Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Wetenschapsfilosofie, kennisleer, wijsgerige ethiek, wijsgerige antropologie

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 5316 woorden
  • 23 juli 2012
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Kennisleer woordenlijst

Kennis = bepaalde informatie in je hoofd
Kunde = het beheersen van een vaardigheid
Empirische kennis/ervaringskennis = kennis gebaseerd op zintuiglijke ervaring
Natuurwetten = aan de hand van empirische kennis die we hebben opgedaan bij onderzoeken en experimenten kunnen we regelmatigheden vast stellen, natuurwetten dus.
A posteriori = achteraf, bij empirische kennis
Inductie = we gaan uit van bepaalde ervaringen om tot meer algemene kennis te komen
Logische kennis/verstandskennis = verkrijg je door na te denken, te redeneren. Vb: wiskunde en logica. Vb logische kennis: 3 hoeken van een driehoek vormen 180◦.
A prioiri = vooraf, bij logische kennis.
Syllogisme = een redenering die gevormd wordt door twee premissen (of vooronderstellingen) en een conclusie.
Propositie = een zin in een logische redenering.
Intuïtieve kennis = tegenovergestelde van ervarings of verstandskennis. Intuïtie is aangeboren. We kunnen het nog wel verder ontwikkelen zoals taalgevoel.
Realisme = er bestaat onafhankelijk van onze gedachten een werkelijkheid. We kunnen niet uitsluiten dat er buiten onze geest niets bestaat. Als het realisme niet waar zou zijn, en er geen werkelijkheid buiten onze hersenen zouden bestaan, zou al onze kennis volledig subjectief zijn.
Intersubjectiviteit = kennis is betrouwbaar wanneer iemand anders in dezelfde omstandigheden dezelfde ervaring opdoet.
Substantiebegrip = aan onze zintuiglijke waarnemingen ligt een werkelijkheid ten grondslag: een substantie.
Causaliteitsprincipe = oorzaak en gevolg in het natuurkundig domein.
Substantie = iets wat op zichzelf kan bestaan.
Conceptueel = algemene begrippen bestaan niet werkelijk maar zijn voortbrengselen van de menselijke geest. Een concept is een denkbeeld dat mensen in hun hoofd vormen op grond van ervaringen met de empirische werkelijkheid.
Correspondentietheorie = Wanneer er correspondentie plaats vindt tussen ware zinnen met feiten, dan is het waarheid. Hier kun je alleen in geloven als je gelooft dat er onafhankelijk van onze gedachten een werkelijkheid bestaat. Probleem correspondentietheorie: onware zinnen. Waar corresponderen die mee? Tegenstanders van deze theorie zeggen dat we geen kennis hebben van de waarheid opzich, en is het dus niet betrouwbaar. Deze tegenstanders hebben de coherentietheorie.
Coherentietheorie= Elke zin is een lid van een verzameling zinnen die via logische regels met elkaar samenhangen.
Realisme = er bestaat onafhankelijk van onze gedachten en hersenen en werkelijkheid. Je controleert de waarheid van een zin door de samenhang te toetsen van deze zin met alle andere zinnen van de taal waar ze samen deel van uit maken.
Pragmatische theorie = zinnen kunnen de dingen nooit beschrijven zoals ze werkelijk zijn. Het enige waar we op kunnen hopen is dat onze zinnen nuttig zijn voor het bereiken van bepaalde doelen. Een zin is waar als alle betrokkenen het erover eens zijn wat met die ware zin bedoeld wordt.
Kennisleer

Wat is kennis?

Praktische filosofie = wijsgerige antropologie + ethiek
Theoretische filosofie = kennisleer + wetenschapsfilosofie

Empirische kennis verkrijg je door: 1. Je zintuigen. 2. Je besef van tijd en ruimte.

Plato
Alle kennis is een soort herinnering. Al onze kennis is afkomstig uit een vroeger bestaan, sluimert als herinnering in de ziel en wordt wakker geroepen door een concrete waarneming. De waarneming herinnert de ziel aan de Ideëen, die hij waarnam voordat hij in dit leven kwam. Ideëen zijn de ware werkelijkheid, ons leven slechts een afspiegeling daarvan. Werkelijkheid is een zwakke afschaduwing van de echte werkelijkheid: de wereld van de Ideëen. Idealisme is van Plato: de abstracte wereld van de Ideëen bezit meer realiteit dan de tastbare wereld. Dus ook de onstoffelijke ziel heeft meer waarde dan het stoffelijke lichaam. Onderscheid tussen kennis (=epistèmè) en mening (=doxa). Doxa betreft de zintuiglijke wereld, deze is bedrieglijk en veranderlijk en kennis daarover is niet zeker. Epistèmè kunnen we slechts hebben van iets wat bestaat en onveranderlijk is.
De mens verkrijgt zijn kennis dus niet door waarneming, maar door in zichzelf te keren en goed na te denken.

Aristoteles
Ging als een van de eerste filosofen empirisch te werk. Deed kennis op door praktisch onderzoek te doen. was het niet eens met plato’s idealisme. Volgens Aristoteles was de enige weg naar kennis het empirisme. Met inductie kennis verwerven. Conclusies die zijn verkregen via inductie zijn nooit helemaal zeker, omdat de waarnemingen beperkt waren. Hij was zich hier van bewust en legde daarom veel nadruk op de manier waarop wij met de verkregen informatie omgaan. Onze redeneringen moeten daarom waterdicht zijn. Hiervoor ontwikkelde hij een logisch systeem: de syllogistiek.

Kennis verwerf je altijd vanuit een perspectief, hoe meer perspectieven, hoe zekerder de kennis. Hoe meer perspectieven, hoe groter de objectiviteit. Ideale geval van objectiviteit is onbereikbaar, want als we geen plek meer innemen om waar te nemen, kunnen we niet meer waarnemen. Wetenschappelijk streven naar een zo groot mogelijke objectiviteit heeft alleen zin als er iets buiten je eigen geest bestaat.

Wetenschappelijke kennis is nooit objectief, en altijd intersubjectief, dus het bedrijven van wetenschap is een sociale bezigheid.

Descartes
Invloedrijkste filosoof in de westerse wijsbegeerte. Begin verlichting. Hij zocht een helder grondbeginsel voor de menselijke kennis. Twijfelexperiment : cogito ergo sum. Ik denk dus ik besta. Enige zekere kennis. De rest niet zeker. Met “ik” bedoelde hij zijn geest, want denken is een geestelijke activiteit. Dualist. Scheiding tussen geest en lichaam. Vraag bij dualist: hoe werkt de wisselwerking tussen lichaam en geest?

Locke
Tijdens de verlichting empisime populair. Locke is de vader van het empirisme. Alle kennis doen we op via waarneming. We worden geboren als een onbeschreven blad, tabula rasa. Er zijn twee soorten indrukken:
Indrukken die door ons eigen innerlijk worden voortgebracht, zoals herinneringen.
Indrukken die teweeg worden gebracht door de buitenwereld.
Deze indrukken vormen enkelvoudige ideëen. Vb enkelvoudige ideëen: vorm, uitgebreidheid, beweging. Enkelvoudige ideëen kunnen met elkaar gecombineerd worden tot meervoudige ideëen. Vb meervoudige ideëen: tijd, ruimte, oorzaak en gevolg.

Hume
Was ook een empirist. Kennis die niet terug was te voeren op primaire indrukken zoals gehoor, was geen waarheidsgetrouwe kennis. Hume verwierp:
Het substantiebegrip
Causaliteitsprincipe.
Bij het substantiebegrip gaan we er vanuit dat er normaal gesproken aan onze zintuiglijke indrukken iets in de werkelijkheid ten grondslag ligt: een bepaalde substantie. Hume vond dat uit de zintuiglijke indrukken die we opdoen, niet mogen afleiden dat er aan die indrukken een of andere substantie ten grondslag ligt.
Bij het causaliteitsprincipe gaat het om oorzaak en gevolg. We denken oorzaak en gevolg waar te nemen, maar Hume zegt dat we slechts een opeenvolging van gebeurtenissen zien. de verbinding tussen de twee gebeurtenissen, is een verbinding die we met ons verstand leggen, maar de verbinding zelf is nooit waargenomen.
Hume richt zich niet tegen het verstand, maar wilde de wetenschappers wat bescheidenheid bijbrengen: in plaats van wetmatigheden zouden de wetenschappers van waarschijnlijkheden moeten spreken.

Kant
Is het met Locke en Hume eens dat kennis voor een belangrijk deel berust op zintuiglijke ervaringen. Maar hij is het niet met Humes afwijzing van het substantiebegrip en het causaliteitsprincipe eens. Hij is ervan overtuigd dat we wel degelijk kennis hebben over substanties en oorzaakgevolg relaties. Deze kennis is alleen niet afkomstig uit het empirisme, maar het verstand. De manier waarop wij de wereld waarnemen wordt gestructureerd door ons verstand. Ruimte en tijd zijn de vormen die ons verstand aan de waarneming van de werkelijkheid oplegt. Onze waarnemingen zijn dus geen directe afspiegeling van de werkelijkheid, zoals Locke en Hume beweerden. De werkelijkheid wordt bepaald door de manier waarop ons verstand de zintuiglijke indrukken verwerkt en interpreteert. Onze hersenen zijn geen passieve registratiecentra, maar ze dragen actief bij aan het tot stand komen van onze kennis. Ruimte en tijd vormen het model waarin ons verstand onze zintuiglijke indrukken giet. Daarna wordt het beeld dat wij hebben van de werkelijkheid nog verder bewerkt door kategorieen. Substantie en causaliteit zijn twee van de twaalf categorieen. We hebben dus alleen kennis van de werkelijkheid hoe ze aan ons verschijnt, maar niet zoals die werkelijk is. De echte objectieve werkelijkheid is voor onze zintuigen en ons verstand onbereikbaar. Tussen de werkelijkheid een hoe het kennis wordt voor ons, zit er altijd het verstand tussen die meteen structuur aanbrengt in onze zintuiglijke indrukken. Menselijke kennis is dus subjectief. Objectieve kennis is onmogelijk.

Het geloof in God is in de eerste plaats een levenshouding en geen wetenschappelijk verantwoorde kennis.

Spinoza
de rede moet leiding geven aan de hartstochten. Onze onmiddelijke verlangens en wensen moeten door ons verstand, dat de toekomst op langere termijnen kan overzien, in goede banen geleid worden. Monist. Kennis is het inzicht dat de dingen noodzakeijkerwijs zijn zoals ze zijn. Dit inzicht is intuïtieve kennis. Het leidt tot aanvaarding van de werkelijkheid zoals die is. Wanneer de werkelijkheid wordt aanvaard zoals die is, verdwijnt alle haat en komt liefde daarvoor in de plaats. Als je eenmaal ziet dat alles is zoals het is, dan kan je niet anders dan liefde voelen.

Wijsgerige ethiek woordenlijst

Deugden = goede eigenschappen, iets innerlijks, een karaktertrek
Contracttheorie = moreel gedrag rationeel verklaren : leden van een samenleving hebben een sociaal contract met elkaar gesloten, waarmee zij elkaar wederzijds verplichten tot een morele levenswijze. Dit is niet een echt contract, maar fictief.
Prisoner’s dilemma = moreel gedrag rationeel verklaren vanuit het ik- perspectief. Dan zijn er niet veel redenen meer. Er is sprake van een prisoner’s dilemma als: een morele opstelling waarbij iedereen iets moet inleveren of bijdragen wat voor iedereen voordelig is. + Het is nog voordeliger voor ieder individu om als enige niet solidair te zijn.
Verantwoordelijkheid = je krijgt een bepaalde vrijheid om iets te doen, maar je bent wel verplicht om rekenschap af te leggen. Je moet dus voor je gedrag en keuzes op kunnen draaien.
Instrumentele waarde van moraal = moraal dient als middel om een bepaald doel te bereiken.
Intrinsieke waarde van moraal = moraal dient als doel op zichzelf.
Distributieve rechtvaardigheid = eerlijke verdeling van gelijke rechten, vrijheden en kansen.
Procedurele rechtvaardigheid = optimale werking van een bepaalde rechtvaardige procedure.
Volmaakte procedurele rechtvaardigheid = procedure voor het verdelen v goederen en diensten + criterium v rechtvaardige verdeling, dat onafhankelijk is v procedure -> vb snijden ve stuk cake, waarbij snijder laatste stuk krijgt (procedure), dat iedereen een gelijk stuk krijgt is het criterium.
onvolmaakte procedurele rechtvaardigheid = er is wel een criterium v rechtvaardige verdeling, maar geen procedure die garandeert dat er aan de eisen vh criterium voldaan wordt (rechters en jury’s maken fouten)
Pure procedurele rechtvaardigheid = er is een procedure voor verdeling, maar geen rechtvaardigheidscriteria die onafhankelijk zijn vd procedure -> de verdeling is rechtvaardig als de verdeling het resultaat is ve correcte toepassing vd procedure.
Negatief recht = het recht om vrije te zijn iets te doen of te laten
Positief recht = het recht op bepaalde goederen, diensten of kansen.
Plichten = iets wat je moet doen, wat van je geeïst wordt.
Correlatietheorie = alle rechten kunnen worden geformuleerd in plichten van anderen. Er is dus een onderlinge afhankelijkheid van rechten en plichten.
Normatieve benadering = men stelt zich subjectief op ten aanzien van moraal, en laat de eigen normen en waarden doorklinken.
Niet – normatieve benadering = men stelt zich zo neutraal op ten aanzien van moraal. Vb: descriptieve ethiek en meta- ethiek.
Descriptieve ethiek = de beschrijving en verklaring van morele opvattingen en moreel gedrag.
Meta- ethiek = de analyse van morele taal: de betekenis van morele termen en de regels voor correct moreel redeneren. Geeft geen antwoord op : wat is goed?
Algemene normatieve ethiek = normatieve ethische theorieën. Drie daarvan: gevolgenethiek, plichtethiek en deugdethiek.
Toegepaste ethiek = houdt zich bezig met concrete ethische beslissingen in de dagelijkse praktijk.

GEVOLGENETHIEK
Consequentialistische / teleologische theorie = een ethische theorie die geformuleerd wordt in termen van gevolgen en doelen. Vb: utilisme/utilitarisme.
Utilisme = de (on)juistheid van handelingen wordt uitsluitend bepaald door de goede of slechte gevolgen van de handeling. Een handeling is goed als zij meer goede of minder slechte gevolgen heeft dan alle andere handelingen die de persoon in kwestie had kunnen uitvoeren. In het utilisme zijn goede gevolgen geluk, en slechte gevolgen ongeluk. Daarom wordt deze vatting geluksutilisme genoemd.
Geluksutilisme = het moreel goede is in deze opvatting de maximalisatie van geluk.
Voorkeursutilisme = Probleem geluksutilisme : wat is de maximalisatie van geluk, hoe weet je dat? Om dit op te lossen kiezen sommigen ervoor om als utilistisch criterium niet het geluk te nemen, maar de voorkeuren van de mensen. In plaats van de mensen gelukkig proberen te maken, moet je vaststellen wat hun verlangens zijn. Nadeel voorkeursutilisme : niet alle voorkeuren tellen even zwaar.

Voordeel van het utilisme als ethische theorie is dat het een duidelijk criterium verschaft: je moet berekenen wat de meeste mensen gelukkig maakt of wat hun voorkeuren zijn.
Nadeel van het utilisme als ethische theorie is dat het alleen de gevolgen zijn die een handeling goed maken. Het doel heiligt dus de middelen.

PLICHTETHIEK
Deontologische theorie = ethische theorie waarin het doen van je plicht centraal staat. Een handeling is dus moreel goed wanneer zij in overeenstemming is met een of meer principes van morele plicht. Net als het utilisme zijn deontologische theorieën gericht op de handelingen die mensen verrichten. Verschil met het utilisme is: de morele verplichting hangt niet af van de gevolgen die de handeling in kwestie heeft, je moet handelen volgens je principes van morele plicht, ongeacht wat de consequenties daarvan zijn en zonder een bepaald doel na te streven. Het vervullen van je plicht mag nooit een middel zijn om iets te bereiken maar het is een doel op zichzelf.
Generaliseerbaar stelsel = Een regel waarvan je tegelijk zou willen dat het een algemene wet was. Volgens sommige filosofen is er maar één principe van morele plicht en dat is dat je moet handelen volgens een generaliseerbaar stelsel. Volgens dit principe is het onaanvaardbaar dat je ten aanzien van een bepaalde regel een uitzondering voor jezelf maakt, want die uitzondering zou dan voor iedereen gelden.
Het hoogste deontologisch principe; wat gij wilt dat u geschied, doe dat ook een ander niet.

Voordeel van het deontologisme is de centrale plaats die morele principes in deze ethische theorie innemen. Vanuit dit standpunt kan je bepaalde handelingen NOOIT moreel rechtvaardigen, zoals iemand onschuldig veroordelen om een bloedbad te voorkomen. Dit zou wel mogen in het utilisme.
Nadeel 1. van het deontologisme is dat het geen objectief criterium bevat om uit te maken welke morele principes men moet hanteren. Want wie bepaalt welke morele principes juist zijn? Het utilisme is wel objectief.
Nadeel 2. Nog een nadeel is dat soms morele principes met elkaar in conflict komen.

DEUGDETHIEK
Deugdethiek = ethische theorie die is geïnteresseerd in goede mensen. Niet de handeling, maar de mensen zelf. Het moreel goede wordt niet bepaald door de gevolgen van de handelingen, maar door de motieven ervan. Eerste deugdethicus was Aristoteles. Goed functioneren volgens de eigen aard is volgens Aristoteles de hoogste deugd. Voor mensen is de hoogste deugd het volop laten functioneren van de rede.

Wijsgerige ethiek

Socrates
Het moreel goede is verbonden met inzicht. Deugd en inzicht vallen samen. ‘ken uzelf’.

Plato
In zijn Ideeënleer neemt het Idee van het goede de centrale plaats in. onze ziel is afkomstig uit de ideeënwereld, de echte wereld. Door middel van deugd kan de ziel in contact komen met het Idee van het goede. Plato is het eens met Socrates dat deugd gebaseerd is op inzicht maar hij gaat verder: 4 hoofddeugden:
Wijsheid
Moed
Matigheid
Rechtvaardigheid
Deze corresponderen met de volgende delen van de ziel:
Geest (wijsheid is de deugd daarvan)
Moed (deugd van de wil)
Matigheid (deugd van de begeerte)
Rechtvaardigheid omvat alle deugden als de drie delen van de ziel in evenwicht zijn met de deugden.

Aristoteles
Iedereen wil eudaimonie = gelukzaligheid. Het goede leven ziet er voor elk mens anders uit. Daarom schrijft zijn ethiek geen absolute normen voor. Elk mens moet op zijn manier zichzelf verwerkelijken. Dus dat wat hij van nature is, en zich niet laten beïnvloeden door zijn omgeving. De mens bereikt gelukzaligheid door het verwerkelijken van zijn verstand. Wijsheid is de grootste deugd. Andere deugden zijn: matigheid, zelfbeheersing en de gulden middenweg. De mens is een gemeenschapswezen en kan zichzelf alleen verwerkelijken in een menselijk gemeenschap.

Nietszche
De filosoof met de hamer: hij slaat alle bestaande filosofische inzichten met een hamer in puin. De wil tot macht vormt het wezen van de wereld, daarbuiten is niks, ook niet god. God is dood. Zijn filosofie is een filosofie van de hartstocht en extase, de roes. Deze kant van de mens noemt Nietszche de dyonische kant. Tegenover dyonisch staat appolinisch = harmonie, redelijkheid en zelfbeheersing. Nietszche laat zien dat het apollinische altijd gepaard gaat met het dyonische. Antimoralist. Hoogstaande morele idealen worden ontmaskerd als puur egoïsme, eigenbelang of wraakzucht. Hij is uit op herrijking van alle waarden.
Er is een heersersmoraal en een slavenmoreel. In beiden gevallen heeft het woord goed een andere betekenis. Goed voor de heerser = een onbelemmerde ontplooiing van zijn levensdrigt. Voor de slaven betekent goed = vredelievendheid, onschadelijkheid en medelijden. De christelijke maatschappij is zo ingericht dat de heersers in hun ontplooiing worden belemmerd terwijl de slaven zichzelf en de anderen tot een moraal verplichten, die het leven onderdrukt. Zo staan de slaven gezamenlijk sterk tegenover de heersers. Het christendom is een slavenopstand tegen de moraal, waardoor het morele goede zoals rijkdom, goddeloosheid en geweldadigheid een negatieve waarde hebben gekregen. Hij maakt dus niet alleen het christendom af, ook het socialisme. Ubermensch = een mens die weet dat God dood is. Hij verwacht een nieuwe cultuur met het bovenmenselijke wezen de ubermensch. De ubermensch weet dat er niets hogers bestaat en dat de wereld een dyonische wereld is. hij weet ook dat hij deel is van een wereld waar alles voortdurend opnieuw wordt geboren en vernietigd. Hij weet dat de wil tot macht het wezen is van het leven, en dat weten noemt hij een tragische wijsheid. Er is geen goed of kwaad, geen traditionele moraal, er is alleen leven oftewijl: wil tot macht. Het christendom heeft deze wil onderdrukt door het zwakke te steunen en medelijden te propageren, dus het moet worden afgeschaft. Nietschze is een antichrist.

Kenmerken van rechten
Ze kunnen opgeïst of geclaimd worden
Ze worden beschermd door de maatschappij
Als je rechten schendt, moet je de schuld compenseren.

Locke
De mensen zijn door God geschapen wezens met onvervreemdbare rechten. Mensen bezitten natuurlijke wetten, los van sociale of politieke structuren waarin ze leven. Het belangrijkste recht dat mensen hebben is dat zij zelf mogen beoordelen hoe God wil dat zij leven. Natuurlijke rechten zijn universeel.

Spinoza
Het stoïcijnse ideaal is de wijze die volgens de rede leeft en zijn hartstochten en driften beheerst. Niemand is in staat dit ideaal volledig te bereiken. Toch moeten we ernaar streven. Tegenover het verstand staan de hartstochten, niet de wil. Vrijheid van de wil bestaat uit het volgen van de eigen natuur. ‘vrijheid is een besef van noodzaak’. Als je je verzet tegen de rede ben je juist niet vrij. Als je niet bent onderworpen aan emoties ben je pas vrij. Als je onderworpen bent aan je emoties ben je een passief mens, die zich laat leiden. Passies sturen een passief leven. Actief word je door de rede. Een mens die op lange termijn zijn eigenbelang volgt is een deugdzaam mens. Voor deugdzaamheid hoef je niet beloond te worden, de deugd zelf is al een beloning op zich. Een andere beloning zou de deugd verderven.

Mill
Werd erg beïnvloed door Jeremy Betham. Betham is de vader van het utilisme. HET doel van het menselijk handelen is zoveel mogelijk mensen tevreden stellen. Het grootst mogelijk geluk voor het grootst aantal mensen. Elk mens streeft al naar het maximale geluk voor zichzelf, nu moet de mens nog inzien dat hij het persoonlijk streven naar geluk aanpast aan het algemene doel van het menselijk handelen.
Volgens Mill was het doel van al het menselijk streven: lust verwerven. Lust moet geen doel zijn, maar een middel. Dingen die lust verschaffen zijn niet op zichzelf waardevol. Waarde is nooit de eigenschap van een ding, maar het vermogen ons lust te bezorgen. Onze morele oordelen hebben zich geleidelijk, op grond van ervaring gevormd. Voor Mill is de ideale samenleving een samenleving waar een zo groot mogelijke vrijheid is voor iedereen. De enige reden waarom je iemand z’n vrijheid zou mogen beperken is als hij de vrijheid van iemand anders beperkt. Staatsmacht mag alleen in negatieve zin gebruikt worden: om kwaad te vermijden. En niet in positieve zin: om goed of geluk te bevorderen. Het goede komt vanzelf als de ruimte daarvoor bestaat, als er voldoende vrijheid is.
Kant
De rede werkt op twee manieren.
De rede is op kennis gericht en dus theoretisch werkzaam.
De rede is gericht op handelen, en functioneert praktisch.
Kant is op zoek naar eeuwige universele wetten. Absolute regels en wetten kunnen niet afgeleid worden uit ervaring, want dan zijn ze voor iedereen anders. Ze moeten dus a priori geldig zijn. Kant zocht naar de hoogste morele wet, waaruit de andere morele wetten kunnen worden afgeleid. Deze hoogste morele wet is niet alleen a priori maar ook categorisch = uit zichzelf en zonder enige gestelde voorwaarde. Kant sprak van een categorisch imperatief = een bevel dat los van elke inhoud onvoorwaardelijk moet worden opgevolgd. Twee formuleringen van het categorisch imperatief :
Handel slechts volgens die regel, waarvan je zou willen dat het een algemene wet wordt.
Je moet een mens altijd als een doel op zichzelf behandelen en nooit als een middel om iets anders te bereiken.
De categorisch imperatief lijkt dus op de ‘gulden regel’: wat gij wilt dat u geschied, doe dat ook een ander niet. Het is dus een formele richtlijn die alle concrete keuzesituaties omvat. De hoogste zedenwet/categorisch imperatief is even absoluut als bv. de wet van oorzaak en gevolg. Kant geeft een beschrijving van het menselijk geweten: we kunnen niet bewijzen dat het bestaat en wat het precies voorschrijft, maar toch weten we dat. Moraal is het luisteren naar eigen geweten, het volgen van de plicht. Je moet niet alleen in overeenstemming met de plicht handelen, maar ook uit plicht, dus: uit achting voor de hoogst morele wet. Daarbij mag het doel of resultaat geen rol spelen. Alleen dat wat moet, de plicht, is belangrijk.

Thomas van Aquino
Belangrijkste middeleeuwse filosoof. Maakt onderscheid tussen geloof en kennis.
Kennis= de objectieve werkelijkheid waarvan wij door middel van onze rede ware en zekere kennis kunnen verkrijgen.
Bovennatuurlijke kennis, die ook waar is, maar die we niet met ons verstand kunnen begrijpen.
Drie belangrijkste christelijk deugden: hoop, geloof en liefde. Mens is een redelijk mens dus alles wat tegen de rede is, is tegen de natuur van de mens. lagere begeerten moet de mens in toom houden met de rede. De mens is lid van maatschappij en staat, het is dus een sociaal wezen. Een mens is alleen goed als het zich bekommert om het algemeen belang. Hoe meer een deugd is gericht op het algemene belang, hoe hoger de deugd is. Als voorwaarde voor het moreel handelen van de mens legt Aquino veel nadruk op de vrijheid van de wil. 

Woordenlijst wijsgerige antropologie

Instrumentele rede/technische rationaliteit = de mens gebruikt zijn rationaliteit als instrument om de meest efficiente en de meest economische middelen te selecteren voor het bereiken van een doel.
Doelgericht handelen = het gebruiken van doel-middel rationaliteit leidt tot doelgericht handelen.
Waardegericht handelen = als je je afvraagt of een doel wel moreel aanvaardbaar is.
Freudiaanse vergissing = een verspreking die laat zien wat er bewust of onbewust speelt in de geest van de spreker.
Entelechia = voltooid zijn. (zie Aristoteles met zelfverwerkelijking.)
Eudaimonie = gelukzaligheid. (zie Aristoteles met zelfverwerkelijking).
Neoplatonisch denken = zijns hierarchie, een rangorde van alles wat er bestaat.
Potentia = vermogen
Actus = werkelijkheid
Intrinsiek subjectief = gewaarwordingen zijn afhankelijk van onze individuele positie in de wereld en het soort persoon dat we zijn.
Intersubjectieve aangelegenheid = iets heeft een uiterlijke kant die voor iedereen waarneembaar is, zoals taal.
Referentiekader = wereldbeeld
Hermeneutiek = interpreteren van een tekst, door je subjectiviteit te gebruiken, en verder te kijken dan wat er staat.
Lichamelijkheid = de mens is zijn lichaam.
Materialisme = alles is uit atomen opgebouwd, alles is dus materie.
Idealisme = Alles wat bestaat is van geestelijke aard. Er bestaan uitsluitend geesten en de producten daarvan: ideeën. Een idee is een beeld dat gevormd is door ons voorstellingsvermogen, door het subjectieve ‘ik’. De materiële wereld bestaat slechts voor zover ze aan ons verschijnt, dus: voor zover zij als idee in ons bewustzijn aanwezig is.
historisch dialectisch materialisme = concrete, materiële veranderingen scheppen nieuwe geestelijke omstandigheden. Het materiële bepaalt het bewustzijn.
Twee aspecten theorie = lost de problemen op van het monisme en dualisme. Volgens de theorie zijn lichamelijke en geestelijke verschijnselen twee aspecten van hetzelfde. Er is maar één leven, naar binnen toe wordt dat gezien als iets geestelijks en naar buiten toe wordt dat gezien als iets lichamelijks.
Intersubjectiviteit = een door alle subjecten van een bepaalde gemeenschap gedeelde mening.
Intentionaliteit = ergens op gericht zijn. Op intentionele wijze bestaan betekent dat een object in iets anders bestaat.
Oorzakelijke relatie = er is sprake van een oorzaak en gevolg in de relatie.
Interne toestand = het totaal van menselijke mentale toestanden als denken, voelen en willen.
Arbeid = de omvorming van de natuur tot goederen die de mens ten dienste staan. Arbeid kan ook een vorm van zelfverwerkelijking zijn voor de mens: in zijn arbeid realiseert de mens zichzelf. In deze opvatting vormt arbeid dus een verbindinsschakel tussen mens en natuur. Arbeid kan ook vervreemden, als je voor iemand werkt die van je arbeid profiteert en er rijker van wordt.
Interactie = de wisselwerking tussen mensen onderling.
De Kritische Theorie = wijst de scheiding af tussen theorie en praktijk in onderzoek. Er is sprake van een wederzijdse beïnvloeding. Wetenschappelijke theorieën zijn verbonden met de maatschappelijke contexten waarin ze ontstaan en werken. Neutraal wetenschappelijk onderzoek en een neutrale theorie bestaan niet.
Existentialisme = de mens is gedoemd tot vrijheid. Existentie gaat vooraf aan essentie.
Structuralisme = ons leven speelt zich af binnen structuren, en hierdoor worden we bepaald. Er is geen vrijheid. We denken en leven binnen het systeem. Macht en taal zijn belangrijk in het structuralisme.
Behaviourisme = de mensopvatting die de mens beschrijft in termen van waarneembaar gedrag. Niet de menselijke geest staat hierin centraal, alleen de prikkels en de reacties daarop worden onderzocht.
Communitarisme = niet het individu, maar het belang van de gemeenschap staat centraal. Die gemeenschap is wezenlijk voor het welzijn en de ontplooiing van het individu.
Transcedent = letterlijk: overstijgend, buiten het gewone tredend

Wijsgerige antropologie


Aristoteles
3 eigenschappen: vegetatieve, sensitieve en rationele.
Niet alleen levende, maar ook levenloze natuur heeft een doel. Doel = zelfverwerkelijking. De levende en levenloze natuur streeft naar entelechia = voltooid zijn. De zin en het doel van het menselijk bestaan is de verwerkelijking van onze rationaliteit. Als we dit doel bereiken ervaren we gelukzaligheid = eudaimonie.

Thomas van Aquino
Wilde de leer van Aristoteles in overeenstemming brengen met het Christendom. Op twee manieren kan de mens tot kennis komen: ratio, (filosofie) en de bijbel (geloof). 13e eeuw waarin hij leefde stond neoplatonisch denken centraal. Boven aan staat de idee, het beginsel waaruit al het andere is voortgekomen. Voor christelijke filosofen zoals Aquino is de idee God. Ook de drie vermogens van de mens zijn er bij Thomas van Aquino : het vegetatieve, het sensitieve en het rationele. De mens moet drie dingen weten: wat hij moet geloven, waarnaar hij moet verlangen en wat hij moet doen.

Democritus
Filosoof uit de oudheid. De natuur is uit basiselementen opgebouwd. Deze elementen zijn onveranderlijk en eeuwig. Hij noemde ze : ‘atomen’. De ziel bestaat wel, maar is ook materialistisch, hij bestaat uit hele fijne atomen. Het tegenovergestelde van het materialisme is het idealisme.

Karl Marx
Samen met Engels de grondlegger van de materialistische stroming: historisch dialectisch materialisme. Het zijn concrete, materiële veranderingen die nieuwe geestelijke omstandigheden scheppen. Het materiële beïnvloedt het bewustzijn en verandert dit. Op zijn beurt verandert het veranderde bewustzijn, deze nieuwe vorm van denken, weer in op de materiële omstandigheden.

Descartes
De grondlegger van de moderne wijsbegeerte. Hij is een rationalist: ons verstand is de enige zekere bron van kennis. Onze zintuigen verschaffen ons verwarde en onzekere kennis van de werkelijkheid. Zekere kennis komt niet voort uit de ervaring, maar uit ons verstand, op basis van aangeboren ideeën. De enige zekere kennis is: cogito ergo sum -> ik denk dus ik ben. Descartes hield zich bezig met het substantieprobleem. Een substantie is het onveranderlijke dat aan het veranderlijke ten grondslag ligt. Er zijn twee substanties volgens descartes: geestelijke en lichamelijke substantie. Hij is een vertegenwoordiger van het dualisme.
De aard van de geestelijke substantie is denken, de aard van het lichamelijke is uitgebreidheid (lengte, breedte en hoogte). De wisselwerking tussen deze twee substanties vindt plaats in de pijnappelklier in de hersenen.

Benedictus Spinoza
Spinoza was een monist. Alles wat bestaat kan herleid worden tot God, dit noemde hij ook wel de ‘natuur’ en het ‘ene’. God is de oorzaak van de beweging in materie. Denken en uitgebreidheid (van Descartes) zijn twee verschijningsvormen waaruit de mens bestaat en zijn dus net als alles terug te voeren op God. God is oneindig, eeuwig en uniek. Niet kan buiten God bestaan.

Jean Jacques Rousseau
Was een verlichtingsfilosoof. Bekritiseerde toch de verheerlijking van de rede en wees op het gevoel, daarmee de romantiek voorbereidend. De natuur dient als voorbeeld voor de mens. Als we maar genoeg onderzoek doen naar de natuur, en ook de menselijke natuur, wordt duidelijk hoe we ons moeten gedragen.

Jean Paul Sartre
Existentie gaat vooraf aan essentie. De mens is gedoemd tot vrijheid. De mens kan zichzelf dus scheppen.

Michel Foucault
Belangrijke vertegenwoordiger structuralisme. Is het er niet mee eens dat onze moderne cultuur vooruitgang en redelijkheid is. onderzocht de macht van het ‘onpersoonlijk weten’. Onpersoonlijk weten = het totaal aan kennis, opgeslagen in structuren of instanties. Alle kennis is niet neutraal en abstract maar komt voort uit en is verbonden met het soort maatschappij waarin wij leven. Net als de kritische theorie dus. Er zijn allemaal machtsystemen die elkaar afwisselen. Macht kan zich onttrekken aan morele beoordeling.

Burrhus F. Skinner
Onderzocht dierlijk gedrag, in overtuiging dat zo’n onderzoek ons meer kon leren over het menselijk gedrag. In zijn ‘skinner box’ bestudeerde hij op systematische wijze het gedrag van dieren. Je kunt dieren africhten door middel van straf en beloning. Hij was ervan overtuigd dat je ook mensen veel kon leren door middel vans straf en beloning. Het enige wat je hiervoor moet doen is de juiste prikkels toedienen, gecombineerd met de juiste beloning of straf. De mens heeft geen vrije wil, maar de prikkels sturen de mens die hem van jongs af aan werd toegediend.

Charles Taylor
Houdt zich bezig met de verhouding tussen individu en gemeenschap. Centraal staan; zelfontplooiing, zingeving, authenticiteit en individualisme. Deze begrippen staan niet op zichzelf maar zijn gesitueerd in verschillende instituties van de samenleving zoals taal, religie, kunst, politiek etc. deze instituties vormen de belichaming van onze zelfontplooiing. Het goede en de bron van onze waarden worden steeds minder buiten onszelf gezocht, zoals in God, maar steeds meer in onszelf. Niet God of de Natuur geeft het leven zin, maar wij moeten ons leven zin geven. Dit kunnen we alleen op een manier doen die recht doet aan onze individu, die uniek is. Het authenticiteitsideaal wordt niet alleen maar gecreëerd, maar ook ontdekt: alleen op basis van waarden die jou door de samenleving worden aangereikt, die er dus al zijn, kun je bepalen wat voor jou persoonlijk waardevol is. Hij kent de gemeenschap een belangrijke rol toe bij het tot stand komen van onze individualiteit, en is daarom een vertegenwoordiger van het communitarisme.

E. O. Wilson
Verdedigt de opvatting dat mensen aan dezelfde natuurlijke selectie onderworpen zijn als andere organismen. Veel mensen vielen dit aan. Als al ons gedrag een genetische basis heeft, is er geen ruimte meer voor vrije wil. 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

Je bent het hoofdstuk Wetenschapsfilosofie vergeten, verder is het een goede samenvatting.

7 jaar geleden