Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... de coronacrisis heeft een grote impact op jongeren. Wij zijn benieuwd hoe jij ermee omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië
Deel 1: De VOC in Indië
In de tijd dat de Europeanen in Indië aankwamen was Indië nog geen land of natie te noemen. Het was een gebied met honderden verschillende volkeren met eigen talen en culturen. De naam Indië was een verzamelnaam.
De Europeanen waren niet de eerste vreemdelingen in het gebied. Al eeuwen werd er handel gedreven door Chinese, Arabische en andere Aziatische handelaren. Op die manier was ook de Islam in het gebied gekomen.
De VOC ontstond in 1602 door de samenvoeging van alle Nederlandse ondernemingen die op Azië voeren. Ze gingen samenwerken omdat ze anders ten onder zouden zijn gegaan aan de onderlinge concurrentie. Door samen te werken kregen ze een monopolie: de VOC mocht daar als enige Nederlandse bedrijf handel drijven. Bovendien mocht ze in Azië optreden als Nederlandse overheid. Ze mocht daardoor verdragen sluiten met vorsten, oorlog voeren en eigen gebieden besturen. Ze had dus ook militaire voorrechten waardoor ze nog sterker was. De meeste personeelsleden van de VOC waren soldaat, en alle schepen waren zwaar bewapend. Hierdoor was de onderneming steeds sterker geworden. Rond 1625 was de VOC zelfs de grootste handelsonderneming ter wereld. Het hoofdkwartier was in Batavia (op Java).


De Europeanen wilden graag handel drijven met Indië vanwege de specerijen, vooral peper en kruidnagel en na 1700 ook thee, koffie en suiker.
In de 17e eeuw was de VOC nadrukkelijk aanwezig op Java en op de Molukken. Op andere plaatsen dreven ze ook wel handel, maar het aantal mensen dat dat deed was gering. Met lokale vorsten en edelen maakte de VOC afspraken over de te leveren hoeveelheid producten en over de prijs. (ze hielpen deze vorsten ook wel eens bij conflicten met andere inheemse vorsten). De vorsten en edelen lieten de producten door hun eigen bevolking verbouwen. Deze mensen hadden dus niet direct te maken met de Europeanen. In het binnenland kwamen de Nederlanders zelfs nooit. De handelsposten van de VOC lagen aan de kust.
Toch was er een keer een Nederlander betrokken geraakt bij een opstand van de inheemse bevolking:
In 1621 Had Jan Pieterszoon Coen de Molukse Banda eilanden ingenomen. Hij had de bevolking, toen deze in opstand kwam, hardhandig tot overgave gedwongen. Hij richtte een slachting aan om de Bandanezen te laten gehoorzamen. Toch waren niet alle Nederlanders zo gewelddadig en wreed t.o.v. de inheemse bevolking. Het optreden van Coen leidde dan ook tot verbijstering in Nederland.
In 1795 kwamen in Nederland (toen: De Republiek) de patriotten aan de macht. De patriotten waren de VOC niet gunstig gezind. Volgens hen was de VOC een instrument van de oude elite, terwijl de patriotten meer invloed wilde voor de gewone burgerij. De VOC was inmiddels ook geen winstgevende organisatie meer.
Bovendien werd door de machtsovername van de patriotten de Republiek een bondgenoot van Frankrijk. Hierdoor ging het nog slechter met de VOC, want door het bondgenootschap met Frankrijk raakte de republiek betrokken bij de oorlog met Engeland. De Engelse vloot blokkeerde de handel overzee en maakte de VOC veel factorijen afhandig. In 1799 werd de VOC opgeheven.
Deel 2: Het Cultuurstelsel
Wat veranderde er in de koloniale relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië in de jaren 1800-1870?


Toen de VOC in 1799 werd opgeheven kwamen de bezittingen van de Compagnie per 1 januari 1800 in handen van de Bataafse Republiek (met koning Lodewijk Napoleon aan het hoofd). De koning stuurde een generaal naar Java om een eventuele Engelse aanval af te slaan. Deze generaal heette H.W. Daendels.
Hij voerde een aantal veranderingen door. Als patriots denker had hij namelijk een hekel aan het feodalisme dat op Java heerste (Javaanse edelen waren de baas (op grond van geboorte) en lieten de boeren voor hun werken (herendiensten verlenen)). Daendels wilde af van de onderdanigheid en willekeur van de verplichte herendiensten. Daendels wilde een modern bestuur waarin de overheid de baas was en de ambtenaren de wet uitvoerden. De boeren konden in dit systeem zelf de kost verdienen (ze waren vrij). In dit systeem moesten de boeren wel belasting aan de overheid betalen, de zogenaamde landrente. De boeren gebruikten immers de grond die eigendom was van de staat. (De landrente werd overigens pas ingevoerd door de Engelsman Raffles na het vertrek van Daendels).
Toch was Daendels niet consequent. Hij liet de Javanen namelijk ook herendiensten verlenen, namelijk bij de aanleg van de Grote Postweg, terwijl de Javaanse edelen dat niet meer van hem mochten.
De Grote Postweg was een weg over de volle lengte van Java, waardoor het eiland beter vanuit één centrum te besturen was.
In 1811 bezetten de Engelsen Java en werd Raffles de nieuwe gouverneur-generaal. Nadat Napoleon in Europa verslagen was (en Nederland weer onafhankelijk was), gaf Engeland de VOC-bezittingen aan Nederland terug. Engeland wilde dat Nederland een sterke staat zou worden en vond dat je als sterke staat koloniën nodig had. Voortaan heette het gebied Nederlands-Indië.
De volgende gouverneur-generaal was Van der Capellen. Hij werd benoemd door koning Willem I. Van der Capellen had het goed voor met de Javaanse bevolking. Hij wilde de Javanen beschermen tegen uitpersing door regenten en westerse ambtenaren en ondernemers. Daar kwam helaas niets van terecht omdat de herendiensten gewoon bleven bestaan en de landrente er nog bovenop kwam als extra belasting.
In 1825 begon de Javaanse prins Diponegoro een opstand. Diponegoro was een diep gelovig moslim en hij wilde de Nederlandse heidenen verjagen. Hij wilde ook een einde maken aan het onrecht dat de Javanen (boeren en edelen) werd aangedaan. Deze opstand liep uit op de Java-oorlog.
Door de oorlog liepen de inkomsten van de Nederlanders terug, terwijl de kosten opliepen. Dit kwam ook door de handelsblokkade van de Engelsen en door de toegenomen concurrentie (De VOC-tijd was voorbij, dus Nederland had geen handelsmonopolie meer). Nederlands-Indië was een schadepost geworden voor de Nederlandse economie.
Het handelsmonopolie van de VOC was inmiddels vervangen door vrijhandel; het feodale systeem was vervangen door een ‘modern bestuur’ waarin boeren geen feodale verplichtingen hadden (dat was het streven) maar gewoon loon naar werken kregen, als een soort kleine zelfstandigen. Deze ‘liberale’ of ‘patriotse’ ideeën hadden sinds 1808 de overhand in Nederlands-Indië.
De volgende gouverneur-generaal was Johannes van den Bosch. Hij geloofde niet in een modern liberaal beleid. Hij stelde dat de boeren alleen hard zouden werken voor hun eigen hoofden, vrij ondernemerschap sloot niet aan bij hun feodale tradities en hun ‘aard’. Van den Bosch wilde aansluiten bij die feodale tradities, door de boeren via hun eigen hoofden tot productie van exportgewassen te dwingen.
Van den Bosch voerde in1830 het Cultuurstelsel in: - Alle grond was bezit van de koloniale overheid, die daarom een vergoeding mocht vragen voor het gebruik ervan. Die vergoeding had de vorm van exportproducten, te bestellen bij de dorpshoofden en te verbouwen door de Javaanse boeren. De regenten en dorpshoofden kregen Nederlandse ambtenaren naast zich die moesten toezien of de ‘afspraken’ werden nageleefd. Beide groepen (inheemse hoofden en ambtenaren) kregen een deel van de opbrengst. Bij het verkopen van de exportgewassen werd het bedrijfsleven buitenspel gezet; de NHM kreeg een handelsmonopolie. Zo werden de prijzen hoog gehouden. (De NHM was de Nederlandse Handel Maatschappij). De NHM mocht als enige de tropische producten kopen, vervoeren en verkopen. Zo werd het particuliere bedrijfsleven buiten de deur gehouden, was er geen concurrentie en konden de inkoopprijzen laag en de verkoopprijzen hoog gehouden worden. Het Cultuurstelsel was een groot succes. Een periode van rust brak aan en het cultuurstelsel leverde Nederland veel geld op. Met dat geld werden onder meer de aanleg van spoorwegen en bruggen betaald. De bedrijvigheid in Nederlands-Indië was een stevige ‘prikkel’ voor de scheepsbouw. De miljoenen inwoners van Java vormden voor de Nederlandse textielindustrie een enorme afzetmarkt (klanten).
Voor de Javaanse bevolking was het cultuurstelsel niet zo gunstig. Zij moest harder werken, want het verplichte werk aan de cultures kwam bovenop de eigen voedselproductie; daarbij moesten ze ook nog landrente betalen én herendiensten verrichten. De verbouw van suiker en indigo ging verder ten koste van de voedselproductie, want voor deze gewassen was rijstgrond en veel water nodig. Uiteindelijk leidde dat tot hongersnoden.
De onderdrukking, ook door de eigen hoofden, nam bovendien toe, want de hoofden en de Nederlands ambtenaren hadden belang bij een zo hoog mogelijk opbrengst. Dat werkte misbruik in de hand.
Toch waren er ook goede kanten voor de bevolking: Na jaren van oorlog was er eindelijk rust.
En voor hun gedwongen arbeid kregen de boeren plantloon, die hoger was dan de landrente die ze moesten betalen. In veel streken nam de welvaart en bedrijvigheid in eerste instantie toe.
Van den Bosch voerde ook het dualistisch bestuur in waarin het Nederlandse en inheemse bestuur naast elkaar functioneerden. Hoofd van het Nederlandse bestuur, het Binnenlandse Bestuur, was de gouverneur-generaal. Onder hem stonden de residenten, die de provincies bestuurden. De provincies waren verdeeld in afdelingen die werden geleid door assistent-residenten. Zij hadden een of meer controleurs onder zich.
Bovenaan het Inlands Bestuur stonden de regenten. Zij hadden lagere hoofden onder zich met onderaan de dorpshoofden. (een regent stond ongeveer naast een (assistent)resident. De inlandse regenten waren eigenlijk het beste af: Ze waren ambtenaren in Nederlandse dienst, met een salaris en cultuurprocenten (deel van de opbrengst van het Cultuurstelsel), én feodale heersers over de eigen bevolking met erfelijke rechten, die bijvoorbeeld de boeren om herendiensten konden vragen.
In 1849 werden er hervormingen doorgevoerd: Het verplichte werk op de koffie- en suikerplantages werd verminderd. De cultuurprocenten gingen omlaag, en Nederlandse ambtenaren kregen opdracht de bevolking te beschermen tegen misbruik door de eigen bestuurders. De hervormingen werden bevorderd door de hongersnoden van 1845-1849, waarbij honderdduizenden doden vielen. Deze ramp leidde tot de eerste kritiek op het Cultuurstelsel.
Ook het verschijnen van Max Havelaar speelde een rol. Deze roman liet zien hoe regenten hun onderdanen uitzogen en hoe Nederlandse ambtenaren daar niets aan deden.
De liberalen waren het niet eens met het Cultuurstelsel. Volgens liberalen was gedwongen arbeid in strijd met de menselijke natuur: het onderdrukte de drang om door hard werken je eigen bestaan te verbeteren. Daardoor was het ook geen efficiëntie productiemethode: vrije arbeid zou meer opleveren. Volgens de liberalen moest de staat zich niet met de economie bemoeien, ze moest dat overlaten aan particuliere ondernemers. Na 1848 kregen de liberalen meer macht in Nederland. In 1848 kwam er een ‘liberale grondwet’. De koning werd op een zijspoor gezet, de macht was voortaan in handen van het parlement, dat gekozen werd door de gegoede burgerij. Daardoor hadden de liberalen het tientallen jaren voor het zeggen in regering en parlement.
Vanaf 1860 werd het cultuurstelsel geleidelijk afgeschaft. Vrije ondernemers speelden daarbij een belangrijke rol. Zij wilden de vrijheid om op Java een landbouwbedrijf (plantage) op te zetten. Het Cultuurstelsel zat hen in de weg. De liberalen juichten hun komst van harte toe. Geleidelijk drongen zij zich in het Cultuurstelsel (zij sloten contracten over de levering van bijvoorbeeld suiker) en holden het van daaruit langzaam uit – ze mochten een steeds groter deel van hun oogsten zelf verkopen in plaats van via de NHM. Het cultuurstelsel werd stapsgewijs afgeschaft. Eerst kregen particuliere ondernemers toestemming om een deel van de opbrengsten buiten de NHM om te verkopen; dit deel groeide snel uit tot dertig procent. Vanaf 1860 werden de gedwongen cultures een voor een afgeschaft: eerst thee (1860), daarna peper (1862), fijne specerijen (1863), indigo, tabak (1864) en suiker (1870).
1870 wordt uiteindelijk als het eindpunt van het cultuurstelsel gezien omdat in dat jaar (naast de Suikerwet) de Agrarische Wet werd ingevoerd. Deze wet gaf particuliere ondernemers alle ruimte, bijvoorbeeld om grond te huren. Dat gebeurde ook direct op grote schaal.
Nederland ging Java steeds meer overheersen, maar dat leidde niet direct tot enorme culturele veranderingen in de Javaanse samenleving. De meeste Javanen woonden namelijk op het platteland, waar slechts een handjevol Nederlanders was. De Nederlanders (en andere Europeanen) pasten zich aan de Indo-Europese mengcultuur (ontstaan uit mannen uit Europa die met Inlandse vrouwen trouwden) aan. Hierdoor benoemde de Nederlandse regering op belangrijke posten alleen Europeanen (‘totoks’) en eisten voor veel posten een opleiding in Nederland. Dat hielp maar weinig, want ook de nieuwkomers pasten zich al snel aan de Indo-Europese leefwijze aan – al hielden ze er ‘naar buiten toe’ een meer Europese stijl op na.
Deel 3: Nederland breidt zijn gezag uit
Wat betekende de uitbreiding van het Nederlandse gezag voor de koloniale relaties?
Tot 1860 hadden de Nederlanders alleen echt de macht op Java. Na 1860 maakten zij ook steeds meer in andere delen van Nederlands-Indië, de Buitengewesten, de dienst uit.
De Lombokexpeditie van 1894 is een breekpunt.. Dat jaartal markeert de overgang van de Atjeh-oorlog naar een periode van imperialistische expansie (1894-1914). Deze periode, waarin Nederland zijn gezag uitbreidde, gaan we nu bespreken.
Nederland voerde vanaf 1830 (Van den Bosch) in de buitengewesten een onthoudingspolitiek. Dit hield in dat er geen militaire avonturen waren: in de Buitengewesten werd het bestuur overgelaten aan lokale vorsten, die met rust werden gelaten zolang ze Nederland niet tegenwerkten en het Nederlandse gezag ‘in naam’ erkenden. Méér militaire of bestuurlijke inspanningen waren te kostbaar – daar stonden te weinig inkomsten tegenover. Er was wel een leger (KNIL: Koningklijke Nederlands-Indisch Leger) dat het koloniale gezag op kleine schaal beschermde.
Tot 1871 was Atjeh (Noord-Sumatra) niet tot Nederlands- Indië gerekend. Nederland bracht Atjeh onder haar bestuur omdat Atjeese zeerovers de nieuwe vaarroute om Sumatra heen onveilig maakten. Deze vaarroute was sinds de opening van het Suez kanaal in 1869 heel belangrijk geworden. Nederland kon niets aan de zeerovers doen zolang het Noord-Sumatra niet onder controle had (daar heerste een door de Britten erkende vorst). Atjeh moest dus onderworpen worden (dit lukte uiteindelijk pas rond 1914, maar het is er nooit helemaal rustig geworden.
In deze periode vormde het jaar 1894 een ommekeer. Dit was het jaar van de Lombokexpeditie. Door de Lombokexpeditie was er in Nederland veel zelfvertrouwen en enthousiasme: het KNIL was tot grote overwinningen in staat; dat smaakte naar meer. Het wakkerde dus een imperialistische mentaliteit aan en markeert het begin van een periode van imperialistische expansie. De Lombokexpeditie beïnvloedde ook de aanpak van de Atjeh-oorlog, want Lombok had geleerd dat een korte, gewelddadige en intimiderende oorlogvoering effectief was. Op die manier ging de generaal Van Heutsz na 1894 ook in Atjeh te werk.
In 1903 werd door de belangrijkste hoofden van Atjeh de Korte Verklaring getekend. Dit was een belofte, te ondertekenen door inheemse vorsten, zich aan het Nederlandse gezag te onderwerpen, geen banden met andere landen te onderhouden en de regels van het gouvernement (bestuur) na te leven. (Ontworpen door Snouck Hurgronje, islamkenner en adviseur van Van Heutsz.)
Ook door de Mijnwet van 1850 en de Agrarische Wet van 1870 nam de bedrijvigheid in de Buitengewesten toe. De Agrarische Wet bood particuliere ondernemers de mogelijkheid om grond te pachten. Velen maakten daar gebruik van en begonnen tabaks-, suiker, koffie- of theeplantages. Ook de Mijnwet opende de weg voor particuliere ondernemers om naar delfstoffen te zoeken en deze te ontginnen.
Rond 1900 was er een nieuwe economische periode van groei. Naast een opleving van de suiker-, koffie en theeteelt kwam de groei vooral van nieuwe producten als aardolie, rubber en kopra.
Deze groei werd ook bevorderd door verbeteringen in de infrastructuur:
- De bouw van het Suezkanaal.
- Versnelde overschakeling van zeilvaart naar stoomvaart.
- De aanleg van moderne havens
- Het instellen van lijndiensten (regelmatige vaste verbindingen), ook naar voorheen geïsoleerde gebieden.
De KPM (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij) speelde een belangrijke rol. Het kreeg het alleenrecht op het vervoer tussen de eilanden in de archipel. Doordat zij niet hoefde te concurreren, kon dit bedrijf zonder grote risico’s investeren in modernisering (stoomschepen, havenbouw, lijndiensten). Het monopolie bevorderde in dit geval dus een snelle verbetering van de infrastructuur.
Ook de Nederlandse economie profiteerde van Nederlands-Indië. Nederlandse bedrijven maakten grote winsten; die winsten maakten zij naar Nederland over, maar ze werden ook gebruikt om nieuwe bedrijvigheid in Indië zelf op te starten. Verder leverde de kolonie grondstoffen voor de Nederlandse industrie. En Nederlands-Indië was een enorm afzetgebied (er woonden veel mogelijk kopers) voor de Nederlandse scheepsbouw (KPM!) en de textielindustrie.
Inheemse ondernemers speelden ook een rol in de ontwikkeling van de economie in Nederlands-Indië. Vooral in arbeidsintensieve, kapitaalsextensieve (veel arbeid nodig, relatief weinig geld/investeringen) productie speelden zij een belangrijke rol. Zo werden ze verantwoordelijk voor het grootste deel van de productie van koffie, thee en peper en speelden ze een leidende rol bij de productie van rubber en kopra.
Door de afschaffing van het Cultuurstelsel had de agrarisch-feodale samenleving plaats gemaakt voor een geldeconomie. Nederlands-Indië was opengesteld voor particuliere ondernemers en er ontstond een geldeconomie met loonarbeid – wat nieuw was.
De Javanen ervoeren de overgang naar loonarbeid als achteruitgang; in het agrarische Java stonden loonarbeiders laag in aanzien. De geldeconomie maakte hen bovendien kwetsbaar: lonen konden dalen, prijzen en belastingen konden stijgen. Zij moesten verder ook meebetalen aan de imperialistische expansie en aan de uitbreiding van het koloniale bestuur.
Tenslotte bleef de rijstproductie achter bij de bevolkingsgroei, wat tot schrijnende armoede en hongersnoden leidde en de situatie nog verder verslechterde.
Koelies waren loonarbeiders, al waren ze niet heel anders dan horigen. Hun werk was loodzwaar, het ontbrak vrijwel geheel aan voorzieningen en het loon was laag – zo laag dat velen er niet in slaagden het voorschot waarmee ze waren geworven, terug te betalen. De sterfte onder koelies was enorm – maar een uitweg was er niet.
In 1880 kwam de Koelieordonnantie. Een planter mocht zijn koelies straffen wegens luiheid, weglopen, belediging of wat dan ook. Dit maakte de koelies vrijwel rechteloos, de planters konden hen naar believen afbeulen.
Tussen 1880 en 1900 verdubbelde het aantal Europeanen in Nederlands-Indië. Door de kansen die particuliere ondernemers kregen na de afschaffing van het Cultuurstelsel werd de kolonie een aantrekkelijker vestigingsplaats. Bovendien werd, door de opening van het Suezkanaal en de ontwikkeling van de stoomvaart, de reistijd aanzienlijk bekort, van vier maanden naar vijf weken.
Hun komst had vrijwel geen invloed op de Indische cultuur. De nieuwkomers pasten zich aan de Indische mengcultuur aan (trouwden/woonden vaak met Indische vrouw).
De jaren tussen 1870 en 1920 werden later Tempo Doeloe, de goede oude tijd, genoemd. Bij tempo doeloe paste het beeld van een ontspannen verhouding tussen Nederlanders (en andere Europeanen) en Indonesiërs; iedereen leek tevreden met de toestand zoals die was. Maar, in werkelijkheid was die verhouding lang niet altijd zo harmonieus; onder de schijnbare onderdanigheid van de Javanen broeide weerzin. Bovendien waren veel Indo-Europeanen niet ‘tevreden’, maar arm, gefrustreerd en bitter; veel Europeanen waren ‘grof, vadsig en verveeld’.
De mengcultuur kwam na 1900 meer in het gedrang. De stroom nieuwkomers bleef toenemen; steeds vaker namens zij een Europese vrouw mee (dus minder gemengde huwelijken en gemengd nageslacht) en brachten zij – door de verkorte reistijd - verlofperioden in Europa door. Daardoor raakte de koloniale elite meer op Europa gericht: de Europese cultuur werd de norm, de Indo-Europese cultuur een minderwaardige variant daarop.
De hoge Nederlandse ambtenaren op Java gedroegen zich als een soort edelen, ver verheven boven de inheemse bevolking en ook hun inheemse collega’s. Toch waren er ook veel idealistische ambtenaren. Zij wilden de inheemse bevolking ‘ontwikkelen’. In de Nederlandse politiek ontstond de voogdijgedachte (Abraham Kuyper). Die gedachte hield in dat op Nederland de morele plicht rustte de bevolking van Nederlands-Indië ‘op te voeden’ tot meer zelfstandigheid – als een ouder die zijn kinderen naar volwassenheid (bege)leidt. Bovendien had Nederland door de uituiting van het Cultuurstelsel een ‘Eereschuld’ te vereffenen. In Nederland kwam daardoor rond 1900, na tientallen jaren, een einde aan het liberale beleid van staatsonthouding; er werd een begin gemaakt met sociale wetgeving – de overheid nam dus een meer actieve houding aan om de arme en kwetsbare delen van de samenleving te beschermen. In dat ‘klimaat’ groeide ook de kritiek op het koloniale beleid, vooral toen
- eind 19e eeuw steeds duidelijker het beeld doordrong dat een groot deel van de Javaanse bevolking in misère leefde; en
- de koloniale expansie moest gerechtvaardigd worden, en die expansie maakte het ook beter mogelijk om iets te bereiken (het lot van de bevolking te verbeteren).
De Ethische Politiek werd het officiële beleid. De twee hoofddoelen van de Ethische Politiek waren: armoedebestrijding en meer zelfstandigheid voor de inheemse bevolking. De leuze werd: Irrigatie, emigratie, educatie, en er werd een welvaartsbeleid opgezet.
Dit zogenaamde welvaartsbeleid kende drie onderdelen: irrigatie om (mee) land vruchtbaar(der) te maken; emigratie om de overbevolking op Java en het tekort aan arbeidskracht in de Buitengewesten aan te pakken; en educatie, omdat armoede vaak geweten werd aan een gebrek aan kennis/ontwikkeling.
Meer zelfstandigheid voor de inheemse bevolking moest gerealiseerd worden door middel van associatie: de inheemse cultuur moest ingepast worden in de Nederlandse cultuur (door vooral de inheemse elite de Nederlandse cultuur eigen te laten maken).
Nederland nam maatregelen om het bestuur van Nederlands-Indië te verbeteren:
- Inheemse bestuurders kregen westers onderwijs en Nederlandse ambtenaren kregen opdracht hun inheemse collega’s met meer respect te behandelen.
- Er kwamen vakdepartementen (een soort ministeries) die zich met de ontwikkeling van de bevolking gingen bezighouden.
- Nederlandse ambtenaren werden voorzitters van de lokale rechtbanken; bij botsing van plaatselijk gewoonterecht of islamitisch recht met Europees recht ging het Europese recht vóór.
- Er kwamen gemeenteraden en provinciale raden (Decentralisatiewet, 1903).
- De Volksraad werd opgericht (1916). Dit was een adviesorgaan van het gouvernement, voor eenderde gevuld met inheemse leden, dat zou kunnen uitgroeien tot een echt democratisch parlement.
Via de rechtspraak nam de Nederlandse invloed op de inheemse cultuur toe. Nederlandse ambtenaren werden voorzitters van de lokale rechtbanken; bij botsing van plaatselijk gewoonterecht of islamitisch recht met Europees recht ging het Europese recht vóór. In praktijk werden bepaalde inheemse wetten en regels (inclusief de straffen die daarbij hoorden) terzijde geschoven.
Deel 4: Ethische Politiek en Nationalisme
Hoe ontwikkelde zich de verhouding tussen Nederland en Nederlands-Indië in de jaren 1901-1942?
De Ethische politiek was best succesvol. De infrastructuur werd verbeterd: er werden wegen aangelegd en bruggen gebouwd, landbouwgrond werd ontgonnen en overstromingsgevaar werd ingedamd en er waren irrigatieprojecten. Ook werd de productie en distributie van voedsel verbeterd. Na 1905 kwamen hongersnoden niet meer voor.
Toch nam de levensstandaard van de inheemse bevolking nauwelijks toe. De Javaanse bevolking bleef namelijk snel groeien, bijna net zo snel als de rijstproductie. Bovendien investeerden Javaanse boeren het geld dat zij bij dorpsbanken konden lenen niet in de landbouw, maar gaven het direct uit aan andere dingen.
Voordat de overheid het overnam, was de verbetering van de gezondheidszorg vooral te danken aan de missionarissen (katholiek) en zendelingen (protestants). Tot 1848 zetten zij hospitaaltjes op en deden medisch werk, maar ze kregen daarbij weinig steun van de koloniale overheid en moesten zich vooral richten op de Nederlanders.
Na 1848 (liberale grondwet) kregen ze wat meer vrijheid, maar mochten ze toch alleen met toestemming van de gouverneur-generaal aan de slag in regio’s waar de islam niet sterk was – vooral op de oostelijke eilanden en in de binnenlanden van Borneo en Sumatra.
Na 1900 kreeg Nederland meer oog voor de arbeidsomstandigheden in Nederlands-Indië. Na een onderzoek naar misstanden op de tabaksplantages in Deli werd in 1907 een arbeidsinspectie ingesteld.
Ook op het gebied van onderwijs werden er veranderingen doorgevoerd. Op het platteland waren er voor inheemse kinderen van zes tot negen jaar dessaschooltjes (dorpsschooltjes), waar Javaans of Maleis werd gesproken. Kinderen uit de inheemse elite gingen naar de Europese Lagere School. De ‘gegoeden en aanzienlijken’ (net onder de elite) konden naar de Hollands-Indische School. De Chinese elite kon naar de Hollands-Chinese school. Op deze scholen was Nederlands de voertaal.
Daarnaast kwamen er middelbare scholen en instellingen voor hoger onderwijs.
De inheemse elite, vooral Javanen en Indo-Europeanen, zagen onderwijs als belangrijk emancipatiemiddel: de weg naar een beter bestaan en wellicht ook meer zelfstandigheid liep via school, waar de Indonesiërs het ‘beste van het Westen’ zouden kunnen overnemen zonder hun eigen cultuur los te laten.
De onderwijspolitiek van Nederland leek succesvol. In 1940 zaten twee miljoen leerlingen op een dorpsschool, volgden er honderdduizend Nederlands lager onderwijs, enkele tienduizenden middelbaar onderwijs en enkele honderden academisch onderwijs. Dat leek heel wat, maar op een bevolking van zeventig miljoen was het weinig.
Na 1920 werd de voogdijgedachte een rem. Gecombineerd met het toegenomen blanke superioriteitsgevoel was de voogdijgedachte een rem op de emancipatie van Indonesiërs: de nadruk verschoof van het einddoel (zelfstandigheid) naar de lange weg die nog te gaan zou zijn (‘zij zijn er nog lang niet klaar voor’). Deze houding stond haaks op de nationalistische ideeën die intussen onder de inheemse bevolking leefden.
Het Indonesische nationalisme ontstond pas in de twintigste eeuw. De oprichting van organisaties als Boedi Oetomo (1908) en Sarekat Islam (1912) werd gezien als een succes van de Ethische Politiek. Het bewees dat men op de goede weg was: de Indonesiërs organiseerden zich en kwamen op voor de eigen belangen – maar wel op basis van samenwerking met de Nederlanders (associatie). Dat sloot volledig aan bij het (tweede hoofd)doel van de Ethische Politiek: opvoeden tot meer zelfstandigheid.
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog ontstonden er grote veranderingen in de opvattingen over kolonialisme. De Amerikaanse president Wilson riep koloniale mogendheden op na de oorlog meer rekening te houden met de inheemse volkeren; de VS beloofden de Filippijnen volledige onafhankelijkheid en Groot-Brittannië beloofde India zelfstandigheid en democratie binnen het Britse rijk. Ook in Nederlands-Indië zei de gouverneur-generaal kort na de oorlog dat Indië een zelfstandig deel van het koninkrijk der Nederlanden zou worden met de Volksraad als volwaardig parlement. Maar van deze beloofde zelfstandigheid en democratie kwam weinig terecht.
Oorzaak hiervan was dat in Nederland (en daarmee ook in Nederlands-Indië) de tegenstanders van de Ethische Politiek het voor het zeggen kregen. De nieuwe gouverneur-generaal vond dat Nederland het opkomende nationalisme hardhandig de kop moest indrukken.
De nationalisten kozen hierdoor gefrustreerd voor een hardere lijn: zij wilden niet meer met de kolonisator (Nederland) samenwerken.
In 1926-1927 was er een opstand georganiseerd door de in 1920 opgerichte PKI (Partai Komunis Indonesia). Het was de eerste keer dat Indonesische nationalisten (want de communisten waren óók en misschien zelfs wel vooral: nationalistisch) de macht probeerden over te nemen. De KNIL wist de opstand snel te bedwingen. Uiteindelijk luidde de opstand het begin in van een keihard optreden tegen alles wat naar nationalisme rook. (Veel nationalisten kwamen in het interneringskamp Boven-Digoel terecht.)
Nadat het Indonesische communisme in 1927 was uitgeschakeld, kwam er een nieuw nationalisme naar voren. Het ontstond in kringen van studenten. In Nederland waren de Indonesische studenten namelijk op elkaar aangewezen. Hun onderlinge verschillen deden er minder toe dan wat ze gemeenschappelijk hadden. Daardoor gingen ze uitdragen dat alle Indonesiërs, ondanks alle verschillen, één volk waren en zich moesten verenigen om hun land te bevrijden. Deze studenten gebruikten voor het eerst de naam Indonesië.
De student Mohammed Hatta (die in Rotterdam studeerde) kreeg veel invloed. Hatta wilde onafhankelijkheid afdwingen d.m.v. massa-actie en non-coöperatie. De politiek van non-coöperatie hield in dat elke vorm van samenwerking met Nederland(ers) geweigerd werd; alleen ‘strijd’ (van massa-acties tot mogelijk iets gewelddadiger varianten daarop) zou tot zelfstandigheid leiden.
Nationalistische studieclubs in Nederlands-Indië namen deze ideeën over. Één van de studenten daar was Soekarno. Hij richtte in 1927 de PNI op (Partai Nasional Indonesia).
Soekarno werd de leider van de PNI. Hij wist door zijn redenaarstalent de ‘massa’ te bereiken: hij kon inspirerende, opzwepende toespraken houden voor grote menigten.
Het gouvernement zag de PNI als bedreiging en sloot Soekarno twee jaar op. In de gevangenis was hij alleen maar populairder geworden. Na 1929 werd de sfeer in Nederlands-Indië steeds grimmiger. De economische crisis leidde tot massale onvrede en stimuleerde het nationalisme, maar de Nederlandse regering en de gouverneur-generaal waren niet van plan om ook maar één handreiking te doen – zij kozen voor harde repressie (vooral na 1933).
Het hoogtepunt van de spanningen was namelijk in februari 1933. De muiterij op het marineschip De Zeven Provinciën, die voornamelijk bemand werd door inheemse matrozen, werd toen gewelddadig neergeslagen. De communisten grepen het neerslaan van de muiterij en de daarop volgende repressie aan als voorbeeld van de koloniale onderdrukking. Daarmee benadrukten de communisten dat Nederland de bevolking van Indonesië onderdrukt: Wie die (koloniale) politiek steunt, is eigenlijk een klassenvijand – de strijd tegen het imperialisme was onderdeel van de strijd tegen het kapitalisme.
De repressie leek succesvol. Nadat het radicale nationalisme volledig was onderdrukt, stopten veel nationalisten met hun politiek van non-coöperatie; het ging er allemaal veel gematigder aan toe. De rust leek dus volledig teruggekeerd.
In 1936 nam de volksraad (gematigde nationalisten hadden inmiddels een meerderheid) een petitie aan van de inheemse bestuurder Soetardjo. De petitie-Soetardjo was een voorstel om een conferentie te organiseren waarin vertegenwoordigers van Nederland en Nederlands-Indië, als gelijkwaardige partners, een plan opstelden voor geleidelijke zelfstandigheid.
In Nederland zagen alleen de communisten en socialisten er iets in. De regering legde de petitie naast zich neer; zij stelde dat het voorstel maar door een kleine, elitaire groep gesteund werd; de gewone bevolking zat helemaal niet op zelfstandigheid te wachten.
Moederland en kolonie groeiden steeds verder uit elkaar. De economische banden tussen Nederland en Nederlands-Indië werden ook losser. De afzet naar Nederland nam tussen 1874 en 1939 af van zestig procent naar vijftien procent van het totaal. Als afzetmarkt werd Nederlands-Indië ook steeds minder belangrijk voor Nederland.
De kolonie was ook door de Eerste wereldoorlog en de economische wereldcrisis hard getroffen. Door de Eerste Wereldoorlog kon Nederlands-Indië zijn exportgewassen niet kwijt. Dat was een klap voor de Indische economie. Door de economische crisis van 1929 kelderde de prijs van allerlei exportproducten; de waarde van de totale Indische export daalde tot een derde.
De Nederlandse regering reageerde op de economische crisis van de jaren dertig met aanpassingspolitiek: aanpassen aan de economische neergang door minder uit te geven (te bezuinigen). Het beschermen van de eigen industrie door het weren of duurder maken van de invoer uit andere landen kon daar ook bij horen.
Deze politiek was nadelig voor Nederlands-Indië. Nederland beperkte namelijk de uitvoer van Nederlands-Indië naar Nederland; terwijl omgekeerd Nederlands-Indië verplicht werd Nederlandse producten te kopen om de Nederlandse economie te steunen.
In Nederlands-Indië waren dus zowel de kopers als verkopers duurder uit.
Nederlands-Indië werd intussen steeds belangrijker als vestigingsplaats. Tussen 1920 en 1940 vernederlandste de Nederlandse gemeenschap in Nederlands-Indië. Door de groei van het bedrijfsleven en het aantal ambtenaren kwamen steeds meer Europeanen naar Nederlands-Indië; zij namen vaker een Europese vrouw mee en hielden – door de sterk verkorte reistijd – veel meer contact met Nederland. De Nederlandse (Europese) cultuur werd nu de norm.
De plek waar de Nederlanders woonden werd wel ‘Bloemendaal in de tropen’ genoemd. De (welgestelde) Nederlanders leefden in Nederlands-Indië onder luxueuze omstandigheden bij elkaar, afgesloten van de gewone bevolking. Dat leek een beetje op ‘rijke’ gemeenten als Bloemendaal, waar de rijken veilig en afgesloten in hun villawijken woonden – een stukje Nederland in de tropen.
Het gevolg van het isolement was dat de Nederlanders nauwelijks wisten wat er onder de inheemse bevolking leefde. Ze dachten – ten onrechte – dat die tevreden was met de situatie.
Ze waren dan ook in shock toen veel Indonesiërs de Japanners in 1942 als bevrijders binnenhaalden.
Deel 5: De ondergang van Nederlands-Indië
Hoe ontwikkelde de relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië zich vanaf 1942?
Je zou kunnen zeggen dat Nederland in 1940 een laatste kans had op een eervolle aftocht uit de kolonie. Na mei 1940 kwamen de Indonesische nationalisten met het voorstel om Indië tot een zelfstandig onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden te maken en de Volksraad tot parlement te benoemen. Door dat voorstel over te nemen had Nederland nog veel plezier aan zijn voormalige kolonie kunnen beleven. Maar de Nederlandse regering wees het voorstel hooghartig van de hand: na de oorlog zou verder worden gepraat.
In 1942 beloofde koningin Wilhelmina Nederlands-Indië in een radiotoespraak een zelfstandige en gelijkwaardige positie binnen het koninkrijk. Deze beloften kwamen te laat, want Nederlands-Indië was toen al door Japan bezet (sinds 8 maart 1942). Nederland was zijn kolonie toen eigenlijk al kwijt. De Japanners wakkerden de anti-Nederlandse gevoelens alleen maar verder aan.
Japan maakte Indonesië volledig ondergeschikt aan zijn eigen belangen. Indonesië moest op grote schaal grondstoffen en voedsel aan Japan leveren (olie, rubber, rijst), ook toen er honderdduizenden Indonesiërs de hongerdood stierven. Verder moesten Miljoenen Javanen, in heel Zuid-Oost-Azië, onder onmenselijke omstandigheden dwangarbeid verrichten (romusha’s)
De Japanse bezetters stimuleerden het Indonesische nationalisme doordat zij het KNIL een roemloze nederlaag hadden bezorgd. De Japanners toonden aan dat een Aziatisch volk het kon opnemen tegen de blanke overheersers – en kon winnen. Japan wiste de Nederlandse invloed grondig uit: alles wat aan Nederland herinnerde, inclusief de Nederlanders zelf, werd uit het straatbeeld verwijderd. Ze sloten de Nederlanders op in interneringskampen en stelde hen tewerk als dwangarbeider: dat op zichzelf deed afbreuk aan het imago van de Nederlanders als ‘heersers’: ze zaten opgesloten en waren kwetsbaar als alle anderen die van de oorlog te lijden hadden.
Japan liet bovendien door Soekarno en door massaorganisaties, vooral van jongeren, anti-Nederlandse propaganda maken. Het maakte ook zelf felle antiwesterse propaganda.
Het is moeilijk te zeggen of de Japanners de Indonesiërs ook werkelijk onafhankelijkheid zouden hebben gegeven. Pas toen de oorlog voor Japan slechter verliep, probeerde Japan de Indonesiërs te vriend te houden met toezeggingen over onafhankelijkheid. Onder druk van een opstand in mei 1945 werd afgesproken dat op 18 augustus 1945 de soevereiniteit zou worden overgedragen. Of het zover gekomen zou zijn, weten we niet: radicale Indonesische jongeren besloten die dag niet af te wachten.
Indonesië riep uiteindelijke zelf de onafhankelijkheid uit. In de dagen voor de afgesproken soevereiniteitsoverdracht capituleerde Japan (zes dagen na de tweede atoombom, op Nagasaki). Hatta en Soekarno besloten te wachten op definitieve toestemming voor onafhankelijkheid, maar radicale jongeren wilden daar niet op wachten en dwongen de twee leiders om direct de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uit te roepen op 17 augustus 1945.
De Nederlandse regering legde zich niet neer bij de onafhankelijkheid, maar Nederland kon ook niet direct iets doen. De nationalisten hadden zelfs maandenlang vrij spel (Bersiap Periode). Het duurde allereerst zes weken voor de eerste (Britse) soldaten op Java aankwamen. In die weken voorzagen vooral radicale jongeren zich volop van wapens en wist de Republiek strategische punten te bezetten. De Britse soldaten die hiermee geconfronteerd werden, voelden er vervolgens niets voor om het ‘verloren terrein’ terug te veroveren; alleen in de steden handhaafden zij de orde, daarbuiten was de Republiek de baas.
Uiteindelijk besloot de Nederlandse regering (met tegenzin) uiteindelijk toch met de Republiek Indonesië te gaan onderhandelen. De uitbarsting van geweld (Bersiap-periode) liet haar weinig andere keuze – er moest iets gebeuren om de rust te laten terugkeren. Nederland was zelf niet in staat de orde te herstellen, want de Britten lieten geen Nederlandse soldaten toe zolang Nederland niet met de Republiek Indonesië ging onderhandelen.
Eind 1946 werden een Nederlandse en een Indonesische delegatie het in het Javaanse bergdorp Linggadjati eens. Nederland erkende in het Akkoord van Linggadjati het gezag van de Republiek Indonesië op Java en Sumatra; de Republiek ging akkoord met deelname aan een federatie van drie deelstaten (zelf was zij er daar één van), die soeverein zou zijn maar wel samen met Nederland een unie zou vormen met de Nederlandse koningin aan het hoofd.
Het akkoord kreeg aan geen van beide kanten steun. Veel Nederlanders vonden dat de onderhandelaars hun kolonie onnodig hadden ‘weggegeven’. Zij wilden Indonesië alsnog proberen te behouden, desnoods met militair ingrijpen. De Nederlandse regering besloot daarop een andere uitleg aan het akkoord te geven dan in Linggadjati was afgesproken: de soevereiniteit zou niet bij Indonesië berusten maar bij de unie – dus bij de Nederlandse koningin.
De Republiek Indonesië vond de veranderingen in het akkoord onaanvaardbaar – maar een groot deel van de bevolking vond het akkoord zoals het was toch al verkeerd: de Nederlanders moesten voorgoed worden verdreven, alleen volledige onafhankelijkheid was goed genoeg.
Vanwege de vijandigheden besloot Nederland militair orde op zaken te stellen. Het Nederlandse leger moest de gebieden veroveren waar de Nederlandse ondernemingen zich bevonden, zodat deze weer in Nederlandse handen zouden komen. Dat doel werd bereikt d.m.v. de eerste politionele actie, Operatie Product in juli 1947: binnen twee weken werden elfhonderd bedrijven en de belangrijkste olievelden heroverd.
Toch was deze actie geen onverdeeld succes. In de heroverde gebieden kregen de Nederlanders een heftige guerrilla te verduren. De aanslagen en overvallen kostten veel meer slachtoffers dan het militair ingrijpen zelf had gekost. Bovendien keerde de internationale publieke opinie zich tegen Nederland. De Verenigde Staten dwongen Nederland om in te stemmen met internationale bemiddeling, maar de onderhandelingen leverden niets op.
Daarom voerde Nederland in december 1948 een tweede politionele actie uit.
Verschil met de eerste actie: Ditmaal was het doel de regering van de Republiek zelf uit te schakelen – dus niet gebiedsverovering, zoals bij de eerste actie, maar het uitschakelen van de Republiek als politieke factor van betekenis.
Overeenkomsten met de eerste actie:
- Militair verliep de actie succesvol, want binnen enkele dagen werden Soekarno en Hatta gearresteerd.
- Ook nu waren de politieke gevolgen rampzalig: de actie werd door andere landen als daad van agressie gezien. De Verenigde Naties eisten nu dat Nederland de soevereiniteit over Indonesië onmiddellijk zou afstaan – de Amerikanen dreigden hun Marshallhulp stil te zetten als dit niet gebeurde.
Nederland liet Indonesië dus niet vrijwillig gaan. Het gebeurde onder grote internationale druk. De VN hield zelfs toezicht op de onderhandelingen. Toch was de Nederlandse regering zelf ook verdeeld. Een eensgezinde regering had de internationale druk misschien langer kunnen weerstaan.
In de soevereiniteitsoverdracht van 27 december 1949 werden de volgende afspraken vastgelegd: Indonesië werd een federatie (verband van deelstaten met grote zelfstandigheid), die met Nederland in een staatsrechtelijke unie verbonden bleef. Nederland zou helpen bij de opbouw van de nieuwe staat Indonesië. (Nederland hield Nieuw-Guinea buiten de overdracht, zeer tegen de zin van Indonesië in. Afgesproken werd deze kwestie een jaar later opnieuw te bespreken.)
Maar, al vanaf het begin kwam er niets terecht van de voorgenomen samenwerking. Aan beide kanten was het wantrouwen te groot. Indonesië dacht dat Nederland in het geheim toch de Republiek ten val wilde brengen, Nederland kon het eigenlijk niet verkroppen dat Indonesië nu op eigen benen stond en had kritiek op de binnenlandse politiek van Indonesië (weinig democratie, opheffen federatie).
Een aantal factoren stond de ontwikkeling van een serieuze democratie in Indonesië in de weg:
- De Nederlanders hadden geen ‘democratische traditie achtergelaten’ – Indonesië was onder Nederlands bestuur met andere woorden nooit een echte democratie geweest, dus waren er ook weinig ‘democraten’ die zich aan de democratische spelregels wilden (of konden) houden.
- In grote delen van de archipel was verzet tegen het centrale gezag. Het leger moest op verschillende plaatsen optreden tegen afscheidingsbewegingen en opstanden neerslaan. In zo’n soort ‘permanente noodtoestand’ kan een democratie zich moeilijk ontwikkelen.
- Grote economische problemen – na het vertrek van de Nederlanders viel de export vrijwel stil – zorgden voor grote onrust, een ideale voedingsbodem voor (de roep om) ‘een sterke leider’.
- De samenstelling van het parlement maakte het vrijwel onmogelijk een stabiele regeringscoalitie te vormen.
De verhouding tussen Indonesië en Nederland werd ook bemoeilijkt door de Molukse kwestie. Dit was de vraag wat er moest gebeuren met de Molukse soldaten die in het KNIL hadden gediend en voor wie in het onafhankelijke Indonesië geen plaats leek te zijn – zelf wilden zij een onafhankelijke Molukse republiek en eisten ze steun van Nederland voor dit streven.
De Nederlandse regering besloot in 1951 de Molukse soldaten naar Nederland te halen. De Molukse KNIL-soldaten eisten van de Nederlandse rechter dat zij niet gedwongen werden tot het Indonesische leger toe te treden of te demobiliseren op het bezette Ambon*. De rechter gaf hen gelijk. De Nederlandse regering kon toen weinig anders doen dan de Molukkers met hun gezinnen naar Nederland over te brengen. Daar bleek al snel dat hun verblijf daar niet tijdelijk maar blijvend zou zijn. (*In april 1950 hadden de Molukkers de Republik Maluku Selatan uitgeroepen. Soeharto en Hatta pikten dit niet en liet Ambon innemen door het Indonesische leger in september)
De Molukkers in Nederland bleven hopen op een terugkeer en een eigen Republiek. Aangezien er niks gebeurde kaapte in 1977 een aantal jonge Molukkers een trein in Drente.
Volgens hen had Nederland de Molukse zaak – de strijd voor een onafhankelijke Molukse republiek – verraden door zich te verzoenen met Indonesië en de Molukkers in Nederland tot integratie te dwingen.
De terreuractie was in wezen een onderdeel van de koloniale geschiedenis van Nederland omdat de acties daar een gevolg van waren; zonder die koloniale geschiedenis zouden ze niet hebben plaatsgevonden.
Even terug naar de situatie rond 1950:
De spanningen tussen Nederland en Indonesië liepen nog verder op door de kwestie Nieuw-Guinea. Nederland wilde dit gebied niet afstaan. Het ging hierbij niet om economische motieven. Dit blijkt uit het feit dat Nederlandse bedrijven wilden dat Nederland Nieuw-Guinea opgaf om de relatie met Indonesië niet te schaden. Daar hadden zij wèl grote economische belangen.
De Nederlandse regering stelde dat Nieuw-Guinea behouden moest worden aangezien Nederland de morele plicht had op te komen voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s; die moesten dan eerst worden ‘opgevoed’ tot zelfstandigheid. (Deze manier van denken lijkt erg op de voogdijgedachte uit de periode 1900-1940.)
Deze plotselinge Nederlandse zorgzaamheid om Nieuw-Guinea kan worden verklaard: Onder het idealisme zaten ook andere motieven verscholen: veel Nederlanders wilden dat Nederland een (koloniale) mogendheid bleef die meetelde in de wereld, en veel Nederlanders konden niet verkroppen dat de Indonesiërs ook in de kwestie Nieuw-Guinea hun zin zouden krijgen.
Soekarno had ook een persoonlijk belang bij het conflict over Nieuw-Guinea. Hij kon er de anti-Nederlandse gevoelens mee opzwepen, en zo de eenheid van het Indonesische ‘volk’ (dat in werkelijkheid uit talloze verschillende volken bestond) bevorderen en de aandacht afleiden van binnenlandse (politieke, economische, sociale) problemen.
Soekarno nam allerlei maatregelen om de druk op Nederland op te voeren (Het gaat om het geleidelijke opbouwen van de druk, van alledaagse pesterij tot militaire intimidatie.):
- In 1956 verbrak Soekarno de unie met Nederland (die op zichzelf weinig voorstelde).
- In 1957 begon hij een campagne voor ‘de bevrijding van Irian Barat’ (= Nieuw-Guinea)
- Nederlanders en Indo-Europeanen werden op straat lastig gevallen en geweerd uit openbare gelegenheden als restaurants en winkels – weggepest dus eigenlijk. Het gebruik van de Nederlandse taal werd verboden.
- Vanaf december 1957 werden honderden Nederlandse bedrijven eerst bezet door arbeiders en het leger daarna in bezit genomen door de Indonesische overheid (‘nationalisatie’); Nederlandse werknemers moesten het land verlaten.
- Vanaf 1958 stuurde Indonesië infiltranten naar Nieuw-Guinea om daar onrust te veroorzaken. Indonesië begon op grote schaal wapens in te kopen – het soort wapens dat overduidelijk voor een oorlog om Nieuw-Guinea bedoeld was (bommenwerpers, onderzeeërs).
- Op 17 augustus 1960 verbrak Indonesië de diplomatieke betrekkingen met Nederland.
- Eind 1961 bereidde Indonesië een invasie voor.
Eind 1961 was een oorlog tussen Indonesië en Nederland dus dichtbij. Indonesië en Nederland waren volledig op een oorlog voorbereid en beide waren bereid om ten strijde te trekken. Op Nieuw-Guinea vonden al rellen plaats waarbij doden vielen.
Uiteindelijk besloot de Nederlandse regering een militaire confrontatie uit de weg te gaan. Nederland had gerekend op steun van de Verenigde Staten. Die steun bleef uit: president Kennedy was bang dat Indonesië in het communistische map terecht zou komen en dwong Nederland om met Indonesië te onderhandelen. De Nederlandse regering zag in dat zonder Amerikaanse steun een oorlog tegen Indonesië niet gewonnen kon worden.
Uiteindelijk droeg Nederland Nieuw-Guinea op 1 oktober 1962 over aan de Verenigde Naties en niet aan Indonesië zelf. Dit was om gezichtsverlies te voorkomen. Nederland had steeds gezegd dat het de Papoea-bevolking niet aan Indonesië zou ‘uitleveren’. Door Nieuw-Guinea aan de verenigde Naties over te dragen, hield Nederland schijnbaar zijn woord. Bovendien werd op deze manier nog enigszins verhuld dat Indonesië de strijd om Nieuw-Guinea had gewonnen en dat Nederland die strijd had verloren. (In mei 1963 droegen de VN het over aan Indonesië.)
Na 1963 klaarde de lucht tussen Indonesië en Nederland snel op. Dit was verrassend omdat de verhoudingen in kwart eeuw daarvóór ronduit slecht waren, na vier jaar oorlog (1945-1949), een steeds vijandiger houding aan beide kanten, uitmondend in een bijna-oorlog in 1962. Je zou ook kunnen verwachten dat de twee landen (voorlopig) niets met elkaar te maken wilden hebben.
Je kan een aantal conclusies trekken over de ondergang van Nederlands-Indië:
- Het vertrek van Nederland uit Indonesië ging met geweld gepaard.
- Met de Indonesische onafhankelijkheid waren Nederland en Indonesië nog niet klaar met elkaar: Molukkers kwamen naar Nederland, Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd en er waren oplopende spanningen rond Nieuw-Guinea.
- De ‘strijd om Indonesië’ die in 1947 gevoerd werd speelde zich vrijwel uitsluitend op Java en Sumatra af. In de Buitengewesten kreeg de Republiek weinig voet aan de grond.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

hele goede informatie

thanxx ik kon delen ervan goed gebruiken

9 jaar geleden

A.

A.

Superhandig, dankje!

8 jaar geleden

J.

J.

nouja ik wou graag de onwikkeling van de relatie tussen nederlands-Indie en nederland. maar nogsteeds goed gedaan!

7 jaar geleden

S.

S.

Goed gedocumenteerd verhaal. Ben bezig met de Nerlandse politiek van 1942 t/m 1950.

7 jaar geleden

N.

N.

Super samenvatting ! Thanks (:

7 jaar geleden

A.

A.

Dit is echt heel goed!! een 9,1 voor mij heur

2 jaar geleden

delienyo

delienyo

hz zo veel tekst je had hem veel korter kunnen samenvatten

1 jaar geleden