Niet alles kwam in handen van de gilden - ondernemers gingen trafieken oprichten voor de vrije markt. In de steden was voldoende aanbod van arbeidskrachten, door specialisatie hoge arbeidsproductiviteit.
d. Visserij. Haringvisserij steeg door uitvinding van haringkaken en nieuwe scheepstypen (belangrijkste exportproduct).

3. Opkomst van Amsterdam.

Eind 16de eeuw - Amsterdam kon handelspositie van Antwerpen overnemen, in het begin onmogelijk:
a. Economische groei van Amsterdam tot laatste kwart 16de eeuw gering.
b. Economische positie van Antwerpen begin 15de eeuw groot, door keus van Portugezen om specerijen in Antwerpen te verhandelen groeide de positie alleen maar.

Antwerpen gaat als handelsstad achteruit.
Dit kwam door ontwikkelingen in het Spaanse Rijk. Door de vele oorlogen was de schuld van Karel V opgelopen van 5 tot 81 miljoen. Ook Fillips II voerde verschillende oorlogen. Gevolg: Habsburgse rijk ging twee keer failliet (1557 en 1575). Gevolgen:
a. Veel Antwerpse bankiers die geld hadden geleend aan het Rijk waren het geld kwijt.
b. Spaanse soldaten die niet uitbetaald kregen gingen Antwerpen plunderen - Spaanse Furie (1776).

De handel verschuift van Antwerpen naar Amsterdam. Oorzaken hiervoor:
a. Veel historici koppelen de verplaatsing aan het jaar 1585. Spaanse landvoogd heroverd opstandige Antwerpen - Hollanders en Zeeuwen sloten de Schelde af voor de scheepvaart op Antwerpen.
b. Gunstige economische ontwikkelingen in Holland en Zeeland, handel was er al naar toe gegaan.
c. Aan begin Tachtigjarige Oorlog geen gunstige economische situatie in Nederland en Zeeland. Na val van Antwerpen trokken veel kooplieden naar de Noordelijke Nederlanden. Amsterdam groeide uit tot het centrum van handelskapitalisme (zoveel mogelijk winst behalen) met Amsterdam als stapelmarkt (voorraadmagazijn van te verhandelen goederen).
d. Gewestelijke en stedelijke in- en uitvoerheffingen hinderden de komst van de stapelmarkt niet.
e. Ook geleerden trokken naar Amsterdam (vanuit de Zuidelijke Nederlanden).

4. De omstandigheden voor economische eenheid in de republiek worden gunstiger.

De Republiek vormde bij ontstaan geen politieke en economische eenheid - staatsinrichting gedecentraliseerd. Veel verschillen tussen economieën van de gewesten. Vanaf 15de eeuw steeds meer eenheid: door de waterschappen (Hollandse overlegcultuur).
Ook sprake van economische integratie - kooplieden wouden veel winst maken. Dit alles in de 16de en 17de eeuw.

1. Het staatsbestel van de Republiek is uniek in Europa

In de 17de eeuw - Republiek bijzondere positie in Europa want: de Republiek was een statenbond en had geen vorst (met zelfstandige gewesten) - rest van Europa had wel vorsten die naar volledige macht streefden.

Staten-Generaal
afgevaardigden van een gewest

Raad- Bestuur van Gewest Stadhouder
pensionaris benoemt afgevaardigden van benoemt legeraanvoerder
secretaris adel/steden

Oppergezag ligt bij Gewestelijke Staten (regelden belastingen e.d.)  hierbij werden de steden door regenten vertegenwoordigd en in sommige gewesten ook door de adel.
Ieder gewest stuurde afgevaardigden naar de Staten-Generaal. Taken Staten-Generaal:
a. Samenwerking regelen tussen de gewesten.
b. Het beslissen over buitenlandse politiek
c. Beslissen over defensie
d. Besturen van in de in het zuidelijke gewesten veroverde gebieden: Generaliteitslanden.

Belangrijke besluiten werden genomen met algemene stemmen (Drenthe niet). Holland betaalde de meeste belastingen en had dus in de Staten-Generaal de meeste invloed.
De machtigste man in de Staten-Generaal was de raadspensionaris. Hij leidde de Hollandse vertegenwoordiging in de Staten-Generaal.
Stadshouders:
- Veelal lid van huis van Oranje
- Waren ook de legerleiders
- Stonden hoog in aanzien
Vaak verschil van mening tussen stadhouder en raadpensionaris over het te voeren beleid in de Staten-Generaal. Steden - vooral bestuurd door burgers. De regenten speelde een belangrijke rol in de bestuurscolleges van de steden.

2. Bloei op verschillende gebieden: economie, wetenschap, schilder- en bouwkunst.

Economie: De economische groei ging in de 17de eeuw gewoon door, oorzaken:
a. Ondernemers gingen grotere risico’s nemen - producten ook op eigen rekening kopen en te vervoeren naar vrije markten.
b. Europese landen gingen koloniën stichten - wereldeconomie.

Schilder- en bouwkunst: na 1590 ook een sterke culturele bloei. In de architectuur kwamen er stadhuizen en pakhuizen. Ook werd er veel geschilderd - het werd een beroep. Dit kon omdat de welvaart steeg en mensen deze schilderijen kon kopen.

3. Veranderingen op de agrarische markt.

Boeren gaan door met commercialisering landbouw.
Amsterdam - centrale graanmarkt. Hierdoor hoefden boeren zich niet daar op te leggen maar gingen specialiseren op het intensieve verbouw van handels- en tuinbouwgewassen. Hollandse boeren - succesvol, droegen bij aan de hoge welvaart van het gewest. Na 1650 - prijsdaling, reactie boeren:
a. Extensiveren van landbouw (minder intensief bewerken van de grond) - personeelskosten besparen. Hierdoor ook daling opbrengsten, maar niet zoveel als dat de kosten daalden.
b. Efficiëntie verhogen. Gebruiken van dieren i.p.v. mensen (daling personeelskosten).
c. Zij legden zich toe op producten die het beste hun prijs hielden.
Keuterboeren (kleine boeren) - wel last van prijsdaling - hierdoor verdwenen de meeste keuterboeren.

Rijke burgers investeren op grote schaal in infrastructuur, landaanwinning en turfwinning:
a. Zij verbeterden de infrastructuur. 30 steden werden met elkaar verbonden (platteland ontsloten).
b. Zij zetten grootschalige projecten op touw voor landaanwinning door de drooglegging van meren (Beemster in 1612 en de Wormer in 1624). Hierbij werd ook geïnvesteerd in innovatieve technieken. Er werd veel geld gestoken in landaanwinning.
c. Veel geïnvesteerd in de turfwinning. Turf werd in het zuiden opgebaggerd, daarna in het Noorden met het hoogveen. Kostte veel geld - Hollandse investeerders verenigden zich in ‘Compagnieën’.
Belangrijkste functies turf:
a. Verwarming van huizen en gebouwen
b. Belangrijkste energiebron. (dus van belang voor de ontwikkeling van energie-intensieve vormen van nijverheid). Er kwamen kanalen om de turf mee te vervoeren (kostte veel geld).

4. Veranderingen in de nijverheid.

Toenemende vraag naar nijverheidsproducten.
Na 1585 neemt de vraag naar nijverheidsproducten toe (in Republiek en buitenland), oorzaken:
a. Bevolking + welvaart steeg, meer mensen konden meer kopen.
b. In landbouw nam zelfvoorziening af - boeren meer vraag naar nijverheidsproducten.

Investeringen in de nijverheid werden goed mogelijk:
a. In de Republiek was kapitaal zat beschikbaar tegen een lage rente.
b. In de jaren ’90 van de 16de eeuw, toen de opstand tegen Spanje geslaagd leek te zijn, steeg het vertrouwen in het investeringsklimaat in Holland en trok de arbeidsmarkt aan.

De Amsterdamse stapelmarkt bevordert de nijverheid.
Amsterdam was Europese stapelmarkt - voor de nijverheid waren er voldoende grondstoffen en exportmogelijkheden. Suiker uit Amerika werd in Amsterdam geraffineerd en verhandeld. Visserij en toegenomen handel veroorzaakten een toename van trafieken: ontstaan zoutziederij en zeepziederij waar walvistranen voor nodig waren.

Val van Antwerpen bevordert nijverheid in Holland.
Val van Antwerpen in 1585 had gevolgen voor de economie van de Noordelijke Nederlanden:
a. Naar het noorden uitgeweken ondernemers uit de Zuidelijke Nederlanden zorgden voor een toevloed aan kapitaal en commerciële kennis.
b. Introductie nieuwe bedrijfstakken - vooral in de textielnijverheid (in Zuid-Nederland hoog niveau). Vanuit buitenland kennis naar Holland waar hier industrieën groeiden.
c. Naar het noorden uitgeweken geschoolde arbeidskrachten brachten veel technische kennis en kunde met zich mee - stimuleerde technische vernieuwingen. Hoge loonkosten gecompenseerd door hun hoge arbeidsproductiviteit.
Na 1635 - veel productie verhuist naar platteland omdat daar de loonkosten lager liggen (veelal minder geschoold werk).

De scheepsbouw komt tot bloei.
Deze profiteerde van de groei van de handel en het verkeer. In Sont moesten schepen tol betalen, naar grote van het dek. Door bouw van het fluitschip (1635), waarbij het dek klein was, werd de tol tot nihil beperkt.
Scheepsbouw in Republiek goedkoop:
a. Lage invoerrechten op scheepsbouwmaterialen, technische voorsprong en lage belastingen.
b. Grootschalige productie maakte standaardisatie in de bouw mogelijk. In de Republiek in de 17de eeuw zijn ongeveer 40.000 schepen gebouwd, waarvan 80% fluitschepen.

Bloei van andere takken van nijverheid.
Door groei scheepsbouw groeide ook de zeilmakerijen en de houtmakerijen. Maar de groei van de wapenindustrie en de buskruitfabricage hadden andere oorzaken:
a. Niet alleen de overheid (oorlogsschepen) maar ook particulieren (handelsschepen) hadden veel wapens en buskruit nodig. Deze laatste had het nodig voor bescherming tegen kaapvaart en piraterij. Kaapvaart: officieel onderdeel van oorlogvoering, het buitmaken van vijandelijke koopvaardijschepen - Duinkerker Kapers, beruchte kapers in Noordzee.
b. Talrijke oorlogen en gewapende conflicten.
Andere gunstige factoren voor de nijverheid:
a. Dichte waterwegennet maakte goede onderlinge verbindingen tussen bedrijfstakken mogelijk.
b. Goedkope energiebronnen waren aanwezig. Turf en wind waren belangrijk. Wind dreef molens aan

Naast de gilden ontstaan nieuwe bedrijven met nieuwe verhoudingen.
Gilden hadden geen sterke positie in de Republiek (als in andere Europese landen), maar werden steeds meer als hindernis gezien voor ondernemers. Zij waren gebonden aan allemaal regels en waren te langzaam. Zeker toen de vraag naar goederen alsmaar toenam. Alles groeide van huisnijverheid tot aan de grootschalige bedrijven. Die laatste verschilden van de gilden: meer bedrijfsvrijheid en soepelere regels en arbeidsdeling. Daarnaast waren de nieuwe bedrijven kapitalistisch waardoor de houding van baas tegenover personeel veranderde - dit schiep klimaat waarin arbeidsconflicten snel konden escaleren. Er ontstonden geen strijdbare organisaties van arbeiders. Factoren die daarbij een rol speelden:
a. Arbeiders vormden geen eenheid.
b. Er kwamen steeds nieuwe immigranten die bereid waren voor een laag loon te werken.

Kinderarbeid neemt toe.
Einde 16de eeuw nam dit toe. Nog liever kinderen dan vrouwen want die waren goedkoper.

5. Veranderingen in handel, scheepvaart en visserij.

De handel en scheepvaart va de Republiek konden zich na 1585 spectaculair uitbreiden.
Amsterdam kon uitgroeien tot het handelscentrum van Europa:
a. Door de blokkade van de Vlaamse kust werd Antwerpen voor de zeehandel onbereikbaar.
b. Amsterdam profiteerde van zijn centrale ligging in Europa.

Amsterdamse stapelmarkt wordt goed georganiseerd.
Eerst was graan belangrijk, later de luxe goederen (suiker e.d.). Het werd steeds makkelijker gemaakt om te handelen.
a. Zo ontstond (na 1600) de Koopmansbeurs - beurs voor diegene die iets met handel hadden:
- leningen afsluiten
- personeel vinden en dus in dienst nemen
- goederenprijzen vergelijken
- informatie over verzekeringen winnen.
b. 1609 - Wisselbank. Hier konden handelaren muntgeld wisselen en transacties verrichten.
c. Bank van de lening (1614): men kon hier geld lenen tegen onderpand (sierraden). Veel mensen die meteen geld nodig hadden leenden hier. Kooplieden leenden hier bijv. tegen hun voorraden.

De koopvaardijvloot en de internationale handel breiden zich sterk uit.
Gunstige factor voor de handel - groei van koopvaardijvloot (van Holland was de grootste van Europa - zij verzorgde het grootste deel van de vrachtvaart en hield internationale contacten). Er was veel behoefte aan hout en graan (Oostezeelanden) en zout (Frankrijk). Handel in:
a. Oostzeegebied - kreeg een boost tijdens het Twaalfjarige Bestand, een wapenstilstand met Spanje (1609-1621).
b. Middellandse Zee - hier werd katoen, wijn, olijfolie en zijde vandaan gehaald.
c. Rusland - hiervan uit werd kaviaar en bont gehaald en die werden naar de stapelmarkt vervoerd. Bijna alle kaviaar ging naar Italië.
d. Azië, Amerika etc.
Internationale handel werd beïnvloed door politieke ontwikkelingen. Vrede was goed voor de handel, want oorlogen wierpen hindernissen op, maar oorlog kon ook zorgen voor betere afzetmarkten - wapens.

De VOC beheerst de handel op Oost-Indië.
‘Compagnieën van Verre’ beconcurreren elkaar.
Begin 16de eeuw - specerijen gewild, maar waren duur. Kwamen uit Indië, hiermee kon grote winst behaald worden. Dit was in handen van de Portugezen.
Einde 16de eeuw - de handel in specerijen nam af door twee oorzaken:
- optreden van Britse kapers in de zuidelijke Atlantische Oceaan
- Hollandse scheepvaart werd in 1585 getroffen door een embargo van Fillips II op de
handel met Portugal.
gevolg: aandeel in de specerijen daalde voor Holland - wou nu graag eigen handelsroute naar Indië - ‘Compagnieën van Verre’ wordt opgericht.

De VOC wordt opgericht.
In 1602 - VOC opgericht. Alle ‘Compagnieën van Verre’ werden daarin opgenomen - einde aan onderlinge concurrentie en krachten gebundeld. De VOC kreeg van de Staten-Generaal:
a. Monopolie op de handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop.
b. Soevereine rechten (bestuurlijke bevoegdheden) in gebieden ten oosten van Kaap de Goede Hoop:
- ze mocht zelfstandige verdragen sluiten met Aziatische vorsten
- zelfstandig oorlog voeren in Azië
- in Azië mochten ze forten bouwen.
Kosten van de soevereine rechten moest de VOC zelf betalen.
Eerst waren specerijen belangrijk - later ook thee (uit China) en textiel (India).

De driehoekshandel van de WIC.
Door het embargo kon de Republiek geen zout meer uit Portugal halen - daarom vertrok ze naar het Caribisch gebied, West-Afrika e.d. Hierdoor ontstond de driehoekshandel: Republiek, West-Afrika en Amerika - oprichting WIC (West-Indische-Compagnie) in 1621 (drijfveer: Willem Usselinx). De WIC kreeg van de Staten-Generaal:
a. Het alleenrecht op de Atlantische handel (Amerika en West-Afrika).

1. WIC schepen voeren vanuit Republiek naar West-Afrika: hier werden Hollandse nijverheidsproducten geruild tegen slaven en goud.
2. Vanuit daar werden de slaven naar Amerika gebracht en verkocht.
3. Uit Amerika brachten ze suiker, koffie, cacao en tabak naar de Republiek.

Kaapvaart van de WIC.
De WIC kwam aan het einde van de wapenstilstand tussen Spanje en de Republiek (Twaalfjarig Bestand). Daarna begon de oorlog weer tussen Spanje/Portugal en de Republiek. Republiek ging nu kaapvaart starten.

Visserij: haring en walvissen.
Het belangrijkste was de haringvisserij (grote visserij). Zoute haring was voornaamste exportproduct. Men kwam achter een grote hoeveelheid walvissen. Gevolg: oprichting van de Noordse Compagnie (1614). Zij kregen van de Staten-Generaal het alleenrecht op het jagen van robben en walvissen. Walvissen waren nodig voor het spek en de traanolie. In 1642 werd de Noordse Compagnie opgeheven - er werd vanaf nu door individuele ondernemers op walvissen gejaagd.

6. De overige gewesten

Zuiden en oosten van de Republiek blijven economisch achter. Oorzaken:
a. Er waren niet altijd goede verbindingen met het westen (ontbreken waterwegen).
b. Boerenbedrijven bleven, meer dan in het westen, zelfvoorzienend. Er werden dieren gehouden voornamelijk voor de mest voor op het akkerland. Productie voor eigen, niet voor verkoop.
c. Investeren in bedrijven op zandgronden was niet rendabel (meer mest nodig). Vaak werd er hier rogge verbouwd, maar door de lage prijs van Rogge uit het Oostzeegebied was het niet rendabel.
Bevolking nam nauwelijks toe, en van urbanisatie was geen sprake.
Er was wel wat samenwerking tussen het westen en de rest van de Republiek:
a. Een klein deel van de keuterboeren in het zuiden en oosten was opgenomen in de markteconomie van de kustprovincies. Er werd tabak verbouwd, deze diende als aanvulling op de tabak uit Amerika. Dit was licht werd en werd gedaan in kleine bedrijfjes door vrouwen en kinderen.
b. Rond het midden van de 17de eeuw werd een deel van wolweverij van Leiden naar Tilburg gebracht waar de lonen lager waren.
c. Haarlemse kooplieden zetten plattelanders in Den Bosch aan het werk - linnengarens spinnen.
In gebieden buiten het economische centrum van de Republiek ontstond specifieke nijverheid:
a. Papierfabricage op de Veluwe
b. Weverij werd als huisnijverheid bedreven - vooral in de winter, wanneer er op het land niets te doen was.

7. Veranderingen bij de overheid.
In 17de eeuw:
- Politiek met buitenland: Staten-Generaal.
- Politiek in binnenland: particularisme - ieder gewest was op eigen voordeel bedacht.

De overzeese handel werd beschouwd als hoeksteen van de economie van het land, deze bevorderen:
a. Er werden in de havens in en uitvoerrechten geheven. Met de opbrengst daarvan werden oorlogsschepen in de vaart gebracht (om koopvaardijvloot te beschermen).
b. De overheid verleende monopolies (VOC), hoerdoor krachten gebundeld.
Grote afhankelijkheid van de ondernemers bij de overheid. Overheid steunde de ondernemers:
a. Zij zorgde voor gunstige regels en aantrekkelijke voorwaarde voor de ondernemers.
b. Zij gaf de ondernemers opdrachten - leveren goederen (leger en vloten), overheid grootste klant.
c. De overheid leende geld van de ondernemers, die van de rente konden profiteren.
d. Bij sociale conflicten tussen ondernemers en anderen koos zij de zijde van ondernemers.
Na einde van Twaalfjarig Bestand (1621) - handelspolitiek Republiek agressiever:
a. Uitte zich ten tijde van oorlogen (bijv. kapingen).
b. Uitte zich ook in het stelselmatig kleinhouden van omringende landen. Hogere invoerrechten in de Zuidelijke Nederlanden, zodat daar minder naar geëxporteerd zou worden.

8. De internationale situatie

De Tachtigjarige Oorlog.
In begin van deze oorlog strategische positie voor de Republiek + overheersende rol. Oorzaken:
a. Stadhouder Maurits veroverd een groot aantal steden in het zuiden, noorden en oosten. Republiek + Zeeland niet meer geïsoleerd.
b. Gunstig dat Spanje niet alleen tegen de Republiek vocht. Aanvallen waren vaak op anderen gericht.
c. Omringende landen huurden schepen uit de Republiek.
d. In Frankrijk heerste er 30 jaar lang godsdienstoorlogen.
Strijd tussen Spanje en Republiek - geen handel meer. Bood wel nieuwe handelsmogelijkheden - einde specerijenhandel in Antwerpen, die werd verplaatst naar Amsterdam.

Het Twaalfjarig Bestand was gunstig voor de handel van de Republiek:
a. De Spaanse en Vlaamse kaapvaart vanuit Duinkerken werd opgeschort.
b. Spaanse handelsembargo werd opgeheven - Republiek kon weer naar Spanje en Portugal.
1620 - economische crisis. Na Twaalfjarig Bestand werd de oorlog weer hervat. Gevolgen Republiek:
a. De Vlaamse kapersvloot werd uitgebreid (Hollandse vloten tot zinken brengen).
b. De vele kapingen leidden tot een verhoging van de verzekeringspremie - vrachtprijzen stegen. Hierdoor slechte concurrentiepositie.
c. Handel met Spanje, Portugal, Oostzeegebied en Middellandszeegebied werd ernstig getroffen. Landen gingen nu zelf de producten ophalen en vervoeren.
Deze ongunstige gevolgen werden gecompenseerd door:
a. Het toenemen van de koloniale handel (WIC/VOC)
b. De bloei van de Leidse en Haarlemse textielindustrie
c. De toegenomen vraag naar landbouwproducten in Duitsland en de Zuidelijke Nederlanden.
Handel groeide door: WIC die in West-Afrika en Amerika begon en de VOC breidde steeds uit.

Textielindustrie en landbouw profiteren van Dertigjarige Oorlog (1618-1648).
Oorlog begon als conflict in Duitse Rijk tussen protestanten en katholieken - werd Europees conflict tussen de Habsburgers (Oostenrijk en Spanje) en Denenmarken, Spanje en Zweden. Het speelde zich o.a. af in de Zuidelijke Nederlanden - er werd veel vernield en burgers sloegen op de vlucht naar de Republiek.
a. Textielindustrie nam de industrie van Duitsland over omdat daar oorlog woedde.
b. Landbouw nam toe, veel legers hadden behoefte aan landbouwproducten.

Gunstige en ongunstige gevolgen van de Vrede van Munster.
In 1644 begonnen de onderhandelingen tussen de Habsburgers en anderzijds de Republiek, Frankrijk en Zweden. In 1648 werd de Vrede van Munster gesloten - maakte een einde aan Tachtigjarige en Dertigjarige oorlog. Republiek werd als onafhankelijke staat erkend. Bloei in economie van Republiek:
a. Nu kwam er echt een einde aan het Spaanse embargo, de handel met Zuid-Europa nam toe.
b. Opleving van de handel in hoogwaardige (specerijen uit Indië) goederen en de diversiteit ervan. Hoogwaardig Nederlands product was fijn laken.
c. Doordat Frankrijk Duinkerken verwierf, kwam er na 1662 een einde aan de Vlaamse kaapvaart.

Ongunstige gevolgen:
a. De vrachtvaart van graan liep terug omdat de prijzen van Pools graan stegen.
b. De Hollandse handel werd belemmerd door mercantilistische maatregelen (protectionisme). Op twee manieren:
1. Na embargo had Holland de hele handel in de Middellandse Zee overgenomen van de Engelsen - reactie Engelsen: Acte van Navigatie (1651). Alleen Engelse schepen mochten producten in Engeland vervoeren. Alleen producten uit de Republiek zelf mochten worden verhandeld.
2. De invoerrechten in Frankrijk werden flink verhoogd.
c. De spanningen op handelsgebied met Engeland leidden tot de Eerste en Tweede Engelse oorlog (op initiatief van de Engelsen).
1e Engelse oorlog (1652-1654): de vloot van de Republiek was in het zeegebied rond Engeland niet opgewassen tegen de Engelsen. De oorlog bleef onbeslist.
2de Engelse oorlog (1665-1667): speelde zich af in Amerika. Engelse vloot veroverd daar Nieuw-Nederland en de Republiek veroverd daarop Suriname van de Engelsen. Bij de Vrede van Breda (1667) werd bepaald dat beide partijen hun veroveringen mochten behouden.

Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk.
In de eerste jaren na de Vrede van Munster stond de Republiek op het hoogtepunt van haar macht. Willem II overleed (stadhouder) - geen nieuwe stadhouder gekozen: Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672). Stadhouders waren voorheen ook legerleider - nu geen stadhouder, dus: leger viel ineen: 1672.

Het rampjaar 1672.
Frankrijk en Engeland handel Republiek indammen (zie hierboven) - geen genoeg effect, dus aanval van vorst-bisschoppen die aanspraak maakten op gebieden in het oosten en noorden van de Republiek. Willem III wordt stadhouder. Franse troepen kwamen tot in Zeist waar ze wachtte op een aanval van de Engelsen vanuit zee. De Republiek wist deze af te slaan maar er werden wel delen van het noorden veroverd. Willem III viel aan en kreeg hulp van Oostenrijk en Spanje. Franse troepen trekken zich terug (december 1673) en Engeland sloot vrede (1674) - grote economische schade aan de Republiek.

9. Sociale verhoudingen

Verzorgende functie van de stad ten opzichte van het platteland.
In dorpen waren er wel winkeltjes maar voor advocaten en notarissen moest met naar de stad.

Verschillen tussen het westen en het oosten van de Republiek.
In het westen was er de mogelijkheid om sociaal te stijgen. In het oosten bestond nog steeds de standenmaatschappij.

Bevolkingslagen in de Republiek.
a. De gegoede burgerij. Grote ondernemers in handel en nijverheid. Zij maakten de dienst uit. Enkele zeer rijke families uit de gegoede burgerij, de regenten, bekleedde de hoge bestuursfuncties.
b. Kleine burgerij. Kleine winkeliers
c. Volksklasse. Losse arbeiders, van het verdiende loon kon men net leven.
Prestige van adel bleef hoog ondanks zijn geringe macht.

De armenzorg is goed ontwikkeld.
Ouderen, gebrekkigen e.d. hadden veelal niet de mogelijkheid voor zichzelf te zorgen - dit deden de overheid en de kerken. Armen kregen in de wintermaanden kleding, ze mochten naar een bejaardentehuis. Werklozen armen moesten werken in werkhuizen. Buitenlandse verbazing bij de goede regeling van het Krankzinnigenhuis. Door de goede economie kon iedereen aan het werk, ook krankzinnigen werden hiervoor gebruikt.

Omvang van gezinnen.
Veelal in steden sprak men van kerngezinnen: ouders en kinderen. Op het platteland was er vaak sprake van uitgebreide families: ouders, kinderen en grootouders/broers/zussen etc. Kenmerkend voor demografisch patroon: (bij allen oorzaak: gebrek aan bestaansmiddelen)
a. Sterke migratie van platteland naar stad.
b. Hoge huwelijksleeftijd
c. Groot aantal ongehuwden.

Het totstandkomen van huwelijken.
Huwelijken werden geregeld door de families. Men koos vaak iemand uit dezelfde sociale klasse en gemengde huwelijken (protestants-katholiek) kwamen weinig voor.

Belangrijke plaats voor vrouwen in de samenleving.
Door vrije partnerkeuze werd de positie van de vrouw verbeterd. Tijdens het huwelijk is de vrouw: handelingsonbekwaam (geen keuzes mogen maken). Na de scheiding/dood van de man is zij weer handelingsbekwaam. Vrouwen waren vaak ook een belangrijk partner in het bedrijf van de man. Vrouwen werkten overal: als dienstmeid, op het platteland, in het bedrijf van de man etc. Veel vrouwen konden ook lezen en schrijven. Het buitenland keek verbaasd dat de positie van de vrouw zo goed was.

10. Veel immigranten komen naar de Republiek

Immigranten: van waar en waarom? Vanaf 1585 kwamen er steeds meer immigranten:
a. Uit de Zuidelijke-Nederlanden na de val van Antwerpen. Velen kwamen om hun protestantse godsdienst te kunnen beoefenen, anderen kwamen vanwege economische motieven.
b. Na 1620 kwamen er veel immigranten uit Duitsland. Dit waren veelal protestanten die de Dertigjarige Oorlog wouden ontlopen en daarom een protestants oord zochten.
c. Veel joden trokken naar de republiek. Zij kwamen o.a. vanwege dat ze in herkomstland werden vervolgd voor hun geloof. Ook kwamen zij uit economische motieven. Er kwam ook nog een tweede groep in 1620 uit Duitsland en Polen. Zij waren gevlucht voor pogroms (jodenvervolgingen door plaatselijke bestuurders/bevolking) en hadden hun bezittingen achtergelaten.
d. Er kwam een groep dissenters (protestanten die vonden dat de Anglicaanse staatskerk te katholiek was) uit Engeland.
e. Uit allerlei landen kwamen transmigranten (migranten die zich meestal niet blijvend vestigden). Zij gingen in dienst van de VOC/WIC.
f. Uit Duitse grensgebieden kwamen seizoensarbeiders.

De immigranten zijn merendeels welkom.
Er was een constant tekort aan arbeiders dus de immigranten waren welkom. De opname van de migranten verliep veelal goed. De tolerante gold dus voor iedereen.

Wantrouwen tegen Joodse migranten.
Joden waren geen christenen en behielden hun eigen gebruiken. Daarom werden zij met meer wantrouwen bekeken. Ook angst voor concurrentie. Dit bleek uit:
a. Joden mochten geen lid worden van een gilde, dus gingen ze buiten de gilde werken.
b. Joden werden getroffen in de talrijke stadsoproeren.
c. De stadsbesturen namen soms beperkende maatregelen, zoals verbod op seksuele relatie met christenen.
d. Bouwen van een synagoge werd niet vaak toegestaan. In 1639 kwam pas de eerste.

De immigranten zorgen voor een bevolkingsgroei.
In de tweede helft van de 17de eeuw stagneerde het aantal immigranten.

1. De republiek en de rest van de wereld.

De Republiek gaat op politiek en economisch gebied achteruit.
De Europese politieke en economissche machtsverhoudingen veranderen in de ‘Zilveren Eeuw’:
a. Invloed Frankrijk en Engeland + Europese politiek groter - economie ontwikkeld, interne rust.
b. Betekenis van Spanje op politieke toneel werd minder
c. Republiek verloor grote rol in Europese politiek, belangrijkste oorzaken:
1. De macht van Frankrijk en Engeland was in de 18de eeuw toegenomen, Republiek kon op gevoerde oorlogen tussen Engeland en Frankrijk geen invloed uitoefenen.
2. Willem III was koning van Engeland (1689) geworden - Republiek luisteren naar Engeland.
3. Op economisch gebied ondervond de Republiek steeds meer hinder van het mercantillisme in andere Europese landen.
Herstel van landbouw in Europa (2de helft 18de eeuw) - economische groei.

Veranderingen in de koloniën. Ook in koloniën eind 17de eeuw veranderingen:
a. Groeiende economie in Europa dus: meer producten uit koloniën halen (uitbreiden koloniën.)
b. In Azië - Republiek achteruit, kreeg concurrentie van Engelsen (vestigde daar handelsposten).
c. In Suriname (sinds 1667 van Republiek) werden er een plantage-economie gesticht met Afrikaanse slaven leverden suiker, koffie en tabak op voor Europese markt.
d. De slavenhandel van Afrika naar Amerika kwam na 1713 grotendeels in handen van Engelsen, WIC had nog wel wat invloed - wel steeds meer kritiek op slaven (verlichtingsdenken).

Onder invloed van de verlichting toenemende kritiek van de burgerij.
De gegoede burgerij kreeg steeds meer macht in Europa.
• In Engeland had Willem III al de Bill of Rights moeten ondertekenen: alleen het parlement mocht besluiten nemen.
• In Frankrijk vergroten de koningen hun macht - volk kreeg meer rechten na de Franse Revolutie.
• In Republiek - macht lag in handen van kleine groep regenten. Steeds meer kritiek op hun door patriotten (eisten invloed in bestuur). 18de eeuw - eeuw van de Verlichting (verstand voorop) (patriotten). Op politiek gebied wilden zij volksoevereiniteit. Verlichting had grote aanhang.

2. Veranderingen op de agrarische markt.

De landbouw in het westen en noorden: achteruitgang en herstel.
De boeren kregen na 1670 met moeilijkheden te maken:
a. Landbouwprijzen daalden omdat de bevolkingsgroei stagneerde en de vraag niet meer toenam.
b. De Engelse concurrentie zorgde voor afzetproblemen.
c. Lonen van landarbeiders + inwonend personeel relatief hoog - boeren met hoge loonkosten.
d. Belastingen op onroerend goed gingen omhoog door de oorlogen.
e. Veel boeren hadden last van een veepest
f. Vanaf 1730 werden de zeedijken aangepast door de ‘paalworm’. Vervangen door steen, waterschaplasten voor boeren gingen omhoog.

De Hollandse landbouw hersteld zich. (Vanaf 1740), door de volgende maatregelen/omstandigheden:
a. In Europa groeide de bevolking - vraag nam toe, dus prijzen stegen.
b. Boeren gingen zich meer toeleggen op productie van handelsgewassen.
c. Door vernieuwingen - besparen op arbeidskosten
d. Holland verlaagde in 1750 de grondbelasting.
e. Pachtprijzen in westen gedaald, deze bleven laag
Landbouw in oosten meer marktgericht. Daar hadden ze minder last van de economische achteruitgang:
a. Produceerden alleen voor eigen gebruik - niet afhankelijk van Europese landbouwprijzen.
b. Pachten werden betaald met eigen producten - weer niet afhankelijk van die landbouwprijzen.
c. Op gemengd bedrijf konden gevolgen van depressies makkelijk worden opgevangen (meer keuze).
d. Boeren konden bijverdienen door huisnijverheid.

Kleine boeren in oosten richten zich vanaf 18de eeuw meer op de markt:
a. Zij gingen op zandgronden arbeidsintensieve gewassen voor de markt produceren. Zij hadden veel werknemers (vrouw, kinderen) dus richtten zij zich op gewassen die veel werk nodig hadden. Raakten verbonden met markt - dus ook met conjuncturele ontwikkelingen.
b. De aardappelteelt (vanaf 1730 en arbeidsintensief) groeide onder kleine boeren. Grote boeren gingen voor arbeidsextensieve arbeid. Vanaf 18de eeuw aardappel volksvoedsel.

3. Veranderingen op het gebied van nijverheid.

De nijverheid stagneert of gaat achteruit.
In de 18de eeuw blijft de economie van de Republiek achter op die van Engeland en Frankrijk. Ook voor nijverheid waren er gevolgen (scheepsbouw, trafieken). Uiteindelijk kregen alle takken er last van:
a. Hoge loonpeil.
b. Het niet verder toenemen van de arbeidsproductiviteit
c. De toenemende concurrentie en protectie van vooral Engeland en Frankrijk.
Republiek - stagnatie sterkst voelbaar (connecties met internationale markt). Wel kwamen er subsidies.

Aanpassing aan nieuwe omstandigheden.
Nijverheid 18de eeuw: aanpassingen en achteruitgang. Bleef wel bestaan, soms op grote schaal:
a. Scheepsbouw in Zaanstreek had veel werk te bieden. Midden 18de eeuw - achteruitgang.
b. Papiermolens bleven functioneren en werkgelegenheid bieden. Leed nauwelijks onder de teruggang  papier exportproduct + in binnenland was boekdrukkunst bekend.
c. Steenbakkerijen gingen ook nauwelijks achteruit - er bleef vraag voor de scheepsballast.
d. In de eerste helft en laatste helft van de 18de eeuw bloeit de suikerraffinage weer op.
e. Nieuw opkomend was de jeneverstokerij - kleine bedrijfjes. Het gerst dat overbleef werd gebruikt als varkensvoer. Jenever werd grotendeels geëxporteerd.
f. Door de komst van textielnijverheid was er in Brabant en Twente economische groei.
Gunstige factoren voor het voortbestaan van de nijverheid waren:
a. Beschikbaarheid van water, turf en windkracht.
b. Hoge kwaliteit van nijverheidsproducten zorgde voor exportmogelijkheden.

De werkgelegenheid kan zich handhaven.
In nijverheid - werkgelegenheid bestaan, ook op andere gebieden bleef deze bestaan:
a. Amsterdamse stapelmarkt zorgde nog steeds voor veel indirecte werkgelegenheid.
b. De rol van de VOC als werkgever in de 18de eeuw werd groter. De VOC werd de grootste werkgever van de Republiek.

4. Veranderingen op het gebied van handel, scheepvaart en visserij.

Kooplieden worden bankiers.
In de 18de eeuw gingen kooplieden zich steeds meer richten op het bankwezen (kredietverleningen etc.):
a. Kooplieden verleenden vooral kredieten aan hun leveranciers van goederen (bonden zich aan hen).
b. Kooplieden gingen verzekeringen uitgeven - zeeverzekeringen (vracht + schip verzekerd).
c. Wisselhandel en acceptbedrijf kwamen voort uit het al lang bestaande gebruik waarbij niet met contant geld werd betaald maar met wisselbrieven: de koper verplicht zich in de toekomst het geld te betalen (verleend krediet). Deze verkopers verkochten de wisselbrieven vaak door (zo kwam briefgeld in beeld).
d. Sommige handelaars in wisselbrieven specialiseerden zich in het acceptbedrijf. Zij accepteerden buitenlandse wisselbrieven en gaven kopers van die brieven de garantie zelf de koopsom uit te betalen als de uitgever van de wisselbrief in gebreke bleef
In de 18de eeuw ontstonden zo uit koopmanshuizen bankiershuizen met internationale faam.

Amsterdam wordt kapitaalmarkt.
Financiële ondernemingen - concentreren zich in Amsterdam (kapitaalmarkt, zorgde voor werkgelegenheid). Investeringen en leningen werden op de Amsterdamse kapitaalmarkt geregeld:
a. Dividenden als inkomstenbron werd belangrijk (in Republiek - meer mensen gingen investeren/geld lenen in/aan het buitenland). Door velen crises waren deze inkomsten ongeregeld. Er werd veel belegd in Engeland.
b. Binnen de Republiek was het veilig om te beleggen omdat de Staat steeds meer ging lenen. Ook particuliere ondernemingen leenden veel (leverde meer op, bracht ook meer risico’s).
De Rijke elite had de meeste beleggingen in handen, dus ook de meeste rente. Gevolg: ongelijke spreiding van rente-inkomsten in de Republiek.

De internationale handelsvaart gaat relatief achteruit.
Koopvaardij had in 18de eeuw nog veel werk te bieden - internationale handelsvaart bleef bestaan. Toch werd er steeds meer terrein verloren aan de Engelsen, oorzaken:
a. Concurrentie van de havens van Engeland en Hamburg.
b. Het Europese mercantillisme.
c. Oorlogen
d. Grote bedragen die steden moesten betalen om verzanding van havens tegen te gaan.

De positie van Amsterdam als handelscentrum wordt sterker, maar zwakker als stapelmarkt.
Handelscentrum werd sterker doordat steeds meer Amsterdamse koopmanshuizen zich toelegden op commissiehandel en voorbijlandvaart (goederen rechtstreeks van buitenlandse leverancier naar buitenlandse afnemer gebracht). Deze twee zorgden voor een daling van de goederenoverslag in Amsterdam, dus daling stapelmarkt.

De VOC groeit, maar maakt weinig winst. In 18de eeuw breidde de VOC haar activiteiten uit:
a. Zij vergrootte haar vloot. Er werden veel schepen gebouwd.
b. Zij vergrootte de toevoer van producten. Zij voerde in Amsterdam grotere hoeveelheden en meer gevarieerde koloniale producten aan, hierdoor nam de handel toe. Koffie was nieuw.
c. Zij breidde de inter-Aziatische handel uit. Veel handel in Azië was ruilhandel - maar zij waren niet geïnteresseerd in Europese producten. Daarom begon de VOC met de handel tussen het ene Aziatische land en het andere.
Ondanks bovenstaande - geen hogere nettowinsten. Vanaf 1780 leed de VOC alleen maar verlies en in 1799 werd deze door de Bataafse Republiek opgeheven met een schuld van 200 miljoen. Oorzaken afname nettowinsten:
a. Militaire uitgaven in Azië stegen. VOC sloot (om invloed te vergroten) bondgenootschappen met inlandse vorsten - hierdoor kreeg ze te maken met inlandse conflicten, die veel geld kostte.
b. Bestuurskosten in Azië stegen. VOC bracht veel gebieden onder haar bestuur - personeel nodig.
c. De corruptie in Azië nam toe. VOC-personeel stond in dienst van de VOC en mocht niet voor eigen rekening handel drijven, wat wel gebeurde.

De WIC wordt geen succes.
WIC had voorheen de alleenhandel tussen Amerika, West-Afrika en Europa. De Surinaamse plantages werden gefinancierd door bankiershuizen, maar werd een strop. De winstgevendheid nam af door:
a. WIC had te maken met hoge militaire kosten.
b. De producten uit Amerika waren minder kostbaar dan die uit Indië.
c. Er was concurrentie van de Fransen en Engelsen.
In 1674 ging de WIC failliet met 7,5 miljoen gulden aan schuld - regering richtte een tweede WIC op, maar was ook niet succesvol. In 1734 werd het WIC monopolie opgeheven. Nederland maakte vooral winst wanneer Engeland en Frankrijk met elkaar in oorlog waren, daar heerste dan schaarste dus meer vraag. In 1791 wordt de WIC opgeheven door de Staten-Generaal. Door de Vierde Engelse Oorlog waarin Engeland de zee beheersten had de WIC veel verlies. Alle bezittingen en gebieden van de WIC kwamen in handen van de Staten-Generaal.

De Nederlandse slavenhandel komt grotendeels in handen van de Zeeuwen.
Slavenhandel behoorde ook tot de driehoekshandel voor de Zeeuwen (nadat WIC was opgeheven). De helft van de slaven op Nederlandse schepen gingen naar Suriname. De andere helft werd via het slavendepot verkocht.

De visserij gaat achteruit. De visserij nam in de 18de eeuw sterk in betekenis af.
Haringvisserij. Laatste kwart van 17de eeuw neemt deze af, oorzaken:
- verandering van de haringtrek (minder haring voor, waar eerst wel zwom)
- verandering van de smaak van de bevolking
- meer concurrentie van andere vissers
Walvisvangst. Eind 17de eeuw had de walvisvangst zich verplaatst waardoor het walvisspek pas thuis werd gerookt, hierdoor nam de kwaliteit af. Door de lange reis waren de kosten hoog. Winstgevendheid was onvoorspelbaar - prijzen schommelden. Na 1770 raakte de kapitaalintensieve visvangst op retour. In 1777 kregen ze zelfs overheidssubsidies. In 1809 - einde walvisvaart.

Veranderingen buiten Holland en Zeeland.
Achteruitgang in nijverheid - betekend niet overal achteruitgang:
a. Herstel van landbouw zorgde in oostelijke gewesten voor een bloei - bij goede verbinding met Holland economische groei.
b. Friesland werd in de 18de eeuw belangrijker in de handel op de Oostzee.
c. In Tilburg en Twente was er economische groei door de daarheen verplaatste textielnijverheid.
d. Op de Veluwe bleef de papierindustrie belangrijk
e. Langs de rivieren (rivierklei) bleven steen- en pannenbakkerijen functioneren.

5. De overheid: problemen en verzet

De gewesten werken slecht samen.
Na de Gouden Eeuw - Zilveren Eeuw. De handel was de basis van de welvaart. Veel besluiten werden genomen met voordelen voor eigen gewest/stad. Gewesten hinderen elkaar door:
a. Onderlinge tolbarrières.
b. Onvoldoende samenwerking inzake infrastructuur
c. Toename van indirecte belasting.
Samenhangend economisch beleid - onmogelijk door tradities en machtsverhoudingen.

De Spaanse Successie Oorlog wordt voor Holland een financieel probleem.
Holland met Amsterdam als centrum bleef welvarendste gewest van de Republiek. De belastingen voor de Staten-Generaal moesten steeds meer worden opgebracht door het gewest Holland en daarin vooral door de stad Amsterdam. Spaanse Successie Oorlog (1701-1713) - Republiek + Engeland + Oostenrijk streden tegen Frankrijk. Oorlog vond plaats in Zuidelijke Nederlanden. Kosten moeten betaald worden door leningen. Holland in tijd erna veel geld kwijt aan de rente op leningen.

Hoge belastingen leiden tot Pachtersoproeren.
In de republiek bestonden:
directe belastingen
indirecte belastingen - niet door overheid geïnd maar door belastingpachters. Voordelen voor overheid hierbij:
1. Altijd verzekerd van inkomsten
2. Hoefde zelf geen ambtenaren op pad te sturen om dit te regelen.
3. Pachters boden tegen elkaar op, dus de overheid had de garantie dat de pachtsommen niet te laag waren
Belastingen gingen omhoog - door het tegen elkaar opbieden. Maatregelen die daaraan bijdroegen:
a. De accijnzen op verbruiksgoederen gingen omhoog en over meer producten geïnd.
b. Vermogende burgers kregen belastingtoeslagen op bezit en erfenis.
c. Boeren werden zwaar belast.
De belastingpachters kregen de schuld van de oplopende belastingen - belastingoproeren: 1747-1748. Huizen van deze pachters werden door de onderlaag geplunderd .

De Doelisten hebben weinig succes.
Naast de oproeren - verzet tegen de regenten (door middengroepen). Dit kwam duidelijkst tot uiting bij de Doelisten - stelden ‘elf artikelen’ met eisen op. De belangrijkste eisen waren, maatregelen tegen:
a. tegen de zelfverrijking van regenten
b. tegen de belastingpacht
c. tegen de vestiging van immigranten (concurrentie)
d. ter bescherming van de eigen stedelijke nijverheid.
Doelisten hadden hun hoop gericht op de nieuwe stadhouder Willem IV - maar hij bracht geen einde aan de heerschappij van de regenten maar hij verving er juist maar een paar. De belastingpacht werd wel opgeheven. Ook stadsbesturen proberen de economische neergang te stuiten met beschermende maatregelen en subsidies - samenwerking bleef uit.

6. De buitenlandse politiek: anti-Frans, anti-Engels of neutraal?

Stadhouder Willem III voert een anti-Franse politiek.
Na 1672 - verhouding met Frankrijk gespannen (doordat Lodewijk XIV een groot deel van de Republiek had veroverd). Willem III wou dat voorkomen - moest wel een verklaring tekenen waarbij Lodewijk toch een deel van de Zuidelijke Nederlanden kreeg. Regenten wouden geen oorlog - zou handelsrelatie met Frankrijk verstoren. Duinkerker kapers waren een bedreiging voor de Hollandse scheepvaart. In 1685 - anti Franse stemming in de Republiek door maatregelen van Lodewijk XIV:
a. de intrekking van het Edict van Nantes. Het Edict werd ingevoerd in 1598 in Frankrijk waarbij was afgesproken dat de godsdienstoorlog voorbij was en de protestanten hun eigen steden kregen en hun geloof (in eigen kerken) mochten belijden. Door de intrekking vluchtte er veel protestanten naar Engeland en de Republiek - ant-Franse beleid van Willem III werd zo gesteund.
b. het invoeren van nieuwe importheffingen die de Hollandse handel belemmerden. Willem III (koning Engeland -1689) liet wel de Akte van Navigatie bestaan.
Daarna veel coalitie-oorlogen - Spaanse Successie Oorlog (1701-1713) was er een van (ging op Spaanse troonopvolging). Republiek verzwakt - oorlog had veel geld gekost.

De regenten proberen een neutrale koers te varen.
Na Spaanse Successie Oorlog was de rol van de Republiek als mogendheid uitgespeeld:
a. Frankrijk + Engeland sterkere staten - door overname van belastingheffing (als in Republiek)
b. Handel en werkgelegenheid Republiek geschaad door mercantilistische maatregelen van Engeland + Frankrijk.
c. De oorlogen (zie hiervoor) hadden de Republiek veel geld gekost.
d. De schade voor de Republiek werden versterkt door het hoge loonpeil en geen verdere winstgroei. Producten uit Republiek waren daardoor te duur.
Staten-Generaal (regenten) wouden neutraal blijven (door slechte ervaringen met Willem III) - wel een verbond met Engeland (handel beschermen).
Handel - positief, door neutraliteit was het herstellen van de handel makkelijker
Nijverheid - negatief, steeds meer lijden onder importbeperkingen van buitenland

Twee dilemma’s in de buitenlandse politiek: kiezen voor Engeland of Frankrijk, voor leger of vloot?
Republiek was neutraal - toch veel commotie. Kiezen voor handel pro-frans/pro-engels - pamflettenoorlog. Door internationale spanningen in 18de eeuw nieuwe tegenstelling zee- en landgewesten:
a. Zeegewesten wilden investeren in oorlogsvloot (bescherming), Engeland was het grootste gevaar.
b. Landgewesten wouden opbouw leger tegen aanvallen van Frankrijk, Oostenrijk of Pruisen.
Er kwam geen besluit door:
a. Trage besluitvorming
b. Particularisme
c. Ook de komst van Willem IV (1747) bood geen doorbraak.
Gevolg: verwaarlozing en leger en oorlogsvloot - in het begin niets van gemerkt. In 2de helft 18de eeuw kon de zeevaart alleen doorgaan wanneer Engeland dat toeliet. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog legde de Engelsen de zeehandel van de Republiek volledig lam. Republiek mocht van Engeland geen handel meer met Amerika voeren, deed dit toch. Engeland verklaart Republiek de oorlog. Patriotten waren anti-Engels.

7. Veranderingen onder de regenten

Het bestuur van steden was in 17de en 18de eeuw in handen van Regenten. Er waren wel verschillen tussen de regenten van de Gouden en van de Zilveren Eeuw.

Regenten trekken zich terug uit actieve handel en beperkten zich tot financieel beheer.
a. De families, die hun vermogen hadden opgebouwd in de Gouden Eeuw bleven als financiers betrokken bij nijverheid en handel.
b. Zij belegden hun geld in aandelen VOC en obligaties van steden.
c. Zij financierden ook buitenlandse ondernemingen en verstrekten leningen aan staten en vorsten. (invloed op politiek in andere staten en rente opbrengsten).

Regenten worden steeds meer een gesloten elite
a. Regentenfamilies verdeelden ambten onder elkaar (toerbeurt of contracten van correspondentie).
b. In de loop van de 18de eeuw werd de regentenklasse een hechte groep waar niemand bij kon doordringen.
c. De buitens en het grondbezit van de regenten leken symbolisch voor de toenemende aristocratisering (het als adel gedragen, dus het hebben van landgoed en kasteel).

8. Problemen voor de overige bevolkingsgroepen

De adel in de landgewesten wordt armer, maar behoudt zijn aanzien.
Het aantal edelen neemt af maar blijft hoog in aanzien - boeren keken naar hun op. Tweede helft 17de eeuw – helft van 18de eeuw: agrarische crisis, oorzaak: stagnatie van bevolkingsgroei (dus minder vraag en daling prijzen) - adel krijgt minder inkomsten. De meeste elite had ook nog beleggingen waarvan zij inkomsten kreeg (rente).

De kleine burgerij en de volksklassen krijgen het moeilijk.
Kleine Burgerij (winkeliers, handwerklieden) kregen het ook lastig door:
a. Achteruitgang van de nijverheid.
b. Toenemende druk van de accijnzen.
De volksklasse had nog meer problemen - zij verloren hun baan en bleven werkloos (2de helft 18de eeuw). Hierdoor groeide de verpaupering (verarming). Veel burgers zagen verpaupering als bedreiging voor de maatschappij - de stadsdeuren werden gesloten voor hen (zedeloos + goddeloos). Eigen armen (armen, gehandicapten en wezen) werden wel door de elite geholpen (kerk). Patriotten zeiden: helpen van paupers leidt er toe dat deze mensen niet meer gaan werken dus onderwijs en werkinstellingen.

De positie van de vrouw verslechterd deels.
De rol van de vrouw als moeder werd steeds belangrijker (door nieuwe opvattingen over huwelijk/gezin). Op sommige terreinen werd de positie van de vrouw slechter in de 17de eeuw:
a. Steeds minder vrouwen konden lezen en schrijven. Jongens genoten meer onderwijs dan meisjes.
b. Vrouwen traden minder op de voorgrond in het economische leven:
- vrouw was moeder en huisvrouw. 
- verdwijnen veel kleine bedrijfjes waar man en vrouw samenwerkten, er kwamen grotere bedrijven, dus kwam werken en wonen apart te staan.
c. Vrouwen krijgen minder loon dan mannen.
Op sommige terreinen blijft de positie van de vrouw ongeveer hetzelfde:
a. Vrouwen konden nog steeds een publieke functie (in weeshuizen) vervullen.
b. Vrouwen uit lagere middenklasse/volksklasse bleven werken om genoeg geld te verdienen.
c. Alleenstaande vrouwen en meisjes konden soms geld verdienen in werkinrichtingen (opgericht door de overheid en kerken  bijv. produceren van textiel).
Mannen die naar Amsterdam trokken gingen bij de VOC werken of door naar de nieuwe wereld.
Vrouwen die naar Amsterdam trokken bleven daar wonen vrouwenoverschot in A’dam velen bleven ongehuwd, en moesten dus voor elite werken.

Sociale groepen doen aan zelfbescherming.
In moeilijke omstandigheden probeerde iedereen zichzelf te beschermen:
a. Kleine burgerij wilde (door Doelistenbeweging) bereiken dat haar positie beschermd werd.
b. Gilden namen maatregelen om hun positie te beschermen verwerven van meesterschap werd voor gezellen moeilijker gemaakt, andersom idem.
c. Nijverheidsbedrijven worden van dure Hollandse steden naar het platteland verplaatst (lage lonen).

9. Gevolgen van de veranderingen op economisch gebied

Immigratie neemt af.
Laatste immigrantenstroom die iets betekende voor de economie was die van de Franse hugenoten. Door achteruitgang economie - minder immigranten. Binnen de Republiek nog wel migratie (Oost-West).

Bevolkingsgroei komt vrijwel tot stilstand.
Welvaart daalde - huwelijksleeftijd steeg (lastig financiële basis te maken voor gezin). Stijgen huwelijksleeftijd + daling migratie - bevolkingsgroei tot stilstand. Inwonertal in steden daalde + verstedelijking van het gewest nam af (de-urbanisatie).

Stagnatie. In pamfletten (2de helft 18de eeuw) werd stagnatie uitgebeeld, er was aandacht voor:
a. Leegloop van steden
b. Dalende bedrijvigheid in traditionele nijverheid. (vooral in de textiel en aardewerk)
c. Groeiend aantal renteniers en bedeelden (armen die steun kregen). Zij namen geen deel aan economie, dus daalde het productieve deel van de bevolking.

1. De politieke zwakheden van de Republiek worden duidelijk

Al vanaf begin 18de eeuw - geld tekort om positie van Republiek te behouden. (weinig geld beschikbaar voor leger en vloot). Vierde Engelse Oorlog was een ramp - Republiek te afhankelijk van grootmachten.

De patriottenbeweging wordt met moeite onderdrukt.
Patriotten wilde een halt toe roepen aan de slechte omstandigheden in Republiek (ec. + pol.). Regenten + Willem V wouden geen hervormingen - patriotten nemen de macht over in aantal steden. Willem V voelde zich bedreigd, kon alleen met behulp van zijn zwager de macht terugwinnen (Pruisisch leger helpt).

Republiek vervangen door de Bataafse Republiek.
In 1794 verklaart Frankrijk de oorlog aan de Republiek. In december trok een Frans leger de Republiek binnen. Op 18 januari 1795 vlucht Willem V naar Engeland - strijd in Republiek wordt gestaakt. Door patriotten werden de Fransen als bevrijders binnengehaald. Republiek wordt - Bataafse Republiek (1795).

2. De economische achteruitgang van de Republiek.

De Republiek is in de 18de eeuw buitengewoon rijk.
Omvang van scheepvaart en internationale handel bleef gelijk aan die in de Gouden Eeuw. In de 18de eeuw nieuwe economische wegen ingeslagen - geldhandel. Het aandeel van de landbouw in de economie steeg en de productiviteit in deze sector bleef hoog. Groei door: bevolkingsgroei en groei Duitse achterland.

Pas na 1780 sprake van absolute economische achteruitgang.
De beleggingen leverden de regenten veel geld op. Maar ze waren, i.t.t. de 17de eeuwse regenten, weinig innovatief, ingeslapen en decadent - ze waren wel rationeel in het investeren in nieuwe ondernemingen (meer risico’s door concurrentie Engeland en Frankrijk). Vergeleken met het buitenland was er in de Republiek inderdaad achteruitgang (internationale marktaandeel + concurrentiepositie namen af). Na 1780 - echte achteruitgang.

Oorzaken en gevolgen van de relatieve economische achteruitgang.
Oorzaken:
a. Dynamiek van Hollandse handel in Gouden Eeuw aangetast door mercantilisme van Eng+Fr.
b. Economie van Frankrijk en Engeland groeide (mede door mercantilisme).
c. Engeland en Frankrijk ontwikkelden zich tot centraal geleide staten met duidelijke ec. Politiek.
d. In de Republiek bleef het particularisme bestaan. Eerst stond dit ec. groei niet in de weg, later wel.
e. Instelling van regenten veranderde - geen risico meer lopen dus beleggen in overheden.

Gevolgen:
a. Winstgevendheid van de handel en de nijverheid namen af. De nijverheidssteden werden getroffen (18de eeuw)
b. Amsterdam verloor de stapelmarkt voor koloniale waren en kapitaalhandel.
c. Bevolking nam af en er trad de-urbanisatie op, de steden van Holland en Zeeuwen liepen leeg.

1. De visie van de patriotten

Patriotten zagen in de 18de eeuw dat de Republiek niet meer de toon aangaf. 17de eeuw dynamiek, 18de eeuw stagnatie. Regenten waren niet meer bij handel betrokken verslapt. Dit beeld ook in 19de eeuw.

2. Visies in de 19de eeuw
Er ontstonden twee visies:

a. De protestantsnationalistische visies.
Volgens hen was de Opstand tegen Spanje een strijd om de godsdienst. Geuzen vestigden zich (onder leiding van Willem van Oranje) in de Republiek. De bloei van de Republiek was te wijten aan de gunstige ligging en de gevolgen van de scheiding van de Nederlanden en de val van Antwerpen.

b. De liberale visie
Opstand tegen Spanje was er niet alleen om de godsdienst maar ook om behoud van de vrijheid van steden en gewesten. De bloei was volgens hen ook te verklaren door de rol van regenten en stadhouders.

Dit hoofdstuk vormt geen onderdeel van de te toetsen stof. Het is bedoeld als handreiking aan docenten (vooral op het vwo) om het in hun lessen te bespreken.

REACTIES

P.

P.

mensen kan het nog langer?! het is bijna geen samenvatting meer joh :o

12 jaar geleden

B.

B.

ja klopt, het is wel heel lang, maar altijd nog beter dan het boek.

12 jaar geleden

L.

L.

Hoera, bedankt!
Idd beter dan het hele boekje, want daar kom ik níét uit.
Succes met examens iedereen!!

11 jaar geleden

N.

N.

superbedanktttt!

11 jaar geleden

D.

D.

@piet had je dan liever een korte maar nutteloze samenvatting gehad? (omdat er veel niet in voorkomt)

geschiedje leren is veel, jammer maar waar! mijn samenvatting is 45 bladzijden maar dat is voor het gehele CE.

11 jaar geleden

B.

B.

Goede samenvatting, maar geen samenvatting van de examenkatern, er staat meer informatie in en de hoofdstukken zijn niet op deze manier geordend.
Het zal vast wel goede informatie zijn, maar alleen de examenkatern wordt getoetst en ook de manier hoe het daar staat.

11 jaar geleden

H.

H.

@Bram
Dat is dus niet waar, het examen gaat over dit onderwerp. En er zijn verschillende boeken die deze informatie aanbieden, en elk boek heeft een andere manier waarop die deze aanbied en hoeveel en wat precies.

Als je denkt dat jouw boekje letterlijk getest word dan heb je het goed fout iig.

Thnx voor de samenvatting, ziet er compleet uit!

11 jaar geleden

D.

D.

Bedankt he:), ziet er goed uit die samenvatting! iig beter dan dat boek!

11 jaar geleden

G.

G.

Dank u, dank u dank u dank u dank u!
Ik vind dat boek zo lastig en raak helemaal gedemotiveerd om het te samenvatten. Stomste onderwerp ooit.

11 jaar geleden

N.

N.

respecteer gewoon het werk van andrn !!!

9 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.