2.1 De Griekse wereld

Kenmerkende aspecten H2:

1. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.

2. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.

3. De groei van het Romeinse imperium, waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.

4. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.

5. De ontwikkeling van het Jodendom en het Christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.

 

De kern

5e eeuw v. Christus (-500) bestond Griekenland uit veel verschillende stadstaten. Athene was daarvan de grootste polis. 480 v. Christus werd Athene verwoest door de Perzen. O.l.v. Perikles werd Athene weer opgebouwd. Manier waarop tempels en beeldhouwwerken werden gemaakt, is later ‘klassiek’ genoemd: het blijft een goed voorbeeld voor latere kunst. Athene werd een centrum van wetenschap en filosofie. Griekse filosofen vroegen zich af of goden wel de veroorzakers waren van allerlei verschijnselen en gingen zoeken naar natuurlijke oorzaken. Ook op politiek gebied werd er nagedacht. Hoe kun je het best samenleven en hoe moet een stadstaat bestuurd worden? Athene krijgt democratie. De burgers (alleen Atheense mannen) mochten meebeslissen over het bestuur. Slaven, niet-Atheners en vrouwen mochten niet meebeslissen.

 

Perspectief

Ideeën van Athene zijn nog steeds actueel. In onze samenleving stellen wij onszelf ook vragen. Is democratie de beste politieke bestuursvorm en is het wel verstandig iedereen te laten stemmen? De Griekse bouwkunst, beeldende kunst en literatuur zien we nog steeds terug in onze hedendaagse samenleving.

 

Het oudste Griekenland

2000 v. Christus waren er veel steden, havens en grote paleizen in Griekenland (Minoïsche cultuur).1200 v. Christus verdwenen de meest stedelijke centra door volksverhuizingen. Toch gingen de Grieken wel steeds meer een culturele eenheid vormen, met dezelfde goden, dezelfde taal en dezelfde gewoontes. De Olympische Spelen is hier een goed voorbeeld van (hiervoor werden zelfs oorlogen stopgezet).

 

Polis en kolonisatie

850 v. Christus ontstond er opnieuw een stedelijke cultuur in Griekenland. Nieuwe stadstaten (polis in het Grieks) waren stadjes en verschilden sterk van de Myceense steden. Er waren bijna geen koningen meer: de edelen hadden voornamelijk de leiding. 750 - 550 v. Christus ontstond er een netwerk van poleis aan de kusten van de Middellandse Zee. Er was namelijk een enorme bevolkingsgroei en men besloot kolonies te stichten. De nieuwe poleis (op Sicilië en Zuid-Italië) waren al snel veel rijker dan de steden in het moederland. 550 v. Christus was de politieke situatie ook anders: rijken van de Etrusken, Carthago en de Perzen maakten het stichten van nieuwe poleis moeilijker.

 

          Middellandse Zeegebied (rond 500 v. Christus)

          Rondom dit gebied (bron 7, blz. 36) waren er verschillende rijken:
                    1. Feniciërs en Carthagers (het kleinste rijk, gelegen in Noord-Afrika)

                    2. Etrusken (iets groter, gelegen in Midden-Italië en Corsica)

                    3. Grieken (nóg groter, gelegen in Griekenland, rond Zwarte Zee)

                    4. Perzische Rijk (grootst, gelegen in Turkije en groot Midden-Oosten)

 

Twee oorlogen tegen de Perzen

Griekse poleis in Ionië vielen al sinds 547 v. Christus onder Perzisch bestuur. 499 v. Christus kwam daar een opstand tegen, geholpen door het Griekse moederland. Opstand mislukte en de koning van de Perzen strafte de Grieken. Later, 490 v. Christus en 480-479 v. Christus werden de Perzen wél verslagen. Ondanks onderlinge conflicten tussen de Grieken, was er in geval van nood wél een goede samenwerking. De Grieken waren de eersten die de Perzen hadden kunnen verslaan.

 

Athene: centrum van cultuur

Athene was zwaar getroffen in de twee oorlogen. De stad was volledig geplunderd en zelfs de Tirannendoders (de beelden die symbool stonden voor vrijheid) werden meegenomen. Na de Griekse overwinning was er een heropbouw van de stad en werd de agora weer opgebouwd. Dit was het economische en politieke centrum van Athene. Hierin kwamen nieuwe Tirannendoders. 447 v. Christus startte de staatsman Perikles een bouwproject op de Akropolis, de Atheense burcht. Dit leverde veel werk op, wat weer de economie stimuleerde. Filosofen, kunstenaars etc. kwamen naar Athene. Zo werd Athene het cultuurcentrum van de Griekse wereld. Nadat Athene geen politieke bestuursmacht meer was, bleven de bouw- en beeldkunst populair en werd veel overgenomen door latere architecten en ook Romeinen. Deze kunst noemen we klassiek: blijvende waarde. Deze periode word ook wel de Klassieke Oudheid genoemd.

 

Denken over de natuur

Athene was centrum van kunst en architectuur, maar ook van filosofie en wetenschap. Verschijnselen die men niet kon verklaren, werden automatisch als oorzaak bij de goden neergelegd. Er waren veel mythen en legendes, waarin een natuurverschijnsel werd verklaard. Ionische filosofen gingen op een gegeven moment natuurlijke oorzaken bedenken voor deze verschijnselen. Ionische natuurfilosofen zochten naar een oerstof, waaruit alles zou bestaan:

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

          1. Thales van Milete (oerstof is water, kan verschillende vormen hebben)

          2. Pythagoras (de hele wereld bestaat uit getallen en verhoudingen)

          3. Demokritos (de oerstof is niet waarneembaar, het kleinst mogelijke deeltje,        atoma, ondeelbaar)   

 

 

 

 

 

 

 

Denken over de gezondheid

5e eeuw v. Christus (-500) vond er ook ontwikkeling plaats op gebied van mens en gezondheid. Als je ziek was, ging je naar een kruidenvrouwtje, genezende god Asklepios of toverdokter. 100 jaar eerder (-600) waren er al artsenscholen, waar de wetenschap en de opleiding werden gecombineerd. Er werden op die scholen niet de goden als oorzaak genomen, maar natuurlijke oorzaken. Belangrijkste arts was Hippokrates. Hij was hoofd van een beroemde artsenschool op het eiland Kos. Gezondheid ging volgens de hippocratische geneeskunde samen met de juiste verhouding van vier lichaamsvochten:

                              1. bloed        3. gele gal

                              2. slijm          4. zwarte gal

Het lichaam hield zelf de balans tussen deze vier. Als dit niet goed functioneerde werd een sneetje in de ader gemaakt (aderlating). Tot de 19e eeuw werd dit gevolgd en geaccepteerd als beste ‘medicijn’.

 

Denken over de samenleving

Elk volk had zijn eigen karakter en gedrag. De Grieken constateerden dat al snel bij de Perzen. Filosofen zochten naar begrippen, zoals rechtvaardigheid, geluk en moed. Verschillende sofisten (rondtrekkende specialisten op gebied van filosofie) vonden dat er geen algemene waarheid was:

          1. Protagoras (ca. 490-420 v. Chr.) Je probeert vooral mensen van je stand-        punt te overtuigen.

Sommige filosofen/sofisten waren het daar niet mee eens:

1. Sokrates (ca. 469-399 v. Chr.) Hij ondervroeg mensen om de ware betekenis te vinden van bepaalde begrippen.

2. Plato (ca. 427-347 v. Chr.) Leerling van Sokrates, hij vond dat alle basisbegrippen waren aangeleerd, maar behalve een getrainde filosoof, niemand zo’n begrip kon bevatten.

         

Denken over politiek: democratie

In Athene ontwikkelde er in de 5e eeuw v. Chr. een democratisch systeem. De volksvergadering was hierin erg machtig. Bijna alle politieke functies waren in die tijd toegankelijk voor Atheners met burgerschap. Politiek betekende oorspronkelijk dan ook: het functioneren als burger in de polis. Vrijheid en gelijkheid stond voorop in het democratische Athene. Deze twee begrippen golden wel alleen voor mannen. Niet voor vrouwen, niet-Atheners en slaven. Als je mee wilde beslissen als mannelijke Athener moest je persoonlijk aanwezig zijn in de volksvergadering (directe democratie). Voornamelijk sofisten hadden een behoorlijke invloed op het volk. Zij wisten namelijk hoe je men het snelst kon overtuigen. Zij gingen ook langs adelijke families om daar zonen les te geven hoe je het volk kan laten overtuigen. De machtigste politici kwamen nog steeds uit adellijke families (eveneens Perikles).

 

Tegenstanders van de democratie

Andere rijke Atheners trokken zich juist terug en gingen Sparta volgen. Hier had de aristocratie het heft in handen en niet het ‘domme’ volk. In 431 v. Chr. brak er de Peloponnesische oorlog uit. De antidemocratische, en juist aristocratische Atheners werden al snel verdacht verklaard als handlangers van de vijand.

 

Athene tegen Sparta

In 480 v. Chr. hadden de Grieken de Perzische vloot verslagen en kort daarna het landleger. Na deze oorlog was het wel snel afgelopen met de Griekse eensgez-indheid. Athene was als grote militaire en economische grootmacht uit de oorlog gekomen en dat moest wel tot problemen leiden met de andere grootmacht: Sparta.

De Spartanen waren een heel strijdlustig volk. Het had een leger van hoplieten (zwaarbewapende soldaten). In Sparta werd de macht gedeeld door twee koningen, een raad van wijzen en vijf eforen (bestuurders). Toen de Peloponnesische oorlog uitbrak, stonden de twee machtsblokken tegenover elkaar. Aan de Spartaanse kant stonden de meeste poleis van het Griekse vasteland. Uiteindelijk moest Athene zich overgeven en werd de democratie opgeheven. Er kwam een oligarchie (regering van rijken), alleen dit werd niet op prijs gesteld door het volk en er kwam snel daarna weer een democratie. Sparta was zodanig verzwakt dat het andere poleis niet meer kon onderwerpen. De koning van Macedonië (Phillipos) lukte dit wel. Hij veroverde heel Griekenland en maakte een einde aan de zelfstandige Griekse poleis.

 

Leerdoelen

1. Je kunt Griekse filosofen noemen en voorbeelden van hun ideeën geven:

Socrates (over de samenleving) het zoeken naar begrippen d.m.v                      ondervraging van het volk.

Plato (over de samenleving) ieder basisbegrip is aangeleerd, maar alleen              getrainde filosofen kunnen dit bevatten.

Pythagoras (over de natuur) alles bestaat uit getallen en heeft allemaal                   verhoudingen met elkaar.

Demokritos (over de natuur) alles bestaat uit de kleinste deeltjes: atoma.

 

2. Je kunt aangeven hoe Griekse denkbeelden doorwerken tot in de moderne tijd:

          De architectuur, beeldende kunst en literaire kunst is nog steeds van onze tijd          en is overgenomen door de Grieken. Het bleef een goed voorbeeld voor latere         kunst. Daarom wordt dit tijdperk en deze kunst ‘klassiek’ genoemd.

 

3. Je kunt beschrijven hoe de democratie in Athene werkte:

          In de democratie was de volksvergadering erg belangrijk. Mannen met burger-          schap mochten daarheen en stemmen over hoe het moest worden regeert in    de stad. Sofisten speelden ook een belangrijke rol, omdat zij meestal het volk          overtuigden met bepaalde tactieken. Alleen mannen in burgerschap mochten       stemmen: vrouwen, niet-Atheners en slaven hadden geen kiesrecht. Bij een   volksvergadering moest je aanwezig zijn, anders had je geen recht om mee       te doen aan deze gebeurtenis (directe democratie).

 

4. Je kunt enkele verschillen noemen tussen de democratie in Athene en de democratie in onze huidige samenleving:

          1. Er is geen volksvergadering;

          2. Er is een Trias Politica;

          3. Vanaf 18 jaar kiesrecht, ondanks geslacht;

          4. Er word niet meer geloot.

 

 

 

5. Je kunt voorbeelden geven van de ideeën uit de Griekse wetenschap en van toepassingen van dergelijke ideeën:

          1. eerste vrij nauwkeurige benadering van de omtrek van de aarde

          2. eerste wereldkaarten (chronologie)

          3. medische wetenschap, zoals anatomie en dat zenuwen in de hersenen        samenkomen en intelligentie zich daar bevindt (en niet in het hart).

 

6. Je weet waarom de Griekse beschaving dominant was en hoe die zich buiten Europa verspreidde:

De Griekse beschaving was dominant, omdat de Grieken erg standvastig       waren qua het behouden van hun cultuur. Als zij hun ergens gingen vestigen       werd dezelfde taal gesproken, ende cultuur hielden ze ook vast. Veel niet-      Grieken namen dit over en dit zorgde voor een enorme verspreiding ver buiten       Griekenland. Deze verspreiding noemen we het hellenisme. (Hellas=Griekenland). Grieken gingen uit Griekenland voor zaken, zoals handel, bankzaken of wetenschap. Ook wanneer je iets wou bereiken in de        samenleving, moest je wel Grieks kunnen spreken en schrijven, en de cultuur

hebben.

7. Je kunt een aantal belangrijke stappen aangeven in de ontwikkeling van het Jodendom:

          In de ontwikkeling van het Jodendom zijn er een paar belangrijke stappen.          Hellenisering vinden we namelijk ook terug bij de Joden, de oudste mono-      theïstische godsdienst:

                    1. 586 v. Chr. Joden worden als slaven vanuit Palestina, naar het                      koninkrijk Mesopotamië gestuurd. Vanaf dat moment leefden ze in

                    diaspora (een volk verstrooid over vele landen).

                    2. Na vijftig jaar mochten Joden terug, maar blijken veel in Babylon                 te wonen. Joden trekken naar Syrië, Klein-Azië en Egypte.

                    3. Joden vergaten het Hebreeuws en gingen over op het Grieks. Ze

                    lieten de Thora in het Grieks vertalen.

 

8. Je weet waarom de Griekse en Romeinse beschavingen dominant waren in hun tijd:

          De Griekse en de Romeinse beschavingen waren in die tijd de grootste staten

          en hadden een eigen cultuur met een enorm volk. Binnen de volkeren was er  een gigantische eensgezindheid en het was erg nationalistisch ingesteld.       Iedereen paste zich aan de cultuur en het waren de allergrootste wereldrijken.     Als jij onderdeel van de samenleving was (incl. de taal etc.) had je gewoon de    beste kansen om hogerop in de samenleving te komen.

 

9. Je kunt het verschil benoemen tussen de Griekse en Romeinse Oudheid:

         

 

 

 

 

 

 

 

 

10. Je kunt aangeven hoe het Christendom zich ontwikkelde:

          1. Christendom ontstaat (het jaar 0)

          1. Christendom ontstaat (het jaar 0)

          2. de Christenen worden vervolgd door Romeinen (bv. Nero, jaar 64)

          3. Het Christendom krijgt een plekje in de samenleving. Armen, vrouwen en slaven voelden zich aangetrokken aan het feit dat rijkdom en status er niet toe   deed en dat je juist alles deelt en voor de armeren zorgt.

4. Romeinse keizer (Constantijn de Grote) wordt Christenen en zorgt ervoor dat de sekte een staatsgodsdienst wordt.

          5. Rome wordt christelijk.

         

11. Je kunt beschrijven hoe en waarom de Grieks-Romeinse cultuur ten onder ging:

          Grote groepen plunderende Germanen die rondtrokken bereikten het Rom- einse rijk. Het Oosten van het Rijk kon de mensen afkopen, maar het Westen       niet. Zij werden geplunderd en rond de vijfde en zesde eeuw vonden er veel          Volksverhuizingen plaats.  De Germanen dwongen de keizers hun bondgen-        oten te worden, maar met hun eigen leiders en bestuur. Zo werden er staten in        het Romeinse Rijk gevestigd. Germanen plunderden het hele Rijk en het Rijk   werd steeds kleiner. In 476 werd de keizer afgezet door een Germaanse gen-     eraal. Dit was het einde van het West-Romeinse Rijk. Het Oost-Romeinse       Rijk bestond tot 1453. De Germanen hebben het Romeinse Rijk verwoest en    iedereen vergeet Rome.

 

12. Je kunt aangeven waarom verschijnselen uit de Romeinse Oudheid in Europa terug te vinden zijn:

          Toen al waren ze erg ver met de architectuur, beeldhouwkunst en op gebied     van taal en cultuur. Onze hedendaagse taal heeft bijvoorbeeld Griekse leen-    woorden.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.