5.1 Wat moet ik doen?
VRIJHEID
Vrijheid is hét onderwerp van de ethiek. Mensen die niet enkel slaaf zijn van hun driften, of willoos overgeleverd zijn aan de omstandigheden, die niet koste wat het kost vasthouden aan aangeleerde gewoontes, aan vastgeroeste overtuigingen, en onwrikbare principes. Mensen die de moed hebben om over hun handelen na te denken, principes ter discussie durven stellen, beseffen dat ze hun eigen keuzes kúnnen maken en ze ook willen maken -> mensen die besef hebben van hun vrijheid.

MOREEL DILEMMA
Dilemma: twee- of veelsprong, je moét kiezen, maar aan alle mogelijkheden zitten nadelen.
Morele dilemma’s, die de ethicus onderzoekt, hebben steeds te maken met de vraag; wat is de ‘juiste’ keuze? Antwoord hangt af van vragen als; ‘waar hecht je aan?’, ‘wat is echt belangrijk?’ en ‘hoe wil je leven?’.

WAARDEN, NORMEN EN GEDRAG
Waarden abstract (richting aan je handelen, wijzen op zaken waar je aan hecht, die je in je leven wil meemaken) -> normen concreet (gedragsegels in bepaalde situaties als je de achterliggende waarde werkelijk tot de jouwe wilt maken). Écht concreet wordt een waarde pas als je je vervolgens de daaruit afgeleide norm gedraagt. Komt uiteindelijk aan op je gedrag/handelen.
Aan waarden hecht je je; je wilt ze waarmaken of verwezenlijken.
Aan normen houd je je (of niet); je volgt ze en verwacht dat ook anderen ze volgen.

DEUGD
Doen waar je zin in hebt heeft soms negatieve gevolgen en kan je duur komen te staan. Een positieve reden om aan waarden te hechten en je aan normen te houden, vinden we in onze eigen behoeften aan lof en waardering van anderen. Van iemand die handelt zoals we vinden dat je zou moeten handelen, kun je zeggen dat hij of zij deugt. Een deugd is een goede karaktereigenschap die blijkt uit de manier waarop we ons gedragen. We koesteren ideeën over wie we willen zijn. In die ideeën heb je een positieve reden om je aan bepaalde normen te houden.

PAPLEPELNORMEN
Op slimme wijze word je van jongs af aan gedrild om je aan het geleerde te houden. Opvoeding, sociale omgeving, school, vrienden, tijd en cultuur brengen je allerlei normen bij die grotendeels tot gewoonte worden -> automatisch. Zo zijn je morele handelingen in hoge mate voorgeprogrammeerd door invloeden die je tot nog toe hebt ondergaan. Ze vertellen je in allerlei situaties wat je moet doen, hoe je moet handelen, als je niet continu in conflict wilt raken met je omgeving of als een zonderling, een rare, of een asociaal door het leven wilt gaan. Door met waarden en normen van een bepaalde groep vertrouwd te zijn, ben je lid van die groep. Je hoort erbij.

GEEN PASKLARE ANTWOORDEN
Moraal: stelsel van normen die binnen een bepaalde groep feitelijk gelden.
Ethiek: beschrijft feitelijke normenstelsels, bestudeert en verheldert de normen, waarden, begrippen, mensenopvattingen e.d., die in deze stelsels een rol spelen en beoordeelt in hoeverre zo’n gegeven normenstelsel te rechtvaardigen valt.
Ethici proberen onder meer criteria (maatstaven) te ontwikkelen die je bij de beoordeling van normen kunt hanteren. Ze verschaffen je inzicht in de vooronderstellingen en de uitgangspunten van je keuzes. Inzicht betekent dat je weet waarom je deze keuze maakt en geen andere, waarom je de norm die je volgt beter acht dan een andere. Ethici onderling zelden eens -> criteria verzonnen ter beoordeling van normen en gedrag, die soms lijnrecht tegenover elkaar staan.

VRIJ ÉN VERANTWOORDELIJK OF … EEN IMBECIEL?
Nadenken over richtlijnen voor je handelen geeft (ook) zekerheid dat je niet zomaar handelt, dat je weet wat je doet en waarom. Inzicht vergroot je vrijheid. Hoe groter je vrijheid, des te groter ook je verantwoordelijkheid voor wat je doet. Fernando Savater: de enige plicht die we in dit leven hebben, is de plicht geen imbeciel te zijn. Imbeciel: iemand die een ‘geestelijke stok’ nodig heeft om op te steunen. Hij zoekt houvast buiten zichzelf en maakt niet of onvoldoende gebruik van zijn vrijheid en verstand.

5 soorten imbecielen:

  1. Verveelden: mensen die niets willen. Alles is ze om het even.
  2. Besluitlozen: mensen die alles tegelijk willen en niet kunnen kiezen.
  3. Conformisten (volgelingen): mensen die niet weten wat ze willen en ook niet de moeite nemen om daarachter te komen. Volgen de meute of juiste degenen die zich daartegen verzetten.
  4. Half-slachtigen/slappelingen: mensen die weten wat ze willen en waarom, maar het niet doen. Stellen almaar uit en doen zo steeds iets anders dan ze eigenlijk willen.
  5. Koppigen: mensen die vastberaden en met alle geweld iets willen, maar een verkeerde kijk op de werkelijkheid hebben. Doen steeds het verkeerde omdat ze dat voor het goede houden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.2 Ethische posities 1
Criterium
/maatstaf stelt je in staat twee of meer alternatieven tegen elkaar af te wegen en te bepalen welke de beste is volgens de maatstaf die je hanteert. Omvat een of ander antwoord op ‘wat is goed?’. Zodra een ethicus een antwoord probeert te geven, begeeft hij zich op het terrein van de normatieve ethiek. Een precieze verantwoording van zo’n antwoord: (normatief-) ethische theorie. Normatieve ethiek: ethici discussiëren over de voors en tegens van de diverse theorieën en nemen, afhankelijk van de maatstaf die ze verkiezen en de uitgangspunten die ze daarbij verdedigen, een bepaalde ethische positie in. Je ethische positie zit verscholen in het antwoord op de vraag ‘wat is goed?’. Zij bestaat uit een aantal uitgangspunten, een manier van denken en een maatstaf die je hanteert op het moment dat je handelingen goedkeurt of afwijst. Filosofen werken de ideeën en opvattingen die mensen over ethische posities hebben verder uit. Meeste posities makkelijk herkennen in ideeën over morele kwesties die mensen uitwisselen. Filosofen kijken er kritisch naar en doordenken de consequenties van de positie die hen het beste lijkt. Telkens wanneer je een morele keuze maakt neem je zo’n positie in. Dergelijke keuzes maak je telkens wanneer je handelt en er waarden in het geding zijn. Je hanteert een maatstaf, al ben je je er niet altijd bewust van. Dan blijven je uitgangspunten verborgen (ethische vooronderstellingen). De positie die je inneemt hoeft niet altijd dezelfde te zijn. Meestal neig je in je handelen méér naar de ene positie dan naar een andere. Morele keuzes: in elke handeling die het gevolg is van een ((on)bewuste) keuze gaat een norm schuil. Wie in zijn gedrag een bepaalde norm volgt, keurt die kennelijk goed en neemt één of andere ethische positie in. In die positie zit het antwoord op ‘waarom doe je dat (zo)?’.

13 ethische posities:

  1. Deugdethicus: stelt deugden centraal en houdt zich minder bezig met normen dan met vragen als ‘hoe moet ik leven?’ en ‘wat is goed leven?’. Onderzoekt de voorwaarden voor het goede leven en denkt na over levenskunst. Het ontwikkelen van goede eigenschappen (deugden) is volgens hem/haar de belangrijkste voorwaarde voor een goed leven.
  2. Egoïst: gaat ervan uit dat alleen eigenbelang telt. Ware egoïst gaat het om het welbegrepen eigenbelang. Een verstandige egoïst moet dus terdege kennis hebben van datgene wat wel en niet in zijn belang is. Als overtuigde egoïst kun je best eens iets voor een ander doen. Op voorwaarde dat je er uiteindelijk zelf voordeel van hebt.
  3. Hedonist: alleen handelingen goed die hem genot of plezier verschaffen. Denkt ook aan genot op de lange termijn.
  4. Altruïst: tegendeel egoïst. Anderen op de eerste plaats.
  5. Utilist: rekenaar, waarvoor gekozen moet worden, is díe handeling de beste, die zoveel mogelijk voordeel oplevert voor zoveel mogelijk mensen.
  6. Intuïtionist: ervan overtuigt dat elk mens een besef van goed en kwaad (morele intuïtie) in zich heeft. Je handelt goed zolang je je intuïtie volgt. Die kan vertroebeld zijn waardoor je fouten maakt, maar dat verandert niets aan het principe.
  7. Gelovige: volgt de moraal, het geheel van wetten en regels die de Heilige Schrift, de rabbijn, de dominee of de imam hem voorschrijft.
  8. Universalist: rechten en plichten waaraan iedereen zich moet houden. Voorbeelden hiervan in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarnaast ben je universalist als je vindt dat een ander, in dezelfde situatie als jij, ook zo zou moeten kunnen handelen al s jij doet. ‘Stel dat iedereen dit zou doen, wat dan?’ -> onmogelijke/onwenselijke situatie -> van handeling afzien.
  9. Relativist: niemand kan over andermans handelingen oordelen, elk mens maakt deel uit van een bepaalde groep of cultuur waarvan hij nooit helemaal afstand kan nemen. Je oordeel is altijd gekleurd door de waarden en normen die je van huist hebt meegekregen.
  10. Legalist: vindt zijn ultieme houvast in het geldende recht, goed -> toegestaan wet, fout -> wet overtreedt.
  11. Existentialist: geen enkele norm valt absoluut te rechtvaardigen,  je bent absoluut vrij in alles wat je doet en dus absoluut verantwoordelijk. Je kunt je nooit ofte nimmer beroepen op of verschuilen achter een gegeven norm. De enige rechtvaardiging die je kunt aanvoeren is dat jij ervoor kiest om zus of zo te handelen. Elke verwijzing naar iets uiten jezelf is slechts een slap excuus.
  12. Pragmatist(/opportunist): elke handeling is goed als hij een bepaald doel dient. Criterium goede handeling: ‘werkt het?’, ‘wat lever het op?’, ‘heeft het effect?’. Pragma is een Grieks woord. Het betekent zoveel als: de dingen waarmee je van doen hebt.
  13. Nihilist: (van het Latijnse ‘nihil’, niets), gelooft in god noch gebod. Al het denken over goed en kwaad is zinloos, we zijn dieren en onze instincten zullen altijd de doorslag geven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.3 De strijd om het goede
5.3.1 Het omstreden stijdtoneel: vrijheid

VRIJHEID OF NOODZAAK?
Voorafgaande paragrafen één uiterst belangrijke ethische vooronderstelling: mensen maken keuzes en voor zover ze dat kunnen zijn ze vrij. Mensen onderscheiden zich doordat hun doen en laten niet enkel het gevolg is van blinde natuurwetten, van krachten, neigingen en instincten. Speciaal voor ons is een ruimte uitgespaard waarop de wetten van oorzaak en gevolg geen vat hebben: onze vrijheid. Kant sprak om die reden van een rijk van de natuur (alle gebeurtenissen noodzakelijk, onderhevig aan het principe van de causaliteit (oorzaak-gevolg)) en een rijk van de vrijheid (heersen de wetten van de rede). De mens staat met één been in het eerste en één in het tweede. Animal rationale: een met rede begiftigd dier, het enige dier dat vrij is. Zijn wij mensen eigenlijk wel zo vrij als we graag menen?

DETERMINISME
Als het aan de determinist ligt moeten we de wensdroom loslaten: de vrijheid waarop we ons voorstaan is niets dan een illusie. Alles wat je doet en denkt zijn stuk voor stuk te verklaren vanuit factoren waarover je geen macht hebt. Je bent niets meer dan een product, je gedrag is niets meer dan een effect van je aangeboren natuur of je aangeleerde (tweede) natuur gecombineerd met de omstandigheden. Een deterministische kijk op menselijk gedrag haalt volgens sommigen de bodem onder ons rechtssysteem vandaan. Gelooft niet in de menselijke vrijheid, daarmee plaats hij zich in feite buiten het terrein van de ethiek, daarom niet in rijtje ethische posities. Je zou het determinisme een marginale ethische theorie kunnen noemen. Want wat betekenen al die ethische begrippen (vrijheid, wil, geweten, schuld), wanneer mensen niet de mogelijkheid hebben om te kiezen? Vrijheid is onontbeerlijk voor ethiek.

ETHIEK SINDS KANT
Waarheid in de discussie over vrijheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden. Waar precies, hoeveel ruimte we hebben en wat we daarmee willen doen, hoe we onze vrijheid willen invullen, wat voor leven we willen leiden binnen de ruimte die we zelf kunnen invullen; dat is de centrale vraag van de ethiek. Dat is echter één benadering.
Andere - sinds Kant gangbare - benadering gaat uit van het antwoord op de elementaire vraag: zijn wij mensen wel zo vrij als we denken? Kans antwoord zit in de definitie van de mens als animal rationale: de rede is onze vrijheid. We verdienen lof en blaam voor wat we doen en laten, doordat we ons al dan niet door de rede laten leiden. Het achterliggende idee is dat er zo’n principe is dat je handelingen kunt rechtvaardigen of veroordelen door ze aan dit principe te toetsen (logische deductie). Het principe geeft een invulling van het goede.

5.3.2 Wat is goed?
Vier soorten ethiek, vier manieren om te antwoorden op ‘wat is goed?’.

1. Toegepaste ethiek
Houd zich bezig met het oplossen van praktische ethische vraagstukken (medische ethiek, rechtspraak). De vraag ‘wat is goed?’ is in deze tak van de ethiek steeds toegespitst op een concreet probleem/veld van problemen.

2. Descriptieve ethiek
Beschrijven (descriptie) van feitelijk geldende normen of normenstelsels (journalisten, sociologen, cultureel antropologen). Gaat niet zozeer om ‘wat is goed?’, maar om wat men goed vindt in die en die tijd of cultuur, in dat land, in die groep enz. Welke normen gelden er? Valt strikt genomen buiten het terrein van de filosofische ethiek, al zal de ethicus wel geregeld gebruikmaken van de beschrijvingen die de descriptieve ethiek biedt.

3. Normatieve ethiek
Filosofische ethiek besstaat in hoofdzaak uit normatieve ethiek, de zoektocht naar (universele) criteria ter beoordeling of ter rechtvaardiging van menselijk handelen. Zoekt naar maatstaven bij het ‘oplossen’ van morele problemen. ‘Wat is goed?’ houdt hier in: zijn er redenen om de ene handeling moreel te verkiezen boven een andere? Criterium waarom de ene daad moreel beter zou zijn dan een andere? Neemt positie in: geeft richtlijnen (vandaar ook de term ‘ethische posities’). Beschrijft niet slechts, maar schrijft ook voor.

4. Meta-ethiek
Verhef je je boven (meta) het stijdtoneel van de feitelijke moraal of de normatieve ethiek en onderzoek je de betekenis van begrippen die in moraal en ethiek een rol spelen (norm, waarde, vrijheid). Onontbeerlijk onderdeel elke filosofische ethiek. De meta-ethische vraag ‘wat is goed?’ onderzoekt niet zozeer wat volgens ons nu en hier goed is (normen, descriptieve ethiek), en evenmin welke criteria we kunnen gebruiken (normatieve ethiek), maar welke betekenissen het begrip ‘goed’ zoal heeft of kan hebben. Je kunt je afvragen of een zuivere, neutrale meta-ethiek mogelijk is. Je moet het vooral zien als en veld van problemen/vragen waar elke ethicus doorheen moet, gedreven als hij is door zijn vraag naar een fundering of rechtvaardiging van de moraal.

Vier soorten ethiek gaat om een verschil in denkniveau: je stuit op een moreel probleem (1) waarvoor een geldende moraal (2) geen bevredigende  oplossing biedt. Je wilt het probleem oplossen en vraagt je af aan welke eisen een goede, rechtvaardige oplossing zou moeten voldoen (3). Gaandeweg kom je erachter dat de begrippen die je hanteert lang niet zo duidelijk zijn als je in het begin dacht (4). Ten slotte keer je terug naar het probleem, om te kijken of de verworven inzichten je ook daadwerkelijk verder helpen (1).
De ethicus wordt telkens weer teruggedreven naar eerdere of hogere denkniveaus.  Dat ligt minder aan de ethicus dan aan de aard of complexiteit van ethische kwesties.

PRAKTSICHE FILOSOFIE
Ethiek kan je helpen in situaties beter voorbereid te zijn, de verschillende aspecten ervan sneller te doorzien, de consequenties van je keuzes beter te overzien. Nadenken over de principes van het handelen heeft alleen zin zolang je de praktijk niet uit het oog verliest. De praktijk kun je toetsen aan de principes. Maar de principes moet je ook toetsten aan de praktijk.

 

 

 

 

5.4 De strijdenden: ethische posities 2
5.4.1 Geluk en deugd

HOE MOET IK LEVEN?
Een ethische benadering van het dilemma is: wat is hier de juiste houding? Goed met zijn emoties kunnen omgaan: prijswaardig. Minder waarding opvliegend/kinderachtig gedrag. Dit soort waardeoordelen zeggen iets over wat volgens ons de beste houding is. Typisch onderwerp ethiek in oudheid. Centrale vraag ethiek oudheid: ‘hoe moet ik leven?’. Niet de morele dilemma’s staan centraal, maar de vormgeving eigen leven. Wat mij tot mens maakt is niet van nature gegeven, maar vereist karaktervorming, het aanleren van gewoonten en creativiteit. Mens-zijn vereist opvoeding. Ethiek is levenskunst, een praktische filosofie die richtlijnen voor deze opvoeding aandraagt en verantwoordt.

GELUK EN WIJSHEID
Socrates (469 - 399 v.C.) aartsvader praktische filosofie, volgens sommige bronnen eerste die het menselijk doen en laten in het centrum van de filosofie plaatst en zoekt naar principes van goed leven en samenleven. Hoewel ook Plato (427 - 347 v.C.) zich in navolging van Socrates met ethische vragen inlaat, is het Aristoteles (384 - 322 v.C.) die als eerste de vragen van de ethiek systematisch uitwerkt. Bij deze drie Griekse filosofen begint een ethische traditie die de nadruk legt op onze rationele natuur en die de overtuiging dat we ons doen en laten aan het gezag van de rede moeten onderwerpen. Een verstandig mens doen wat de rede hem ingeeft. De beloning voor verstandigheid is geluk. Plato voerde deze gedachte waarschijnlijk het verst door.

5.4.2 Beteugeling door de rede: Plato

HOMO MENSURA: DE MENS DE MAAT VAN ALLE DINGEN?
Gebiedsuitbreiding en overzeese handelsbetrekkingen brachten de Grieken in aanraking met culturen waarvan de gewoonten, gebruiken en normen nogal afweken van wat men in Griekenland tot dan toe gewend was -> de Griekse opvattingen over hoe men moest leven kwam ter discussie te staan. Sofist Protagoras; “er zijn geen absolute, objectieve maatstaven voor wat goed is: het hangt er maar van af van welke samenleving je lid bent: de mens is de maat van alle dingen (Latijn: Homo mensura): waar is, wat volgens mij waar is, en goed, wat volgens mij goed is.”

EEN ANTWOORD OP HET RELATIVISME
Socrates: sommige overtuigingen over goed en slecht zijn objectief juist of objectief onjuist. We moeten alleen uitvinden welke dat zijn. Plato volgt Socrates in deze zoektocht.

DE IDEALE STAAT VOOR HET GOEDE LEVEN
Op het vlak van het handelen zijn volgens Plato duidelijke criteria nodig. Objectieve maatstaven voor wat goed is en rechtvaardig, evenals criteria voor waarheid, formuleert hij aan de hand van de leer van de ideeën. Stabiele politieke orde kan volgens hem niet democratisch zijn. Hoe een ideale politieke orde er wel uitziet, schetst hij in de politeia. Rechtvaardige staat moet worden georganiseerd als een standenmaatschappij, leiding moet toekomen aan degenen met het meeste inzicht.

 

 

Plaats

Naam

Personen

Deugd

1

Heersers

Filosofen

Wijsheid

2

Wachters

Soldaten

Moed

3

Werkers

Boeren en ambachtslieden

Matigheid (zelfbeheersing)


Wanneer deze deugden in optimaal evenwicht, ontstaat vanzelf vierde en belangrijkste: rechtvaardigheid. Plato’s voorstelling ideale staat spiegelt zijn opvatting van de ziel die ook uit drie delen bestaat.

DE VIER KARDIANALE DEUGDEN: WIJSHEID, MATIGHEID, DAPPERHEID EN GERECHTIGHEID
Beteugeling van de begeerte door de rede leidt tot matigheid en beheerst gedrag (zelfbeheersing). Het intomen van de begeerten kost de rede de nodige moeite en innerlijke strijd.
Rede     -> Slecht: begeerte
                -> Goed: daadkracht, emotie
Verleiding is groot om je onbekommerd aan je wensen, impulsen en verlangens over te geven (verslaving, gebrek aan zelfbeheersing). Het slechte ‘paard’ heeft de rede in zijn macht.
Het goede ‘paard’ heeft ook leiding nodig, want emoties kunnen al te heftig worden en daadkracht kan doorslaan naar roekeloosheid of overmoed. De rede beteugelt de daadkracht en begeerte, zodat we ons beheersen en onze daadkracht in dappere en weloverwogen daden blijkt.
Wijsheid/verstandigheid is de deugd van de verstandige geest, die zich laat leiden door inzicht in wat werkelijk goed is voor de ziel. Dom is degene die verblind door begeerte zwicht voor al het begeerte dat zijn pad kruist. Extreme domheid is volgens Plato zeldzaam. Hij verbindt wijsheid en verstandigheid aan het hoofd, moed en dapperheid aan het hart en matigheid en zelfbeheersing aan de buik.

De staat als spiegel van de ziel
Hoogste doel bereikt ziel die weet te leven volgens deze drie deugden samen. Evenwichtigheid + beheersing van strevingen = gezonde, gelukkige persoonlijkheid. Wijs + dapper + matig en deze in evenwicht = hoogste deugd; rechtvaardigheid. Evenwicht in persoonlijke leven bewaakt door de rede, het evenwicht in de staat door de leiders-filosofen. Plato: evenwichtige staat = rechtvaardige staat. In ideale staat krijgt en doet eenieder het zijne, datgene waarvoor hij van nature het meest geschikt is. Als hij bovendien zijn wensen en verlangens op een verstandige manier bevredigt, is hij gelukkig.

Phronèsis
De phronèsis staat onmiskenbaar in het teken van de Ideeënleer, en wordt gekenmerkt door het inzicht in de Idee van het Goede, voor Plato het hoogste van alle Ideeën. De geest omvat het vermogen te redeneren en te rekenen (het verstand), oorzaak en gevolg, weg en doel te overzien. Het belangrijkste is in te zien wat werkelijk belangrijk is in dit leven, waar het echt op aankomt. Vervolgens kan het verstand beredeneren hoe dat belangrijke en waardvolle het best kan worden bevorderd of bereikt. Het verstand is dus een soort instrument van de geest, dat ten goede wordt gebruikt zolang de geest zich door inzicht laat leiden. Maar de geest kan ook worden verblind door begeerte, zodat het verstand in dienst komt te staan van de begeerte. Maar de waarlijk verstandige mens (in de zin van phronèsis) gebruikt zijn verstand om het goede te doen, en ziet in dat dat hem uiteindelijk het meeste geluk brengt. Alleen de verstandigheid in deze zin is een deugd. Gedachte die Plato waarschijnlijk van leermeester Socrates heeft overgenomen; slechtheid is het gevolg van een tekort, een gebrek aan inzicht.
Waar rechtvaardigheid heerst heeft de rede overwonnen. De vier deugden gaan steeds gepaard  met inzicht, en het vermogen daartoe is de rede. Vanwege de rol die Plato aan de rede toekomt, noemt men hem een rationalist.

De Idee van het Goede
Zoals in heel Plato’s filosofie is ook zijn ethiek eros, het streven naar de Ideeën, de sleutel. Ethische volmaaktheid is alleen te vinden in de Ideeën. Het is de absolute maatstaf, die we in de realiteit nooit in zuivere vorm kunnen aantreffen. Deze maatstaf waaraan we altijd weer het goede van al deze dingen afmeten is kennelijk iets blijvends, iets wat onveranderlijk is en eeuwig. Die Idee van het Goede is het ultieme goede waarvan alle goede dingen hooguit een afspiegeling zijn. Niets van wat in onze werkelijkheid goed genoemd wordt kan tippen aan dit volmaakt Goede, want het is alleen aan de hand van deze Idee dat het Goede dat we iets als goed kunnen herkennen. Door de eros gedreven mens kan ernaar streven en zal trachten dit goede in zijn leven te realiseren. Hij heeft de goede gezindheid. Kennis van het Goede is daartoe noodzakelijk en voldoende: want wie weet wat goed is, zal het goede doen, al zal het nooit net zo perfect kunnen zijn als de Idee van het Goede zelf.

Het hoogste Goed
Van alle dingen waaraan je hecht een waarnaar je streeft kun je je steeds vragen: waarom? Waarom het goede doen?

Het intrinsieke goede
Meestal noemen we iets goed, omdat het goed is voor iets anders. Er komt een punt, zegt Plato, waarop het antwoord op de vraag “waarom goed?” niet meer naar iets anders verwijst, maar simpelweg luidt: “nou, gewoon, omdat dat goed is”. Blijkbaar is er dan dus een ‘goed’ dat je kunt nastreven, verlangen, wensen, uitsluitend omwille van zichzelf. Ethici noemen dat wat goed is omwille van zichzelf het intrinsiek goede. Dat is voor Plato kennelijk een boven alles gelegen, absoluut Idee.

Teleologie
Voor Plato is de Idee van het Goede veel meer dan alleen een morele categorie. De meest waarschijnlijke verklaring is de teleologische. Menselijke handelingen worden alleen begrijpelijk in het licht van het doel. In de teleologische denkwijze zoals die voor Plato en Aristoteles gewoon was, heeft alles een doel. Gegeven deze denkwijze kun je de Idee van het Goede begrijpen als het sluitstuk: het uiteindelijke doel van alles.
Plato laat Socrates zeggen dat het Goede het einddoel is van al het handelen, datgene omwille waarvan alles uiteindelijk wordt gedaan. Het Goede wordt zo een ordeningsprincipe voor het hele leven, zowel van het individu als van de samenleving als geheel. Alles en iedereen moet daarop gericht zijn en de orde van alles daarop ingericht. Om deze gerichtheid op het goede te realiseren, moet natuurlijk datgene de leiding hebben dat er inzicht in heeft. Het vermogen tot dat inzicht is de rede. In een goed georganiseerde samenleving komt de macht toe aan de filosofen, aan hen die leven in de aanschouwing van het Goede.

Opvoeding
Het antwoord van Socrates en Plato op het relativisme van de sofisten is dus dat slechtheid voortvloeit uit onwetendheid. Niemand doet expres het verkeerde, men weet gewoon niet beter. Plato: opvoeding onder verantwoordelijkheid staat. In ideale staat zorgt de overheid ervoor dat de individuen worden opgevoed tot volwaardige burgers, die hun taken vervullen overeenkomstig hun natuurlijke aanleg en hun plaats in een van de drie standen van de staat. Tijdens zijn ontwikkeling wordt elk individu aan allerlei testen onderworpen om te zien voor welke taken hij het  meest geschikt is en hoe het met zijn zielsvermogens is gesteld.
1. Diegenen die alle drie de deugden in een harmonisch evenwicht weten te ontwikkelen: leider(s).
2. Zelfbeheersing + moed: soldaten
3. Ten minste een dosis zelfbeheersing: boeren en ambachtsmensen.
Het uiteindelijke doel van het menselijk handelen is gelegen in het welzijn van de staat als geheel.

5.4.3 Aristoteles’ levenskunst
Geen absolute maatstaf
Overeenkomst Plato en Aristoteles: geluk en deugd sleutelbegrippen. Verschillen: belang dat Aristoteles hecht aan concrete handelingen en onze beoordeling daarvan. Voor Plato is geen enkele handeling die wij ‘goed’ of ‘rechtvaardig’ vinden de perfecte belichaming van het ideaal, de Idee van het Goede, de Idee van Rechtvaardigheid. Elke concrete handeling is immers getekend door de plaats, tijd en bijzondere context waarin hij plaatsvindt en kent dus zijn beperkingen. Voor Aristoteles is het juist die praktijk, concrete handelingen en concrete personen waaraan we een voorbeeld kunnen nemen voor het goede leven. Er is geen maatstaf.

Concrete voorbeelden
We bezien en beoordelen aan de hand van bepaalde ideeën en opvattingen die we hebben over goed leven. Die opvattingen blijken in de lof en waardering die we hebben voor bepaalde houdingen en bepaald gedrag en voor personen die in onze ogen voorbeeldig zijn. Blijkbaar vinden we het belangrijk hoe anderen ons beoordelen; dat ze waardering/bewondering voor ons hebben. En ook om waardering te hebben voor onszelf. Houdingen en bijbehorende gedrag, die onze goedkeuring verdienen is wat Aristoteles areté noemt (deugd, voortreffelijkheid). Het is de beoefening van deze deugden of voortreffelijkheden die ons gelukkig maakt.

Doelethiek
Aristoteles begint zijn ethica met de constatering dat elk mens in al zijn activiteiten een bepaald doel nastreeft. Net als Plato neemt Aristoteles aan dat voor eenieder het uiteindelijke doel gelegen is in een goed leven. Geluk is het uiteindelijke doel van al onze handelingen. Het is dat wat ons beweegt, datgene omwille waarvan we ons voor iets inspannen. Omdat het goede wordt verbonden met geluk als einddoel, is Aristoteles’ ethiek een teleologische ethiek of doelethiek.

Een goed leven, een goed mens
Als we weten wat de voorwaarden zijn voor goed en gelukkig leven en samenleven, dan kunnen we onze staatvormen daarop inrichtingen. Ook bij Aristoteles is de ethiek hecht verweven met de sociale filosofie. Mensen zijn sociale dieren en het goede leven voor een mens, een goed menselijk leven is alleen te bereiken binnen de staat. Een goede stadstaat schept de voorwaarden voor een goed menselijk leven en moet zodanig georganiseerd zijn dat zij goede mensen maakt van haar burgers. Een goed leven hebben en een goed mens zijn zijn voor Aristoteles eigenlijk één en hetzelfde.

Geluk subjectief?
De taak van de ethiek is zijns inziens niets anders dan een kritisch onderzoek van onze eigen waardeoordelen. Er valt wel degelijk iets objectiefs te zeggen over wat geluk is.

Wat is geluk?
Aristoteles: een goed mens zou diegene moeten zijn, die datgene waartoe een mens bij uitstek is aangelegd optimaal verwezenlijkt. Hier raakt de ethiek direct de antropologie; want wat houdt mens-zijn precies in?
De enige functie waarin mensen uniek zijn, daarover waren de oude Grieken het wel eens, is die van de rede. De eigen functie van de mens zou dus moeten gelegen zijn in activiteiten waarin denken een rol speelt. Die mens is goed die uitblinkt in activiteiten waartoe hij als mens in het bijzonder aanleg heeft: namelijk activiteiten die gebruikmaken van de rede.

Morele activiteiten veronderstellen keuze
Het goede leven is gelegen in activiteiten waarbij denken nodig is. De vraag is vervolgens welke activiteiten hier in aanmerking komen. Het praktische (morele) handelen is een geschikte kandidaat, want hier speelt het denken onmiskenbaar een belangrijke rol. Onze morele activiteiten veronderstellen immers dat we redeneren en ten slotte voor een bepaalde handeling/houding kiezen. Wie bewust kiest overweegt verschillende mogelijkheden. De keuze die je in het praktische handelen maakt moet twee vragen beantwoorden:
1. Wat is het doel?
2. Wat zijn de beste middelen om dit doel te bereiken?
Aristoteles gelooft, in tegenstelling tot Plato, niet in een absoluut criterium. De maatstaf die de verstandige mens hanteert is geen universeel principe, geen vaste algemene regel. Zijn praktische wijsheid is geen theoretische kennis van een Idee, maar een combinatie van ervaring, zijn waarneming van concrete gevallen, zijn creativiteit en intuïtie. Hij kiest wat in zijn ogen het beste is. In feite is die verstandige mens zelf zijn richtlijn. Vandaar dat hij voor anderen een voorbeeld kan zijn. Aristoteles geeft een nauwkeurige beschrijving van de voortreffelijke eigenschappen die zo’n goed en verstandig mens kenmerken.

Deugd is een houding & het juiste midden
De deugden waarin een goed mens zich onderscheidt, bestaan in bepaalde houdingen: manieren waarop we ons tot onze emoties (begeerte, woede, angst; alle gewaarwordingen die gepaard gaan met genot of pijn) verhouden. De emoties overkomen ons, die kunnen we niet kiezen. De houding die we tegenover emoties aannemen impliceert wel een bewuste keuze (volgens Aristoteles). Een goed mens maakt hier de juiste keuze. Geen strikte regel welke keuze juist is, maar wel een richtlijn. Hiervoor grijpt hij terug op zijn antwoord op de vraag waarin een goed menselijk leven bestaat. “Elke voortreffelijkheid brengt datgene waarvan zij de voortreffelijkheid is in een goede toestand en doet het ook zijn functie goed uitvoeren. Als dat nu in alle gevallen zo is zal de voortreffelijkheid van de mens eveneens bestaan in een toestand die de mens goed maakt en die hm zijn eigen functie goed doet uitvoeren.” De specifieke aard van deze voortreffelijkheid bestaat in de houdingen die we aannemen tegenover onze emoties. De juiste houding is die, die een verstandig mens aanneemt. Hij houdt het juiste midden. “Bepaalde gevoelens op het juiste ogenblik ervaren, om de juiste reden, tegenover de juiste persoon, met de juiste bedoeling en op de juiste manier, dat is tegelijk het midden en het beste, en dat is precies wat voortreffelijkheid kenmerkt. Op dezelfde manier kan men ook bij handelingen een teveel, een tekort en het midden onderscheiden.”
Sommige houdingen zijn altijd slecht (leedvermaak, schaamteloosheid, afgunst, overspel, diefstal, moord).

 

Tekort

Midden

Teveel

laf

dapper

roekeloos

ongevoelig

matig

onmatig

gierig

vrijgevig

verkwistend

nederig

fier

verwaand

gelaten

bedaard

opvliegend

vals-bescheiden

oprecht

opschepperig

lomp

geestig

platte grappenmaker

nors

vriendelijk

overvriendelijk/vleierig

schaamteloos

terughoudend

verlegen

leedvermaak

terecht verontwaardigd

afgunstig


Sommige voorbeelden zijn sterk cultuur- en tijdgebonden, zoals schaamte. Dapperheid en matigheid, twee kardinale deugden, krijgen de meeste aandacht.

Phronèsis
“Het is een hele opgave in iedere omstandigheid het midden te vinden.” Gelukkig wordt een kleine afwijking van het midden niet gauw bekritiseerd, maar vooral het extreme. Om daar zover mogelijk vandaan te blijven is zelfkennis van belang. Je moet weten tot welke extreme karakterhouding je het meest geneigd bent en jezelf trachten in tegengestelde richting te dwingen -> kans groot dat je ergens tussen de twee uitersten komt, wellicht zelfs het midden. Als je er echt niet uitkomt, raadt Aristoteles aan om iemand beter en wijzer dan jezelf om raad te vragen. Het midden is die houding die een verstandig mens, iemand die zich onderscheidt in praktische wijsheid (phronèsis) in dit concrete geval zou aannemen. Aristoteles: de gekozen houding en het gekozen gedragen moeten functioneel zijn ten opzichte van het doel. Er zijn dus geen algemene regels voor verstandige houdingen en verstandig handelen; elke situatie is anders en vereist een eigen specifieke reactie. Algemene regels zijn veel te star tegenover de contingentie van het leven dat voortdurend, onder telkens wisselende omstandigheden, om keuzes vraagt. Een verstandig mens is in staat om met die contingentie op flexibele, creatieve wijze om te gaan. Zijn praktische wijsheid bestaat vooral uit een rijke ervaring en een scherpe intuïtie.

Het doel en de middelen
Ervaring zal helpen de juiste beslissingen te nemen. Het doel van het handelen wordt over het algemeen bepaald door de situatie van het ogenblik.

Oefening baart kunst
Aristoteles’ opvatting van geluk en deugd betekent dat geluk niet iets is wat ons al of niet in de schoot wordt geworpen. Door karakterdeugden te kenschetsen als voorwaarden voor geluk krijgen we er meer invloed op. Deugden kunnen we immers oefenen. Dat is bemoedigend, maar vergroot ook weer onze verantwoordelijkheid. Aristoteles keert zich tegen de Socratische opvatting dat slechtheid het gevolg is van onwetendheid, van gebrek aan inzicht. Aristoteles meent dat de wisselingen van het lot een gelukkig mens niet wezenlijk treffen, omdat zijn geluk is gelegen in activiteiten die hij onder alle omstandigheden zo veel mogelijk zal blijven beoefenen. In de uitoefening van met name de karakterdeugden, vindt hij een stabiliteit en een zekere continuïteit van zijn geluk, ook als de omstandigheden veranderen.

Opvoeding, training, gewoontevorming
Deugden moeten dus worden geoefend.
- Verstandelijke deugd: ontstaat en groeit voornamelijk door onderricht; daarom heeft zij ervaring en tijd nodig.
- Zedelijke deugd: ontstaat uit de zede. Geen enkele zedelijke deugd ontstaat in ons van nature. Niets immers van hetgeen van nature is, kan door gewenning worden gewijzigd. De deugden ontstaan niet van nature noch tegen de natuur in; maar van nature hebben we wel de geschiktheid ze te ontvangen, doch eerst door gewoonte worden ze tot voltooiing gebracht.
Ware deugd bestaat niet in het volgen van een regel, maar regels kunnen wel helpen deugden te oefenen. Regels zijn nuttig om diegenen te helpen die de praktische wijsheid nog missen, bijv. kinderen. Kinderen hebben ook goede voorbeelden nodig om goede mensen te worden.

Ethiek voor jonge mensen?
Jongen mensen missen, volgens Aristoteles, de levenservaring die nodig is voor ethische reflectie en volgen nog te veel hun emoties. Ethisch vorming was vooral van belang voor de bestuurders en wetgevers van de staat; van belang te weten hoe de menselijke ziel in elkaar zit, hoe men een goed karakter ontwikkelt en wat rechtvaardig is. Op basis daarvan kunnen ze wetten maken en handhaven die het geluk van de burgers bevorderen. Ethiek -> politieke filosofie.

Emoties
Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (1947) heeft gewezen op de positieve betekenis die emoties in Aristoteles’ ethiek hebben. Ze onderschrijft zijn opvatting dat het doel van het menselijk leven optimaal menselijk leven is, maar voegt uitdrukkelijk onze kwetsbaarheid aan toe. Optimaal menselijk leven is een leven dat kwetsbaar is, want verbonden met anderen die ons dierbaar zijn. Want emoties vertellen mij dat iets in de werkelijkheid belangrijk is voor mijn welzijn en geluk. In mijn emoties erken ik mijn kwetsbaarheid en afhankelijkheid van anderen. Emoties vormen, zo leert ze ons, een belangrijke bron van informatie over wie wij zijn en wat belangrijk is voor de condition humaine. Emoties zijn intelligente oordelen over zaken die we waardevol achten, en kunnen als zodanig een belangrijke rol spelen in de ethiek en de rechtspraak; we moeten eerst een onderscheid maken tussen de verschillende emoties, en vervolgens kijken in welke gevallen die emoties redelijk zijn (gegronde woede -> doodslag ipv moord).
Stoïcijns:
van de Stoa: een filosofische school die in de late Oudheid (vanaf ca. 300 v.C.) veel invloed heeft gehad, verdedigt een opvatting van geluk die ontkenning van de emoties vereist omwille van de eudaimonia: emoties belemmeren dat we ‘gedijen’, het zijn stoorzenders op de weg naar levensgeluk. Je verliest de controle, het vermogen tot zelfbepaling (autonomie) want iets anders in je neemt de teugels in handen. Daarom moet je niet hechten aan externe zaken zodat het verlies ervan je niet kan raken.

Onze emoties wijzen ons op een kwetsbaarheid en behoeftigheid die we niet kunnen uitvlakken zonder onze menselijkheid uit te vlakken. De rationalistische tendens in de ethiek neigt tot een totale uitbanning van de emoties als stoorzenders, waar we ons met onze geest/rede tegen moeten verzetten. Benadrukt door Nussbaum; emoties zijn niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk. Aristoteles onderkent dat en acht emoties juist van waarde: de totale onderdrukking van bijv. boosheid noemt hij zelfs een slechte eigenschap.
Nussbaum; emoties zijn belangrijk omdat ze bepaalde waarden bevestigen die wezenlijk zijn voor een gelukkig, menselijk leven. We moeten ons afvragen hoe we emoties in ons leven kunnen integreren zonder er totaal aan overgeleverd te zijn. Aristoteles; er moeten situaties worden gecreëerd waarin de emotionele spanning zich kan ontladen, zonder dat deze ontlading het evenwicht van de persoon volledig ondermijnt. Hij erkent dat er zich gebeurtenissen kunnen voordoen in een mensenleven waarvan zelfs de meest uitgebalanceerde persoon niet terug heeft. Alleen de tijd kan dan eventueel voor herstel zorgen. Totale controle is een ‘onmenselijk’ en ‘onwenselijk’ streven.

5.4.4 (Immanuel) Kant (1724 - 1804) of de universalisten
Het geloof in de vrijheid
Vrijheid, zegt hij, is geen gegeven iets, geen feit dat je al dan niet kunt aantonen. Vrijheid is niet meer dan een idee. We moeten geloven in de vrijheid,  want doen we dat niet, dan kunnen we alles wat van dit geloof afhangt, heel het beeld dat we van onszelf hebben als redelijk denkende wezens net zo goed overboord gooien. Zonder het geloof in de vrijheid hebben niet alleen ethische overwegingen geen enkele zin: wie zijn vrijheid ontkent, ontkent zijn menselijkheid.

Het motief
Je kunt kiezen of je iets doet of laat en je handelen is niet louter het effect van factoren waarover je geen macht hebt. Als we vrij zijn te kiezen, hebben we een principe nodig dat we kunnen toepassen als we voor een morele keuze staan: hij bedacht een test om de morele waarde van een handeling te bepalen. Doorstaat je handeling die test, dan is hij moreel in orde. Anders zit je fout wanneer je de handeling toch uitvoert. Wat een handeling goed maakt is volgens hem niet gelegen in de handeling zelf of het resultaat, maar uitsluitend in het motief (de reden, de wil, beweegreden; de overwegingen die aan de handeling voorafgaan). De redelijkheid - die bij alle mensen wordt verondersteld - is het fundament van Kants ethiek.

De goede wil
Het motief is de oorzaak van je handeling voor zover deze een zaak is van je wil en niet van een (‘onwillekeurige’) gebeurtenis die je overkomt. Je wil is je vermogen om iets teweeg te brengen, een plan ten uitvoer te brengen, een idee of wens om te zetten in werkelijkheid. Er zijn geen objectieve morele oordelen over handelingen mogelijk; je kunt immers de wil niet aan de handeling aflezen. Mijn wil, de motieven waarvan ik me wél bewust ben, daarover kan ik oordelen met behulp van de generalisatietest.

De generalisatietest: kan iedereen hetzelfde willen?

  1. Bepaal de maxime (regel) van de handeling.
    Bv. Je moet altijd zorgen dat je op je klanten betrouwbaar overkomt.
  2. Veralgemeniseer de maxime tot een algemene wet.
    Bv. Elke verkoper heeft de plicht op anderen eerlijk over te komen.
  3. Vraag je af of je redelijkerwijs (zonder met jezelf in tegenspraak te raken) kunt willen dat deze wet wordt ingevoerd.
    Bv. Je moet toegeven dat dit op zijn minst een nogal wonderlijke wet zou zijn. Ten eerste hangt de indruk die je op een ander maakt maar ten dele van jezelf af. Bovendien: is het niet veel belangrijker dat een verkoper eerlijk IS? Dat ik door de goede indruk wordt misleid, kan ik redelijkerwijs niet willen.
  4. Conclusie; kan wel/niet willen dat de maxime een wet wordt en moet dus dit motief accepteren/afwijzen.
    Bv. Ik kan niet willen dat de maxime een wet wordt en moet dus dit motief (eerlijk zijn om betrouwbaar over te komen) afwijzen.

De categorische imperatief
Kant formuleert de generalisatietest ook wel in de vorm van een morele wet:
- Handel zó, dat je kunt willen dat de maxime van je handeling een algemene wet wordt.
-> Noemt Kant categorische (onvoorwaardelijke, onder alle omstandigheden) imperatief (gebod, verplicht je iets te doen).
- Behandel anderen zoals jij zelf behandeld wilt worden.
- Behandel mensen nooit louter als middel, maar altijd ook als doel.

De hypothetische imperatief
Als er voorwaarden (als..., dan…; als je arm bent mag je een brood stelen) worden binnengehaald is er gen sprake van toepassing van de categorische imperatief. Deze behelst immers een onvoorwaardelijk gebod -> een gebod dat dus zonder uitzondering, onder alle omstandigheden, in alle gevallen geldt.
Een hypothetische imperatief stelt dat een bepaalde handeling noodzakelijk als middel om een bepaald doel te bereiken. Bv. je moet brood stelen (middel) om je honger te stillen (doel). Dus: stel dat je honger hebt (hypothese), dan ben je verplicht te stelen (imperatief). Die verplichting heb je echter alleen als er inderdaad geen ander middel is en als het doel intrinsiek goed is.

Geen leugentje om bestwil?
De goede wil is dus een wil die op redelijke gronden geboden acht een plicht te gehoorzamen, ongeacht de gevolgen. Kant lijkt het toonbeeld van redelijkheid: consequent redeneren, geen uitzonderingen, handelingen die tegenspraken impliceren afwijzen. Maar is een dergelijke benadering wel zo redelijk? Is hier niet veeleer spraken van een al te kille logica?
We lopen altijd het risico dat onze handelingen verkeerd uitpakken -> aldus Kant beter om consequent de categorische imperatief te volgen, dan verantwoordelijkheid te moeten dragen voor handelingen waarvan we de gevolgen verkeerd hebben ingeschat. Waarachtigheid, het spreken van de waarheid, is een onvoorwaardelijke plicht, die geen uitzondering verdraagt: je dient altijd de waarheid te preken, ongeacht de gevolgen.

Het toppunt van vrijheid: handel uit plicht
Goed is die wil, die niet met zichzelf in tegenspraak raakt: goed is die handeling, die deze wil onvoorwaardelijk volgt. Jij bent, als redelijk wezen, verplicht zelf de morele wet te volgen. Wie deze plicht niet aanvaardt is onredelijk. Wie de wet schendt zit moreel fout. Vrijheid is het vermogen tot zelfbepaling. En het toppunt van vrijheid is het vermogen te handelen uit plicht; volgens een wet die je door jezelf (je rede) en niet door de natuur worden opgelegd. Dat is autonomie (de vrijheid om je eigen wetten te volgen) in ultieme zin. Vanwege deze opvatting van vrijheid wordt Kants ethiek een plichtethiek of deontolgosiche ethiek genoemd.


 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.