Het is 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Ik, filosofie van het zelf

Het boek is verdeeld in 3 stukken:

1. Epistemologisch: De vraag naar kennis. (Kennis van het ik/zelf) 2. Metafysisch: Wat is eigenlijk de werkelijkheid

3. Antropologisch: Wat is eigenlijk de mens.

 

Hoofdstuk 1: Wat maakt dat je door de tijd heen hetzelfde blijft?

Hoofdstuk 2: Is er eigenlijk wel iets wat hetzelfde blijft en waar is dat te vinden?

Hoofdstuk 3: Hoe komen we tot zelfkennis?

Hoofdstuk 4: Authenticiteit. Wat betekent jezelf zijn?

Hoofdstuk 5: Autonomie. Onze relatie met de overheid

Hoofdstuk 6: Zelfverbetering. Waar ligt de grens van zelfverbetering?

 

Hoofdstuk 1 jezelf blijven (Epistemologisch)

1.1 De slaapmoordenaar

Korte samenvatting van het verhaal over de slaapmoordernaar: Een agent moet een moord oplossen. Hij komt er uiteindelijk achter dat hij zelf de moord heeft gepleegd in zijn slaap. Hij geeft zichzelf aan en de agenten checken of het klopt door hem een paar nachten op te sluiten. Ze zien dat, zodra de agent een pistool krijgt, hij erop los schiet. De rechter besluit echter dat de slaapmoordenaar niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de moord omdat hij aan het slaapwandelen was. 

 

Het toeschrijven van verantwoordelijkheid kan dus alleen als de persoon hetzelfde blijft.

 

1.2 Het schip van Theseus

Korte samenvatting over het schip van Theseus: Elke keer als het schip van theseus een haven binnen zeilt, laat hij één plank vervangen. Na tien jaar is er geen plank meer over van het originele schip. Is het een ‘nieuw’ schip dat geheel uit andere planken bestaat of is het hetzelfde schip als dat waar Theseus tien jaar geleden begon? Is de identiteit intact gebleven, ondanks dat alle planken zijn vervangen?

 

Nu zijn de oude planken van het schip van theseus gebruikt om een nieuw schip te bouwen. Dit schip is identiek aan het schip van theseus. Na tien jaar hebben we twee schepen die mogelijk hetzelfde zijn als het originele schip. Tussen de twee schepen bestaat een relatie van kwalitatieve identiteit. Maar de vraag is welk schip het originele schip is. Dit is de vraag naar numerieke identiteit.

 

Kwalitatieve identiteit: Als je precies op iemand anders lijkt qua uiterlijk.

Numerieke identiteit: Het gaat om dezelfde persoon door de tijd heen. Er is er maar één van.

 

1.3 Lockes psychologische criterium voor persoonlijke identiteit.

Locke:

Locke probeert een beschrijving te geven wat een identiteit is. Hiermee maakt hij een onderscheidt tussen mens en persoon.

De mens: Je biologische lichaam, een levend lichaam. Een mens heeft geen materiële continuïteit. Elk levend wezen (de mens) verandert steeds.

De persoon: Een denkend, intelligent, etc wezen. Ook heeft het een bewustzijn. Zolang je je bewust bent van het verleden, ben jij dit ook. Bewuste herinneren maken de persoon door de tijd heen. (Je bent dezelfde persoon zolang je het je kunt herinneren) Dit noem je het bewustzijn criterium. 

 

Bewustzijn criterium: ​ ​Je bent een persoon zolang je je bewust herinnert.

 

Voldoende voorwaarden: Iets dat de mens kenmerkt. (Geen enkel ander organisme​       kan schrijven. Het is niet noodzakelijk want sommige mensen kunnen niet schrijven maar zijn wel mensen.

Noodzakelijke voorwaarden: Iets dat elk organisme nodig heeft om te leven bvb​         ademen.

 

Bewust herinneren is zowel een voldoende als een noodzakelijke voorwaarden voor de persoonlijke identiteit. Je moet je iets bewust kunnen herinneren (noodzakelijk) voor een persoonlijke identiteit. maar het is ook een voldoende voorwaarden om te weten dat je een persoonlijke identiteit hebt.

 

1.4 De kritiek van Reid en Parfit's alternatief

Reid: (Kritiek op Locke)

Volgens Reid ontstaat er een psychologische overlap. De officier kan herinneren hoe hij als klein jongetje werd geslagen. De generaal kan zich herinneren hoe hij officier was, maar niet hoe hij als jongetje geslagen werd. Dan is het jongetje niet dezelfde persoon als de generaal volgens Locke. Reid zegt dat hier een psychologische overlap ontstaat en dat de generaal en het jongetje toch hetzelfde zijn. Locke heeft dus geen antwoord op de persoonlijke identiteit, hij kan niet vertellen of iemand in een dergelijke situatie nu wel of niet dezelfde persoon is.

 

Parfit: (alternatief van Locke)

Je hebt pas een identiteit als een overlappende keten van herinneringen hebt. Herinneringen zijn voldoende maar geen noodzakelijke voorwaarde.

 

Theorie van psychologische continuïteit:

Je hoeft niet alles te herinneren om dezelfde persoon te zijn. Zolang er maar sprake is van psychologische continuïteit. Ook zijn psychologische toestanden belangrijk voor de persoonlijke identiteit zoals karaktereigenschappen.

 

Gedachte-experiment van Parfit: Je hersenen worden overgenomen door een gekke chirurg. Bij elke schakel verlies je één karaktereigenschap en één herinnering. Deze worden vervangen door die van iemand anders. Bij elke schakel ben je een beetje jezelf en een beetje iemand ander en bij alle schakels ben je helemaal een ander persoon. De vraag: “Ben ik nu iemand anders of me zelf?” is volgens Parfit een lege vraag om te stellen.

 

Graduele overgang (Met stapjes) van je huidige identiteit en je identiteit die dement is. Wanneer ben je dan niet meer de persoon die je nu bent? Als je dement bent, is de continuïteit doorbroken. Dan ben je niet meer dezelfde persoon. De herinneringen zijn er niet meer. Maar welk moment er precies aangewezen kan worden waarop je niet meer jezelf bent, dat moment is er niet. Dat is gradueel en loopt dus langzaam over in een andere identiteit. Het is dus een lege vraag om te vragen naar een bepaald moment.

 

Volgens Parfit doet de persoonlijke identiteit er dus niet echt toe. Waar het uiteindelijk om draait is of er een psychologische continuïteit bestaat tussen mij en iemand anders. Het gaat alleen maar om psychologische toestanden zelf en niet om degene die ervaringen heeft.

 

Verschillen en overeenkomsten tussen Parfit en Locke:

  1. Parfit en Locke vinden beiden dat er een psychologische criterium (bewust herinneren) moet zijn om een persoonlijke identiteit te omschrijven.
  2. Locke vind dat je niet dezelfde bent als je jezelf niet kan herinneren, Parfit vind dat als er een psychologische overlap is dat je wel dezelfde bent
  3. Parfit zegt dat ook alle andere toestanden je tot een persoon maken, zoals karaktereigenschappen enz. 
  4. Het gradueel verschijnsel: de herinnering is in graden

 

1.5 Ricœur over het zelf en hetzelfde

Ricœur: 

Ricoeur zegt dat identiteit hetzelfde blijft. De identiteit heeft twee vormen: Ipse- en idem-identiteit.

 

Idem-identiteit: Wat blijft hetzelfde door de tijd heen? (derde persoonsperspectief) Ipse-identiteit: Wie blijft hetzelfde door de tijd heen? (Kan in de toekomst en in het verleden kijken en is een eerste persoonsperspectief)

 

Ricœur geeft kritiek op het onpersoonlijke aspect van Parfits theorie. Parfit houdt zich vooral bezig met de idem-identiteit en niet met Ipse-identiteit. Dit maakt het erg onpersoonlijk. (Dan ben je alleen maar een optelsom van psychologische toestanden.)

 

Ricœur vraagt zich af hoe we ons kunnen afvragen wat er uitmaakt voor ons voortbestaan door de tijd heen, als we ons niet afvragen voor wie dat uitmaakt. Het maakt mij nu in het heden uit wat er met mij in de toekomst gebeurt.

 

Een man drinkt op een avond veel te veel maar besluit toch achter het stuur te stappen. Hij rijdt iemand aan en klapt met zijn hoofd tegen het stuur. De volgende ochtend wordt hij wakker in het ziekenhuis en hoort hij van het voorval maar kan zich er niks van herinneren. De man die hij heeft aangereden is dood.

 

  • Volgens Locke is hij niet verantwoordelijk want hij kan zich niks herinneren.
  • Volgens Parfit moeten we kijken in hoeverre de dronken man lijkt op de man in het ziekenhuis.
  • Volgens Ricoeur kan de man zichzelf wel tegenhouden van te voren. Niet achter het stuur stappen of regelen dat hij ergens mag blijven slapen. Ook al kan hij zich niks herinneren, toch is hij verantwoordelijk.

 

Primaire tekst: Thomas Reid, over Lockes visie op onze persoonlijke identiteit:

4 kritiekpunten op Locke door Reid:

  1. Locke verwart bewustzijn met geheugen. Dat zijn namelijk twee verschillende zaken. Het gaat bij Locke eigenlijk om geheugen, en niet zozeer om bewustzijn.
  2. Locke verwart persoonlijke identiteit met de bewijzen voor die identiteit. Bewust geheugen is wat mijn identiteit is, bij Locke, maar het is ook meteen het bewijs voor mijn identiteit.
  3. Reid zegt: bewustzijn is voortdurend in verandering. Als je identiteit hetzelfde is als je bewustzijn, zou deze ook voortdurend moeten veranderen. Dan ben je niet meer verantwoordelijk voor wat je zojuist deed. 
  4. Pijn, plezier, bewustzijn en geheugen kunnen niet hetzelfde zijn op verschillende momenten, volgens Locke ben je dan een ander persoon. Volgens Locke zijn die uitingen hetzelfde en ben je hetzelfde als alle andere mensen, en als je pijn anders is dan op een ander moment bij eenzelfde persoon zou je volgens Locke een ander persoon zijn. Ook houdt ons bewustzijn soms op met bestaan (tijdens het slapen of onder narcose), volgens Locke zou je dan op dat soort momenten niet bestaan. 

 

 

Primaire tekst: Derek Parfit, persoonlijke identiteit:

Eenvoudige teletransportatie:

Als ik in mijn lichaam transporteer naar mars, wordt mijn lichaam op aarde vernietigt en leef ik verder op mars. Nu is er iets mis met de machine en blijft mijn oude lichaam op aarde bestaan. Er is nu geen psychologische continuïteit omdat er twee ‘ik’s’ bestaan. Beiden zijn dan een ander persoon dan de orginele persoon.

 

De twee replica’s zijn kwalitatief identiek aan elkaar maar niet numeriek identiek.

 

Je identiteit is op aarde in een psychologische continuïteit maar de persoon op Mars krijgt een nieuwe psychologische continuïteit. Er is hier sprake van een zijspoor.

 

Zijspoor: Jij en je replica zijn niet meer de identieke persoon. Je replica is een zijspoor.

 

The branch-line case: laat ons zien dat er jij en het replica beiden kunnen bestaan. De replica is een voortzetting van het oorspronkelijke persoon maar jijzelf bent ook een voortzetting van het oorspronkelijke persoon.         

Hoofdstuk 2 Waar ben ik?

2.2 Breinreductionisme en het scepticisme van Hume

Breinreductionisten: ‘Zelf’ wordt teruggebracht tot de hersenen. Je kunt wel een ervaring hebben van het zelf maar dat zelf is niets anders dan een hersenwerking/ hersenactiviteit.

 

Dick Swaab: We zijn niks meer dan de activiteit van onze hersenen.

Victor Lamme: De vrije wil bestaat niet. De brein is de baas over ons brein. Er is geen immaterieel zelf dat de hersenen bestuurt. Handelingen liggen al vast in ons brein.

Metzinger

 

Kritiek op het breinreductionisme:

  1. Het ‘voelt’ niet alsof we alleen ons lichaam zijn en zo ervaren we het ook niet.
  2. Ik ben niet alleen mijn rein maar toch ook mijn arm? Het brein kan alleen bestaan door ons lichaam en zijn we dus meer dan alleen ons brein.

 

David Hume:

In de ervaring kom je nooit een ‘ik’ tegen, alleen waarnemingen. Deze zijn voortdurend in beweging en daarom is het ‘zelf’ ook voortdurend in beweging. De neiging om een ‘ik’ aan te nemen ligt in de verbeeldingskracht. Alle kennis is gebaseerd op waarnemingen. (Kan ook introspectie zijn, dus naar binnen kijken, naar jezelf)

 

Theater: In het theater komen verschillende percepties en ervaringen langs. Toch zit er niemand in het theater. Jij bent zo gezegd het toneelstuk: jij bent al de percepties en ervaringen. Als er iemand in het theater zou zitten dan zou dat de ziel zijn maar volgens Hume is die er niet.

 

2.3 De kritiek van Kant

Kant:

Kritiek op de breinreductionisten: Er moet iets zijn om de hersenactiviteit zinvol te interpreteren. Dat iets is het ‘zelf’

 

Kritiek op Hume: Hij is het eens dat het ‘zelf’ niet in de ervaring ligt maar dat betekent niet dat het ‘zelf’ niet bestaat. Er moet iets of iemand zijn die waarneemt. Dit noemt Kant een transcendentaal zelf. Er is een ‘ik’ maar kant weet niet waar.

 

2.4 Ryle over de categoriefout

Gilbert Ryle en René Descartes

Categoriefout: Iets in een foute categorie plaatsen.

 

Descartes is een substantiedualisme. Hij gaat ervan uit dat lichaam en geest een ruimte innemen. Hier zit hij fout volgens Ryle. Zolang je het niet ziet, kan het geen ruimte innemen. Dit is ook kritiek op de brein reductionisten omdat ze het ‘zelf’ in het brein zoeken.

 

De breinreductionisten en Descartes maken een categoriefout door het ‘zelf’ te zoeken in het materiële terwijl het ‘zelf’ niet materieel is.

 

2.5 Het zelf als narratief zwaartepunt

Daniel Dennett: 

Jouw leven is als een soort narratief. Je bent het centrum/zwaartepunt van je verhaal. Dennet vergelijkt jezelf in het verhaal als zwaartepunt. (Jij bent dus het zwaartepunt) Dit zwaartepunt is je gedrag en je handelingen.

 

Narratief: Een verhaal

 

Gedachte experiment Dennett: Er is een roman machine met ledematen, ogen, etc. Wanneer je vraagt hoe hij zich voelt, begint hij te vertellen. Wezenlijk verschilt de machine volgens Dennett niet van ons. Een fictioneel object, onszelf, kan dus zonder een ‘echt’ zelf bestaan. Ons zelf is een product van iets wat zelf geen zelf is, ons brein.

 

2.6 Het lichaam als ankerpunt

Het zelf wordt begrepen in termen van de functie die het vervult, namelijk het voorspellen en verklaren van gedrag. Dit noemen we functionalisme. Omdat het zelf een abstracte entiteit is, net zoals het zwaartepunt, is zijn functie niet afhankelijk van een specifieke materie.

 

Dennett veronderstelt dat we na het overlijden van ons lichaam zouden kunnen voortbestaan als een brein in een vat. Maar als we goed kijken naar het soort vat dat we nodig hebben om een brein in leven te houden en te functioneren, dan blijft dat niet zomaar ieder vat hiervoor geschikt is. Het vat dat we nodig hebben blijft zo complex en geavanceerd te functioneren dat het onzinnig lijkt om te zeggen dat wij simpelweg kunnen bestaan als brein. Ook lijkt dit vat dan erg veel op het lichaam. Het is empirisch gegeven dat het zelf belichaamd is en dat we afhankelijk zijn van ons lichaam om waar te nemen en te handelen. Hierdoor zijn wij dus niet afhankelijk van ons lichaam.

 

Maurice Merleau Ponty

Het geleefde lichaam: Het lichaam heeft een eigen geschiedenis. Het lichaam is niet optioneel want zonder een lichaam zijn er geen ervaringen mogelijk. We hebben niet alleen een lichaam maar zijn ook een lichaam. Het lichaam is dus dubbelzinnig. Het zelf is dus een mogelijkheidsvoorwaarde voor de ervaring.=

 

Het lichaam is als een ankerpunt van het narratieve zelf.

 

2.7 Hoe echt is het zelf?

Sellars:

Je moet onderzoeken hoe beiden werelden met elkaar samenhangen. Dit is het doel van filosofie volgens Sellars.

 

Wetenschappelijke wereldbeeld: Toont ons de wereld zoals we die kennen door de wetenschap. (Hier draait het om atomen, neuronen en natuurwetten).

Manifeste wereldbeeld: Toont ons de wereld van de alledaagse praktijk, met haar gedachten, verlangens en de ervaring van ons zelf.

 

Primaire tekst Marya Schechtman, het karakterisering vraagstuk Marya Schechtman:

Karakterisering vraag: Welke kenmerken (handelingen, ervaringen, overtuigingen, waarden, verlangens) moeten worden toegekend aan een bepaald persoon

 

Onderscheidt karakteriseringsvraag en numerieke identiteit: Door het ontdekken van een kwade kern in de mensheid willen mensen op zoek naar hun eigen ware identiteit en die van mannen en vrouwen met wie ze dagelijk omgaan. De kenmerken van een persoon kunnen dus veranderen en hebben we dus geen numerieke identiteit. (We zijn niet hetzelfde door de tijd heen)

 

Je bent pas een persoon als je een narratief zelfbeeld hebt gecreëerd.

 

Primaire tekst Lynne Rudder Baker, Onszelf begrijpen: zelfnarratieven en persoonlijke identiteit.

Lynne Rudder Baker geeft kritiek op Schechtman:

  1. Pasgeboren baby’s en kinderen hebben nog geen compleet narratief zelfbeeld. Zijn hun dan geen personen?
  2. Mensen die om de zoveel tijd een ander zelfbeeld hebben zijn dus geen personen? (Episodische levens)
  3. Mensen met meerdere persoonlijkheden?

 

Numerieke identiteit moet voor karakterisering dus eerst de persoon zelf en dan pas het narratief.

 

Primaire tekst David Hume, Traktaat over de menselijke natuur

Persoonlijke identiteit is geen filosofisch probleem maar een taalprobleem. Verwarde manieren van spreken en denken roepen moeilijke filosofische vragen op terwijl er geen antwoord is, enkel een taalprobleem.

 

Tot welk misverstand leidt de voorstelling van de geest als theater?:

Volgens descartes ziet er een ziel in je hoofd te kijken, te horen en te voelen. Dit is een ziel en zit in je theater. Als die impulsen vormen een voorstelling en de ziel kijkt naar deze voorstelling. De ziel maakt er een begrip van: Een geestelijk begrip en daardoor is het geen materiële zaak meer.

 

Het misverstand bij de voorstelling van de geest als theater is dus dat mensen ervan uit gaan dat er iemand in het theater zit die naar deze voorstelling kijkt, de ziel. Maar deze ziel is er helemaal niet want als ik op zoek ga via introspectie kom ik geen ‘ik’ tegen. Ik kom alleen maar die ervaringen tegen. Hierdoor ben je alleen maar een bundel waarnemingen.

 

Primaire tekst Gallagher en Zahavi, De belichaamde geest

Objectieve lichaam: Hoe het lichaam verschijnt als jet het van ‘buitenaf’ bekijkt. Je lichaam kan dan worden geanalyseerd, ontleed en objectief worden begrepen, net als een machine of robot.

Geleefde lichaam: Hoe het lichaam verschijnt als je het van ‘binnenuit’ bekijkt. Hoe je je lichaam ervaart en de manier waarop je lichaam je ervaring structureert als belichaamd in de wereld.

 

Het gedachte-experiment van Dennett ziet het lichaam alleen als object en niet als geleefd. 

        

Hoofdstuk 3 Jezelf kennen

3.2 de introspectie theorie

René descartes:

Introspectie: Kijken naar jezelf/ kijken naar binnen.

Onfeilbaarheid: Je kunt je niet vergissen in wat je denkt of voelt.

Alwetendheid: We hebben kennis over al onze mentale toestanden.

 

Door middel van introspectie krijgen we kennis over onszelf. Deze kennis is onfeilbaar en alwetend. Je kunt je niet vergissen over wat je voelt of denkt en we hebben alle kennis over onze mentale toestanden.

 

Neo Cartesianen:

Introspectie is de belangrijkste bron voor zelfkennis maar het is niet onfeilbaar en alwetend

 

3.3 Wittgenstein over privé en publiek

Wittgenstein:

Woorden als pijn of honger hebben alleen betekenis binnen een taalspel. Zelfkennis is daardoor gebonden aan sociale aangelegenheden. Iedereen voelt op een eigen manier pijn, en als je zegt ‘ik heb pijn’ heb je dan dezelfde pijn als iemand anders? 

 

Kever in een doosje: De kever is je ervaring bijvoorbeeld pijn en het doosje je bewustzijn. Maar niemand kan in het doosje van de ander kijken. Als je de introspectie theorie aanhoudt kan je nooit weten hoe de ander pijn ervaart. Dit leidt tot solipsisme.

 

Solipsisme: Er is geen gedeelde taal of betekenis.

 

3.4 Empirische kritiek op de introspectie theorie

Confabuleren: Verhalen verzinnen om keuzes begrijpelijk te maken en te legitimeren, terwijl je eigenlijk niet weet waarom je de keuze in kwestie hebt gemaakt of wat je precies hebt gekozen.

 

Gevolgen van confabuleren voor eerste persoons autoriteit:

Als blijkt dat wetenschappelijke onderzoekers beter inzicht hebben in waarom we doen wat we doen of als we er zelf achter komen waar we ons vergissen over waarom we iets deden, dan is het niet in ieder geval vanzelfsprekend dat wij zelf altijd het beste weten wat we denken en voelen.

 

Experiment waarbij 2 fotos van vrouwen worden getoont aan mannen (brunette en blondine) welke vind je het mooist? Het andere plaatje dan de echte keuze wordt getoont en moet de persoon argumenteren waarom hij voor de aangewezen plaatje koos. Hieruit blijkt dat het idee dat je jezelf het best kent, te ondermijnen (onderuit halen), en dat introspectie niet klopt omdat je niet onfeilbaar bent en niet alwetend.

 

3.5 De interpretatietheorie

Gilbert Ryle: 

Interpretatietheorie: Door jezelf te interpreteren krijg je toegang tot meer en andere informatie.

 

Zelfkennis: Via interne informatie kunnen we de lichaamsdelen een positie geven of lichamelijke behoeftes zoals honger weten. Ook kunnen we onszelf betrappen op een interne monoloog (Zo, die is oud)

 

Kennis van andere: Via externe informatie weten we veel van andere zoals iemand met een rood hoofd die tegen de blikjesmachine aantrapt heeft waarschijnlijk betaalt voor een blikje maar niks gekregen.

 

3.6 Zelfkennis vanuit het eerstepersoonsperspectief

Richard Moran

Deliberatietheorie: Zelfkennis krijg je door de redenen af te wegen voor of tegen een bepaald oordeel.

Delibereren: Overleggen of overwegen.

Eerstepersoons autoriteit/perspectief: Jijzelf, je kijkt vanuit je eigen ervaringen en belevingen. (Subjectief)

Derdepersoons autoriteit/perspectief: Het hij of zij perspectief. Dit staat buiten jezelf. Je kijkt naar wat hetzelfde betekent, niet perse het ‘ik’ van jezelf.(Objectief)

 

Je gebruikt de eerstepersoons autoriteit om te delibereren (Wat je vindt)

 

Kritiek op de introspectietheorie: Introspectie kijkt passief naar ons bewustzijn maar Moran doet dit actief als een autonoom denkend wezen.

 

Kritiek op de interpretatietheorie: Interpretatietheorie gebruikt de derde persoons autoriteit terwijl Moran de eerstepersoons autoriteit gebruikt.

 

3.7 Impliciete vooroordelen

Victoria McGeer:

Impliciete vooroordelen: onbewust heb je een vooroordeel over bijvoorbeeld vrouwen of donkere mensen. 

 

De deliberatie theorie gebruikt de eerste persoons autoriteit maar dit is gevaarlijk omdat we impliciete vooroordelen hebben. 

 

3.8 Zelfregulatie als alternatief

Victoria McGeer:

Zelfregulatie:Het vermogen om ons gedrag af te stemmen op wat we vinden en omgekeerd.

 

Voor zelfregulatie moet je jezelf van een afstandje kunnen bekijken vanuit een derde persoons perspectief. Door bijvoorbeeld bij de sollicitatiegesprekken van je bedrijf geen foto of naam te gebruiken zodat je jezelf tegenhoudt via zelfregulatie om impliciete vooroordelen te hebben.

 

Primaire tekst Ludwig Wittgenstein: Filosofische onderzoekingen

Pijn is volgens Wittgenstein geen privé aangelegenheid. Je kan niet zomaar een woord koppelen aan iets wat je voelt omdat andere jouw precieze pijn natuurlijk niet kunnen voelen. We mogen de woorden alleen gebruiken in een sociale context. 

 

Primaire tekst Krista Lawlor: Weten wat men wil

Katherine, een jonge vrouw staat aan de wieg van haar zoon en kijkt hoe hij slaapt. ‘ ‘Neem er nog een’ zegt een stemmetje. Was dat een opdracht die van één bepaald deel van haar kwam. Of was het maar een vraag. Op het moment dat ze die woorden hoort, denkt ze dat ze misschien al een afweging heeft gemaakt en dat ze er dus nog een wilt. Ze heeft een impulsief verlangen waarin ze denkt dat ze een tweede kind wilt. Is dit verlangen nou haar echte verlangen of is het maar iets impulsiefs? Weten wat je wilt vergt volgens Lawlor een cognitieve vaardigheid.

 

Cognitieve vaardigheid:Een vaardigheid waarmee je tot kennis komt. (kennis over wat je wilt)

 

 

        

Hoofdstuk 4 Jezelf zijn

4.1 Authenticiteit

Authenticiteit: iets eigens van een persoon, wat bij jezelf hoort.

 

4.2 Rousseau over zelfliefde en eigenliefde

Rousseau:

De natuurtoestand van Rousseau: Mensen zijn van nature goed en de samenleving maakt ons slecht. Er is eerst amour de soi, dan pitié en als laatste amour propre. 

 

Amour soi: Zelfliefde.

Pitié: Medelijden met anderen.

Amour propre: Jezelf vergelijken met anderen.

 

Hobbes:

De mens is egoïstisch en alleen maar uit op zelfbelang (Homo homini lupus est) De samenleving zorgt ervoor dat mensen goed worden.

 

Volgens Rousseau maakt Hobbes een denkfout bij de beschrijving van de natuurtoestand. Hobbes negeert de invloed van de samenleving die ons tot concurrerende egoïsten maakt.

 

4.3 Marx over vervreemding

Karl Marx:

Vervreemding van het product voor de arbeider:

  1. Door kapitalisme raakt de arbeider vervreemdt van zijn eigen arbeid door massaproductie, automatisering en arbeidsspecialisatie.
  2. Door kapitalisme raakt de arbeider vervreemdt van zichzelf door de weinig vrije uren en geen voldoening aan een product waardoor je je een radertje voelt in het geheel.
  3. Door kapitalisme raakt de arbeider vervreemdt van anderen door de weinig vrije uren. De arbeider kan daardoor weinig tijd met anderen doorbrengen.

 

“Van ieder naar zijn vermogen, aan ieder naar zijn behoeftes”: Mensen met meer moeten dingen weggeven tot waar ze het kwijt kunnen. Dit is ook afhankelijk van de behoeftes van de mensen met minder.

 

Deze uitspraak zorgt voor een totalitaire samenleving omdat alleen die uitspraak er toe doet en geen enkel andere.

 

 

4.4 Sartre over radicale zelfbepaling

Sartre:

Sartre geeft kritiek op Rousseau en Hobbes: Er is geen vaste menselijke natuur. Jij hebt zelf de keuze wie je bent.

 

Er ligt niets vast. Je maakt jezelf door de keuzes die je maakt. Als je deze verantwoordelijkheid van je afschuift ben je ter kwader trouw.

 

4.5 Taylor over sterke evaluaties

Taylor:

Een authentieke keuzes is niet een radicale keuzes omdat de sociale omgeving een invloed heeft op onze keuze. Deze invloed maakt het juist mogelijk om authentiek te zijn.

 

Zwakke evaluatie: Keuze op basis van een voorkeur. (Bijvoorbeeld een frietje bij het zwembad)

Sterke evaluatie: Keuze op basis van voorkeur en welke keuze belangrijker is. (Bijvoorbeeld wel of geen hoofddoek dragen)

 

Sterke evaluaties leiden uiteindelijk tot een regressie omdat je altijd nieuwe argumenten kunt blijven bedenken.

 

4.6 Hoe bepalen we wie we willen zijn?

Hoe Frankfurt, Rousseau en Taylor het regressie probleem oplossen:

Frankfurt: Authentiek leven is leven voor die dingen waar we het meest van houden. Dit vinden we in ons zelf. Onze keuzes worden gemaakt tegen de achtergrond van waar we het meest om geven. Het is gebaseerd op liefdes en niet op reflectie. (Zoals bij Taylor.)

 

Rousseau: De regressie stopt uiteindelijk omdat we na lange argumentaties uitkomen bij de gegeven innerlijke menselijke natuur.

 

Taylor: Door zelfreflectie weet je je authentieke zelf te vinden en stopt de regressie.

 

4.7 Korsgaard over praktische identiteit

Christine Korsgaard: 

Het gaat om meer autonomie (Mogelijkheid om op basis van je eigen redenen te handelen) dan om authenticiteit. Hier moeten we onze praktische identiteit voor gebruiken.

 

Praktische identiteit: Beschrijven van jezelf waaruit blijkt wat je waardevol vindt en wat je leven betekenis geeft.

 

 

Primaire tekst Karl Marx: Parijse manuscripten Karl Marx:

De relatie tussen de arbeider en zijn object/product:

  1. Arbeids object: Om arbeid te verkrijgen
  2. Middelen van bestaan te verkrijgen

 

Het product van de arbeid is voor de arbeider geen doel meer op zich maar alleen om het inkomen van zijn levensonderhoud te voorzien.

 

De relatie tussen de arbeider en de producerende activiteit zelf:

Het arbeiden wordt zelf niet als ‘eigen’ ervaren en is de arbeider alleen nog maar met zichzelf en zijn vrije tijd bezig. Het arbeid blijft slechts als middel bestaat en niet meer als doel op zich.

 

Primaire tekst charles Taylor: De ethiek van authenticiteit Charles Taylor:

Hij verwijst veel naar Rousseau. Rousseau stelt het probleem van  de moraliteit vaak voor als kwestie van het volgen naar een stem van de natuur die in ons klinkt. Die stem heeft vaak moeite om gehoord te worden boven onze hartstochten omdat wij afhankelijk zijn van andere. De belangrijkste hartstocht is de amour propre of trots. We moeten opnieuw leren luisteren naar onze stem. Dit noemt hij : le sentiment de l’existence. Je moet je eigen vrijheid benutten. (negatieve en positieve vrijheid) Trouw zijn aan jezelf maakt wie je bent, luisteren naar jezelf maakt wie je bent. Dit is moreel significant.

 

Johan Gottfried Herder: 

Elk van ons is op een unieke manier mens. mensen moeten trouw zijn aan zichzelf en een voorbeeld kan je alleen vinden in jezelf. De manier waarop ik mezelf ben is moreel belangrijk omdat iedereen op zijn eigen manier mens is en die manier moet plaatsen in de manieren van anderen.

 

          

Hoofdstuk 5 Jezelf Bepalen

5.1 Autonomie

Autonomie: Jezelf de wet opleggen.  

 

Voorbeeld: jongen die 17 is en gelovig en zwaar gewond is en vind dat hij dan dood moet gaan als hij via zijn geloof kijkt. Er komt hierdoor een rechtszaak waarin de rechter moet bepalen of de jongen mag bepalen of niet. 

 

5.2 Klassiek liberalisme

5.2.1 Autonomie als negatieve vrijheid Isaiah Berlin:

Negatieve vrijheid: vrij zijn van ….. (belemmeringen) /mogelijkheid om jezelf te bepalen.

Positieve vrijheid: Vrij zijn om te …. (doen wat je wilt) /De afwezigheid van externe dwang.

 

Voorbeeld: Meisje is verslaafd aan roken.

Klassiek liberalisme: Eigen keuze, heeft de overheid niks mee te maken.

Sociale liberalisten: Eigen keuze maar de overheid moet wel de mogelijkheid bieden om ervan af te komen zoals medicijnen en kennis aan te bieden.

 

John Stuart Mill:

Volgens Mill kan de overheid niet bepalen wat het beste voor ons is, dat moeten we zelf doen. Paternalisme is alleen toegestaan:

  1. Wanneer met behulp van deze maatregelen voorkomen kan worden dat een persoon iemand anders schaadt (Schadebeginsel). (Je mag doen wat je wilt met een mes, zolang je het maar niet in iemands rug steekt.)
  2. Wanneer het gaat om maatregelen die gericht zijn op mensen die (nog) niet in staat zijn om zelf autonome beslissingen te nemen. (Kinderen, of psychiatrische aandoening)

 

Paternalisme: Maatregelen die door de overheid worden opgelegd.

 

5.2.2 De rol van de overheid Klassiek liberalen:

Zij verdedigen het idee van een nachtwakersstaat. Ze willen een veilige omgeving creëren zodat mensen vrij zijn om hun eigen leven in te richten

 

Nachtwakersstaat: Minimale staat die als doel heeft om de negatieve vrijheden te garanderen.

 

Sociaal-liberalen:

ZIj verdedigen het idee van een verzorgingsstaat.

 

Verzorgingsstaat: Ze willen niet alleen de veiligheid van de burger garanderen maar ook positieve vrijheid van de burgers vergroten zodat mensen kunnen worden wie ze willen zijn.

 

Kritiek van de klassiek liberalen op de verzorgingsstaat: De klassiek liberalen zijn ervan overtuigt dat het vergroten van de positieve vrijheid in het begin erg goed lijkt maar dat het uiteindelijk gaat leiden tot ongewenste overheidsbemoeienis. Het is volgens de klassiek liberalen beter als de overheid zich beperkt tot het garanderen van bepaalde negatieve vrijheden en de rest overlaat aan de burgers zelf.

 

5.2.3 Het klassiek-liberale mensbeeld Klassiek-liberalen:

Gebaseerd op twee belangrijke vooronderstellingen:

  1. Mensen weten zelf het beste wat ze willen en wat hun voorkeuren zijn
  2. Mensen zijn daadwerkelijk in staat om te handelen op basis van hun redenen en voorkeuren op het moment dat de overheid hen zo veel mogelijk vrijlaat. 

 

5.3 Nudgepaternalisme

5.3.1 De invloed van de omgeving

Nudge: Duwtje geven in de juiste richting

 

5.3.2 Nudge paternalisme

Richard Thaler en Cass Sunstein:

Nudgepaternalisme: De overheid geeft de burgers kleine duwtjes in de richting van​      keuzes die ze eigenlijk zouden willen maken.

 

Bijvoorbeeld: Het bevorderen van gezonder eten door de indeling van de kantine te veranderen waardoor het gezonde voorin ligt en het ongezonde achterin.

 

Het nudge paternalisme hoeft niet strijdig te zijn met het klassiek liberalisme zolang de overheid zich alleen maar beperkt tot kleine duwtjes en niet jouw beslissingen voor jou gaat nemen. Nudge Paternalisme is juist goed voor de autonomie, want je bent eerder in staat die keuze te maken die je echt wilt.

 

 

 

 

 

 

5.3.3 Nudges als beperking van autonomie

Nudge paternalisme kan wel in strijd komen te staan voor het maken van eigen keuzes:

  1. Het kan ertoe leiden dat jij zelf niet meer, of minder, de mogelijkheid hebt om te bepalen hoe je wil omgaan met de keuzes die bepaald worden door je omgeving.
  2. Nudges kunnen geen rekening houden met alle burgers. Elke burger heeft een ander levensplan en een Nudge kan ze niet allemaal respecteren.
  3. Er is geen neutrale keuze omgeving waardoor het automatisch leidt op mensen helpen de keuzes te maken die ze echt willen, de beste optie is. Dit kan door bijvoorbeeld genoeg informatie te geven en dat de burgers op basis van die informatie een keuze kunnen maken.

 

5.3.4 Aangepaste voorkeuren

Aangepaste voorkeuren: Voorkeuren waarvan we zelf oprecht geloven dat het onze eigen voorkeuren zijn, maar die zijn vaak onbewust aangepast door onze sociale omgeving.

 

Aangepaste voorkeuren beïnvloedt de gevolgen voor de mogelijkheid om zelf te kiezen. Door aangepaste voorkeuren kunnen we er misschien nooit achter komen of we kiezen door het leven dat we leiden omdat we het zelf willen of omdat we geen toegang hebben op een andere manier van leven.

 

5.4 Relationele autonomie Axel Honneth:

De erkenningstheorie:

De erkenningstheorie is rationeel omdat iemands autonomie afhankelijk is van zijn/haar relaties met anderen.

 

We zijn pas autonoom wanneer anderen ons erkennen (respect hebben voor ons als individu of voor de groep waartoe we behoren).

3 vormen  van erkenning: liefde, respect en sociale waardering/solidariteit. (Noodzakelijk voor ontwikkeling zelfvertrouwen, zelfrespect en zelfwaardering en daarmee voor de ontwikkeling van autonomie)

 

Liefde: krijg je van familie en vrienden en zorgt ervoor dat je je prettig voelt en zelfvertrouwen hebt om in gesprek te gaan met anderen/mening te geven.  

 

Respect: iedereen is gelijk voor de wet (juridische relatie). Voor respect moet je worden erkent als een rechtspersoon met dezelfde rechten/plichten/morele status als ieder ander. Gebrek aan respect hadden de vrouwen in 1922, toen ze niet mochten stemmen, dan heb je geen zelfrespect. (Niet als individu)

Sociale waardering/solidariteit: je identiteit wordt als waardevol gezien vanuit de gemeenschap. Wanneer mensen op je neerkijken omdat je het werk als bv.

schoonmaakster doet, heb je hier een gebrek aan zelfwaardering. 

 

Hieruit blijkt dat het leiden van een autonoom leven veel meer inhoudt dan wat door het klassiek liberalisme wordt beweerd, namelijk dat mensen zo veel mogelijk met rust gelaten dienen te worden. Honneth stelt dat we pas werkelijk autonoom zijn op het moment dat aan alle drie de vormen van erkenning is voldoen.  Zelfvertrouwen, zelfrespect en zelfwaardering moeten dus worden gezien als mogelijkheidsvoorwaarde om een autonoom leven te kunnen leiden.

 

Voorbeeld:

 

5.5 Besluit Interne autonomie:

Externe autonomie:

 

Primaire tekst John Stuart Mill: over vrijheid

 

Primaire tekst Caterione Mackenzie: Relationele autonomie, normatieve​    autoriteit en perfectionisme Mackenzie:

 

Mackenzie’s opvatting over menselijkheid:

Mevrouw B zit aan de machines en kan alleen bewegen met haar hoofd. Ze vindt haar leven niet langer zinvol en wilt sterven. De artsen luisteren niet naar haar verzoek en willen de machines niet uitzetten. Ze gaat naar de rechter om ervoor te zorgen dat de machines uitgeschakeld worden.

 

Hier is mackenzie het mee eens. De rechter sprak haar vonnis uit op basis van epistemische bescheidenheid. Volgens de rechter is de ervaring onherleidbaar subjectief en kan je dus nooit weten hoe iemand anders een situatie ervaart. 

 

Epistemische bescheidenheid: Niet te gauw denken te weten wat goed is voor een ander.

 

Mackenzie zegt: Als de de epistemische bescheidenheid van iemand erkent, erken je ook de menselijkheid van die persoon. Toch is deze erkenning niet goed genoeg normatieve autoriteit. Mensen weten niet altijd wat goed is voor hun. Denk bijvoorbeeld aan mensen met depressie. Of omdat er sprake is van ambivalentie omdat er dan geen stabiele kijk is op de situatie.

 

Ambivalentie: Twee verschillende gedachtes over hetzelfde onderwerp.

Normatieve autoriteit: Het vermogen om te bepalen wat goed is voor jezelf.

 

Mevrouw B heeft juist wel normatieve autoriteit want ze is rationeel en emotioneel stabiel, ze heeft zichzelf goed geïnformeerd en ze is op geen enkele manier gedwongen.

 

Mackenzie en Mevrouw B lossen de situatie beiden hetzelfde op:

  1. Je gaat op reflectieve wijze kijken naar jezelf.
  2. Je gaat je praktische​          ​ identiteit beschrijven van jezelf waaruit blijkt wat je waardevol vindt en wat je leven betekenis geeft.
  3. Deze praktische identiteit ga je bekrachtigen. Je laat zien dat de keuze die je maakt echt datgene is wat je wilt.

 

Mackenzie’s opvatting over relationele autonomie:

Het voorbeeld van mevrouw H laat ziet dat  reflectieve bekrachtiging (De oplossing bij mevrouw B) niet genoeg is voor autonomie.

Mevrouw H heeft kanker en krijgt daardoor een amputaties en haar haar valt uit. Haar man verlaat haar vanwege de verandering in haar uiterlijk en omdat hij niet voor haar kan zorgen. Mevrouw H wilt overlijden omdat zij haar praktische identiteit laat bepalen door traditionele normen waarbij de vrouw voor de man moet zorgen.

 

Mackenzie accepteert dit niet want ondanks dat Mevrouw H op een reflectieve wijze naar haar praktische identiteit heeft gekeken en deze goed kan bekrachtigen zegt Mackenzie dat Mevrouw H mist wat Honneth belangrijk vindt en is ze dus niet autonoom.

 

Mevrouw H kan haar autonomie vergroten via Honneth’s erkenningstheorie:

Liefde: Mevrouw H kan haar relatie met haar kinderen en familie versterken. Respect en waardering: Een omgeving maken waarin mevrouw H ziet dat haar leven het moeite waard is.

 

Mackenzie heeft een relationele kijk op autonomie:

Relationeel: Sociale relaties dragen bij aan de autonomie.

Je kan alleen autonomie hebben of sterker maken door je sociale relaties te versterken. Je kan dit alleen doen via zelfvertrouwen, zelfrespect en zelfwaardering (Hierbij kijkt ze erg naar Honneth).

 

Mevrouw H kan dus door: Zelfrespect: Jezelf gelijken zie aan elk ander,

Zelfvertrouwen: De relaties met haar kinderen en familie versterken en een mening durven te geven en Zelfwaardering: Een omgeving scheppen waarin je jezelf als waardevol zit als bijvoorbeeld moeder, autonomer worden.         

Hoofdstuk 6 Zelfverbetering

6.1 De onbepaaldheid van de mens.

Zelfverbetering: Het verbeteren van jezelf en/of je omgeving.

 

Met de toenemende mogelijkheden om de grenzen van de mens op te rekken, moeten we ook steeds meer nadruk leggen op de fundamentele filosofische vragen wie wij zijn en wie zijn willen zijn.

 

6.2 De dubbelzinnige houding van de mens ten opzichte van techniek Het woord techniek wordt op twee verschillende wijze gebruikt:

  1. Als concreet materieel product (als een ding): Dit behoort niet tot de natuur maar is door de mens uitgevonden en ontworpen.
  2. Kunst/kunde om iets te maken (Van een stok een speer maken) techniek die je toe kunt passen

 

Men heeft ten opzicht van deze techniek een dubbelzinnige houding:

We gebruiken technieken om ons eigen leven te vergemakkelijken. Toch kunnen wij ons moeilijk voorstellen hoe deze nieuwe technieken ons leven zullen beïnvloeden in te toekomst. Hierdoor ontstaat er angst ten opzichte van nieuwe technieken. (Bijv, robots nemen de wereld over)

 

6.3 Hebben lichaam en geest duidelijke grenzen

De grenzen tussen het menselijke lichaam/ de menselijke geest en techniek.

 

Lichaam: We hebben gemiddeld genomen een goed beeld van ons lichaam, toch is het in sommige gevallen moeilijk om dit beeld helemaal te zien.

  • Het experiment met de rubberen hand. Hierbij neem je de rubberen hand op in jouw lichaam en voel je het kwastje over de rubberen hand gaan alsof het jouw eigen hand is.
  • Techniek is dus niet iets wat buiten ons lichaam afspeelt maar een integraal onderdeel van ons lichamelijke identiteit (Een wandelstok voor een blinde is alsof hij een verlengde arm heeft.)

Conclusie: hiermee kunnen we zeggen dat dit soort techniek onderdeel is geworden van ons lichaam. 

 

Geest:

lark en Chalmers: 

Uitgebreide-geest hypothese: De grenzen van de menselijke geest worden niet bepaald door de hersenen net zoals ons lichaam niet wordt bepaald door onze biologische ledematen. Ze laten dit zien via een gedachte-experiment:

Inga en Otto gaan naar een tentoonstelling. Inga herinnert zich waar de tentoonstelling is en wandelt erheen. Otto met alzheimer kan dit niet. Hij heeft daarom een notitieboekje bij. Hierin staat waar de tentoonstelling is en hij loopt erheen. De notitieboekje heeft dezelfde functie voor Otto als het geheugen voor Inga. Dit noemen ze het gelijkheidsprincipe. Het geheugen is een cognitief proces van Inga en het notitieboekje een cognitief proces van Otto. (en dus van zijn geest)

 

Conclusie: Techniek is een intrinsiek onderdeel van wie wij zijn, zowel ons lichaam als onze geest. Techniek is constitutief voor wie wij zijn.

 

6.4 mensverbeteringstechnieken.

6.4.1 Deep brain stimulation

Deep brain stimulation: Een techniek waarbij elektrodes in de hersenen worden geplaatst. Deze elektrodes geven elektrische signalen af waarmee bepaalde hersengebieden kunnen worden gestimuleerd. DBS wordt voornamelijk gebruikt om de ziekte parkinson of depressies/psychische stoornissen te behandelen. Het kan ook bijwerkingen hebben die de identiteit van een patiënt raken: Toon krijgt voor zijn parkinson DBS. Hierdoor kan hij alles zelf weer en wordt een totaal nieuwe Toon. De ‘oude’ Toon was rustig en bleef binnen en de ‘nieuwe’ Toon is sociaal en gaat uit etc. De artsen staan nu voor een dilemma. Moet het besluit om te stoppen of door te gaan genomen worden door de ‘oude’ Toon of door de ‘nieuwe’ Toon?

  • Locke: Als we Lockes psychologische criterium van persoonlijke identiteit toepassen is hij ondanks de behandeling dezelfde persoon gebleven. Hij weet nog steeds wat voor persoon hij was voor de behandeling.
  • Hier zijn de artsen het niet mee eens omdat de ‘nieuwe’ Toon geen autonome beslissingen kan nemen en kan niet redelijk nadenken over de gevolgen van zijn handelingen. 
  • Toon voelt zich juist meer dan ooit zichzelf. DBS lijkt dus de authenticiteit van Toon te vergroten.

 

6.4.2 Prestatiebevorderende middelen

Drie redenen waarom bepaalde middelen (doping) verboden zijn:

  1. Het is schadelijk voor de gezondheid.
  2. Het is prestatiebevorderend. Of iets prestatiebevorderend is, is afhankelijk van wat we als een ‘normale’ prestatie zien. Een normale prestatie wordt gelijkgesteld aan de prestatie van een gezond mens zonder hulpmiddelen. Maar is een fiets bij het wielrennen dan ook niet een prestatiebevorderend middel? Iemand die zonder een fiets de berg op rent is sneller dan iemand met een fiets.
  3. Het gebruiken van middelen geeft andere een ongelijke kans terwijl iedereen gelijke kansen heeft als iedereen alleen een fiets gebruikt.

 

Mechanische doping: Een motortje zetten in de fiets

Fysieke doping: Epo slikken om meer rode bloedcellen aan te maken.

 

Prestaties op basis van mechanische doping worden minder authentiek gevonden dan prestaties op basis van fysieke doping maar als je de fiets niet alleen als hulpmiddel maar als onderdeel van wat iemand tot wielrenner maakt ziet, dan is het niet langer een mechanische doping maar een fysieke doping.

 

6.4.3 Ritalin

Ritalin: Een middeltje voor mensen met ADHD om ze beter te laten concentreren maar is verboden zonder recept.

Is het gebruik van Ritalin niet prestatiebevorderend? Als je door het slikken van Ritalin betere studieresultaten kunt behalen, wat is daar dan precies op tegen.

 

Er is nu een spanning tussen het genezen en het verbeteren van mensen, en tussen het verdiende en het onverdiende resultaat.

 

Een belangrijk element dat moet worden meegewogen in de beoordeling van nieuwe technieken zoals ritalin en DBS is wat we u eigenlijk weten over de gevolgen van het gebruik ervan en de risico’s. Ook moeten we een onderscheid maken tussen het beoogde effect van een bepaalde techniek en de bijwerkingen die deze heeft. Wat de discussie zo ingewikkeld maakt is dat de bijwerkingen soms als zeer wenselijk worden gezien. 

 

Hoe moet de overheid nu handelen?

Klassiek liberaal: Eventuele bemoeienissen van de overheid mogen alleen gericht zijn op mensen die (nog) niet in staat zijn om zelf autonome beslissingen te nemen zoals jonge kinderen maar in alle andere gevallen moet de burger zelfstandig kunnen kiezen voor het gebruik van nieuwe middelen en technieken. Hij moet dan wel goed geïnformeerd zijn over de gevolgen en de risico’s die het gebruik van deze middelen en technieken met zich meebrengt.

 

Sociaal liberaal: Het vrijgeven van een bepaalde techniek heeft belangrijke maatschappelijke gevolgen. Als je ritalin aan iedereen verkoopt wordt het heel duur een kan een bepaalde bevolkingsgroep dit middel niet veroorloven met als gevolg dat het slecht toegankelijk is voor een welgestelde minderheid. DIt leidt tot grote sociale ongelijkheid. Ook zal de social druk toenemen om Ritalin. Als iedereen het doet, ga jij het zelf ook doen.

 

6.4.4 Designerbaby’s

Voorbeeld: De eicellen van Marie worden geïnsemineerd met de zaadcellen van

Antonio. Ze kunnen zelf de genetische eigenschappen van hun toekomstige kind bepalen. Het kind met de gewenste eigenschappen wordt teruggeplaatst. Dit kan later ook in de toekomst. (We kunnen nu al het downsyndroom screenen.)

Antonio. Ze kunnen zelf de genetische eigenschappen van hun toekomstige kind bepalen. Het kind met de gewenste eigenschappen wordt teruggeplaatst. Dit kan later ook in de toekomst. (We kunnen nu al het downsyndroom screenen.)

 

Julian Savulescu: 

Mensen hebben niet alleen de mogelijkheid, maar zelfs de morele plicht hebben om kinderen te creëren die optimaal zijn toegerust om een goed leven te krijgen. Hij doet dit via een gedachte-experiment:

 

Er is een epidemie met een zeldzaam virus dat ervoor zorgt dat kinderen worden geboren met ernstige afwijkingen. Er is een medicijn ontwikkeld tegen dit virus maar het zal nog enkele maanden duren voordat de epidemie volledig onder controle is. Nu is er een kind dat graag een kind zou willen krijgen. Als ze direct een kind wekken dan is de kans groot dat het gebreken heeft, terwijl als ze een paar maanden wachten, ze een gezond kind krijgen. Volgens Savulescu moet het stel even geduld hebben zodat het kind gezond geboren wordt een een goed leven kan leiden.

 

Toch moeten we mensen niet dwingen om een kind te kiezen dat de grootste kans heeft op een goed leven. Het is namelijk essentieel dat mensen in onze samenleving de vrijheid hebben om zelf keuzes te maken over de kinderen die ze krijgen: Principe van voortplantings autonomie. Toch is het moeilijk te bepalen wanneer een kind de meeste kans heeft op een zo goed mogelijk leven. (bvb een doof kind heeft juist een betere kans in een dove gemeenschap in plaats van een gezond kind.)

 

De vraag naar wenselijkheid van mensverbeteringstechnieken is afhankelijk van de vraag wat we onder een ‘goed leven’ verstaan. Een ‘goed leven’ staat ook vast aan de maatschappij in waar het kind opgroeit.

 

6.4.5 Self-tracking

Nieuwe technologische ontwikkelingen roepen niet alleen vragen op over autonomie en het goede leven maar ook over zelfkennis. Mensen kunnen hun hartslag en bloeddruk etc meten. Dit wordt self-tracking genoemd.

 

Quantified Self-beweging: Self-tracking is mogelijk om nieuwe informatie over onszelf te verzamelen en hiervan te leren.

 

Primaire tekst Allan Buchanan over Menselijke natuur en zelfverbetering

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Olaf

Olaf

Deze samenvatting is echt heel goed ?

10 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast

enhpad

enhpad

OMG thanks a lot.

1 jaar geleden

Antwoorden

cenna

cenna

hey, is deze sv goed of niet? Last minute aan het strijden voor mijn ce lol

1 jaar geleden

gast

gast