ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

3.3 Het christendom in Europa

Religie is politiek

Succes van christendom in Europa werd versterkt door nauwe samenwerking tussen paus en vorsten, snel groeiende rijkdom en goede organisatie. Katholieke kerk had een hiërarchische opbouw. Aan het hoofd stond de paus (opvolger van apostel Petrus). Hieronder waren er verschillende bisschoppen. Deze waren weer baas over geestelijken (priesters in parochiekerken) en zagen toe op het verspreiden en handhaven van het geloof. De paus zond missionarissen uit om door heel Europa om heidense volken te kerstenen (te bekeren tot het christelijke geloof). Eerst probeerden ze de landheerser te bekeren, want meestal volgde het volk wat onder hem stond vrijwel gelijk mee. Hier zaten voor beide partijen voordelen aan. De katholieke kerk won aan invloed door toename van aantal gelovigen en kon om militaire steun vragen. De koning zag zijn heerschappij gesteund door een groeiende kerk en een goddelijke zegen. De eerste Frankische koning die zich bekeerde tot het christendom was Clovis (r. 500). Tijdens een belangrijke veldslag vroeg Clovis een christelijke God van zijn vrouw om hulp. Hij won de veldslag en hij liet zich samen met duizenden van zijn ridders dopen. Misschien deed hij dit ook wel voor politieke redenen (bondgenootschap met de kerk). Paus had moeite met stand houden in de Middeleeuwen. Hij moest regelmatig hulp vragen aan koningen (zoals Karel de Grote in 800). Hij maakte als beloning Karel de Grote keizer.

 

Monniken en missionarissen

Uit de wereld terug trekken om hun leven in dienst te stellen van hun geloof. Door het stichtten van een klooster kon dit. Belangrijke regels waren het celibaat (ongehuwd blijven), armoede en hard werken. Paus Gregorius I de Grote heeft veel gedaan om het christelijke geloof in Europa te bevorderen (missionarissen naar Ierland en Engeland toe). In 690 kwam de missionaris Willibrord vanuit Ierland juist naar het vasteland. Hij kreeg de opdracht van de Frankische koning Pepijn om de Friezen te bekeren (kerstenen). Het was gevaarlijk werk, want een tactiek was om Goden belachelijk te maken en heilige voorwerpen te vernielen en het tegendeel te bewijzen. In 716 kreeg hij hulp van Bonifatius bij het kerstenen. Hij werd vermoord in Dokkum (754).

 

Kloosters in het feodale stelsel

Kloosters waren een centrum voor armen en zieken, onderwijs en had ook een sociale functie. Karel de Grote zag al snel het nut in kloosters en gaf het een functie in het feodale stelsel. Niet alle kloosters maakten deel uit van het feodale stelsel. Karel de Grote beschouwde zijn palts (groot complex van agrarische gebouwen, bestuursvertrekken, keizerlijke zalen en een grote kapel) in Aken als het politieke en culturele centrum van zijn rijk. De Grote zag zijn Frankische Rijk als een voortzetting van het Romeinse Rijk. De grote belangstelling voor de klassieke Oudheid van Karel de Grote, zorgt voor de naam die we geven aan deze tijd: Karolingische Renaissance.

3.4 De islam in Europa

De islam in ontwikkeling

Oorsprong van de islam ligt in Mekka (570 Mohammed). Hij ging mee met karavanen en kwam in aanraking met het joden- en christendom. In 610 kreeg Mohammed van Allah een openbaring, die hem opdroeg zijn woorden op te schrijven. Dit werd de Koran: woorden van Allah. Mohammed is belangrijkste profeet van Allah. In 622 moest Mohammed vluchtten uit Mekka (hier begint tevens ook de islamitische jaartelling). Mohammed bekeerde veel mensen tot het islamitische geloof, maar stierf al snel (in 632). Moslims zagen het als een plicht om het geloof te verspreiden. Moslims bidden 5 keer per dag, altijd richting Mekka, en vasten tijdens de ramadan.

 

Een verdeelde wereld

Geen eenheid in de islamitische wereld. Na de dood van Mohammed, vele rijken en verschillende stromingen. Een veroverd gebied door Arabische moslims heette een kalifaat. Er waren twee families die hier heel lang over regeerden: de Omayyaden (Noord-Afrikaanse kust tot in Spanje) en de Abassieden. De Omayyaden werden verslagen door de Abassieden

 

Islam in Europa: strijd om de macht

Veel onderlinge conflicten tussen de islam en Europa. Moslimlegers vielen in Zuid-Spanje aan en dreigden steeds verder Europa in te komen. Er werd gevochten op Frankisch grondgebied, zoals in 721 bij Toulouse (Frankrijk) en in 725 bij Autun. In 732 (of 733/734) vond de belangrijkste slag plaats: de Slag bij Poitiers. Hier zette Karel Martel een punt achter de verspreiding van het islamitische geloof in Europa.  Er brak een tijd aan van herovering van Spanje op de moslims. Een strijd die tot 1492 duurde: de Reconquista.

Wetenschap en cultuur

De Koran zegt niet alleen dat de moslims het islamitische geloof moeten verspreiden, maar ook dat moslims bij alles en iedereen kennis moet werven. In de 9e en 10e eeuw was dit op een hoogtepunt. Filosofen leerden van de Griekse Oudheid en vertaalden geschriften in het Arabisch. Enkele filosofen uit die tijd waren Al-Kindi (801-873) en Kalief Haroen al-Rashid. Al-Kindi introduceerde voor het eerst in de Westerse wiskunde-wereld het getal 0, wat in India wordt gebruikt. Ook op medisch gebied liepen islamitische artsen enorm voor.

 

 

Leerdoelen H3

1. Je kunt beschrijven hoe West-Europa zich na de val van het Romeinse Rijk  bestuurlijk ontwikkelde.

West-Europa ontwikkelde zich na de val van het Romeinse Rijk zo:

1. Volksverhuizingen;

2. Steden worden onbeheerd achtergelaten;

3. Plunderingen, verkrachtingen en moord;

4. Kleine en tijdelijke koninkrijken;

5. Veel oorlog.

 

2. Je weet wat feodalisme is en hoe en waarom het ontstond:

Het feodalisme is een bestuurssysteem/leenstelsel met een leenheer en een leenman en alles daaromheen. Wanneer een koning een rijk wou vestigen had hij een groot leger nodig, en vroeg daarom mensen ridders te worden in ruil voor een stukje land.

 

3. Je weet wie Karel de Grote was en je kunt aan de hand van zijn bestuur het feodalisme beschrijven:

Karel de Grote is de kleinzoon van Karel Martel en leefde rond 800. Hij werd tot keizer gemaakt door de paus als dank voor de militaire steun die hij herhaaldelijk gaf. Hij breidde het leenstelsel uit en deelde zijn land in 400 graafschappen met elk een leenman.

Karel de Grote is de kleinzoon van Karel Martel en leefde rond 800. Hij werd tot keizer gemaakt door de paus als dank voor de militaire steun die hij herhaaldelijk gaf. Hij breidde het leenstelsel uit en deelde zijn land in 400 graafschappen met elk een leenman.

 

4. Je kunt beschrijven hoe het erfelijk koningschap ontstond:

Het erfelijk koningschap ontstaat door:     

1. Leenmannen werden machtige lokale heren;

2. Wilden het land graag aan zijn zoon nalaten;

3. Leenheer raakte controle kwijt als hij zou instemmen;

4. Leenheer raakte in oorlog met leenman als hij weigerde;

5. De leenheer verliest dus zijn macht;

6. Leenmannen benoemden ook andere leenmannen (achterleenmannen).

 

5. Je kunt de zwakke kanten van het feodalisme beschrijven en je kent de oorzaken ervan:

De zwakke kant van het feodalisme is de erfenis van land. Wanneer een leenman overlijdt wil hij zijn bezittingen (dus ook zijn grond) aan zijn zonen schenken. Zo blijft de grond in bezit van de familie en krijgt de leenheer zijn land niet terug en heeft hij er geen controle over. Hij kon het niet weigeren, omdat hij de leenmannen nodig had voor bescherming van zijn grondgebied en rijk.

 

 

 

 

6. Je weet welke ontwikkeling het Oost-Romeinse Rijk in de Middeleeuwen doormaakte:

Door keizer Justinianus werd het Byzantische Rijk uitgeput en werd het een grote chaos in het voormalige Oost-Romeinse Rijk. De hoofdstad Constantinopel (later Byzantium) kwam tot grote culturele en economische bloei. Alleen, Karel de Grote werd als keizer gekroond door de paus en was nu machtiger dan Justinianus.

 

7. Je kunt aangeven waarom West-Europa na de ineenstorting van het Romeinse Rijk grotendeels terugviel op een autarkisch systeem:

1. De landbouwproductie daalt sterk na de invallen van de Germanen

2. Voedselvoorziening raakte op en mensen verlieten de stad

3. Veel mensen werden boer op het platteland

4. Veel kleine boeren gaven hun vrijheid en hun akkers op voor bescherming

5. West-Europa krijgt een agrarisch-autarkisch samenleving

 

8. Je kunt uitleggen hoe autarkie en hofstelsel samenhangen:

Autarkie betekent zelfvoorzienend. In een hofstelsel was je dat ook. Na de invallen van Germaanse stammen ging de agrarisch-urbane samenleving naar een agrarisch-autarkische samenleving. Mensen moesten voor hun eigen spullen zorgen. Boeren gingen zich specialiseren.

 

9. Je kent het verschil tussen slavernij in de Griekse en Romeinse Oudheid en horigheid in de middeleeuwen:

In de middeleeuwen werden deze ‘slaven’ horigen genoemd. Horigen waren mensen die bescherming kregen van een lokale heer en belasting betaalden in vorm van een deel van de oogst. De gevaarlijkste plicht was de herendiensten uitvoeren.

 

10. Je kunt voorbeelden geven van resten van de Romeinse beschaving in de vroege middeleeuwen:

Enkele resten van de Romeinse beschaving zijn:

1. het christelijke geloof

2. duidelijke hiërarchische opbouw (feodalisme)

3. cultuur

4. slaven op akkers

 

 

 

 

 

 

11. Je weet hoe het christendom zich in de vroege Middeleeuwen zich ontwikkelde uit de Romeinse cultuur en zich langzaam over Europa verspreidde.

Het christendom ontwikkelde zich door verschillende oorzaken:

1. er was een nauwe samenwerking tussen de paus en Karolingische vorsten;

2. meer rijkdom en goede organisatie van de kerk;

3. verdeling van bisdommen met bisschoppen;

4. missionarissen die mensen kerstenen;

5. Europa kent steeds meer mensen met een christelijk geloof.

 

12. Je kent de belangen van de overgang van Clovis naar het christendom.

Clovis’ belangen zijn:

1. eenheid van het volk, een monotheïstische godsdienst

2. bondgenootschap met de kerk

         

13. Je kunt de rol van de kerk beschrijven:

1. Bij het behoud van de klassieke cultuur.

Christelijke geleerden moesten de klassieke handschriften verzamelen en kopiëren.

2. Bij het terugdringen van de slavernij.

De kerk streef naar de afschaffing van de slavernij, terwijl de kloosters tot in de 7e eeuw nog slaven hadden. Op de landgoederen werkten nog altijd slaven.

3. In het feodale stelsel.

Kerken en kloosters waren soms onderdeel van het feodale stelsel.

4. In het onderwijs.

Karel de Grote zag het belang van onderwijs, en liet wetten maken dat kloosters onderwijs moesten gaan geven.

 

14. Je kunt beschrijven hoe de ontmoeting verliep tussen de Europees-christelijke cultuur en de islam.

Er waren kleine botsingen tussen moslims en christenen die vanuit Zuid-Spanje steeds hoger kwamen naar Midden-Frankrijk. De Slag bij Poitiers (732) was een keerpunt: verder kwamen de moslims niet in Europa. Deze slag stond onder leiding van de grootvader van Karel de Grote (Karel Martel). Voor de Slag bij Poitiers zijn er verschillende slagen geweest op Europees grondgebied.

 

15. Je kunt beschrijven hoe de Europees-christelijke samenleving in aanraking kwam met de islamitische cultuur en wetenschap.

In de Koran staat dat je kennis moet werven en dat deden moslims ook. Zij kwamen in aanraking met een totaal andere samenleving en vertaalden geschriften uit de Griekse Oudheid in het Arabisch, zodat Joodse schriftgeleerden het weer vertaalden in het Latijn, de wetenschappelijke Europese taal. Ook op medisch gebied werd er veel kennis opgestoken, terwijl de moslims meer medische kennis hadden.

 

16. Je kent het belang van de ontwikkeling van de islam voor het Midden-Oosten en Afrika.

De verspreiding van het geloof bracht ook de cultuur, de wetenschap en alle andere kennis met zich mee. Zo kwam er in Afrika ook een hoogstaande cultuur.

 

17. Je weet op welke gebieden de islamitische cultuur de kennis uit de Griekse oudheid verder ontwikkelde. 

Op gebieden zoals: wiskunde, astrologie, filosofie en anatomie.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.