Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

De VS en hun federale overheid

Beoordeling 5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo/vwo | 10717 woorden
  • 20 mei 2013
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 5
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

 Het Britse Rijk versterkte vanaf 1763 steeds meer haar greep op haar 13 koloniën in Noord Amerika.  De Engelsen hadden een oorlog gevoerd tegen de Fransen (die met de Indianen samenwerkten: French-Indian War 1754 tot 1763). De kosten van die oorlog werden verhaald op de inwoners van de koloniën, maar met de uitspraak “no taxation without representation” weigerden ze die belasting te betalen. Na allerlei strubbelingen (o.m. Boston Teaparty 1773) zou dit uitlopen op de Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) en de Amerikaanse Revolutie (1700-1800). Het betreft nl een heuse omwenteling: er kwam een afschaffing van het koningschap (George III) en er kwam een eind aan allerlei verouderde gebruiken en verhoudingen. Amerikanen voelden zich aan elkaar gelijk: de standsverschillen van het oude Europa kwamen te vervallen. Opstandelingen voelden zich aangesproken door Verlichtingsideeën van Locke, Montesquieu en Rousseau.


 Op 4 juli 1776 verklaren 13 Engelse koloniën zich onafhankelijk van hun moederland.


(De Acte van Verlatinghe uit 1581  zou hierbij als voorbeeld gediend kunnen hebben). Jefferson rechtvaardigde de opstand met de woorden “als een overheid de rechten van haar bevolking schendt dan heeft de bevolking het recht die regering af te zetten.


De nadruk van de 13 staten in het oosten van de VS lag tot de burgeroorlog (1861-1865) meer op de verscheidenheid van de staten dan op de eenheid. Er werd gesproken over: deze verenigde staten  hebben (meervoud) zich onafhankelijk gemaakt van hun moederland. Daarna kwam de nadruk te liggen op de eenheid van al die staten samen (e pluribus unum: uit vele staten één), hetgeen ook tot uitdrukking kwam in het taalgebruik: de Verenigde Staten werd (enkelvoud) in 1776 gesticht.


Bij de onafhankelijkheids-verklaring lag de nadruk op gelijkheid (all men are created equal) waarmee niet bedoeld wordt dat alle mensen gelijk zijn (denk aan achtergestelde positie van zwarten, indianen, vrouwen en armen) maar de absolute macht van de koning (George III) en de standenmaatschappij werden afgewezen. De immigranten, die veelal om geloofsredenen naar de Nieuwe wereld gevlucht waren, moesten hard werken om een (boeren)bestaan op te bouwen. Amerikanen beschouwden zich als een christelijke modelsamenleving (city upon a hill), waarnaar de hele wereld vol bewondering zou opzien.


 In 1777 werd er een grondwet voor de hele Unie ontworpen (de Articles of Confederation (=statenbond van onafhankelijke staten)) in 1781 goedgekeurd. Deze eerste grondwet werkte niet, omdat er een zwak centraal bestuur was (het Congres) dat volledig ondergeschikt was aan de deelstaten. De deelstaten drukten eigen geld, voerden een eigen handelspolitiek en er was zelfs geen gecoördineerd buitenlands beleid.


Vandaar dat 55 Founding Fathers in 1787 bijeen kwamen om een nieuwe grondwet te schrijven (waaraan niets veranderd mocht worden en het is nog steeds de oudste en steeds geldende grondwet in de wereld). Er mochten geen wijzigingen aangebracht worden wel aanvullingen (amendementen), maar die moesten de goedkeuring hebben van 2/3 van het Congres en van ¾ van de parlementen van de deelstaten. De Constitution van 1787 werd al in 1791 aangevuld met 10 amendementen: de Bill of Rights (waarin o.m. het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrij wapenbezit werd  vastgelegd. Verder bekende amendementen zijn het 13de (1865: einde slavernij, 15de (1870 verbod op discriminatie van ras) en het 19de (1920 (vrouwenkiesrecht in alle staten). De zuidelijke staten (die hiertegen waren) wisten deze wet te omzeilen door specifieke voorwaarden te stellen voor het inschrijven van het kiesregister. Zwarten moesten bijv. belasting betalen om zich in te mogen schrijven, of een moeilijk examen afleggen dan wel moest minstens één grootvader kiesrecht gehad hebben om zich in te mogen schrijven in het kiesregister.


De constitutie werd samengesteld volgens 3 principes:



  • trias politica (3 deling macht: wetgevend, uitvoerend en rechterlijk ( Montesquieu)

  • checks en balances (de 3 machten controleren elkaar en houden elkaar in evenwicht)

  • bij de verhouding van de deelstaten en de federale overheid werd bepaald dat:

  • De federale overheid (de unie) gaat over financiën (een munt) defensie, buitenlandse zaken,

  • de post en de in-en uitvoerrechten.

  • De deelstaten hebben hun eigen onderwijs, politie, rechtspraak, eigen grondwetten.

  • Maar de federale wetgeving staat altijd boven de deelstaatwetgeving.                                                                                                                   


Taken:


Indienen wetsvoorstellen



  • Goedkeuring wetten en begroting

  • Goedkeuring (vredes)verdragen

  • Goedkeuring benoemingen president

  • Opheffing veto president (2/3 meerderheid)

  • Impeachment (afzetten president)

  • Verklaren van de oorlog


Door de checks en balances controleert het congres de president (kan hem ook afzetten)


Alleen het congres mag oorlog verklaren, maar m.b.v. imperial presidency (kan president troepen naar buitenland sturen (zie blz. 17). Een president kan ook een executive order geven (een bevel, bijv. Truman 1948 antidiscriminatie in het leger). En met 2/3 meerderheid in het congres kan het veto van de president tegengegaan worden.


De president benoemt de rechters van het Hooggerechtshof, maar het Congres controleert de benoemingen.


De voor het leven benoemde rechters van het Hooggerechtshof toetsen de besluiten en wetten aan de grondwet. Bij de dood van een rechter kan de president een nieuwe benoemen (=invloed keuze republikein of democraat).


Er zijn 2 politieke partijen:



  • De Republikeinen:  voortkomend  uit noordelijke (industriële) antislavernij beweging stonden voor een sterke federale staat. Ze waren voor  rassengelijkheid en voor protectie (bescherming eigen industrie).

  • De Democraten kwamen voort uit de zuidelijke (agrarische/ plantagestaten) antifederalisten en waren tegen afschaffing van de slavernij en na de burgeroorlog (1865) voor segregatie (apartheid).


Conservatieven zijn behoudend, traditioneel, nationalistisch, religieus


Liberalen of progressieven zijn voor meer sociale gelijkheid, hervorming en vooruitgang.


Eind 1900  (1896 met opkomst van het populisme, waarbij Democraten zich het lot van sociaal zwakkere groepen gingen aantrekken en o.i.v. van het progressieve beleid van en Wilson (1913-1921) en m.n. met de New Deal wetten van Roosevelt (1933-1945)werd de Democratische Partij steeds vaker geassocieerd met de verzorgingsstaat  en met hulp aan zwarten en immigranten.


Een grote ommekeer dus tussen de opvattingen van de Republikeinen en Democraten. Die ommekeer hield verband met de overgang van agrarische naar industriële staat.


De VS: periode 1865-1918 (2.1)


Ten tijde van de burgeroorlog (1861-1865) had het land  nog steeds een overwegend agrarisch karakter (¾ van de Amerikanen woonde op het platteland en niet-agrarische producten werden gemaakt door ambachtslieden). In de periode 1865-1873 steeg de industriële productie met 75%. Vanaf 1920 was er in het noorden van de VS sprake van industrialisatie.


Het tijdperk 1877- 1900 kreeg het etiket Gilded Age (het vergulde tijdperk). De macht van de spoorwegen en industriebaronnen steeg, maar de arbeiders en boeren deelden niet in die welvaart. Het klatergoud accentueerde dat Amerika zich steeds verder afwendde van een homogene natie van boeren en handwerkslieden. De ontwikkeling van steeds grotere   bedrijven, die hun concurrenten opkochten leidde tot kartelvorming (prijsafspraken) of trustvorming (met als doel een monopolie te verwerven). Dit was in strijd met het ideaal van the American Dream (die ieder hardwerkende Amerikaan een welvarend bestaan voorspiegelde)


Voorwaarden voor industrialisatie na de burgeroorlog: 



  1. De beschikbaarheid van natuurlijke grondstoffen (steenkool, goud, koper, olie, hout enz.).                                                                                                                                                                           

  2. Modernisering van de landbouw: tussen 1860 en 1890 trek naar Great Plains, waar pioniersgezinnen 60 hectare land kregen, mits ze er 5 jaar woonden en het land bewerkten (Homestead-Act 1862). De graan- en vleesindustrie werden big business. De landbouwrevolutie in het Westen had een belangrijke impact op de stedelijke economieën (meatpacking industry).In 1893 was er geen land meer op uit te delen.                                                                                    

  3. Het spoorwegnet speelde een rol in de versnelling van het industrialisatieproces (vanaf 1865 werden de oost- en westkust met elkaar verbonden (vervoer van grondstoffen en industriële producten).   Maar spoorwegmaatschappijen speculeerden ook met land wat hun was toegewezen  door het aan de meest biedende te verkopen. Afstanden werden niet meer in mijlen uitgedrukt , maar in reistijden. De spoorwegen stelden 4 tijdzones vast, die weldra als nationale standaardtijden golden.                                                                                                                                           

  4. Groei van het aantal Amerikaanse uitvindingen (bijv. Edisons gloeilamp).  11/2 miljoen octrooien  tussen 1860 en 1930! Edison vroeg al 1400 patenten aan!   

  5. Nieuwe productietechnieken (lopende band in vleesindustrie en auto-industrie). De auto industrie in Detroit stimuleerde de staal-, de olie-, de rubber-, verf- en glasindustrie.    

  6. Goedkope werkkrachten (tussen 1870 en 1920 26 miljoen immigranten naar VS).     Tot 1880 kwamen veel immigranten uit Mexico (zuidwesten) en uit Noord-West Europa (Engeland, Ierland, Duitsland, Nederland en weden).                                                              


Na 1880 bestond de immigratiegolf vooral uit Oost- en Zuid-Europeanen (Italië, Rusland, en Oostenrijk-Hongarije: vanwege  onderdrukking van de Joden, bevolkingsgroei in land ven herkomst).   Verder was een aanzienlijk deel van de nieuwkomers afkomstig van het Amerikaanse platteland. Zwarte veldarbeiders uit het zuiden trokken  naar het noorden (vanwege mechanisatie van het boerenbedrijf en de terugkerende crises in de landbouw).  De prijzen van de landbouwproducten begonnen te dalen als gevolg van een overproductie van de wereldlandbouw.  Boeren kregen te maken met woekerrentes bij de banken en hoge vervoerskosten.                                                                                                                        


erbarmelijke arbeids- en woonomstandigheden/ verlies van zelfstandigheid (klok)/ lage lonen (mannen 70 uur 7 dollar per week, vrouwen voor 70 uur 1.5 dollar)/ onzekerheid (ontslag) etnische spanningen (Oost-Europese joden en Italianen werden gediscrimineerd, zwarten , Aziaten en Mexicanen kregen te maken met geweld).  De industrialisatie leidde tot een ongekende concentratie van macht en rijkdom in de handen van relatief weinig mensen. Deze rijken hoefden geen inkomstenbelasting te betalen. Er werden prijsafspraken gemaakt en trusts gevormd, hetgeen leidde tot monopolies, zoals Rockefellers Standard Oil.



  • Politiek van laissez-faire. Er was sprake van een informele alliantie tussen kapitalisten en politici. Lobbyisten hadden een vaste greep op de Amerikaanse politiek. Corruptie was wijdverbreid. Politieke partijen waren  in handen van partijbazen, die zich lieten omkopen en hun eigen kandidaten voor ambten nomineerden. De federale overheid ging uit van liberalisme (laissez faire): de overheid bemoeide zich zo weinig mogelijk met de economie en het Hooggerechtshof koos meestal de kant van de industriëlen. De overheid subsidieerde de spoorwegmaatschappijen. Tegenstrijdig met laissez faire waren de hoge invoerrechten op importproducten. Deze tariefpolitiek was goed voor grote ondernemers, maar slecht voor de consument. De overheid steunde de industrie ten koste van de consumenten en de boeren

  • Vakbonden.   De Gilded Age  kende duizenden arbeidsconflicten. Na de economische depressie van 1873 verlaagden spoorwegmagnaten de lonen en verhoogden de werklast. Arbeiders die lid van een vakbond waren, werden ontslagen. In 1877 lieten de arbeiders treinen ontsporen en werden treinstellen vernield en loodsen in brand gestoken.  De radicale vakbond Knights of Labor organiseerde in 1886 een betoging, waarbij een anarchist een bom naar een agent gooide. Het feit dat veel socialisten en anarchisten deelnamen aan die betoging voedde de angst voor radicale ideologieën. Een gevolg van de sociale onrust van 1886 was de oprichting van de American Federation of Labor (AFL), o.l.v. Samuel Gomperts. Vooral geschoolde arbeiders waren hierbij aangesloten en er werd gepleit voor hogere lonen en kortere werkdagen. Het succes bleef beperkt, omdat zijn vakbond de grote massa van ongeschoolde arbeiders niet aansprak.

  • Boeren verenigden zich. Ook op het platteland was onrust in de Gilded Age. Mechanisatie, hoge transportkosten spoorwegen en buitenlandse concurrentie leidde tot overschotten in de landbouw en dalende prijzen.  Boeren verenigden zich vanaf 1890 in Farmers’ Alliances, waarin gepleit werd voor oprichting van coöperaties, overheidssubsidies en leningen en beëindiging van corruptie in de politiek. In 1890 richtten ze een nationale partij op de People’s (of Populist) Party: een agrarische beweging die zich verzette tegen de nieuwe industriële maatschappij (wilde het conservatieve, kleinsteedse Amerika behouden).  Ze eisten nationalisatie van de spoorwegen, telegraafnetwerken, land in handen van speculanten en buitenlanders en valutahervorming. In 1890 hadden de populisten veel politieke ambten in handen, maar de presidentsverkiezingen verloren ze  en stortte de People’s Party in.


De Progressive Movement 1895-1918.  Deze beweging ontstond uit onvrede met industriële samenleving en onmacht van politieke partijen. Doel: behartiging belangen van de consument, verkiezingshervormingen, stedelijke vernieuwing, beter werkomstandigheden, opvang voor immigranten. Ze (m.n. de ontwikkelde stedelijke middenklasse) eisten een actievere rol van de overheid om chaos te voorkomen. Vooral journalisten (muckrakers=uitbaggeraars)  speelden een belangrijke rol door misstanden aan te tonen (corrupte, kinderarbeid). Daardoor werd in veel staten de wetgeving verbeterd (tegen kinderarbeid, eisen voor hygiëne etc.). De Progressive Movement zorgde ervoor dat de Amerikanen anders gingen denken over de rol van de overheid en de gevaren van big business en de levensstandaard van de bevolking.


Politieke en economische hervorming.Hervormers wisten progressieve wetgeving in te voeren. Ze  hadden zich kandidaat gesteld voor politieke ambten en wilden de politiek van binnenuit hervormen (bijv. Fighting Bob, La Follette (blz. 33). Na de moord op president McKinley in 1901 kwam de Progressive Movement in het Witte huis met de  vicepresident Theodore Roosevelt (Rep. 1901-1909, niet verwarren met Franklin Roosevelt Dem. uit 1933-1945!). Theodore Roosevelt splitste trusts op en maakte een einde aan economische corruptie, marktmanipulatie en prijsafspraken. Hij versterkte de federale overheid. Zijn aanpak werd voortgezet door Woodrow Wilson (Dem. 1913-1921)Ook hij vond dat de federale overheid de economie moest reguleren. Hij voerde wetten in die monopolie verbood en belangen van consumenten en arbeiders behartigden. Bescherming van vrijheid en individu (en niet van de grote ondernemingen) stond bij deze presidenten voorop.


Eerste Wereldoorlog en de economie. In 1917, toen de VS deelnamen aan WO I moest Wilson met grote ondernemingen samenwerken om de oorlog effectief te voeren. Trust regels werden tijdelijk teruggedraaid en de overheid verschafte lucratieve opdrachten aan ondernemingen. De War Industries Board (WIB )kreeg bevoegdheden de industriële productie af te stemmen op de oorlogvoering. Met het einde van de oorlog kwam een eind aan de inmenging van de federale overheid in de Amerikaanse economie.


2.2  De ontwikkeling van de burgerrechten.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           De oorzaak van de burgeroorlog was de onenigheid over de slavernij. In de eerste helft van de 19de eeuw was de slavernij in de noordelijke (geïndustrialiseerde) staten afgeschaft, terwijl de slavernij in de zuidelijke agrarische staten  (met katoen/tabaksplantages) als noodzakelijk beschouwd werd. De geschilpunten hadden te maken met het politieke machtsevenwicht in Washington. Er werden steeds meer westelijke territoria als staten tot de federatie toegelaten (zie bron 19, blz. 36). Om te voorkomen dat de slavenhoudende staten de meerderheid in het Congres zouden vormen, was het voor het noorden van belang dat de nieuwe staten als vrije (niet slavenhoudende) staten tot de Unie zouden worden toegelaten. De verkiezing van Lincoln (Rep) tot president in 1861 leverde problemen op voor de zuidelijke staten. Lincoln was tegen uitbreiding van de slavernij in de nieuwe territoria en wilde door federale wetgeving voorkomen dat dit zou gebeuren. In reactie op zijn verkiezing verklaarden 11 staten zich onafhankelijk en vormden een nieuwe confederatie de Confederate States of America. Lincoln wilde bovenal de Unie bij elkaar houden. De burgeroorlog begon, toen het zuidelijke leger een federaal fort aanviel.  De slaven dachten dat de noorderlingen hen kwamen bevrijden en vluchtten massaal naar de noordelijke linies. Lincoln bestempelde de vluchtelingen als oorlogsbuit (kwamen in dienst bij het noordelijke leger). De Emancipation Proclamation van Lincoln (1863) beschouwde de slaven in de rebelse staten als vrije mensen (daar had de federale staat feitelijk het recht niet toe, aangezien de rebelse zuidelijke staten zich onafhankelijk hadden verklaard). Overal werden op deze manier de slaven bevrijd; de zuidelijke economie en slavernij stortten volledig in.


Reconstructie (periode van wederopbouw) 1865 – 1877.   Na de overwinning van het Noorden werd de slavernij in 1865 door het 13e amendement op de grondwet formeel verboden.  De noordelijke troepen hielden de zuidelijke staten bezeten de federale overheid wilde het zuiden compleet hervormen. Daartoe richtte het Congres het Freedmen’s Bureau op (1865 – 1872)om de slaven te helpen bij hun overgang naar de vrijheid. De zwarten hadden geen geld, geen land. Er werd voedsel en medicijnen uitgedeeld, scholen gebouwd, eerlijke arbeidscontracten gesloten. Zwarte mensen gingen massaal naar school dankzij de steun van de federale overheid. In 1866 werd het 14e amendement opgenomen (volwaardig staatsburgerschap aan iedereen die in VS geboren werd en gelijke behandeling van alle burgers. In 1869 bepaalde het 15e amendement dat zwarte mannen mochten stemmen. Zwarte mannen stemden massaal op de Republikeinse Partij. Met deze zogenaamde Reconstructie-amendementen werden de zwarten volwaardige burgers van de VS.  Rond 1870 keerde de opinie zich tegen de Reconstructie  (werd Yankee rule en negro rule genoemd).Voor de noorderlingen werd het duidelijk dat het zuiden niet zo snel zou veranderen(veel racisme, corruptie, politiek geweld). In de jaren zeventig werden de laatste zuidelijke staten weer toegelaten tot de Unie en werden de noordelijke troepen uit deze staten getrokken. Zonder federale troepen begonnen de blanke zuiderlingen de zwarten weer te intimideren en zo kwam de Democratische Partij (de partij van de blanke mannen) weer aan de macht.


Segregatie  (het scheiden van bevolkingsgroepen).  Blanken beschouwden de terugtrekking van de federale troepen als carte blanche (vrijbrief) om de traditionele raciale hiërarchie weer te herstellen. In 1865 werd de Ku Klux Klan (KKK) opgericht door zuidelijke oorlogsveteranen. Ze gingen op jacht naar zwarten en het geld als een van de gewelddadigste perioden van het eind 19e eeuw (lynchpartijen): bedoeld om de zwarte bevolking duidelijk te maken dat zij geen volwaardige burgers waren.  De blanken herstelden hun overwicht m.b.v. wetgeving De zuidelijke staten, die volgens het 15e amendement niet mochten discrimineren op basis van huidskleur, omzeilden die wetgeving door allerlei voorwaarden te eisen: bijv. een taalexamen en speciale belastingen (poll tax) voor de zwarten om te mogen stemmen. Met de Jim Crowwetten kreeg segregatie (scheiding van zwart en blank) een wettelijke basis. Jim Crow was een kleinerende aanduiding (afkomstig uit een liedje over een kreupele slaaf) voor de zwarte man. Zwarten werden nu geweerd uit blanke restaurants, scholen, bussen enz. (feitelijk waren deze wetten in strijd met het 14e amendement). Het Hooggerechtshof schiep in de jaren negentig echter een juridische basis voor de segregatie. Homer Plessy (slechts voor 1/8ste zwart) vocht de gesegregeerde treincoupé tegen, maar de gesegregeerde voorzieningen werden door  de rechters rechtgepraat zolang deze‘’gelijk’’ waren (seperate but equal). De voorzieningen voor blanken waren echter zichtbaar beter om zwarten de boodschap te geven dat ze inferieur waren.  De voornaamste wens van de bevrijde slaven was een stukje land te verkrijgen. Land kopen was meestal uitgesloten (te weinig geld). Huren was wel mogelijk en blanke landeigenaren bedachten het systeem van sharecropping. Zwarten werden pachtboeren en de landeigenaren leenden huis, werktuigen en zaaizaad. In ruil daarvoor kreeg hij dan een deel van de oogst (vaak de helft en ze eisten ook vaak onredelijk hoge rentepercentages voor het geleende). In de jaren tachtig van de 19e eeuw begonnen zwarten al naar de steden te trekken op zoek naar een beter bestaan. In dienst tijdens WO I kregen ze te maken met een gesegregeerd leger (kregen de slechtste taken toebedeeld).


Strijd voor gelijkheid. Zwarte intellectuelen probeerden de ellendige situatie te verbeteren, maar gewelddadige opstanden werden hardhandig neergeslagen. Booker T. Washington pleitte voor accommodatie en self-help: een opleiding volgen, hard werken, sparen, land kopen, een bedrijf beginnen. Ze moesten de Amerikanen laten zien dat ze volwaardig burgerschap verdienden om het respect te krijgen en het burgerschap. Velen vonden dat Washington te gematigd en tweederangs burgerschap goedkeurde. W. Dubois was de eerste zwarte die aan de universiteit van Harvard promoveerde. Hij vond dat zwarten zich niet moesten aanpassen aan een racistische samenleving. Hij pleitte voor kiesrecht, integratie en juridische gelijkheid en geloofde dat de Talented Ten  (de hoogst opgeleiden) de leiding moest nemen in de strijd voor rassengelijkheid. In 1909 richtte hij de National Association for the Advancement of  Coloreded People op (NAACP) met het doel de burgerrechten via rechtszaken te herstellen. Deze strijd werd echter niet gesteund door de federale regering. President en Congresleden vreesden de stem van de blanke kiezer te verliezen.


2.3 Het buitenlands beleid. Isolationisme en Manifest Destiny                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       De Amerikaanse buitenlandse politiek werd van begin af aan gekenmerkt door isolationisme (afzijdigheid in Europese aangelegenheden). Dit beleid werd in 1823 uitgewerkt in de Monroedoctrine(de VS verklaarde dat het Amerikaans continent gesloten was voor kolonisatie en dat Europese inmenging in het Amerikaans continent als een bedreiging van de Amerikaanse belangen werd beschouwd). T.o.v het eigen continent stelden de VS zich in de 19e eeuw allesbehalve isolationistisch en afzijdig op. Zij richtten zich in tegendeel op territoriale uitbreiding en actieve inmenging in de aangelegenheden van andere landen van het Amerikaans continent (manifest destiny) de ideologie dat Amerika het eigen continent diende te ontsluiten en ontwikkelen. Grote territoria werden gekocht (Lousiana in 1803 van Napoleon;  Alaska in 1867 van Rusland) of veroverd (Texas annexatie 1845 in oorlogen tegen Mexico 1846 – 1848;  New Mexico, California, Hawaii 1893, de Filippijnen 1901). Indianen werden verdreven en blanke kolonisten trokken van de oost- naar de wetskunst.


Factoren die een rol speelden bij de internationale expansie 1865 – 1914. Vooral de industrialisatie leidde ertoe dat de VS in de tweede helft van de 19e eeuw uitgroeide tot een grootmacht. Daardoor onmogelijk om afzijdig te blijven op het internationaal vlak. Fabrieken en boeren produceerden veel meer dan nodig voor VS (overproductie). Internationale handel was nodig om krimp te voorkomen. Europa, Latijns Amerika en Azië werden belangrijke afzetmarkten, waardoor de VS een meer expansionsionistisch buitenlands beleid ging voeren. De foreign policy elite (zakenlieden, topambtenaren etc.) lobbyden voor een kanaal tussen de Atlantische en Stille Oceaan (Panamakanaal); het veroveren van overzeese territoria, en het openen van nieuwe markten. De Amerikaanse marine speelde een beslissende rol in de gedwongen openstelling van Japan. Ze lobbyden voor een New Navy (een vloot om handelsschepen te begeleiden). Het Congres stemde hiermee in (1883).


Ideologische motieven waren een stimulans voor een actiever buitenlands beleid. Het idee om de frontier (grens tussen wildernis) ook buiten Amerika te verleggen sprak steeds meer mensen aan. Nationalisme en racisme overtuigden blanke Amerikanen dat ze “minderwaardige volken”  moesten zegenen met hun superieure cultuur. De ontwikkeling van een koloniaal rijk in de Cariben en Azië kwam vanaf 1890 in een stroomversnelling. Door de Spaans-Amerikaanse oorlog (als gevolg van de Cubaanse onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje)  van 1898 werd de politiek-strategische positie van de VS in het Caribisch gebied en in de Stille oceaan versterkt. De Amerikanen hadden grote economische belangen in Cuba en die handel werd verstoord. Toen in 1898 het Amerikaanse oorlogsschip de Maine (om Amerikaanse handelsbelangen veilig te stellen) werd opgeblazen, gaf dat president Mckinley een excuus om in te grijpen in de Cubaanse onafhankelijkheidsoorlog. Het Congres besloot een (van Spanje) onafhankelijk Cuba te erkennen en de oorlog te verklaren aan Spanje. Amerikaanse troepen werden gemobiliseerd  en naar Cuba, maar ook naar de Filippijnen gestuurd. Ook daar was de bevolking tegen Spanje in opstand gekomen.  Zakenlieden zagen in Cuba en de Filippijnen nieuwe investerings- mogelijkheden en afzetmogelijkheden. Deze kolonie lag bovendien op de handelsroute naar China. Spanje moest capituleren, de Cubaanse onafhankelijkheid werd erkend, maar Puerto Rica, Guam en de Filippijnen kwamen bij de VS.


Open Door Policy De aanwinst van de Filippijnen was voor de VS belangrijk om de handel met China te vergemakkelijken. Met de open door politiek van 1899 deden de VS een oproep aan alle landen om de principes van vrijhandel na te leven en de soevereiniteit van China te erkennen. Dit zorgde ervoor dat landen toegang kregen tot de Chinese markt, zonder China te veroveren. Door VS gepresenteerd als streven naar vrijheid, ma, maar de VS probeerde wel de opkomende markt in Azië veilig te stellen. In 1899 kwamen de Filippijnen in opstand tegen de VS (uitgesloten van de politiek). In 1901 werd de opstand de kop ingedrukt en de eilanden werden volledig veramerikaniseerd.


Theodore Roosevelt en Latijns Amerika en Midden Amerika. Onder Theodore Roosevelt versterkten de VS hun greep op de Latijns Amerika en het Caribisch gebied: “beschaafde” landen hadden de plicht om in te grijpen in “barbaarse” landen, desnoods met geweld. Amerikaanse troepen werden ingeschakeld om nationale belangen veilig te stellen. Cuba mocht in 1902 geen verdragen met andere landen tekenen zonder goedkeuring van de VS. De Cubanen kwamen hiertegen in opstand (1906), er volgde een Amerikaanse bezetting (tot 1922) en Cuba werd in feite een Amerikaans protectoraat. Amerikanen investeerden er miljoenen. I.v.m. de handel tussen de oost- en westkust hadden de Amerikanen hun oog laten vallen op Panama (een provincie van Colombia). Toen het moeilijk zaken doen bleek met Colombia moedigde Roosevelt de bevolking van Panama aan in opstand te komen. (en de VS hielp de opstandelingen). In 1903 erkende en garandeerde de Amerikaanse overheid de onafhankelijkheid van Panama. In ruil daarvoor verwierf de VS de controle over de zone, waar zij het Panamakanaal hadden gepland (in 1914 geopend). In 1904  liet Roosevelt de Roosevelt Corollary Clausule toevoegen aan de Monroe-doctrine: Hierin stond dat Latijns Amerikaanse landen hun politiek en economie moesten stabiliseren (afwijkingen en corruptie zouden leiden tot een Amerikaanse interventie. Tussen 1900 en 1917 grepen de VS in: in Cuba, Panama, Nicaragua, de Dominicaanse Republiek, Mexico en Haïti (sloten eenzijdige handelsverdragen, bemoeiden zich met het financiële beleid en met verkiezingen)


De Eerste Wereldoorlog. Wilson kondigde een proclamatie van neutraliteit af (isolationisme). Berlijn verklaarde in 1915 het gebied rond de Britse eilanden tot oorlogszone. Volgens internationale afspraken moesten neutrale handelsschepen of passagiersboten gewaarschuwd worden voordat ze door oorlogvoerende partijen in beslag genomen werden of opgeblazen. De Lusitania, een Brits passagiersschip werd getorpedeerd (128 Amerikaanse passagiers). Wilson eiste langs diplomatieke weg dat Duitsland ophield met zijn duikbotenoorlog. Maar Hitler kondigde in 1917 de onbeperkte duikbotenoorlog af. Wilson verbrak de diplomatieke betrekkingen. Het Zimmerman Telegram  deed de druppel in de emmer overlopen. (een geheim bericht van de Duitse minister Zimmerman aan de Mexicaanse regering: waarbij Duitsland om een militaire alliantie met Mexico tegen de VS verzocht waarbij  gebieden die Mexico in 1848 aan VS verloren had, terug zou krijgen Met toestemming van het Congres verklaarde Wilson de oorlog aan Duitsland met als redenen: Duitse overtredingen van de vrijheid op zee, verstoring van de Amerikaanse handel, misdaden tegen de mensheid en schending van de Monroe-doctrine (onbeperkte duikbotenoorlog). Onder het motto “to make the world save for democracy” werden VS partij in WO I.


3 De periode 1918 -1945.


De politieke en maatschappelijke invloed van de industrialisatie (3.1) Tegenstanders van de oorlog WO I (anarchisten, communisten, pacifisten, socialisten, vakbondsleiders en hervormers) werden streng gecensureerd. En de overheid greep hard in door stakingen te breken (werknemers eisten hogere lonen en 8 urige werkdag) en linkse onruststokers het zwijgen op te leggen. Leden van de International Workers of the World (IWW) in Tulsa werden bijvoorbeeld gevangengenomen, zwaar mishandeld door Klu Klux Klan (met pek overgoten, kleren verbrand). Deze Tulsa Outrage was geen uitzondering. Na WO I ontstond er een heksenjacht onder communisten (vanwege de toenemende onrust onder de arbeiders en de Russische Revolutie). De economische krimp van 1919 – 1921 leidde opnieuw tot arbeidsconflicten, werkeloosheid, stakingen en de oprichting van nieuwe partijen (Communist Labor Party ; Communist Party): hoewel weinig aanhang boezemden ze veel angst in). In de periode 1919/1920 ontstond de zogenaamde Red Scare (heksenjacht op sympathisanten van het socialistische gedachtengoed) Om de dreiging van het communisme de kop in te drukken ontstond o.l.v. Palmer en Hoover het Bureau of Inverstigation, de geheime dienst en de latere FBI (Federal Bureau of Investigation). Vakbondsleiders en socialisten werden gevangen gezet. Hoogtepunt vormden de Palmer Raids, waarbij zomaar mensen werden opgepakt, mishandeld, juridische hulp ontzegd en het land uitgezet (m.n. Russen). Dit alles was in strijd met de grondwet omdat de burgerrechten van de verdachten geschonden werden.


Roaring Twenties (de roerige jaren twintig) Na het onrustig begin brak er een bloeiperiode aan van ongekende economische groei. De industriële productie was efficiënter geworden en de VS veranderde in een consumentenmaatschappij. De werkgelegenheid nam toe, de koopkracht steeg, massaproductie: men hield geld over om aan leuke dingen te besteden (auto, bioscoop).  Het was de  tijd van de flappers (geëmancipeerde jonge vrouwen die zich afzetten tegen de stoffige normen van hun ouders (eigen geld: korte rokken, kort haar, sigaretten, illegale kroegen de zogenaamde speak-easies). Het werd gebruikelijker om geld te lenen of producten op afbetaling te kopen. Effectieve reclame- en marketingtechnieken wakkerden de vraag verder aan. Filmsterren en sporters  werden ingezet opdat consumenten hun idolen zouden na-apen. Republikeinse presidenten als Warren Harding (1921 – 1923) en Calvin Coolidge (1923 – 1929) hadden een blind vertrouwen in het vrijemarkt mechanisme. Ondernemingen konden onbelemmerd uitbreiden. Er ontstond een optimistisch geloof in New Capitalism (door samenwerking tussen overheid en grote ondernemingen zou uitbuiting plaats maken voor harmonie, waardoor socialisme overbodig zou worden). De beide presidenten verlaagden de inkomstenbelasting voor grote concerns en  rijke ondernemers. Tijdens Progressieve Movement werd de maatschappij juist  tegen monopolievorm beschermd. Maar de federale overheid en het Hooggerechtshof werkten met de ondernemers samen om de macht van de vakbonden in te perken.


De beurskrach van 1929. Het optimisme van de gouden Roaring twenties stortte in toen de aandelenmarkt instortte (black Thirsday 1929). Drie met elkaar samenhangende ontwikkelingen veroorzaakten de crisis. 1) De vraag naar luxeproducten verminderde vanaf 1928 (overproductie), maar men bleef optimistisch, sloten leningen af en raakten in de schulden. Dat leidde tot bezuinigingen/ontslagen en de 1% rijksten kochten weinig producten, maar belegden hun geld liever in aandelen. 2 de oorzaak) de riskante speculatie in de aandelenmarkt (get rich quick mentaliteit: beleg in aandelen of onroerend goed, ook met geleend geld. Toen de beurs daalde, moesten ze verkopen, de prijzen daalden en banken eisten aflossingen en ze gingen failliet. 3e het beleid van de federale overheid droeg bij aan de crisis doordat ze te weinig begrip hadden voor de structurele economische problemen (textiel- spoorwegen en mijnbouw kenden structurele werkloosheid en de vakbonden werden uitgeschakeld. De overheid hield ook onvoldoende toezicht op de aandelenmarkt (De Federal Reserve Board, de centrale bank, legde investeringen niet aan banden.


De Grote Depressie en het beleid van president Hoover, 1929 / 1933 Het bruto inkomen werd binnen 4 jaar gehalveerd, winst uit bedrijfsleven kelderde met 90%, 25% was werkeloos in 1933. Er waren vele daklozen, sloppenwijken (de zogenaamde Hoovervilles) en banken legden beslag op duizenden boerderijen. De Great Plains werden geteisterd door grote droogte; Ford ontsloeg 66% van haar arbeiders. In 1932 was 50% van de zwarte bevolking werkeloos. President Hoover veronderstelde dat de economische depressie vanzelf over zou gaan. Hij spoorde liefdadigheidsinstanties aan om armen te helpen. Om de Amerikaanse industrie te helpen verhoogde hij de invoerbelasting met 40%, maar die belemmerden de wereldhandel. Het beleid van Hoover verhevigde de sociale onrust in de VS. Meer dan 15.000 veteranen uit WO I trokken naar Washington om de uitkering van hun veteranenbonus op te eisen  ( i.p.v. 1945). Met tanks en infanteristen werden ze verjaagd.


Franklin Delano Roosevelt en de New Deal. In 1933 werd de Democraat Franklin Roosevelt president (1933 -1945, niet verwarren met de Rep. President Theodore Roosevelt uit 1901 – 1908)). Hij was pragmatisch en koos voor  actieve rol van de overheid  uit angst voor dreigende volksopstand. Direct na zijn verkiezing werd hij met een nieuwe crisis in het bankwezen geconfronteerd. Hij vroeg het Congres om de Emergency Banking Relief  Bill in te voeren (om failliet verklaarde banken te heropenen en wankele banken te reorganiseren).Met zijn radiopraatjes bij het haardvuur slaagde hij erin mensen te overtuigen hun geld onder het matras vandaan te halen en weer op de bank te zetten (herstel van het vertrouwen). Het aantal bankfaillissementen werd teruggebracht tot bijna nul. New Deal bestond uit een reeks plannen en experimenten met als 2 doelen: herstel van de economie d.m.v. regulering en werk en uitkeringen (relief) bieden aan degenen die dat nodig hadden. Regulering van industriële en landbouwproductie stonden centraal. Voor de industriële sector werd de          National Industrial Recovery Act (NIRA) uitgevaardigd (uitgevoerd door de National Recovery Administration (NRA) Bedrijven dienden zich aan landelijke afspraken te houden om de productie te beperken en de lonen vast te stellen. Hij brak met de laissez faire houding. Het Hooggerechtshof verklaarde in 1935 de NRA ongrondwettig. De AAA (Agricultural Adjustment Act) gaf subsidies aan boeren wanneer ze productie beperkten. Deze wet was succesvol, hoewel ongrondwettig verklaard door het Hooggerechtshof, maar herschreven en opnieuw uitgevaardigd.. New Deal voorzag ook in Work Relief (uitkeringen voor werklozen in de vorm van banen, niet zomaar geld geven). Daarmee werden openbare werken verricht (dammen bouwen, wegen, wandelpaden aanleggen. Vrouwen kwamen niet in aanmerking ervoor en  de programma’s waren raciaal gescheiden, maar de werkloosheid daalde. New Deal was populair onder de bevolking, maar zakenlieden klaagden over de regels. Het Hooggerechtshof vond dat hij de grenzen van de macht van de federale overheid overschreed en delen van New Deal werden verboden. Populisten vonden weer dat hij te weinig deed voor gewone Amerikanen.


Tweede New Deal (1935) in reactie op de bovenstaande kritiek, voerde Roosevelt een Tweede New Deal uit om de bevolking meer stabiliteit en zekerheid te geven. Bij de 2e New Deal lag het accent minder op herstel van de economie en meer op maatschappelijke hervorming. De Social Security Act legde de grondslag voor de Amerikaanse verzorgingsstaat (=keerpunt in Amerikaanse politiek!)  Het garandeerde een sociaal vangnet: een federaal pensioenfonds voor ouderen, uitkeringen aan werklozen en arme gezinnen met minderjarige kinderen. De bekendste 2e new deal act is  Work Progress Administration (werkverschaffing voor 8.5 miljoen Amerikanen voor allerlei openbare werken). Hij verhoogde de belasting van rijken en succesvolle bedrijven en nam het op voor de arbeiders. Zo vaardigde hij in 1935 de National Relations (Wagner) Act uit, die arbeiders het recht garandeerde lid van een vakbond te worden en zo collectief over arbeidsvoorwaarden te onderhandelen (hun levensstandaard steeg).


Vastlopen van New Deal De impact van New Deal op de Amerikaanse economie en politiek was blijvend, maar het beleid liep eind jaren dertig vast om 2 redenen:          



  1. Court Packing Plan: het Hooggerechtshof werkte Roosevelt tegen en in 1937  vroeg hij het Congres toestemming om 6 extra rechters te benoemen om de macht van de conservatieve rechters te neutraliseren (het plan werd afgekeurd, bracht schade aan reputatie Roosevelt).                                                                                                                

  2. De Roosevelt Recession van 1937 – 1939. Roosevelt wilde in 37 de overheidsfinanciën weer in orde krijgen en begon te bezuinigen, maar tegelijkertijd besloot de centrale bank moeilijker krediet beschikbaar te stellen. Door deze 2 acties stortte de economie weer in en 10 miljoen werklozen (dus bezuinigingen terugdraaien en uitgaven overheid verhogen. In 1939 einde New Deal.


De Tweede Wereldoorlog. Pas tijdens WO II kwamen er weer  banen (massale productie van wapens en oorlogsmateriaal). Dankzij de oorlogsproductie verdubbelde  de Amerikaanse productie tussen 1941 en 1945. De War Production Board bepaalde wat er geproduceerd werd en hoeveel. Het Office of Price Administration bepaalde prijzen, en stelde producten op rantsoen. Burgers onderhielden moestuintjes (victory gardens) en recycleden  metalen en glas.  Bedrijven kregen opdrachten van de overheid (en mochten winst maken). In het leger werkten 16 miljoen man, vrouwen en minderheden namen het werk in de fabriek over. De arbeidsvoorwaarden verbeterden tijdens de oorlog (gratis kinderopvang, huursubsidie, gezondheidszorg en hoge lonen). De National War Labor Board bemiddelde tussen bedrijven en vakbonden. En  was effectiever in het bemiddelen dan dat dat in WO I gebeurde.


3.2 De ontwikkeling van de burgerrechten  


WO I  leek een geweldige kans voor de zwarten om economische en politieke vooruitgang te boeken (tekort aan arbeidskrachten en militairen), waar ze hoopten te ontkomen aan segregatie, sharecropping en raciaal geweld).  Het lidmaatschap van de NAACP groeide en men hoopte dat hun opoffering beloond zou worden met burgerrechten.    Het liep op een enorme teleurstelling uit (soldaten in een gesegregeerd leger o.l.v. blanke officieren. Ze mochten niet vechten (zouden te laf zijn). Zwarte soldaten die met het Franse leger meevochten kregen onderscheidingen en verbleven met blanken samen in een ziekenzaal. Terug in VS negeerden sommige zwarte veteranen de segregatiewetten of probeerden te stemmen (waardoor honderden gelyncht werden). In 25 Amerikaanse steden braken rassenrellen uit (discriminatie, ontslag, lager loon, toenemende bevolkingsdruk door migratiestroom naar het noorden). Tijdens de Great Migration trokken anderhalf miljoen zwarten zuiderlingen naar het noorden (daar mochten ze stemmen Vrij reizen d.w.z. niet achter in de bus). Toch werden ze door veel blanken niet als gelijke behandeld (lagere lonen, discriminatie arbeidsmarkt, armste wijken). De Ku Klux Klan won aan populariteit. Naast zwarten werden katholieke Italianen en Russen vervolgd, die de protestantse Amerikaanse cultuur  vervuilden (WASP: white, Angel-Saksian People) .In 1921 en 1924 werd immigratie uit ongewenste landen ingeperkt en de KKK streefde segregatie na.


In de jaren ’20 ontstond een hernieuwd zelfrespect onder de zwarten en ze verenigden zich in zelfhulporganisaties, zoals Universel Negro Improvement Association (UNIA) van Garvey (propageerden trots op Afrikaanse achtergrond, afzondering, zwarte ondernemingen). Garvey werd uiteindelijk naar Jamaica teruggestuurd. Deze trots groeide uit in Harlem Renaissance met black is beauty en Jazz muziek werd de nieuwe rage in de Roaring Twenties. Doordat zwarten in het noorden mochten stemmen werden zwarten tot het politiecorps toegelaten en werden gemeenteraadsleden en afgevaardigden in de staatsoverheden. In 1922 werd een wetsvoorstel aangenomen waarin lynchpartijen verboden werden (maar in de Senaat dor zuidelijke Democraten weer geblokkeerd).


De invloed van de Grote Depressie en New Deal: De Grote Depressie was rampzaig voor de zwarten (no jobs for niggers until every white man has a job). Ze werden als eersten ontslagen. Wel profiteerden de zwarten van New Deal en m.n de relief programma’s (overheidsbanen bij WPA). Onder zwarte Amerikanen werd Franklin Roosevelt (en zijn vrouw) de populairste president sinds Lincoln. Toch schoot New Deal tekort op gebied van rassengelijkheid (federale programma’s werden lokaal uitgevoerd). In de zuidelijke staten kregen ze lagere uitkeringen en lagere lonen (ze kregen minder loon, dan de blanken aan uitkering kregen). Roosevelt had echter de steun van de Democraten in het Zuiden nodig (en eiste hij geen eerlijker uitvoering van New Deal). De kwestie van de 8 Scottsboro Boys (in 1931 valselijk beschuldigd van verkrachting en toch veroordeeld tot de doodstraf: uiteindelijk kwamen er 4 in 1950 vrij). Er werden zelfhulporganisaties opgericht (een vakbond voor sharecroppers en huurdersverenigingen).


De bijdrage van de zwarte bevolking aan WO II.De zwarten hoopten net als bij WO I op verbetreing van hun positie. De NAACP startte een campagne voor Double V (Double Victory: overwinning op racisten in buiten- en binnenland). De in 1942 opgerichte CORE (Congress of Racial Equality) protesteerde tegen segregatie. Roosevelt vaardigde in 1941 Executive Order 8802 uit (een wet die raciale discriminatie in de oorlogsindustrie verbood). De strijdkrachten waren gesegregeerd en de marine liet geen zwarten toe. Ook Amerikanen van Japanse herkomst mochten niet naast blanken vechten. Toch vochten zwarte militairen dapper en verkregen respect (een groep zwarte gevechtspiloten kregen medailles). Na de oorlog wilden de zwarte veteranen volledige burgerrechten afdwingen.


3.3 Het buitenlands beleid.


Wilson nam in 1919 initiatief tot vredesonderhandelingen (wilde stabiele rechtsorde en de wereld veiliger maken).Hij formuleerde zijn 14 punten (waaronder de oprichting van de Volkenbond). Hij was tegen de eenzijdige demilitarisering en de torenhoge herstelbetalingen die de Fransen wilde, maar stemde toe in ruil voor deelname aan de Volkenbond. Hoewel hij tegen kolonialisme was verwierven Engeland en Frankrijk mandaatgebieden in het Midden Oosten. De Republikeinen waren tegen de Volkenbond (angst om in te grijpen en eventuele belemmering Amerikaanse expansie in Latijns Amerika). Het Verdrag van Versailles werd afgewezen, wel kreeg Wilson in 1919 de Nobelprijs voor de vrede. Na WO I keerden VS terug naar isolationisme (alleen wanneer de Amerikaanse economische en politieke belangen in het geding kwamen, zouden de VS ingrijpen). In het interbellum (1919-1939 voerde de VS een beleid van soeverein internationalisme: Amerika bleef betrokken op internationaal vlak zonder militaire allianties te sluiten). VS ook geen lid van de Volkenbond. De VS ondertekenden in 1928 het Kellogg-Briand Pact, waarbij 62 landen afspraken internationale conflicten op een vreedzame manier op te lossen. Op economisch vlak kozen de presidenten Harding en Coolidge voor protectionisme (hoge invoerrechten om de Amerikaanse industrie te beschermen). Amerikaanse banken werd toegestaan vestigingen in het buitenland te openen (veel geld werd in Europa belegd). Met het Dawes Plan uit 1924 verstrekten de VS grote leningen aan Duitsland, en werden de herstelbetalingen van Duitsland verlaagd. Hierdoor konden de Duitsers de Fransen en Engelsen terugbetalen, die op hun beurt hun leningen weer konden terugbetalen aan de VS. Ook in Latijs Amerika voerde het Amerikaans eigenbelang de boventoon. De federale overheid dwong Latijns-amerikaanse landen om invoertarieven voor Amerikaanse producten laag te houden en leningen met hoge rente te accepteren. De VS hielden er ook financieel toezicht.


De impact van de Grote Depressie op de internationale ontwikkelingen. De beurskrach van 1929 had rampzalige gevolgen voor Europa en Latijns-Amerika. De europese landen verhoogden hun importtarieven op producten uit de VS. In Latijns-Amerika kwam verzet tegen het Yankee imperialisme en overal waren anti-Amerikaanse sentimenten merkbaar. Franklin Roosevelt richtte in 1934 de Export- Import bank op (een federale bank die leningen in het buitenland verstrekte in ruil voor aankoop van Amerikaanse producten). Hij formuleerde een Good Neighbour Policy (een nauwere economische samenwerking tussen de landen van het Amerikaanse continent). Toch verleende hij steun aan Latijns-Amerkaanse dictators als zij de Amerikaanse belangen veiligstelden. Hij steunde hen echter niet  meer openlijk (stiekeme steun aan conservatieve Batista in Cuba).


Opkomst van het fascisme. Als gevolg van de Depressie kwamen in Duitsland en Japan fascistische regimes aan de macht. Hitler, die na verkiezingen, door de machtigingswet dictatoriale macht verwierf draaide de afspraken uit het verdrag van Versailles terug, trok zich terug uit de Volkenbond (Engeland en Frankrijk gaven met hun appeasement Duitsland de vrije hand).Roosevelt was voor isolationisme en tekende neutraliteitswetten (waarbij in 1935 de wapenhandel met oorlogvoerende landen verboden werd). Hij vergrootte het budget voor de luchtmacht en verkocht stiekem wapens aan Frankrijk. Japan wilde de westerse imperialisten uit Azië verbannen (open door politiek en Filippijnen van de VS en streefde territoriale uitbreiding in Azië na). Toen Japan in 1931 Mantsjoerije veroverde deed de Volkenbond niets. In 1937 veroverde Japan delen van China en vernietigde de Open-Door Policy. Roosevelt omzeilde zijn eigen neutraliteitswetten door te ontkennen dat er een oorlog in Azië gaande was. Hij verkocht wapens en verstrekte leningen aan China. Toen Duitsland Polen binnenviel in 1939 zette hij het Congres onder druk om het verbod op de wapenhandel op te heffen. Er werd een cash and carry handel in wapens gedreven met Frankrijk en Engeland. Deze landen moesten met eigen schepen de wapens komen ophalen. In 1941 volgde de Lend Lease Act, waarbij de VS wapens aan Engeland en Rusland leende i.p.v. te verkopen.  De VS hoopte zo buiten de oorlog te blijven. De republikeinen waren hiertegen, omdat het de Amerikaanse neutraliteit ondermijnde. Samen met Churchill kwam Roosevelt tot het Atlantisch Handvest om veiligheid en ontwapening na te streven. Toen in 1941 de Japanners te Pearl Harbour de  Amerikaanse vloot vernietigden met 2400 dode Amerikanen, vroeg Roosevelt het Congres om een oorlogsverklaring. Drie dagen later verklaarde Duitsland de oorlog. De VS sloten zich  aan bij de geallieerden in de strijd tegen de as/mogendheden. De meeste troepen gingen naar Europa. 6 Juni 1944 volgde met D- day de invasie in Normandië. In 1945 kwamen Roosevelt, Stalin en Churchill in Jalta bijeen om de naoorlogse situatie te bespreken. De onderhandelingspositie met Stalin was niet sterk. De Russen hadden grote delen van Oost Europa bevrijd. Duitsland en Berlijn zouden in 4 bezettingszones opgesplitst worden. Stalin ging ermee akkoord om 2 maanden na de capitulatie van Duitsland de oorlog aan Japan te verklaren.


4.1 De periode 1945 - 1965.


15 aug. 1945  was VJ-Day (dag van Victory over Japan); 8 mei werd V-E Day de dag van de Victory in Europa).De oorlog had de VS uit de depressie gehaald, voor de oorlog had New Deal enig economisch herstel gebracht. Voor het eind van de oorlog nam de federale regering al maatregelen om te voorkomen dat de arbeidsmarkt door miljoenen terugkerende soldaten overspoeld werd, ze stelden de koopkracht van de veteranen veilig. Alle eervol ontslagen veteranen kregen een werkloosheidsuitkering (om baan te zoeken); de G.I Bill verstrekte studiebeurzen aan veteranen; en de G.I. Bill verschafte goedkope leningen om een huis te kopen of bedrijf te starten.  De oorlogsindustrie schakelde soepeltjes over op consumptiegoederen. De middenklasse groeide (was groter dan de arbeidersklasse) en zorgde dus voor sociale mobiliteit. De arbeidersproductiviteit steeg en de levensstandaard steeg. In de jaren na de oorlog kwam de babyboom. Gevolg was grote vraag naar huizen en William Levitt ontwikkelde massaproductiemiddelen, waarmee de suburbs (buitenwijken) tot stand kwamen. Vooral blanke mannen profiteerden van de welvaart. Van vrouwen werd verwacht dat ze thuisbleven. Segregatie en discriminatie belemmerden de zwarten (kregen geen hypotheek en bleven dus in de door gekleurde binnenstedenwonen).  Roosevelt werd opgevolgd door de democraat Harry Truman (1945-1953). Deze wilde de binnenlandse politiek (New Deal) van zijn voorganger voortzetten. Hij stelde voor om het minimum loon te verhogen, federale subsidies beschikbaar te stellen voor hypotheken voor arme gezinnen en wetgeving voor volledige werkgelegenheid. Maar de Republikeinen in het Congres hielden de uitbreiding van de verzorgingsstaat tegen. De basis van de wetgeving, de Social Security bleef intact, maar nieuwe uitbreidingen werden tegengehouden. Zijn herverkiezing in 1948 zag Truman als mandaat om New Deal voort te zetten. Zijn Fair Deal ging zelfs verder dan New Deal. Hij pleitte voor meer federale subsidies voor openbaar onderwijs, sociale woningbouw, hogere werkloosheidsuitkeringen en een nationale gezondheidszorg. Maar door tegenwerking van het conservatieve Congres werd Fair Deal (met uitzondering van sociale woningbouw) afgewezen. De lobby van American Medical Association (AMA) was tegen een socialistische nationale gezondheidszorg, die ze als te communistisch beschouwden. Kleinere programma’s van Fair Deal (zoals gesubsidieerde lunches op school, verbod op kinderarbeid, verhogen van minimum loon) werden wel doorgevoerd. Hoewel zijn Republikeinse opvolger Ike Eisenhower (1953-1061) vond dat verhoging van werkeloosheidsgeld en de publieke sector minder afhankelijk moesten zijn van de overheid,  maar hij draaide de Social Security niet terug (wel werd gekort op de subsidie van boeren en werd de loon-en prijscontrole beëindigd); hij zorgde zelfs voor een uitbreiding van de Social Security. Vanwege de Koude oorlog groeide onder Eisenhower de omvang van het militair-industriële complex (belangenverstrengeling tussen overheid en wapenindustrie). Aan het eind van zijn regering waarschuwde hij voor de disproportionele invloed van de wapenindustrie. Hoogleraar Galbraith wees op de nadelen van de consumptiemaatschappij (er werd te weinig in de publieke sector geínvesteerd; de kloof tussen arm en rijk groeide.De denkbeelden van Galbraith werden opgepakt door de Democraat Kennedy (!916-1963). Ook hij beschouwde zich evenals zijn voorgangers als erfgenaam van Roosevelt (met zijn New Deal). Met zijn New Frontierpolitiek beloofde hij uitbreiding van de sociale wetgeving, bestrijding van armoede, stedelijke vernieuwing, vernieuwing van gezondheidszorg en verbetering van het openbaar onderwijs. Maar ook dit beleid liep (m.u.v. hogere uitgaven aan onderwijs, stedelijke huisvesting, stuk op verzet van het Congres(vooral de zuidelijke democraten wantrouwden hem vanwege zijn steun aan de zwarte burgerrechtenbeweging). Toen hij in 1963 werd doodgeschoten werd hij opgevolgd door de Democraat Johnson (1963-1969). Johnson ging verder dan de New Frontier van Kennedy. Zijn Great Society programma zou Fair Deal voltooien. Hij kondigde een War on Poverty aan (oorlog tegen armoede: d.w.z. armoedebestrijding, voedselbonnen, sociale woningbouw, verhoging uitkering arme gezinnen met kinderen en onderwijs verbeteringen, gezondheidszorg voor ouderen). Onder zijn bewind bereikte de Amerikaanse gezondheidszorg zijn hoogtepunt. Maar kosten voor de Vietnamoorlog dwongen Johnson vanaf 1965 tot bezuinigingen op zijn hervormingsprogramma van Great Society. Studenten en zwarte activisten protesteerden steeds vaker (tijd van hippies, seks, drugs, rock-n-roll) tegen de regulerende rol van ouders en overheid en met name tegen het gevoerde Vietnambeleid.


4.2 De ontwikkeling van de burgerrechten.


Na WO II (waar ook zwarten het racisme van de nazi’s bestreden en werkten in de oorlogsindustrie) wilden tal van zwarten gebruik maken van hun stemrecht, maar dat werd hun belemmerd. Zij voerden daarom de Double V (Double Victory: overwinning op racisten in buiten- en binnenland). Tussen 1945 en 1947 nam het aantal zwarte kiezers uiteindelijk toe met 12%. Truman zette de burgerrechten op de politieke agenda. Hij was geschrokken van het geweld van de Ku Klux Klan, maar had ook politieke redenen. Als gevolg van de Great Migration waren zwarte kiezers in de noordelijke staten een belangrijk electoraat geworden. Bovendien wees De Sovjet Unie (Koude Oorlog) erop dat de VS haar eigen zwarte bevolking onderdrukte! In 1946 liet Truman President’s Committee on Civil Rights oprichten (om einde aan lynchpartijen te maken en voor de verkrijging van burgerrechten). Hij vaardigde 2 presidentiële bevelen uit: verbod op segregatie binnen het federale ambtenarenapparaat en het verbod van segregatie in het leger. Na WO II was er een nieuwe zwarte middenklasse ontstaan. Na de Holocaust realiseerden zich ook steeds meer blanken het sociale onrecht in eigen land, In de jaren ’50 kwam de strijd voor gelijke burgerrechten in een stroomversnelling. De NAACP (National Accociation for Coloured People) behaalde overwinningen tegen segregatie in het zuiden. In 1954 besloot het Hooggerechtshof dat segregatie in het openbaar onderwijs niet langer rechtsgeldig was (zaak Brown vs. Board Education of Topeka). De Civil Rights Movement leverde strijd om de segregatie af te schaffen. Zo weigerde Rosa Parks in 1955 haar zitplaats op te geven aan een blanke. Onder leiding van Martin Luther King (die beínvloed werd door het geweldloos verzet van Gandhi) kwam tot een langdurige busboycot (meer dan een jaar): de Montgommery busboycot. Het Hooggerechtshof verklaarde de segregatie in het openbaar vervoer ongrondwettig. Er volgden boycots, protestmarsen en sit-ins (waarbij zwarten op plaatsen van blanken gingen zitten). In 1957 moest in Little Rock militaire begeleiding ingezet worden bij een middelbare school, waar 9 leerlingen toegang tot een blanke school hadden afgedwongen. De nationale garde van Arkansas blokkeerde de ingang, maar president Eisenhower plaatste de garde onder federaal gezag. De publieke opinie keerde zich steeds feller tegen de segregatie. In 1963 organiseerden zwarte activisten een mars naar washington, waarbij Martin Luther King zijn beroemde speech: I have a dream…. uitsprak. Na de moord op Kennedy tekende president Johnson in 1964 de Civil Rights Act en in 1965 de Voting Act. Deze wetten pasten in zijn Great Society beleid en deze wetgeving betekende het off iciële einde van de wettelijke ongelijkheid van de zwarte bevolking: discriminatie op basis van ras, sekse, etniciteit of religie werd in alle staten verboden (het kostte Johnson veel stemmers in het zuiden, die overstapten naar de Republikeinen). Ondanks de afschaffing van de segregatie vond in het midden van de jaren ’60 een radicalisering plaats binnen de Civil Rights Movement. Er braken rassenrellen uit in tal van steden, vanwege het daadwerkelijk uitblijven van gelijke kansen in de samenleving (discriminatie arbeidsmarkt, rechtzaal, getto’s). Er ontstonden radicale bewegingen als Black Power (verwierpen de vreedzame integratie en wensten afscheiding van blanken: eigen scholen en bedrijven). Malcolm X werd de woordvoerder van de Nation of Islam en moedigde zwarten aan om zich by any means te verdedigen tegen blanke onderdrukking. Veel blanken werden bang en gingen stemmen op de Republikeinen en keerden zich tegen sociale programma’s.


4.3 Het buitenlands beleid.


Na WO II besloot Truman om de atoombom te gebruiken in de oorlog tegen Japan. De atoombom was tevens een dreigend signaal. De Amerikanen vreesden uitbreiding van de Russische invloedssfeer (Oost – Europa) en de Russen beschouwden de Amerikaanse vrijhandel als westers imperialisme. De Koude Oorlog ontstond. De actieve rol van de VS was tevens in het belang van het militair-industrieel complex. De Trumandoctrine uit 1947 bepaalde dat elke democratie, die bedreigd werd door de VS geholpen zou worden (aanleiding was  communistische activiteiten in Griekenland, waar linkse opstandelingen de regering omver dreigde te werpen. Het doel van de VS was containment (indamming van het communisme).. In 1848 volgde de Marshallhulp (financieel hulpprogramma voor opbouw van Europa om voedingsbodem voor het communisme onderuit te halen). In reactie op de introductie van de Duitse Mark kondigde Stalin een blokkade van Berlijn (dat in het communistische deel lag). De VS reageerde met een luchtbrug in 1848 om goederen naar Berlijn te brengen, totdat Stalin de blokkade opgaf. In 1949 viel Duitsland uiteen in de Bondsrepubliek Duitsland (democratisch) en de Duitse Democratische Republiek (communistisch). De crisis rondom Berlijn leidde tot vrees voor een communistische invasie in West Europa en daarom werd in 1949 de NAVO opgericht, als reactie hierop werd in 1955 het Warschaupact opgericht voor de communistische landen. Vanwege een dreigende leegloop uit het communistische deel werd in 1960 de muur gebouwd in Berlijn (aan het eind van de Koude Oorlog in 1898-1990 afgebroken). De VS schrokken in 1949, toen zowel de SU een atoombom kreeg en China communistisch werd en in de VS werd gesproken over de domino theorie (wanneer een land communistisch wordt volgen de buurlanden). Daarom grepen de VS ook in in Korea (1950-1953), toen het communistische Noord Korea een inval deed in het kapitalistische Zuid Korea. Uiteindelijk kwam het tot een wapenstilstand. Ook in Vietnam kwamen de twee ideologieën kapitalisme en communisme tegenover elkaar te staan In 1954 werd Frankrijk verslagen in de onafhankelijkheidsoorlog in Vietnam. In het Noorden ontstond een communistische staat en in het zuiden een kapitalistische. President Eisenhower hielp in het zuiden de corrupte, anticomministische Diem aan de macht, hij boycotte de verkiezingen (uit angst dat de communisten zouden winnen). In Amerika ontstond uit angst voor het communisme een heksenjacht op alle linkse mensen (McCartyisme). In de tweede helft van de jaren ’50 streden de SU en de VS om de strijd in de ruimte. De SU wist in 1957 een satelliet in een baan rond de aarde te sturen (de Spoetnik). Daarom richtten de Amerikanen in 1958 de  ruimtevaartorganisatie NASA op. De Russen stuurden de eerste mens de ruimte in, de Amerikanen zetten de eerste mens op de maan. Toen de Russen nucleaire raketten plaatsen op Cuba in 1962 ontstond een zenuwslopende confrontatie tussen de SU en de  VS. Uiteindelijk werd de Cuba/crisis opgelost doordat de Russen hun raketten weghaalden en de VS beloofden Cuba niet binnen te vallen en hun raketten uit Turkije te verwijderen.  Eisenhower, die adviseurs naar Vietnam gestuurd had, liet zijn opvolgers Kennedy en Johnson met een erfenis achter. Diem was allesbehalve populair. In 1960 ontstond de National Liberation Front, het NLF of Vietcong’ in Zuid Vietnam een guerillabeweging, die tot doel had het imperialistische regime van Amerikanen omver te werpen. Kennedy stuurde meer ``adviseurs`` om de opstand de kop in te drukken, tevergeefs’. Johnson wilde graag zijn Great Society Programm uitvoeren, maar vanwege de hoge kosten van de Vietnamoorlog lukte dat niet. Het Tonkin/incident,een vermeende torpedo aanslag op een Amerikaans oorlogsschip’ gaf Johnson een excuus om de oorlog uit te breiden Hij vroeg aan het Congress onbeperkte macht over militaire operaties in 1964. Het Congres gaf ahaar macht op dit gebied uit handen. De pers en publieke opini keerde zich steeds meer tegen de oorlog in Vietnam en de positie van de VS was onhoudbaar. Johnson stelde zich in 1968 ook niet meer herkiesbaar. Nixon beloofde de Amerikaanse troepen terug te trekken uit Vietnam )1973’ en in 1975 werd Zuid Vietnam alsnog veroverd door Noord Vietnam. De VS moest de rol, die ze speelde in de wereld heroverwegen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.