Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Nederland als industrielle samenleving

Beoordeling 10
Foto van Esther
  • Samenvatting door Esther
  • 4e klas vmbo | 1644 woorden
  • 8 januari 2021
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Nederland als industriële samenleving. Willem Albert scholten leende geld en stichtte daarmee een fabriek in Foxhol bij Hoogzand. hij produceerde aardappelmeel in 1850 schafte hij een stoommachine aan hij maakte studiereizen naar duitsland. later begon hij een suiker en kandijfabriek in groningen. Hij opende fabrieken in polen oostenrijk en rusland. Dit betekenden een groot succes en goede welvaart voor hem. Toen hij stierf liet hij een vermogen na van vele miljoenen. Hoe industrialiseerde Nederland? industrialiseren = Proces van veranderingen in een productieproces door mechanisme Huisnijverheid = huisarbeid, thuiswerken, werk dat thuis wordt uitgevoerd. soms door het hele gezin infrastructuur= alles wat nodig is om een land goed te laten draaien, zoals wegen, spoorlijn, havens mechanisme= een machine van onderling beweegbare aan elkaar verbonden delen. nieuwe productietechnieken. Terwijl er in de omliggende landen van Nederland al volop geïndustrialiseerd werd, gebeurde er nog maar weinig op het gebied van de industrie in Nederland. Nederland begon pas echt te industrialiseren rond het jaar 1800. Nederland begon dus pas veel later te industrialiseren. Een van de oorzaken was de financiering. Mensen met geld durfden niet te investeren in de fabrieken. Ze zetten liever hun geld veilig op de bank, of investeerder in andere ondernemingen. Ook de nieuwe machines waren erg duur. Doordat er nog niet veel industrie was, nam de huisnijverheid nog een belangrijke plaats in. Er was wel een beetje industrie zoals, textielindustrie en scheepsbouw in Twente. In Groningen vond je industrie waar men landbouwproducten, zoals, aardappelen verwerkte. Maar in die takken van industrie weer gebruik gemaakt van stoommachines, die in de loop van de negentiende eeuw steeds beter werden. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon in Nederland pas de industrialisatie. Dat had te maken met de infrastructuur die verbeterd werd. Zo kwam er bijvoorbeeld in 1839 de/het eerste trein(traject). en waterwegen werden uitgebreid. Ook de mechanisatie hielp mee aan een industrialisatie. De mechanisatie hielp de industrialisatie goed op gang te komen katoennijverheid, metaalindustrie en scheepsbouw groeide sterk. Sinds de tweede helft van negentiende eeuw werd Nederland een industriële samenleving. De oorzaken van de industrialisatie in Nederland waren: 1 Meer bedrijven gingen mechaniseren 2 Er kwamen spoorlijnen en betere waterwegen 3 Het Ruhrgebied werd een belangrijk industriegebied Hoe waren de arbeidsomstandigheden? Arbeidsomstandigheden = een sfeer waarin wordt gewerkt Arbeidsdeling = het splitsen van taken en arbeid. Je maakt een deel van een product niet het eindproduct. Massaproductie = Productie van grote hoeveelheden Sociale voorzieningen = soorten verzekeringen, als je niet kon werken kreeg je geen geld. daar was geen regeling voor getrokken. Door de komst van de fabrieken veranderde de arbeidsomstandigheden heel erg. Mensen gingen van eigen werktijden en eigen zaakje naar bepaalde werktijden en productie voor de fabrikant. De arbeiders maakten niet het eindproduct maar een deel ervan. Er was dus sprake van arbeidsdeling. De werkomstandigheden in de fabriek waren verschrikkelijk voor de arbeiders. Ze werkten in ieder geval 15 uur per dag en wel zo'n 6 dagen in de week. Het werk in de fabriek was erg ongezond en gevaarlijk, de lucht in de fabriek was warm en vochtig, dat moest ook zo blijven, omdat anders het katoen draden zouden kunnen knappen. Het gevolg daarvan was, dat veel arbeiders die 's nachts in de kou weer naar huis moesten lopen een longontsteking oplopen, en dus eigenlijk niet in staat waren om te werken, maar simpelweg geen andere keuze hadden dan de volgende morgen gewoon weer die fabriek in te stappen. Ze waren eigenlijk helemaal afhankelijk geworden van de fabriek. Het was hun inkomsten en hun leven. De machines waren niet beveiligd daardoor gebeurden er vaak ernstige ongelukken. De industrialisatie was niet gericht op kleine hoeveelheden. Maar zoveel mogelijk goederen tegen een zo laag mogelijke prijs te maken zodat er sprake was van massaproductie, wat goedkoper was. De lonen in de fabrieken waren zo slecht dat de vrouw en kinderen mee moesten werken in de fabriek om rond te kunnen komen. Daardoor was er ook veel kinderarbeid, de kinderen zaten dan ook iet op school omdat ze moesten werken. Door de bizar slechte arbeidsomstandigheden gingen mensen protesteren/staken. Maar het hielp niet veel want er waren zoveel mensen die wilden werken. Dat de fabrikant zomaar de mensen ontsloeg als ze aan de staking meededen. Het negatieve gevolg van de arbeidsdeling voor de arbeiders was dus minder werk en saaier werk. De massaproductie had ook een negatief gevolg voor de arbeiders, ze hadden een laag loon en eentonig werk. Doordat de regering niet voor de sociale voorzieningen zorgde, was er veel armoede(en mensen werden snel arbeidsongeschikt, omdat ze niet naar ziekenhuizen konden, dat was niet betaalbaar). In het beste geval werd er dan door de kerk geholpen Hoe werden ze verbeterd? De arbeiders begonnen steeds meer te klagen over de omstandigheden waaronder de arbeiders moesten werken. De eerste stap werd gezet ; In 1872 werd de kinderwet van Van Houten ingevoerd. Het kamerlid van Houten stelde in 1872 Voor dat kinderen onder de 12 niet meer mochten werken en dat kinderen van 8 tot 12 leerplicht hadden . Dit haalde weinig uit. leerplicht kwam er niet dat kwam pas in 1900. Kinderen mochten NIET in fabrieken werken maar wel thuis en in huishoudens en op boerderijen De arbeiders deden er ook zelf iets aan om de omstandigheden te verbeteren. Ze richtten vakbonden op. De eerste was de in 1871 opgericht en die hete, Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV). dit was een bond voor alle arbeiders die door overleg met de werkgevers verbeteringen wilde In 1877 richtten de protestanten een eigen bond op: Patrimonium. Er was ook een socialistische vakbond het NVV Nationaal Verbond van Vakverenigingen. Via de politiek probeerden arbeiders ook invloed uit te oefenen. in 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd. in 1919 mochten vrouwen stemmen Nu was er algemeen kiesrecht en konden arbeiders stemmen op partijen voor in de tweede kamer In 1918 probeerde leider Troelstra van de SDAP Sociaal Democratische Arbeiderspartij de macht te grijpen. dirt mislukte. De regering was wel geschrokken en er kwamen sociale wetten als gevolg. De regering kondigde aan dat er sociale wetten zouden komen. Zo werd de 8- urige werkdag en 45-urige werkweek ingevoerd. Zo werd in 1924 wettelijk vastgelegd dat bedrijven een CAO moesten sluiten met hun werknemers. De politiek zorgde dus voor algemeen kiesrecht en sociale wetten(zoals de arbeidswet). De arbeiders maakten vakbonden die voor hun belangen en meningen opkwamen. In de CAO staan bepalingen over werktijden, verlof, en salaris CAO = Collectieve Arbeids Overeenkomst. Hoe was de economische groei na 1945? Na de tweede wereldoorlog was er veel industrie vernield. en er was geen geld voor machines. In het jaar 1948 kwam Amerika europa te hulp met het Marshallplan. Daardoor werden er miljarden guldens in de Nederlandse wederopbouw gepompt. In 1948 nam ook de regering een maatregel, de eerst industrialisatienota werd gepresenteerd. Daarin stonden maatregelen om de economische groei te bevorderen. De regering ging ook een loonpolitiek voeren. Dat wil zeggen dat de lonen niet verder stegen om de ontwikkeling van de prijzen bij te houden. Daardoor konden de bedrijven goedkopere producten leveren en produceren en beter verkocht worden in het buitenland. GEVOLG Daardoor groeide de export van Nederland enorm. In de industrie nota pleitte de minister ook voor een fusie. Door fusie zou er schaalvergroting optreden. Een fusie wil zeggen dat bestaande bedrijven gaan samenwerken de bedrijven kunnen dan meer en grotere machines aanschaffen en zich specialiseren GEVOLG meer productie en ze nederlandse bedrijven konden concurreren met bedrijven in het buitenland, vooral in de jaren 60 en 70 waren er veel fusies. er was veel kapitaal nodig daarom gingen banken ook fuseren Alle industrieën groeiden zeer snel. Maar in 1963 werd het de geleide loonpolitiek afgeschaft, want de lonen laag houden was niet langer nodig. werknemers wilde mee profiteren van de economische groei. Gevolg, de lonen stegen maar de concurrentie positie verslechterde Hoe groeiden de steden in nederland na 1945? In de oorlog werd niets gebouwd. Na de oorlog gingen meerdere mensen trouwen. Er werden ook steeds meer baby’s geboren. Zo ontstond er een geboortegolf. De overheid begon met het herstellen van oorlogsschade vooral in de grote steden. Door de mechanisatie en automatisering was er bijna geen werk meer op het platteland. Door alle ontwikkelingen kon de boer in zijn eentje het werk aan. Mensen vertrokken dan ook naar de grote stad om daar werk te vinden in de industrie. Daardoor vond er verstedelijking plaats. Dorpen en steden groeiden aan elkaar vast. Er waren meer mensen op kantoor nodig, doordat er meer kinderen naar school gingen waren er meer onderwijzers nodig. Waren er sociale verschillen? In een samenleving zijn altijd verschillen tussen rijke en arme mensen de verschillende groepen in de samenleving noem je sociale lagen Rond 1900 bepaalde niet alleen je afkomst maar vooral wat je verdiende en hoeveel je bezat Je had drie lagen De elite. artsen burgemeesters notarissen en directeuren van grote fabrieken. De gegoede burgerij De rijke middenstanders hogere ambtenaren en grote boeren De middenstand, leidinggevende, ambtenaren, winkeliers, onderwijzers, Kleine middenstand, kleine winkeliers, kleine bedrijfjes, kleine boeren. De arbeidersklasse, bestond uit gewone arbeiders en knechten Je kon in een hogere of lagere sociale laag terechtkomen. Dit stijgen of dalen noem je sociale mobiliteit De sociale mobiliteit stelde eind negentiende eeuw niet veel voor. of je hogerop kon komen hing af van je opleiding of sekse ( was je man of vrouw ) Bijna alle kinderen volgden lager onderwijs. kinderen uit lage sociale lagen gingen naar het ULO uitgebreid lager onderwijs. De meesten gingen direct na de lagere school aan het werk.. Rijken mensen stuurden hun kinderen naar de hogere burgerschool HBS. ze gingen werken in handel en bij de overheid. kinderen van boeren gingen in de avond naar school ze leerden technisch tekenen en landbouwkunde. Voor meisjes was het heel moeilijk om hogerop te komen. het maximale was onderwijzeres of administratieve baan. Vrouwen moeten voorbereid worden op het huishouden. op de universiteit zaten in 1900 bijna geen meisjes. Tot 1906 moesten meisjes toestemming vragen aan de minister om te studeren op de universiteit.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Esther