Hoofdstuk 3: Kennen en weten

3.1 Inleiding

3.1.1 De man die zijn vrouw voor een hoed hield

Het is belangrijk om de wereld te kennen en te herkennen, dit is zo vanzelfsprekend dat we er geen acht op slaan. Pas als er afwijkingen komen, gaat het opvallen. Als iemand een pak melk koopt vinden we dit normaal, maar als iemand vergeet wat een pak melk is schrikken we. Wat zouden we moeten in deze wereld als we niet over dat vermogen van kennen en herkennen zouden beschikken? De herkenning van een vertrouwd onderwerp of persoon (inclusief jezelf) is een ingewikkeld proces, de beschrijving van de wijze waarop dit verloopt is een van de taken waarmee filosofie zich bezighoudt. Er zijn verschillende wetenschappen (psychologie, biologie, neurowetenschappen) die zich met deze taak of met delen van deze taak bezig houden.

Kunnen kennen (anders dan kunnen herkennen) is een basisvermogen, geen mens kan zonder dit vermogen naar behoren functioneren. Aristoteles schreef ooit: alle mensen streven van nature naar kennis. Sommigen meer dan anderen, zou je kunnen zeggen, maar voor iedereen is een zekere mate van kennis onontbeerlijk. We maken onderscheid tussen vriend en vijand, tussen eetbaar en oneetbaar. We moeten gevaren kunnen herkennen en de signalen die ons voor gevaren waarschuwen. Ook verloopt bijvoorbeeld je sociale leven beter als je op de hoogte bent van een aantal sociale codes, verkeersregels en van je rechten en plichten als burger. Kennis is voor de homo sapiens van levensbelang.

Andere namen voor kenleer/kennisleer zijn kentheorie en epistemologie.

3.1.2 Wat is kennis?

De Griekse filosoof Plato schreef een dialoog over wat kennis inhoudt. Theaetetus en Socrates voeren het gesprek, Theaetetus is een veelbelovende jongeman. Theaetetus wordt door zijn meester Theodorus uitbundig geprezen en Socrates daagt de jonge leerling uit de lof van zijn meester waar te maken. Hij mag Socrates uitleggen wat datgene is waar hij zo in uitblinkt: kennis. Socrates gaat vragen stellen en helpt zo Theaetetus het antwoord te ‘baren’ dat hij ergens in zich heeft. Theaetetus eerste antwoord is dat kennis iets is waardoor waarneming wordt verkregen: kennis is waarneming, een zaak van de zintuigen. Deze stelling wordt verworpen, net als de stelling ‘kennis is inzicht en geen zaak van de zintuigen maar van het verstand’ van Theaetetus. De drie heren slagen er niet in het definitieprobleem tot een oplossing te brengen. Aan het einde van het gesprek weten ze hooguit wat kennis niet is.

Deze dialoog heeft, ondanks de afloop, het onderwerp van de kennisleer definitief op de filosofische landkaart gezet, er worden nog steeds veel discussies gevoerd. De kwestie ‘Wat is kennis’ is nog niet opgelost. Er is wel het een en ander gebeurd en het gesprek met Theaetetus is verhelderd.

 

3.3.3 Soorten kennis

De begrippen kunnen, kennen en weten worden vaak op verwarrende wijze gebruikt. De relatie tussen kennen en weten is kennen altijd tot weten leidt. Dit is omgekeerd niet zo: als je alles van iemand weet, heb je kennis van die persoon, maar je kent de persoon nog niet. Iets over iemand weten is iets anders dan iemand kennen. Beiden houden kennis is, maar het gaat hierbij om verschillende soorten kennis. Het eerste onderscheid:

  • Kennis van dingen of personen op basis van een directe bekendheid of vertrouwdheid met deze dingen of personen. Uit de eerste hand, je het iets meegemaakt of ervaren.
  • Kennis van feiten omtrent deze dingen of personen, al dan niet op basis van directe bekendheid of vertrouwdheid. Kennis van waarheden, weten is nooit uit de eerste hand.

Feitenkennis is onderscheidbaar van bekendheid: de eerste soort van kennis is overdraagbaar, de laatste niet. Bekendheid gaat samen met kennis van feiten omtrent het bekende, al kan die kennis minimaal zijn, omgekeerd is voor weten directe betrokkenheid niet nodig, je kan kennis hebben van feiten zonder met het desbetreffende ding direct bekend te zijn. Kennis is overdraagbaar, bekendheid niet. Een ander soort kennis is kennis in de zin van vaardigheid of kundigheid, deze vorm speelt in de kenleer nauwelijks een rol. Het verschil tussen kennen en weten, tussen kennis van dingen en kennis van feiten speelt wel een rol.

Je meent dus kennis te hebben van personen, dingen en geiten, ook al is de aard van deze kennis erg verschillend. Je hebt waarnemingen, herinneringen, gedachten en dus voorstellingen waarin dingen en personen zich aan je voordoen, dat is zeker. Maar wie zegt dat je niet droomt, fantaseert, of hallucineert? Hoe weet ik dat ik me niet in de feiten vergis?

Veel kennis is zo vanzelfsprekend dat het niet de moeite waard is om te vermelden. Het is vaak kennis die niet in ons opkomt om uitdrukkelijk te benoemen, iemand er over te informeren of iemand er van te verzekeren. Veel van onze kennis zie je terug in onze handelingen, onze gesprekken, verwachtingen, plannen en nog veel meer. Deze kennis is zo vanzelfsprekend dat ze niet meer opvalt. Als iemand een steek laat vallen, dan pas gaat het opvallen (zoals dat je niet meer weet wat een pak melk is). We houden ons niet bezig met deze kennis, maar met het object of doel van onze activiteiten waarvoor we deze operatieve kennis gebruiken. In de kennisleer worden diezelfde zekerheden en waarheden onderwerp van aandacht, zij het ontdaan van hun vanzelfsprekendheid. Dat wil niet zeggen dat de kennis van het gezonde verstand niks meer waard is, want het is niet de bedoeling van de filosofie om alles waarop we vertrouwen in twijfel te brengen. Alleen de vanzelfsprekendheid van het vertrouwde wordt tussen haakjes gezet door de filosofie.

3.1.4 Weten dat …

Er zijn verschillende soorten kennis, maar de definitie van het begrip zelf hebben we nog niet. Kennis is alles wat men weet, zowel iedereen afzonderlijk als ons allemaal samen? Men suggereert mensen, maar er zijn ook dieren. Dieren kennen andere dingen en feiten, want hun leefomgeving verschilt met die van de mensen. Maar kunnen we de kennis van mensen en dieren over één kam scheren?

Kennis is dus niet alleen een zaak van mensen, maar ook van dieren. Er is wel een verschil tussen de kennis van mensen en dieren: mensen kunnen hun kennis uiten in taal. Ze kunnen dingen benoemen en de feiten omtrent deze dingen beschrijven. Met de kenleer beperken we ons tot de kennis waarover wij mensen beschikken, of menen te beschikken.

De kenleer richt zich ook voornamelijk op de kennis die we eerder de kennis van feiten noemden. Deze kennis wordt uitgedrukt in zogeheten kennisoordelen. Kennisoordelen/cognitieve uitspraken zijn uitspraken die kennis overdragen. Ze verschaffen informatie over een ding, een persoon of een bepaalde stand van zaken. Vaak kun je bij deze zinnen ‘ik weet dat …’ denken. Vaak wordt deze zin echter weggelaten, het is erg vanzelfsprekend. Als je verwoordt wat je weet, is het onnodig om te vermelden dat ik het weet. Er ligt er vooronderstelling in de bewering. Maar wat houdt deze vooronderstelling in? Wat zegt de meestal verzwegen wending ‘ik weet dat …’? Op de plaats van de puntjes vullen we p in. Je kunt voor p een willekeurig cognitief oordeel invullen.

In ‘ik weet dat p’ zitten vijf claims opgesloten. Je maakt op minstens vijf manieren aanspraak op kennis:
1) Het is jou duidelijk wat met p wordt bedoeld (je kent de betekenis van p, of je weet waar p naar verwijst).
2) p is voor jou kenbaar (het valt binnen de grenzen van wat je kan weten).
3) p is waar, de waarheid.
4) Je bent van p overtuigd, je twijfelt niet aan p (zekerheid).
5) Ik heb redenen voor mijn overtuiging, mijn overtuiging is gegrond of gerechtvaardigd (bijvoorbeeld door wetenschappelijk bewijs).

De vijf claims definiëren kennis als juiste en gerechtvaardigde overtuiging. Een enkeling zal de vraag opwerpen of de claims voldoende zijn. Edmund Gettier beschreef in 1963 een aantal tegenvoorbeelden: gevallen waaraan aan de claims wordt voldaan, maar je niet zou zeggen ’S weet dat p’. Veel mensen zoeken naar een manier waarop de claims voldoen, maar deze zijn nog niet gevonden.

3.1.5

Al erg lang wordt er verband gezien tussen de dingen waarvan we kennis hebben, die we kunnen weten, en de bronnen waaruit we kennis putten, de zogeheten cognitieve vermogens. Van je zintuigen verschaft je oog alleen toegang tot de zichtbare werkelijkheid en je oor alleen de gegevens over wat hoorbaar is. Ook zo heeft elke bron van kennis specifieke mogelijkheden.

                                           via zintuigen = uiterlijke waarneming

waarneming

                                           via introspectie = innerlijke waarneming

 

We onderscheiden vijf bronnen van kennis:

  1. Zintuigelijke waarneming;
  2. Herinnering;
  3. Introspectie;
  4. Intuïtie;
  5. Redenering.

De zintuigen vormen het vermogen tot zintuiglijke waarneming, het berstand is het vermogen tot introspectie. De waarde die filosofen aan deze vermogens en bronnen van kennis hebben gehecht, hebben ze over twee kampen verdeeld. De empiristen (via ervaring) aan de ene kant meenden dat alle kennis uiteindelijk teruggaat op ervaring, terwijl de rationalisten (via verstand, rede) aan de andere kant alleen het verstand als bron van kennis erkennen.

 

Leerdoelen 3.1 Inleiding

1. Geef redenen waarom het zinvol is om het thema ‘kennis’ filosofisch te onderzoeken, en geef daarbij concrete voorbeelden.

De mens overleeft door kennis en kennis is voor de homo sapiens van levensbelang. We hebben kennis nodig om te kunnen functioneren: zonder een zekere vertrouwdheid met de complexe wereld waarin we leven, met onszelf, met anderen, is overleven een hachelijke onderneming, zo niet bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Zo moeten we bijvoorbeeld onderscheid maken tussen eetbare en oneetbare dingen, we hebben hier kennis van nodig, omdat we anders onszelf in gevaar brengen.

 

2. Geef een definitie van de discipline kenleer of kennistheorie of epistemologie.

De tak van de filosofie die zich bezighoudt met de menselijke kennis.

 

3. Beargumenteer dat de vraag naar kennis nog altijd een onopgeloste kwestie is. Illustreer je argumentatie eventueel met voorbeelden.

Niemand heeft tot nu toe een goede definitie van het begrip kennis kunnen geven, er is geen omschrijving van het begrip kennis.

 

4. Leg het onderscheid uit tussen de volgende soorten kennis: praktische kennis, vaardigheid (kundigheid), theoretische kennis, kennis van dingen en personen (bekendheid), feitenkennis. Geef bij elke vorm ook een concreet voorbeeld.

  • Praktische kennis: ook wel operatieve kennis genoemd, kennis die zo vanzelfsprekend is dat het niet de moeite is om het te vermelden. Je merkt deze kennis niet op, dat gebeurt pas als iemand steken laat vallen.
  • Vaardigheid:
  • Theoretische kennis:
  • Kennis van dingen en personen: kennis van feiten omtrent deze dingen of personen, al dan niet op basis van directe bekendheid of vertrouwdheid. Kennis van waarheden, weten is nooit uit de eerste hand.
  • Feitenkennis: kennis van feiten ook zonder directe bekendheid met de dingen en personen waar deze feiten naar verwijzen bestaan.

 

5. Formuleer een aantal filosofische vragen over kennis.

  • Wat is kennis?
  • Wat kunnen we eigenlijk weten?
  • Wat betekent ‘weten’?
  • Hoe komt kennis tot stand?
  • Wat is de rol van de verbeelding als we ons iets herinneren?
  • Hangen de vele overtuigingen waaruit onze kennis bestaat met elkaar samen?

     

    6. Leg de relatie uit tussen kennen en weten. Illustreer je uitleg met een concreet voorbeeld.

    De relatie tussen kennen en weten is dat kennen altijd leidt tot weten, omgekeerd is dit niet zo. Voorbeeld: Je kunt veel van iemand weten, zonder hem te kennen.

    Voorbeeld: Als je iemand uit ervaring kent, dan weet je ook een paar waarheden over die persoon.

     

    7. Leg uit waarin de beperking van het thema kennis in de kennistheorie ligt en leg uit waarom deze beperking zinvol is.

    Kennistheorie gaat alleen om de kennis van mensen. Mensen kunnen kennis uiten in taal en deze taal biedt de mogelijkheid om kennis vast te leggen, te bewaren en over te dragen – én om kennis te verzwijgen of te verdraaien. Het zou nog complexer zijn om ook bijvoorbeeld de kennis van dieren er bij te betrekken. Dieren hebben een hele andere soort kennis, want hun leefomgeving verschilt erg van die van mensen.

     

    8. Geef de grondvorm weer van de cognitieve uitspraak of het kennisoordeel.

    Je kan het stukje ‘ik weet dat …’ aan de zin toevoegen.

     

    9. Formuleer de vijf claims op kennis die wordt uitgedrukt in de cognitieve uitspraak en leg elk van deze claims uit. Illustreer je uitleg met concrete voorbeelden.

1) Het is jou duidelijk wat met p wordt bedoeld (je kent de betekenis van p, of je weet waar p naar verwijst).
2) p is voor jou kenbaar (het valt binnen de grenzen van wat je kan weten).
3) p is waar, de waarheid.
4) Je bent van p overtuigd, je twijfelt niet aan p (zekerheid).
5) Ik heb redenen voor mijn overtuiging, mijn overtuiging is gegrond of gerechtvaardigd (bijvoorbeeld door wetenschappelijk bewijs).

 

10. Leg uit welke definitie van het begrip ‘kennis’ uit de vijf claims afgeleid kan worden.

Kennis is een juiste en gerechtvaardigde overtuiging.

 

11. Leg uit wat een Gettier-tegenvoorbeeld inhoudt. Illustreer je uitleg met een concreet voorbeeld.

Gattier gaf een voorbeeld dat wel aan de claims voldeed, maar toch niet waar is. Voorbeeld: Frederik wil weten hoe laat het is en kijkt daarom op de klok, die twaalf uur aanwijst. Omdat de klok twaalf uur aanwijst, gelooft Frederik dat het twaalf uur is. Wat hij echter niet weet, is dat de klok al enkele dagen stilstaat. "Toevalligerwijs" is het echter wel twaalf uur. Dit probleem komt dus vooral ‘toevallig’ voor.

 

12. Leg uit welke twee hoofdsoorten waarnemingen onderscheiden kunnen worden.

Kennis via zintuigen, de uiterlijke waarneming.
Kennis via introspectie, de innerlijke waarneming. (ratio)

 

13. Geef aan welke zes kennisbronnen er te onderscheiden zijn.

  1. Zintuigelijke waarneming;
  2. Herinnering;
  3. Introspectie;
  4. Intuïtie;
  5. Redenering.

 

14. Geef aan welke twee cognitieve vermogens te onderscheiden zijn en leg uit welk vermogen bij het rationalisme enerzijds en het empirisme als basisbron voor ware kennis erkend wordt.

Empirisme: kennis afleiden door ervaring.
Rationalisme: kennis afleiden met je verstand, rede.
Tegenover elkaar staan dus het empirisme (Aristoteles) en het rationalisme (Plato), de filosoof Kant verzoende beiden.

 

 

3.2 Verstandskennis

Een rationalist is iemand die diep wantrouwen koestert tegen de zintuigen, ze misleiden ons vaak en wie ons misleidt kunnen we niet vertrouwen. Rationalisten geven de voorkeur aan de rede/ratio als bron van kennis. Vermoedelijk is Parmenides de eerste rationalist uit de geschiedenis, volgens hem kan wat niet is niet gedacht worden. Denken en zijn liggen in elkaars verlengde, wat niet gedacht kan worden is schijn. Verandering betekent volgens Parmenides dat iets van niet-zijn tot zijn wordt of andersom en daarom is verandering volgens hem schijn. Het zijn is onveranderlijk en één. De veranderlijkheid die de zintuigen ons voorspiegelen is volgens hem ook schijn, oftewel ‘niet-zijn’. Parmenides keert zich hiermee tegen Heraclitus, voor hem was verandering juist het ware zijn. Hij zei ‘panta rhei’, alles stroomt, en dat is precies wat onze zintuigen ons voorschotelen. We weten helaas niks zeker over wat bede Vroeggriekse denkers dachten. Plato probeerde de opvattingen van Parmenides en Heraclitus te verzoenen, want hij deelde Parmenides’ wantrouwen tegen de zintuigen en achtte rede als een betrouwbaardere bron. Plato kan ook tot de rationalisten worden gerekend.

15. Formuleer de kerngedachte van het rationalisme, en geef aan welke wetenschappen voor de rationalisten de ware, meest betrouwbare wetenschappen zijn.

Kennis begint met verstandelijk redeneren. Dat redeneren is de enige weg tot zekere kennis. Men wilt uitsluitend van(logische) grondwaarheiden uitgaan, axioma’s. De kennis is dus uit de eerste hand: a-priori. De primaire bron van het rationalisme is dus de ratio. Het belangrijkste voorbeeld van het rationalisme is de wiskunde. Wiskunde is axiomatisch. Door deductie komt men op basis van deze axioma’s tot zekere kennis. Typerend voor het rationalisme: je bezit en soort basiskennis, dit worden aangeboren begrippen genoemd. Bij de geboorte bezit e dus aal een bepaalde vorm van kennis. Hierbij gaat het rationalisme terug op de anamnesetheorie van Plato. Moderne rationalisten: Descartes, Spinoza en Leipniz.

 

 

3.2.1 hemelse modellen: Plato (ca. 427-347 v. Chr.)

Plato werd ergens in het jaar 428 of 427 voor Christus geboren als zoon van welgestelde ouders. Hij werd in Athene geboren en stierf daar ook 81 jaar later. Zijn erfenis aan lessen en geschriften die hij naliet maakte hem tot de grootste filosoof van de geschiedenis. Hij kreeg de erenaam ‘de goddelijke Plato’, zo ver schopte geen andere filosoof het.

Plato’s leermeester en voorbeeld was Socrates, een eigenzinnige, praatgrage figuur die iedereen aan de tand voelde over de meest uiteenlopende onderwerpen. In 399 voor Christus werd hij veroordeeld tot het drinken van de gifbeker, want hij zou een slechte invloed hebben op de jeugd: hij leerde ze kritisch nadenken en stelde de onwetendheid van vele vooraanstaande lieden aan de kaak. Voor Plato was zijn eerste ontmoeting met Socrates een keerpunt in zijn leven. Naast politiek schreef Plato ook gedichten en hij liet vele geschriften na. Toen hij Socrates had horen spreken, zou hij al zijn gedichten hebben verbrand, want Socrates had het niet zo op dichters.

 

Ook in de teksten die Plato naliet speelt Socrates een belangrijke rol, vooral in de vroege dialogen, vraag- en antwoordgesprekken over een filosofisch onderwerp, heeft Socrates de leiding. Het valt niet na te gaan of alles werkelijk gebeurd is, of dat Plato een deel zelf heeft verzonnen. Van Socrates zelf is geen enkel schrift overgeleverd, maar ook van Plato zullen we nooit zeker weten of alles wel klopt.

 

Plato’s opvattingen over kennis kunnen het best worden besproken in het licht van zijn ideeënleer:

 

Om een meningsverschil te hebben met iemand, moet je het toch over een aantal punten eens zijn (zelfde betekenis van woorden), anders berust het meningsverschil op misverstand of spraakverwarring. Hetzelfde geldt voor alle andere woorden waarvan je de hele dag gebruik maakt: rechtvaardig, aardig, geel, hand, mooi, stoel, mens, enz.

Deze woorden brengen een hoeveelheid aan dingen onder een noemer, alle dingen die je bijvoorbeeld ‘mooi’ noemt hebben iets gemeen: iets waardoor we ze mooi vinden. Of ze missen iets, dan noemen we ze lelijk. We weten ongeveer waar we over praten als we deze begripswoorden gebruiken, maar het is niet duidelijk wat we er precies mee bedoelen. Dit is een filosofische vraag waarmee je het anderen moeilijk kan maken, zoals Socrates vaak deed.

 

Zelfs een begrip als stoel kan vaag blijken, want waarop doel je precies als je het woord stoel gebruikt? Als je deze vraag stelt wil je weten wat er gemeenschappelijk is aan de oneindige hoeveelheid van dingen die ‘stoel’ heten. Wat is het algemene kenmerk in al die particuliere dingen? De uitleg ‘iets waarop je kan zitten’ is bij een stoel dus niet genoeg, want een kapotte stoel noemen we ook nog een stoel. Plato noemde dat gemeenschappelijke of algemene waarop de filosofische vraag ‘Wat is …?’ aanstuurt Idee of Vorm. Zo verwijst het woord stoel naar de idee STOEL en het woord mooi naar de idee SCHOONHEID.

 

16. Leg uit welke de kernvraag van Plato is binnen het thema van de kennis, en illustreer je uitleg met een concreet voorbeeld.

Begripswoorden zijn algemene termen voor tastbare dingen. Binnen een conversatie is het begripswoord vaak voor iedereen duidelijk en vanzelfsprekend. Maar de betekenis is lastiger? Waarom is iets zoals het is? Bij de vraag naar de betekenis van een alledaags woord, moet men volgens Plato zoeken naar een gemeenschappelijk kenmerk in het verschillende. Oftewel het algemene binnen het particuliere. Dit vormt de idee, het origineel. Voorbeeld: Wat maakt een vogel een vogel? à  vleugels/snavel

 

Het antwoord op de filosofische vraag ‘Wat is …’ is dus volgens Plato gelegen in ‘de Idee’. Mensen denken bij het woord idee vaak gelijk aan mentale vooronderstellingen van iets of aan gedachten over iets. De idee voor Plato is wat een eigen objectieve realiteit heeft, onafhankelijk van onze geest. De idee is datgene waardoor begripswoorden (termen voor dingen in de natuur) betekenis hebben, het ene gemeenschappelijke in het vele verschillende of dat wat iets maakt tot wat het is. Maar is een filosoof wel een filosoof als hij niet nu ook doorvraagt: wat zijn deze Ideeën zelf?

 

Als we weer vanaf vooraan beginnen kunnen we weer de vraag stellen ‘hoe kan het dat we in vele verschillende dingen één en hetzelfde ding zien, zonder dat we ditzelfde ooit hebben waargenomen? Hoe kan het dat één enkele algemene term toepasbaar is op zovele particuliere dingen?

Je kan antwoorden dat je dit hebt geleerd, bijvoorbeeld door je ouders, maar toch waren de dingen die anderen aanwezen (bijvoorbeeld vogels) niet altijd hetzelfde. Soms is zelfs taal verschillend.

 

Blijkbaar ben je dus in staat om door die verschillen heen te kijken, en vanaf een bepaald moment datgene wat je ziet, hoort, of met één van je andere zintuigen waarneemt, als dit of dat, als vogel of als rood te herkennen. Dat terwijl je vogels nooit de vogel of de rood hebben aangewezen. Dingen die je waarneemt zijn dus altijd iets anders en ook is veel daarvan zelf voortdurend aan het veranderen (seizoenen, slijtage, lichtinval). Ook jijzelf verandert, je bent nog steeds dezelfde persoon als je in de spiegel kijkt als toen je een peuter was.

 

Alles wat we kunnen waarnemen is telkens anders en vele gelijknamige dingen lijken onderling nauwelijks op elkaar, de verschillen kunnen enorm zijn en toch noemen we het bij dezelfde naam. Hoe zit dat, is er iets waardoor we het steeds bij dezelfde naam kunnen noemen? Iets dat niet mee verandert?

 

Naar aanleiding van deze vragen besluit Plato dat er iets moet zijn waar onze algemene termen naar verwijzen, dat iets noemt hij ‘Idee’ of ‘Vorm’. We weten dus nu van de Idee: dat het het ene is in het vele, het gemeenschappelijke in het verschillende, het gelijkblijvende in het veranderlijke, het onvergankelijke in het tijdelijke, het wezenlijke in het vluchtige. Volgens filosofen ook wel het wezenlijke in het particuliere. Plato gaat nog een stap verder in zijn bepaling van de Idee: de idee BED zegt hij, is datgene wat de tijd trotseert, wat tijdloos en niet aan verandering onderhevig is. Elk bed is door iemand of door een fabriek gemaakt en wordt in gebruik genomen, tot het doorgezakt, oud en versleten op de schroothoop beland. De idee BED, daarentegen, wordt niet gemaakt, zakt niet door, slijt niet, maar blijft wat het was. Hij is niet gemaakt, maar hij moet er altijd al zijn geweest, nog voor het eerste bed was uitgevonden want de Idee is datgene waarvan alle zichtbare en tastbare bedden als het ware variaties zijn. De Idee BED is wat voor al die variaties model staat. Plato noemt het ook wel ‘het bed zelf’.

 

Het vele, verschillende, veranderlijke, vergankelijke, enkel in naam gelijkblijvende, roept blijkbaar één en dezelfde gelijknamige idee op: precies die Idee die we in dit vele herkennen, die we ‘zien’, al zien we met het oog iets anders. Iets herkennen betekent enerzijds dat je het met vele soortgelijke dingen in verband brengt, maar dat doe je anderzijds door het op één en dezelfde Idee te betrekken. ‘Iets als iets’, de eerste ‘iets’ neem je waar met je zintuigen, de tweede niet. De tweede haal je ergens vandaan, of eigenlijk zie je in het eerste het tweede. Je herkent het en kende het dus al. Maar waar je die kennis vandaan hebt is een andere vraag.

 

Je kan de gedachtelijn die we tot nu toe gevolgd hebben doortrekken naar elke ervaring van iets als iets, je kunt steeds vragen wat dit tweede iets op zichzelf is, het algemene dat je met het particuliere dat je waarneemt in verband brengt. Vaak roept dit vermoedens op, maar wie echt wil weten neemt met vermoedens geen genoegen. Zo kunnen we nog een aspect toevoegen aan de Ideeën: ze zijn, volgens Plato, het voorwerp bij uitstek van echte kennis.

 

17. Breng Plato’s kernvraag naar kennis in verband met zijn begrip Idee, en geef daarbij aan wat hij onder de Idee verstaat. Licht je antwoord toe met een concreet voorbeeld.

De Idee is onveranderlijk en niet tijdgebonden. De idee bestond dus al voor de waarneming van een concreet voorbeeld ervan. De idee is het origineel. Als je iets herkent als iets, dan is de 1e ‘iets ’een variant op de 2e ‘iets’, dat is namelijk de idee (volmaakt).

 

18. Geef een aantal centrale kenmerken van de Idee en zet daar de tegen hangende kenmerken van de empirische dingen tegenover.

Centrale kenmerken van de Idee:

- Onveranderlijk;

- Niet tijdgebonden;

- Volmaakt.

 

Het empirisme:

Kennis begint met zintuiglijke waarneming. Deze waarneming is de enige weg tot zekere kennis. Men wilt uitsluitend van empirische gegevens uitgaan die achteraf kunnen worden geordend door het verstand (a posteriori). De primaire bron van het empirisme is dus de empirie.  Het belangrijkste voorbeeld voor het empirisme zijn de natuurwetenschappen. Deze verzamelen eerst empirische gegevens. Vervolgens generaliseren ze die gegevens (inductie). De inductie leidt tot algemene wetten= kennis. Typerend voor het empirisme: door waarneming doet het geheugen ervaring op. Het verstand vormt hieruit de kennis. Bij de geboorte is de ratio een nog onbeschreven blad (tabula rasa). Aristoteles was een belangrijke empirist. Moderne empiristen: Locke, Berkely en Hume.

 

Plato heeft zijn Ideeënleer heel beeldend uiteengezet in een van de beroemdste verhalen uit de geschiedenis van de filosofie: de mythe van de grot.

In een onderaardse ruimte zitten mensen vastgebonden, met hun blik gericht op een rotswand vóór hen en als enige lichtbron een vuur ver achter gen. Ze zien op die wand schaduwen van zichzelf, van elkaar en van dingen die achter hen langs een muurtje tussen de rotswand en het vuur worden gedragen. De schaduwen zijn het enige wat ze kunnen zien, want ze kunnen zich niet bewegen. Een van de gevangenen wordt losgemaakt en moet zich keren, hij moet eerst aan het licht van het vuur wennen en het kost hem grote moeite voordat hij gelooft wat eerst iets was als een schimmenspel. In een volgende fase wordt hij langs een steile opgang naar boven gesleurd, naar de wereld buiten de grot, daar zal hij inzien dat ook de voorwerpen die hun schaduwen wierpen slechts beelden waren van de werkelijke dingen buiten de grot.

 

De mythe van de grot gaat over de menselijke natuur ‘wat ontwikkeling en het uitblijven daarvan betreft’, zoals Socrates aan het begin van het verhaal zou hebben gezegd. In het Grieks heet deze ontwikkeling paideia, van pais = kind. Het kan ook wel worden vertaald als opvoeding, opleiding, vorming, beschaving. Tegenover paideia staat apaideia: onontwikkeldheid of onopgevoedheid. Dat zijn de grotbewoners zolang ze zich niet los kunnen maken, zolang hun enige werkelijkheid bestaat in de schimmen op de want, blijven ze gevangen in de overtuigingen die ze daarop baseren.

 

Wat deze ontwikkeling (paideaia) precies mag inhouden weten we niet, maar zeker is dat het niet gaat om louter kennisoverdracht, niet om toevoeging van nieuwe kennis aan een reeds verworven hoeveelheid weten. De eerste fase in de ontwikkeling, het moment dat de boeien worden losgemaakt en de gevangene moet opstaan en kijkt naar de beelden boven het muurtje, is een complete omschakeling. Hij wordt losgerukt van alles waarmee hij vertrouwd was. Hij moet in elke fase breken met waarmee hij vertrouwd was, maar de breuk in de eerste fase lijkt het grootst. Wat in het verhaal opvalt is dat de bevrijding uit de onwetendheid, ook wel genezing of ontwikkeling genoemd, steeds gepaard gaat met dwang, geweld en pijn. Uit alle macht klampen de gevangenen zich vast aan de vooronderstelling van de werkelijkheid die, volgens de grotmythe, in feite schaduwen van beelden van de werkelijkheid zijn. Tot inzicht komen is een pijnlijk proces.

 

19. Vat kort de mythe van de grot van Plato samen door aan de ene kant de metaforen te schetsen en aan de ander kant hun betekenis. Daarnaast zet je passende voorbeelden. Geef aan wat Plato met de mythe van de grot wil illustreren. Laat zien welke graden van kennis Plato onderscheidt. Gebruik in je samenvatting de volgende termen en begrippen; paideia, doxa, geloof, en epistèmè.

 

  1. Gevangenen in een grot (metafoor voor mensen in de stoffelijke wereld = apadeia)
  2. Vrijgelaten gevangenen (de ziel in de transcedente Ideeënwereld = padeia)

     

    Om van adadeia (zonder kennis; dus geloven) naar padeia (met kennis) te gaan is volgens Plato een pijnlijk proces. Het geheel van vermoedens en inzichten in de stoffelijke wereld noemt Plato ´Doxa´. Dit staat tegenover de werkelijke kennis ´Epistime´.

     

    Vermoeden: uit zintuigelijke waarneming (empirie).

    Geloof: door herkenning.

    Redelijk denken: tot definitie komen.

    Inzicht: komen tot de idee die op alle definities van het woord betrekking heeft.

     

    Volgens Plato is er dus niet alleen sprake van een tastbare/empirische wereld, maar ook een bovennatuurlijke Ideeënwereld. De link tussen beide is de rede, de kennistheorie van Plato is rationalistisch van aard. Als men sterft, dan keert de ziel weer terug naar de Ideeënwereld.

 

 

De grotbewoners zijn niet gespeend van kennis over wat zich voor hun ogen afspeelt. Ze kunnen hun geheugen oefenen en elkaar de loef afsteken met theorieën en voorspellingen. Velen zullen goede antwoorden kunnen geven op tal van vragen, maar toch is hun kennis weinig meer dan kennis van schaduwen. De echte kennis, het inzicht in datgene wat deze schaduwen veroorzaakt, ontgaat hen nog. Volgens Plato is deze ‘kennis’ van de grotbewoners uiteindelijk niet meer dan een verzameling meningen en vermoederns (doxa), deze doxa is nog ver verwijderd van wat zijns inziens echte kennis (epistèmè) is. De bewoner die losgemaakt is, bereikt bij elke overgang een hogere graad van kennis. Er zijn volgens het verhaal dus drie overgangen. Daaraan zijn volgens Plato vier graden van kennis, de laagste graad noemt hij vermoeden, daarna volgt geloof, dan het redelijke denken en tot slotte het inzicht, de echte kennis.

 

Voorbeeld: Neem de kennis van een cirkel, het vermoeden (ingegeven door je zintuigelijke waarneming): je ziet bijvoorbeeld een cirkelvormige tafel. Vervolgens geloof je dat deze waargenomen tafel inderdaad de vorm heeft van een cirkel, net als de figuur die je met een passer kan trekken. Via redenering of redelijk denken kom je tot een wiskundige definitie van de cirkel, weer een stap dichter bij echte kennis. Bijvoorbeeld: een cirkel is een figuur waarvan de uiterste punten zich overal op gelijke afstand bevinden van het middelpunt, of: een cirkel is een figuur waarvan je de omtrek kunt berekenen met een formule. Inzicht betreft de Idee van de cirkel zelf als datgene waarnaar alle waarnemingen van cirkelvormige voorwerpen en alle cirkelfiguren verwijzen en waarop alle definities van ‘de’ cirkel betrekking hebben.

 

Plato plaatste de wiskunde hoof op de ladder van de kennis. De kennis die zintuigen ons verschaffen in zijns inziens niet meer dan een verzameling meningen en vermoedens. Wiskundige kennis is niet verleend aan de zintuigen, maar huist volgens Plato vanaf de geboorte in onze ziel. We weten alleen niet dat we die kennis hebben, ze moet worden gewekt. We verkrijgen ware kennis door te leren wat we ‘ergens’ al weten. Kennis is volgens Plato een vorm van herinneren en wat we ons herinneren als we iets kennen, zijn de Ideeën of Oervormen. De relatie tussen de Oervormen en hun afbeeldingen in de zintuigelijke wereld is verwant met de relatie tussen de wiskundige waarheden die een docent wil verhelderen en de meetkundige figuren die hij of zij daartoe op het bord tekent.

 

20. Leg uit waarom volgens Plato wiskundige kennis een vorm is van ware kennis, en schets de analogie (vergelijking) tussen de Ideeën en hun afbeeldingen in de empirische werkelijkheid enerzijds en de wiskundige kennis en de getekende geometrische vormen anderzijds.

Wiskunde is een betrouwbare vorm om tot kennis te komen. Het maakt namelijk gebruik van abstractie. Vb. de ideale/volmaakte cirkel bestaat alleen in de Ideeënwereld. Hoe kan het dan dat we er wel een beeld van hebben?

Dit komt omdat de ziel afkomstig is ui de Ideeënwereld.

De Idee wordt ook wel oervorm of origineel genoemd.

 

Plato onderscheidt dus enerzijds inzicht in de Ideeën en anderzijds kennis in de gewone zin. Maar het ene kan niet zonder het andere, het inzicht in de Ideeën is onlosmakelijk verbonden met de bevrijding van valse voorstellingen. Anderzijds lijkt enig besef van de Ideeën nodig om tot kennis te kunnen komen. De grotbewoners moeten dus, als het mensen zijn, enig besef hebben van de Ideeën. Begrip van de ‘taal der Vormen’ is een noodzakelijke voorwaarde voor mens-zijn. Taal moet ons al bekend zijn voordat we een opgang naar de Ideeënwereld maken.

 

“Om mens te zijn, moet je immers de taal der Vormen (Ideeën) begrijpen, dat wil zeggen: je moet de overstap kunnen maken van de veelheid van zintuigelijke waarnemingen naar de eenheid die in begrippen is samengevat.” - Plato

 

Gekend is nog niet bekend, Plato vertelt ons dus dat we de opgang naar de Ideeën kunnen maken, maar wel met veel pijn en moeite. Het is de vraag of we de Ideeën in hun zuiverste vorm ooit kunnen bereiken.

 

21. Geef een beargumenteerd antwoord op de vraag of je volgens de Platoonse kennistheorie ooit de ware kennis kunt verkrijgen.

In de stoffelijke wereld bestaat geen zekere kennis. Men wordt in deze wereld namelijk beïnvloedt door tijd/plaats/emotie en empirie. De kernvraag van Plato is: `Wat is de Idee? Waarom is iets zoals het is?` Pas op het moment dat je dood bent komt de ziel in de Ideeënwereld terecht, en dus tot zekere kennis.

 

 

3.2.2 Een nieuw begin: Descartes (1596-1650)

René Descartes werd in 1596 geboren in Frankrijk, maar hij woonde een groot deel van zijn leven in Nederland. Nederland kende in de 17e eeuw een rijke wetenschappelijke cultuur en daar profiteerde Descartes van. Hij doet ook erg zijn best om zelf bekendheid te krijgen en zijn filosofische ideeën aan de man te brengen.

Descartes wordt beschouwd als de vader van het moderne filosofische en wetenschappelijke denken. Hij stelt dat wetenschap een stevig fundament en een strenge methode nodig heeft. Die strenge methode vindt hij in de wiskundige manier van redeneren en bewijzen. Het onwankelbare fundament vind hij via grondig zelfonderzoek in het denkende ‘ik’ (ego cogito). De combinatie van beide inzichten maakte hem beroemd.

Net als Socrates heeft ook Descartes een tijd gehad dat hij twijfelde aan alle tot nu toe verworven kennis. Is deze kennis geen schijnkennis? Socrates is erg sceptisch over zijn eigen kennis en wijsheid. Hij zegt alleen te weten dat hij onwetend is en weet daarmee al meer dan zijn gesprekspartners. Descartes twijfelt ook aan de waarheid van zijn kennis en ervaringen. Uiteindelijk stuit ook Descartes op een zekerheid, hij ontdekt dat hij over alles kan twijfelen, maar niet over het feit dat hij zelf twijfelt. Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben.

22. Zet de socratische tegenover de cartesiaanse scepsis met betrekking tot object, doel, uitvoering en kentheoretische conclusie van de twijfel.

Socrates twijfelt aan zijn eigen kennis en wijsheid. Hij gaat met anderen in gesprek om uit te vinden of er geen mensen zijn die wijzer zijn dan hij. Hij merkt in deze gesprekken dat de mensen vooral menen te weten. Uiteindelijk is zijn conclusie dat hij tenminste weet dat hij niets weet en dat kan van zijn gesprekspartners niet worden gezegd.

Descartes twijfelt ook aan de waarheid van zijn kennis en ervaringen. In plaats van met anderen in gesprek te gaan trekt hij zich terug en gaat met kritisch zelfonderzoek ontdekken of er niet iets is waarop de twijfel geen vat heeft. Hij trekt als conclusie dat overal de geringste twijfel over mogelijk is, ongeacht of hij er werkelijk aan twijfelt, als onwaar te verwerpen. Wat er dan over blijft moet echte kennis zijn. Hij komt tot de zekerheid dat je aan alles kan twijfelen, behalve aan het feit dat hij zelf twijfelt.

23. Leg uit wat de methodische twijfel van Descartes inhoudt.

De methodische twijfel van Descartes houdt dus in dat je aan alles kan twijfelen, ongeacht of hij er werkelijk aan twijfelt, als onwaar te verwerpen. De twijfel brengt dus alleen zekerheid van bestaan.

Socrates scepsis hangt nauw samen met zijn opvatting over wat echte kennis is. Die vinden we bij Plato: echte kennis is kennis van de Ideeën. We kunnen Ideeën nooit definitief kennen, dus de kennis blijft in beweging. Menselijke kennis is en blijft feilbaar. Ook Descartes wantrouwde de zintuigen, maar zijn scepsis neemt een andere wending. Met zijn ‘ik denk, dus ik ben’ zet hij een stap voorbij Plato. Hij zegt dus dat zekere kennis wel binnen ons bereik ligt, daarmee is de toon voor de volgende eeuwen gezet.

Descartes ontwikkelt het basisinzicht dat hem over de twijfel heen helpt in een werk dat bestaat uit zeg zogenoemde ‘meditaties’. Dit zijn overdenkingen over de fundamenten van de filosofie en (onder meer) over de vraag wat de mens is. Het doel was de basis leggen van zekere kennis. In de meditaties schrijft Descartes uitvoerig over de ontdekking die enkele jaren later leidde tot wat de beroemdste zinsnede uit de moderne filosofie zou worden: cogito ergo sum.

24. Leg uit hoe Descartes via deze methodische twijfel tot zijn eerste waarheid komt; het cogito ergo sum.

Aan alles twijfelen totdat iets overblijft waaraan niet meer getwijfeld kan worden. Je kan bijna over alles twijfelen, over alles wat er bestaat. Maar jij denkt dus jij weet dat je bestaat. Alleen weet jij niet of anderen bestaan want je weet niet of anderen denken. Ego cogito à denkende ik. Het zelfbestaan à cogito ergo sum.

Hij komt dus tot zijn bestaan van het bewustzijn. Maar daarvoor moet je ook kennis hebben die je al had. Je hebt dus een soort aangeboren concepten, anders kan je nooit denken dat je bestaat. Je hebt al een software. De basisideeën zijn dus aangeboren. Dit is rationalisme omdat je er door introspectie achter komt.

Nadat Descartes zich verzekerde van een onwankelbare basis vroeg hij zich af hoe hij nu de inhouden van dit cogito moet beoordelen, welke daarvan zijn waar en welke niet? Aan zijn voorkeur voor de wiskunde getrouw stelt hij het volgende waarheidscriterium: alleen die ideeën zijn waar, die mij even helder en welonderscheiden voor de geest staan als wiskundige inzichten. Losse ideeën, zoals die we hebben als we als we aan een dinosaurus denken, dan stel je die dinosaurus voor en is het waar dat je die voorstelling heb.

25. Leg uit hoe Descartes uit deze eerste waarheid zijn waarheidscriterium afleidt.

Descartes zegt dat dingen alleen waar zijn, die hem even helder en welonderscheiden voor de geest staan als wiskundige inzichten. Zijn eerste waarheid is dus dat je niet kan twijfelen aan het feit dat je twijfelt en het feit dat je bestaat.

26. Beargumenteer uit de eerste waarheid waarom volgens Descartes de menselijke geest een aantal aangeboren begrippen heeft. Geef ook aan welke deze aangeboren begrippen zijn.

Uit het basisinzicht ‘ik denk, dus ik ben’ leidt Descartes af da er een aantal basisideeën is dat ons niet door de zintuigen is ingegeven, namelijk de ideeën ‘ding’, ‘waarheid’, ‘denken’, ‘bestaan’ en ‘zelf’. Deze ideeën moeten al in de geest aanwezig zijn, want je kan het bestaan ervan afleiden in je cogito. Zonder die ideeën zou je nooit tot de basiszekerheid van het cogito kunnen komen, maar als ze niet aan de zintuigen ontleent, hoe kom je er dan aan? Als inbegrepen in de basiszekerheid van het cogito bestonden ze al in mijn geest. Dat is helder en duidelijk in te zien, dus moeten ze wel zijn aangeboren. Alleen ontdekt de geest die aangeboren ideeën pas door reflectie op zichzelf.

Niet onze zintuigelijke ervaringen, maar een analyse van de ideeën in de geest zijn doorslaggevend voor de conclusies van Descartes (typerend voor rationalisme).

27. Leg uit op welk probleem Descartes stuit na het vinden van de eerste waarheid en de verdediging van de aangeboren begrippen. Hoe benoemt Descartes dit probleem (waar het probleem van ‘het brein in het vat’ een moderne variant is)?

Hij kwam op het bedriegargument: Ik ga dus van de vooronderstelling uit dat niet de al-goede god, de bron der waarheid of een andere kwade geest, die uiterst machtig is en slim, met mij alle macht die in hem is probeert te bedriegen. Ik neem aan dat de hemel, de lucht, de aarde, kleuren, vormen, geluiden, alles wat buiten mij is, uit niets anders bestaat dan uit droomspelletjes, waarmee hij mijn goedgelovigheid in de val lokt.

28. Leg uit dat het bedriegersargument onderbepaald (ondergedetermineerd) is en laat zien dat Descartes dit probleem oplost door eerst zijn Godsbewijs (= de tweede waarheid) te formuleren en daarna aan te tonen dat uit dit Godsbegrip het bestaan van de empirische werkelijkheid volgt (= derde waarheid).

Hij zegt dat die god hem probeert te bedreigen en zegt daarna dat hij goedgelovig is, dus dat hij niet het god idee heeft uit alles wat buiten hem is. Het argument is onderbepaald, want er is meer voor nodig dan de ervaring waarover hij beschikt.

29. Geef aan welk attribuut en welke modi de res extensa heeft. Geef ook aan wat Descartes verstaat onder de primaire en de secundaire kwaliteiten.

Een voortgezette analuse van de ideeën levert hem vervolgens een andere soort van dingen op, de res extensa, de uitgebreide dingen. Zoals van het ‘ik’ helder en duidelijk valt in te zien dat het een denkend ding is, zo is van de overige dingen vooralsnog alleen hun uitgebreid helder en duidelijk in te zien. Als alles wat

30. Geef aan welk attribuut en welke modi de res cogitans heeft.

Een nauwkeurige analyse van het ‘ik’ of het zelf dat Descartes aantreft in het cogito leert hem dat dit ‘ik’ niet meer is dan een res cogitans, een denkend ding.

31. Leg uit dat met het bestaan van de res cogitans en de res extensa het cartesiaans dualistisch mensbeeld geformuleerd kan worden

De grondlegger van de moderne filosofie, Descartes, gaf het denken over het dualisme van lichaam en ziel weer een nieuwe impuls: hoewel van elkaar gescheiden en te onderscheiden, waren ziel en lichaam volgens hem desondanks innig met elkaar verbonden.

 

Het probleem met onderbepaalde argumenten is dat ze de positie van de radicale scepticus uitermate sterk maken: als je niet kunt weten of je een brein in het vat bent, dan kun je feitelijk weinig anders weten.

Stel je beweert dat je een boek aan het lezen bent (T), maar je weet ook dat als je zit te lezen, je onmogelijk een brein in het vat kunt zijn (I). een simpele redenering, modens tollens, toont aan dat omdat je het laatste niet weet, je ook het eerste niet weet:

T: Je weet dat je zit te lezen
I: Je weet dat je geen brein in een vat bent
als T, dan I

Niet I, dus niet T

Deze redenering kan je formaliseren tot wat we het principe van geïmpliceerde kennis (GK) noemen:

GK: (WSp ^WS(pàq))àWSq

In gewone taal: als S weet dat p en als S weet dat p q impliceert, dan weer S ook dat q. het is precies dit principe dat de onderdeterminatieargumenten zo sterk maat. Zolang je geen brein in een vat bent, kun je geen enkele propositie q aannemen die veronderstelt dat je geen brein in het vat bent.

Dit kan niet door de empirie bewezen worden, dus dan heb je bewezen dat je niet kan weten of het allemaal een droom is.

De geldigheid van de redenering hangt meer af dan de ervaring. Je kunt het niet onderuit halen door empirie want het is niet bewijsbaar. Cartesiaanse oplossing --> via het godsbewijs kun je aantonen dat de buitenwereld geen droom is.

 

Het lichaam bestaat dus, door de uitgebreidheid (eigenschap/attribuut) en door de modi (bestaansvormen) zoals massa, grootte, vorm, plaats etc.. De primaire kwaliteiten zijn objectief en zijn zeker. De secundaire kwaliteiten zijn subjectief, die kunnen per persoon verschillen.

 

 

3.3 Ervaringskennis: het empirisme

Aristoteles was een leerling van Plato, hij had veel waardering voor zijn leermeester, maar hij was alles behalve een slaafse volgeling. Plato zou ooit gezegd hebben: ‘Hij is net een veulen die zijn moeder schopt terwijl het zijn melk drinkt’, waarop Aristoteles zei: ‘Plato is mij dierbaar, maar de waarheid is mij dierbaarder’.

Aristoteles stelde dat alles wat we op basis van ervaring weten onzeker is, omdat de ervaringswereld steeds verandert. Pas wanneer wij uitstijgen boven de wereld van onmiddellijkheid maken we kans op kennis, de Ideeën vormen de ware objecten van echte kennis. Wiskunde en dialectiek (het doordenken van begrippen) zijn de beste wegen naar kennis. Kennis van de Ideeën vormt de basis voor andere theoretische kennis en op praktisch gebied. Op dit punt bestreed Aristoteles Plato met hart en ziel, zijn vader had hem de liefde voor ervaringsfeiten bijgebracht. Aristoteles verzamelde zijn leven lang hoeveelheden gegevens, als bioloog observeerde, noteerde en classificeerde hij alles wat hij tegenkwam. Uit deze kennis moeten we volgens hem onze kennis destilleren: observatie en ervaring vormen de bron. Wiskunde en dialectiek hebben een beperkte bruikbaarheid, ervaring is soms nog belangrijker.

32. Geef een beschrijving van de manier waarop volgens Aristoteles kennis tot stand komt. Begin met zijn onderscheiding van de twee basiskenvermogens; de empirie (zintuiglijke waarneming) enerzijds en de ratio (het denken) anderzijds. Schets daarna de psychologische stappen in het aristotelische kenproces; beeldvorming door de verbeeldingskracht, het geheugen, herinnering, ervaring.

Zijn manier voorkeur voor empirisch onderzoek en de beschrijving die hij geeft van de manier waarop kennis tot stand komt maken Aristoteles een echte empirist. Hij onderscheidt twee basisvermogens van de ziel: gewaarwording (empirie) en denken (ratio). Alle kennis begint bij zintuigelijke ervaring, zonder zintuigen is kennis onmogelijk. Er is geen sprake van aangeboren kennis, de menselijke geest is bij geboorte een tabula rasa. Zonder zintuigen komen we nergens. Ook is geheugen een onmisbare voorwaarde voor kennis: het stelt ons in staat verbanden te leggen tussen eerdere en latere waarnemingen: uit de latere waarnemingen herken je de eerdere. We bouwen op deze manier een voorstelling, een soort mentaal beeld, dat we kunnen oproepen voor ons geestesoog, ook op momenten dat we van het voorgestelde geen directe waarneming hebben. Dit doen we met hulp van onze verbeeldingskracht. Een al meer complexe bron van kennis is ervaring, hierbij zijn alle bovengenoemde vermogens aan het werk.

Dit vermogen tot ervaring treffen we ook bij diersoorten aan, de mens onderscheidt zich doordat we beschikken over een cognitief vermogen: het vermogen tot denken, dit bijzondere vermogen stelt ons in staat tot kennis te komen in de zin van ‘technisch inzicht’ en ‘wetenschap’.

33. Leg het aristotelische onderscheid tussen ‘ technische kennis’ (technè) enerzijds en ‘wetenschappelijke kennis’ (epistèmè) anderzijds en illustreer je uitleg met een voorbeeld. Leg ten slotte uit welke vorm van kennis daarnaast nog onderscheiden kan worden. Geef ook aan welke vorm van kennis volgens Aristoteles hoger is en waarom (denk aan de graden van kennis).

Technische kennis bestaat in kennis van een algemene regel, afgeleid uit een veelheid van ervaringen van particuliere, gelijksoortige objecten. Uit particuliere oordelen wordt een algemeen oordeel afgeleid. Technisch inzicht en ondervinding zijn bruikbaar voor het handelen, soms is het eerste bruikbaarder dan het laatste. Handelingen hebben betrekking op het particuliere, ondervingen ook, maar technisch inzicht heeft betrekking op het algemene.

Wetenschap wijst op kennis van het dat (feiten) en het wat (de juiste definitie van een verschijnsel), maar ook om het hoe en waarom. Het hoe geeft een beschrijving van een verschijnsel, het liefst zo nauwkeurig mogelijk. Uiteindelijk zal je doorzoeken naar het waarom, de dieper gelegen oorzaak.

Aristoteles vindt dat iemand wijzer is daar hij meer technische kennis heeft: de kennis van oorzaken is bij de technicus hoger dan bij de practicus, want de technicus heeft al inzicht waarom zij werkt: hij kent de oorzaak. Een practicus weet door gewoonte, een technicus door inzicht. Technici zijn ook betere onderwijzers, want ze kunnen uitleggen waarom iets is of moet zoals het moet. Een practicus kan alleen een voorbeeld stellen: voordoen hoe het moet.

Kennis wint dus aan aanzien als het de dieperliggende oorzaken, de waarom van de verschijnselen blootlegt, de kennis van de eerste oorzaken en beginselen geniet het hoogste aanzien: de metafysica.

Wetenschappelijke kennis moet dus verklaren en oorzaken blootleggen. Ook wetenschappelijke kennis begint bij observatie. Deze eerste fase van de wetenschappelijke methode die moet leiden tot kennis houdt in dat uit een veelheid van particuliere oordelen een algemeen oordeel, een soort wet, wordt afgeleid (inductie). Schematisch:

W1 heeft eigenschap S
W2 heeft eigenschap S
Wn heeft eigenschap S

Conclusie: alle W’s hebben eigenschap S

Uit particuliere uitspraken ontstaat een algemene uitspraak, die uitspraak zegt iets over het soort dingen. Het eerste kenmerk van wetenschappelijke kennis is volgens Aristoteles dan ook: het betreft niet afzonderlijke dingen, maar altijd soorten dingen of soorten gebeurtenissen. Ook al is de conclusie een algemene uitspraak, het biedt nog geen kennis: er is pas sprake van wetenschappelijke kennis bij kennis van oorzaken. Dus pas als er voor conclusie 1 een bevredigende verklaring is gevonden.

De tweede fase van de wetenschappelijke weg naar kennis is de deductieve bewijsvoering.  De inductieve gevolgtrekking levert geen wetenschappelijk bewijs voor conclusie 1, om bewijs te krijgen moet conclusie 1 de conclusie zijn van een deductieve gevolgtrekking. In het ideale geval volgt een wetenschappelijke bewijsvoering volgens Aristoteles het redeneerschema dat in de logica Barbara heet: P is de major, S de minor en O de middenterm:

Alle O’s zijn P’s
Alle S-en zijn O’s

Conclusie: alle S-en zijn P’s

We zoeken nu een redenering waarbij de eerste conclusie opnieuw als conclusie voorkomt, waarbij de premissen waar zijn en die de oorzaak geeft van de eerste conclusie. Een geldige redenering zou dus zijn:

Alle roofdieren hebben scherpe snijtanden
Wolven zijn roofdieren

Conclusie: wolven hebben scherpe snijtanden

Aristoteles zegt: “We hebben wetenschappelijke kennis van iets wanneer we menen te weten dat de oorzaak die het ding in kwestie verklaart inderdaad de oorzaak daarvan is, en dat het niet anders kan zijn dan het is” – Aristoteles, Analytica Posteriora. Wat niet anders kan zijn dan het is, noemen we noodzakelijk. Wetenschappelijke kennis is dus kennis van het noodzakelijke en van de oorzaak. Aristoteles’ opvatting over de oorzaak is anders dan de onze: de wetenschappelijke verklaring diende bovenal de doeloorzaak van een verschijnsel te geven, om die reden wordt Aristoteles’ wetenschapsopvatting teleologisch genoemd.

Zijn eigen voorbeeld van een geldige deductie:

Hemellichamen die dichtbij de planeet Aarde staan fonkelen niet
Alle planeten zijn hemellichamen die dichtbij staan

Planeten fonkelen niet

Hij stelt drie eisen aan de premissen van een wetenschappelijke bewijsvoering:

1. Ze moeten waar zijn;
2. Ze moeten simpeler zijn dan de conclusie;
3. Ze moeten de conclusie verklaren.

Volgens Aristoteles is elke wetenschap een deductief systeem van uitspraken: bovenaan staan de eerste beginselen van alle bewijsvoering, namelijk de principes van identiteit, tegenspraak en het uitgesloten derde. Deze principes gelden voor alle deductieve redeneringen. Daarna komen de eerste principes en de definities van de afzonderlijke wetenschappen, sommigen zijn postulaten. Op ditzelfde niveau staan de axioma’s: basispremissen die onbewijsbaar zijn, maar ook onmiddellijk evident: ze hebben geen bewijs nodig, de waarheid ervan is voor iedereen zonneklaar.

De eerste principes moeten wel noodzakelijke waarheden zijn: een wetenschappelijke waarheid is een noodzakelijke waarheid.

 

34. Leg uit dat de eerste fase van wetenschappelijke kennis bestaat uit de inductie en illustreer je uitleg met een voorbeeld.

Uit een hoeveelheid van particuliere oordelen leid je een algemeen oordeel af. Als alle wolven die je tot nu toe hebt gezien scherpe tanden hebben, leid je daaruit af dat alle wolven scherpe tanden hebben.

35. Leg uit dat de tweede fase van wetenschappelijke kennis bestaat uit de deductie en illustreer je uitleg met het voorbeeld uit de eerste fase, zodanig dat duidelijk wordt dat de fasen op elkaar volgen. Geef ten slotte aan wat volgens Aristoteles onder wetenschappelijke kennis uiteindelijk kan worden verstaan.

Wetenschappelijke kennis is noodzakelijke kennis, lees het stuk hierboven.

36. Leg uit waarom de aristotelische wetenschapsopvatting teleologisch is. Geef ook de definitie van het begrip teleologie.

Aristoteles’ opvatting over oorzaken gaat over de doeloorzaak van een verschijnsel, het opdat is belangrijker voor hem dan het doordat. Teleologie: filosofische leer dat de schepping en ieder verschijnsel op een doel is gericht.

37. Leg uit aan welke eisen de premissen van een deductie volgens Aristoteles moet voldoen.

Kijk tekst.

 

3.3.2 Het Britse empirisme: Locke, Berkeley en Hume

Locke was een van de felste tegenstanders van Descartes, hij bestreed zijn opvattingen van de aangeboren ideeën en zijn dualisme. De mens is volgens hem bij geboorte een tabula rasa, we hebben geen idee van de werkelijkheid om ons heen en niet van onszelf. De ideeën krijg je alleen door ervaring: alle kennis gaat terug op ervaring en er is geen kennisverwerving mogelijk behalve via ervaring. Ervaring is de enige bron van kennis. Locke onderscheidt twee vormen van ervaring: uiterlijke ervaring via de zintuigen en innerlijke ervaring via introspectie.

Bij de geboorte heeft een kind nauwelijks prikkels, want ze zijn niet nodig: voor alles wordt gezorgd. Als het kind de baarmoeder uitkomt wordt het overladen met prikkels, deze indrukken en prikkels herhalen zich. Het kind krijgt langzaam ideeën, voorstellingen, van de dingen om ons heen. Uiteindelijk zal het steeds meer prikkels kunnen verwerken, als we met de dingen om ons heen vertrouwd zijn ontstaat er aandacht voor ons innerlijke leven: er ontstaat besef van wat zich in de geest afspeelt, een bewustzijn. Het ontwikkelt langzaam, en bescheiden. Zo raakt het blad beschreven. Ervaring, uiterlijke en innerlijke, is de enige bron van kennis. De uiterlijke waarneming is de meest oorspronkelijke, want een idee van waarnemen kunnen we pas krijgen als we warnemen en onze zintuigen dus niet door iets buiten ons worden geprikkeld.

We doen via de zintuigen indrukken op van een extern object waaruit door de werkingen van de geest gewaarwordingen worden gevormd. Via het bewustzijn hebben we gewaarwordingen van deze werkingen zelf. Beiden gewaarwordingen samen vormen het ruwe materiaal, de bulk aan enkelvoudige ideeën waaruit onze kennis is opgebouwd.

Locke onderscheidt ook nog primaire en secundaire eigenschappen:

  • Primair: vorm, aantal, uitgebreidheid.
  • Secundair: kleur, geur, smaak, temperatuur, geluid.

De vraag die Locke niet oplost is hoe we van de veelheid aan enkelvoudige ideeën komen tot de ideeën van dingen. Hiervoor neemt Locke het bestaan van een materiële substantie, deze substantie, onwaarneembaar voor de zintuigen, moet de samenhang en identiteit van de ideeën die we hebben van de dingen buiten ons waarborgen. We hebben geen kennis van deze substantie, maar moeten haar veronderstellen.

 

George Berkeley

Berkeley bestudeerde het werk van Locke. Hij vindt dat ons van de werkelijkheid niet meer gegeven is dan onze waarnemingsinhouden. Die waarnemingen geven ons geen argumenten om te concluderen dat er buiten onze geest een materiële wereld bestaat. De werkelijkheid is een verzameling gewaarwordingen en bestaat daarom slechts in de geest. De waarneming geeft ons wel tekens, die we interpreteren in termen van afstand.

Berkeley wijst Lockes aanname van een materiële substantie af, omdat hij daarvoor geen bewijs vindt in de waarnemingsgegevens: dingen zijn immers niets anders dan combinaties van ideeën en die ideeën vinden hun bestaan in het subject, de geest die ze waarneemt.

Kortom: bestaan is waargenomen worden. De empirische realiteit van stoffelijke dingen ontkent Berkeley niet. Een probleem bij Berkeley is de continuïteit van het bestaan van dingen, houden ze op met bestaan als je ze niet meer waarneemt? Hiervoor beroept hij zich op een andere geest: een oneindige geest, God. Onze waarnemingen zijn telkens van een taal die God de mensen heeft gegeven ter ontcijfering.

 

David Hume

Hume twijfelde over andere sleutelbegrippen in de filosofie, zoals ‘oorzaak’ en ‘subject’. Veel schriften vindt hij niet goed, want de begrippen die erin worden gehanteerd doorstaan het criterium van herleidbaarheid tot primaire ervaringsindrukken niet. Het zijn producten van verbeelding, metafysische ficties.

Humes twijfel over causaliteit wordt veroorzaakt door het feit dat oorzakelijkheid een idee is en dus zoals alle ideeën uiteindelijk te herleiden zou zijn tot indrukken van uiterlijke of innerlijke waarneming. Er zijn geen directe indrukken waarop het idee van ‘oorzaak’ is gebaseerd. Als een basis in de ervaring ontbreekt, lijkt er geen andere conclusie mogelijk dan dat het idee van oorzakelijkheid in feite betekenisloos is.

Hij stelt da we altijd een opeenvolging zien van twee gebeurtenissen, maar dat rechtvaardigt ons niet te spreken van veroorzaking van b door a. Je ziet een regelmaat, maar geen implicatie (wet). We hebben geen ervaring van een noodzakelijk verband tussen gebeurtenissen.

Dit zie je ook bij wildsdaden, het gaat hierbij om de relatie tussen een geestelijke gebeurtenis en een lichamelijke handeling. Het lichaam reageert op het bevel van onze wil. We zien de verbondenheid tussen twee gebeurtenissen niet. Het causaliteitsprincipe valt dus niet empirisch te verantwoorden, het is geworteld in ervaring van regelmatigheden en gewenning aan verwachtingen die toch maar telkens weer uitkomen.  We nemen regelmatige verbanden waar, maar die waarneming rechtvaardigt niet de stelling dat de natuur gehoorzaamt aan wetten.

Twee soorten oordelen (de vork van Hume):

1. Synthetisch: onmiddellijke ervaring, a posteriori.

2. Analytisch: relaties tussen ideeën, a priori. Vertellen wat we al weten.

 

Een analytisch oordeel is waar als het waar is op grond van de betekenis van het oordeel. De betekenis zit niet in het oordeel/begrip. Zoals: alle vrijgezellen zijn ongetrouwd. Een synthetisch oordeel is waar als het waar is op grond van de betekenis van het oordeel en op grond van feiten. Deze komen overeen met de feiten.

A priori --> is waar als het vast te stellen is zonder hulp van zintuigelijke waarnemingen.

A posteriori --> is waar als het is vast te stellen met hulp van zintuigelijke waarnemingen.

Noodzakelijke waarnemingen zijn altijd waar, maar contigente uitspraken hoeven niet altijd waar te zijn.

 

Hume ontkende God niet maar bevestigde zijn bestaan ook niet. Hij twijfelde over heel veel dingen, zoals zijn eigen bestaan en ziel. Er is geen kern die je kan waarnemen. Een substantie kan je niet waarnemen.

 

 

John Locke (1632-1704)

Je kan je zintuigen vertrouwen, je ziet iets zoals het is.

Je ziet een boom → plaatje in je hoofd → je herkent een boom. (directe lijn tussen zintuigen en de boom).

 

Locke vindt dit een naieve opvatting van het empirisme, want je neemt de boom waar, maar het plaatje van de boom in je hoofd is eigenlijk wat je ziet. Doordat je het ziet vorm je het plaatje en dat plaatje is jouw bewustzijn, je waarneming. Je neem de boom waar via een tussenstadium, een afbeelding die jouw geest maakt van de boom. Je kijkt dus constant indirect naar de wereld, via bewustzijnsplaatjes in je hoofd. Je ziet niks direct, zoals Aristoteles zegt, maar je ziet de boom via het plaatje dat je in je hoofd hebt (Locke). Revolutionaire theorie van de 17e eeuw. We noemen het het representatief realisme/conceptueel empirisme, het empirisme van John Locke. Tegenover het realisme steld Locke het representatief realisme.

 

Je kan twee vragen stellen naar aanleiding van deze basisstelling van Lo >Wat is dan de bron van onze kennis?

  • Zijn onze zintuigen betrouwbaar?

 

  1. Je ziet gelijk de overeenkomst met Aristoteles: volgens Locke is de menselijke geest bij geboorte leeg; als het ware een ‘ongeschreven blad’ (tabula rasa). Locke stelde: ‘er zijn geen aangeboren ideeën’. Volgens Descartes had je al wel een soort basisideeën in je hoofd bij geboorte.

    De geest haalt dus alle kennis uit de ervaring, en wel uit de ervaring van:

  • Uiterlijke waarneembare objecten. Deze waarnemingen noemt hij ‘sensatie’.
  • Innerlijke werkingen van de geest (de gedachten). Deze waarnemingen noemt hij ‘reflectie’.

Uit deze waarnemingen maakt de geest voorstellingen of ideeën (ideas). Het zijn de ideeën die we waarnemen. Er zijn twee soorten ideeën:

  1. Enkelvoudige ideeën → deze komen voort uit de directe uiterlijke ervaring, dat wil zeggen ze worden onmiddellijk veroorzaakt door een prikkel van het object, meestal door één zintuig. De enkelvoudige ideeën zijn niet in nog eenvoudigere stukjes te analyseren.

              Vb: har, warm, beweging, kleur, enz.

De enkelvoudige ideeën worden door het verstand bewerkt en omgevormd tot samengestelde ideeën. (vergelijken, scheiden, combineren abstraheren).

  1. De samengestelde ideeën → hiervan zijn we ons innerlijk bewust. Het zijn de         reflectie-ideeën: ze bestaan in onze geest. Ze betreffen de ervaring van de

innerlijke werkingen van de geest.

              Vb: schoonheid, groter dan, mens, plant, vrucht.

              Van deze samengestelde ideeën vormen we de begrippen. De begrippen zijn

algemeen gemaakte ideeën die een naam (taal) hebben gekregen.

              Daarom het het conceptualisme, omdat de begrippen ook wel concepten

              worden genoemd.

 

Naïve voorstelling: iemand ziet de vlinder gelijk.

Je neemt de vlinder ook wel waar, maar er wordt eerst een voorstelling van gemaakt. Die voorstelling neem je waar. Het gaat altijd via de ideeën, dus we weten niet hoe dingen, zoals een vlinder of boom, echt zijn buiten onze ideeën. Latere ontwikkelingen zullen zeggen dat je al wel iets in je hoofd hebt aan ideeën, maar Locke zegt dat je nog helemaal leeg bent.

 

Locke was in de ogen van de rationalisten een zeer gevaarlijke denker, want hij gaat in op wat wij normaal vinden. Ze zeiden ook dat hij zichzelf tegenspreekt. De tegenspraak:

‘Locke ontkent het bestaan van aangeboren ideeën of begrippen, terwijl hij er wel gebruik van maakt.’ Immers: hoe kan het verstand de functie van bijvoorbeeld het abstraheren uitoefenen als het niet reeds het begrip ‘hetzelfde’ of ‘verschil’, enz. bezit. Een lege geest zou dit toch niet kunnen. Eric vindt dit een sterk kritiekpunt.

 

Locke’s reactie: Hij blijft bij zijn principe: als een idee geen basis heeft en niet te herleiden is tot een zintuiglijke indruk, beantwoordt zijn aan niets in de werkelijkheid. Zij zweeft dan in de lucht, in onwerkelijk, niet reëel. Hieruit is het atheïsme een beetje ontstaan. Locke zegt niet dat alles wat je niet kan waarnemen er niet is, Hume wel. Locke heeft zich in de nesten gewerkt met zijn theorie en krabbelt een beetje terug, hij veronderstelt alleen.

Alle ideeën moeten dus wel gedragen worden door werkelijk bestaande dingen. Deze zorgen voor de samenhang van de indrukken en dus voor de identiteit van het ding (substantie).

Er zijn hiervoor geen aangeboren ideeën van het verstand nodig: het verstand heeft het vermogen de eenheid enz. te abstraheren enz. maar niet op basis van kant en kla

 

Locke’s oplossing: hij beroept zichzelf op het gezonde verstand: de aanname (vooronderstelling) van een wereld van dingen die onafhankelijk van ons bewustzijn bestaat (substantie) is filosofisch niet te bewijzen, maar moet wel worden aangenomen, want anders zweeft alles in de lucht. Locke kan dus geen empirische verklaring of bewijs leveren van het bestaan van de substanties. Zij bestaan alleen als vooronderstellingen, als “een of andere drager van die eigenschappen die de enige ideeën in ons produceren”.

Een substantie is een ding dat eigenschappen heeft, eenheid van eigenschappen.

 

Dus: het conceptueel empirisme lijkt opgesloten te zijn met een 2de tegenspraak:

  • enerzijds: we kennen de dingen alleen via indrukken, dus waarnemingen (de enkelvoudige ideeën)/ Alle andere kennis is onwaar.
  • anderzijds: onze ideeën die ontstaan uit deze indrukken beantwoorden aan iets werkelijk buiten de waarneming: een substantie als drager van eigenschappen waarvan we indrukken ontvangen.
  • maar: het bestaan hiervan kun je niet bewijzen; je kunt namelijk niets buiten de waarneming bewijzen. Je kent immers de dingen alleen via de indrukken.

 

2. Om deze vraag te kunnen beantwoorden of de zintuigen betrouwbaar zijn, of ander geformuleerd, welke indrukken échte eigenschappen van de dingen vertegenwoordigen, maakt Locke het volgende onderscheid (dat overigens van Descartes afkomstig is):

  1. De primaire eigenschappen (kwaliteiten):
  • Deze horen tot de dingen zelf. De ideeën, gevormd uit de waarneming van deze primaire kwaliteiten komen écht overeen met de eigenschappen van de dingen zelf. Ze bestaan dus echt in de dingen zelf, los van ons, los van onze waarneming, dus objectief.
  • → hier is dus de waarneming met onze zintuigen (de empirie) betrouwbaar, geeft een juist beeld van onze werkelijkheid.

Vb: uitgebreid, massa, vorm

 

George Berkeley (1685-1753)

Nu rijst er nog een probleem binnen Locke’s theorie:

  • We kennen alleen de eigenschappen ervan; de indrukken van de dingen (enkelvoudige ideeën), maar weten we dan wel wat de dingen zelf zijn, in wezen, als substantie?
  • Bijv: We kunnen het begrip ‘vlinder’ herleiden tot vele verschillende indrukken: verschillende kleuren, glad oppervlak, zoete geur, enz. Maar hoe weten we nu dat de kleuren ook werkelijk (objectief)

Dus het conceptueel empirisme lijkt opgesloten te zijn met een 2e tegenspraak:

  • Enerzijds: we kennen de dingen alleen via indrukken, dus waarnemingen (de enkelvoudige ideeën). Alle kennis is onwaar.
  • Anderzijds: onze ideeën die ontstaan uit deze indrukken beantwoorden aan iets werkelijks buiten de waarneming: een substantie als drager van eigenschappen waarvan we indrukken ontvangen.
  • Maar: het bestaan hiervan kun je niet bewijzen: je kent immers alleen de dingen via indrukken.

De oplossing van Lo >Locke’s argumentatie wordt IBE genoemd = afleiding naar de beste verklaring (‘inference to the best explanation’) à

  • Indirect realisme: er zijn goede redenen om aan te nemen dat de externe wereld bestaat, ook al nemen we deze niet direct (rechtstreeks) waar, maar via de ideeën die haar representeren à representatief realisme en conceptueel empirisme.
  • IBE: op basis van het onderscheid tussen de primaire en secundaire eigenschappen. à 2e vraag: geven onze zintuigen wel een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid.

Ad 2.
om deze vraag te kunnen beantwoorden of de zintuigen betrouwbaar zijn, of anders geformuleerd, welke indrukken échte eigenschappen van de dingen vertegenwoordigen, maakt Locke het volgende onderscheid (van Descartes afkomstig):

  • De primaire eigenschappen (kwaliteiten): deze horen tot de dingen zelf, ze bestaan dus onafhankelijk van onze waarneming, dus objectief. De empirie is hier betrouwbaar: meerdere zintuigen leiden tot hetzelfde idee. Het object moet dus wel echt bestaan.
  • De secundaire kwaliteiten: deze nemen we slechts met één zintuig waar én afhankelijk van de waarnemer (dispositioneel); bijv: zoet bestaat pas als wij het proeven. Deze eigenschappen zitten in werkelijkheid niet vast aan de stoffelijke dingen, maar zijn door ons medegevormd. De oorzaken bestaan wel in de objecten.

 

Kritiek van Berkeley:

Deze kritiek van Berkeley is samen te vatten in twee punten:

  1. Kritiek op het onderscheid tussen de primaire en de secundaire kwaliteiten

    Berkeley stelde: waarom zou je aannemen dat sommige eigenschappen echt van de dingen zijn en andere niet?

    Bijv: We nemen toch een sinaasappel waar als een samenhangend geheel van vorm, kleur, smaak, enz.?

  2. Kritiek op de aangenomen substantie. Berkeley kon niet over de 2e tegenspraak van Locke geenstappen. Dit was niet consequent empirisch.

 

De oplossing van Berkeley:

  • Om nu de 2e tegenspraak van Locke op te lossen, wilde Berkeley het onderscheid gewoon opheffen? Hoe?
  • Hij begint door de stellen dat we de primaire eigenschappen alleen via de secundaire eigenschappen kennen.
  • Bijv: we kunnen de vorm en de grootte van een tafel alleen maar kennen door de voelen (waar de gladheid of de ruwheid ophoudt) of te zien (als contrast met de achtergrondkleur van bijvoorbeeld de muur).
  • Conclusie: al de primaire eigenschappen zijn dus niets anders dan interpretaties van secundaire eigenschappen. Dus ook de primaire eigenschappen bestaan alleen in de geest (als idee).  Met andere woorden: ‘Zijn is waargenomen worden’ (esse est percipi)
  • Dus: er bestaan slechts ideeën en geest, geen materie. Er bestaat geen (materiële) substantie, dus een onafhankelijk van ons bestaande drager van kwaliteiten. Dit is de stelling van het Idealisme.

 

De niet waargenomen kamer?
Probleem:
Als het bestaan van de stoffelijke wereld afhangt van het waargenomen worden, waarom verdwijnt een object dan niet als ik ophoud met het waarnemen ervan?

God als eeuwige alomvattende waarnemer:

  • Daar de buitenwereld niet materieel is en alle ideeën slechts in de geest zijn, moeten de ‘objecten’ van de zintuigelijke ideeën in een andere geest aanwezig zijn die ze waarneemt, ook al zou er geen mens zijn die ze niet waarneemt. Dit kan alleen God zijn, God is de eeuwige waarnemer.
  • Dit betekent dat de dingen (objecten) niets anders zijn dan complexen van ideeën die door God constant worden waargenomen. De mens neemt ze vervolgens waar.
  • De werkelijkheid is dus een voorstelling in onze geest, veroorzaakt door God.

 

Hume

Komt uit Schotland, 1711-1776.

Volgens Hume is de menseijke geest een bundel van percepties (voorstellingen). Hij deelt deze percepties in, in twee verschillende klassen:

  1. De ervaringsindrukken (impresiions)
  2. Ideeën (ideas)

Ervaringsindrukken zijn een stuk intensiever dan ideeën, denk hierbij aan pijn.

Je hebt enkelvoudige en samengestelde indrukken.
Enkelvoudig: geur, kleur smaak.
Samengesteld: een aardbei.
De enkelvoudige indrukken samen vormen een samengestelde indruk. Dit verschilt steeds per persoon, iedereen heeft een andere geur bijvoorbeeld.

Associatie: valse ideeën kunnen ook gevormd worden. Volgens Hume heeft een begrip pas een betekenis als het terug te voeren is op de oorspronkelijke betekenis. Een engel/eenhoorn is dus fantasie.

Causaliteit: oorzaak en gevolg. Hume had ook een probleem met causaliteit: de oorzakelijkheid. Tussen oorzaak en gevolg zit oorzakelijkheid, als je het gaat toepassen op de zintuigen gaat het niet. Je kan het niet proeven, zien of horen. Mensen leggen een verband tussen een oorzaak en een gevolg. Een empirist zegt dat je het niet kan waarnemen, dus dat het niet te bewijzen is. Volgens Hume is het idee een vals portret van een gedachte. We vormen een fout beeld van causaliteit.

Inductieprobleem: als A gebeurt, dan volgt B. We passen dit op veel dingen toe, je weet dat sommige dingen gebeuren als er iets anders gebeurt. Hume zegt dat als oorzakelijkheid niet waarneembaar is, het niet gezien kan worden als kennis. Deze wet zal hierdoor niet kunnen ontstaan, maar Hume zal niet ontkennen dat we deze wetten niet nodig hebben. Hij maakt wel verschil tussen wetten en verwachtingen: regelmatigheid maakt geen wet. Hume had dus kritiek op veel filosofische wetten die op verwachtingen gebaseerd waren en had hier dus kritiek op.

De vork van Hume: onderscheid in het menselijk denken.

 

Analytisch: een analytisch oordeel is waar als het waar is op grond van de betekenis van het oordeel. Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd.
Synthetisch: een synthetisch oordeel is waar als het waar is op grond van de betekenis van het oordeel en op grond van de feiten. Meneer Reijnen is een leraar.

Op welke manier kun je vaststellen of iets waar of onwaar is?

A priori: als een uitspraak A priori waar is, is die vast te stellen zonder hulp van zintuigelijke waarneming. Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd.
A posteriori: als een uitspraak A posteriori waar is, is die vast te stellen met behulp van zintuigelijke waarneming. Meneer Reijnen is een leraar.

Noodzakelijk: noodzakelijke uitspraken zijn altijd waar.
Contigent: contingente uitspraken zijn niet in alle gevallen waar.

Je kan deze woorden bij elkaar plaatsen in een tabel, een soort vork.
Hoe bepaal ik van welk type uitspraak er sprake is?

  • Bepaal ik of de uitspraak waar is op grond van een zintuigelijke waarneming: synthetisch
  • Bepaal ik of de uitspraak waar is op grond van betekenisanalyse: analytisch
  • Is dit beide niet het geval: onzinnig

Was Hume een atheïst?
Atheïsme was in de tijd van Hume nog strafbaar, maar Hume had een kritische kijk op God. Hij ontkende God niet, maar God was niet waarneembaar. Hij kon zijn bestaan niet bevestigen, maar het was ook niet zo dat God nooit waarneembaar kon zijn. Je kon volgens hem dus niet veel over godsdienst zeggen, tot je het hebt ervaren. Hume was dus gematigd in de verlichting.

Scepticisme: de menselijke geest is van nature onbekwaam om iets met zekerheid te weten.
Hume hoorde bij de moderne sceptici, hij twijfelde bijna over alles om zich heen. Ook over zichzelf: ‘Besta ik?’. Als je alle kenmerken van een object weghaalt blijft er volgens Hume niks over, dus als je dit bij je zelf doet, blijft er niks van je over. Dit argument slaat ook op het hebben van een ziel, hij dacht dan ook dat je geen ziel had. Het is niet gek dat wij wel denken dat er een ik is, maar volgens een empirist is het niet te controleren.

Descartes: ik denk dus ik besta.
Hier was Hume het niet mee eens, want dit hoeft dus helemaal niet zo te zijn.

 

David Hume (1711-1776)

Ook Hume stelde dat alleen de ideeën bestaan. Er is geen representatie van iets buiten het bewustzijn want dan zouden we ons beroepen op externe objecten. Het voorwerp van onze ervaring zijn (net als bij Locke en Berkeley) de bewustzijnsinhouden (perceptions = percepties).

Er zijn twee soorten percepties:

A. De ervaringsindrukken (Impressions): de zintuiglijke waarnemingen;

De innerlijke waarnemingen (emoties, wilsuitingen) direct in de ziel.

 Deze impressies zijn intensief en direct.

 B. De ideeën (Ideas):

Dit zijn de kopieën (afbeeldingen) van indrukken in de vorm van nadenken, herinneren, verbeelden). De ideeën zijn minder intensief.

Dit zijn de kopieën (afbeeldingen) van indrukken in de vorm van nadenken, herinneren, verbeelden). De ideeën zijn minder intensief.

De impressies leiden tot enkelvoudige ideeën (hard, zacht, heet, koud, enz.).

M.b.v. de verbeelding (imagination) die werkt met het principe van associatie (gelijkenissen, nabijheid, causaliteit),  kan de mens komen  tot de samengestelde ideeën. Deze komen dus niet onmiddellijk uit een indruk voort.

 

1. De oordelen over feiten (matters of fact).

Zij drukken een feitelijke stand van zaken uit. Het zijn directe ervaringsoordelen a posteriori

Bv.

‘Ik vind op een onbewoond eiland een horloge (= de impressie). Mijn imagination concludeert: “er zijn hier mensen geweest” ‘.(= Idea).

2. Oordelen over verbindingen van ideeën (reflections of Ideas).  

Dit zijn a priori oordelen van de wiskunde en de logica. Ze zijn absoluut noodzakelijk en waar. Volgens Hume zijn deze uitspraken tautologieën.

 

Hoe ontstaan nu volgens Hume uitspraken die niet direct terug te leiden zijn naar de onmiddellijke empirie?

Op grond van wat onmiddellijk present is (impressies) wordt het bestaan van iets geconcludeerd van wat niet onmiddellijk present is. Dit is een assumptie (aanname).

Bv. De causaliteitsidee. ‘ Ik zie een rode biljartbal na het raken van de witte biljartbal rollen’ 

Ik concludeer dat de witte bal de oorzaak is van het bewegen van de rode bal. Maar ik kan in principe geen zintuiglijke indruk vinden van de oorzaak. Ik zie alleen een opeenvolging van bewegingen; bal A na bal B.

Er is geen verschil in de waarneming: ‘A na B’ en ‘A door B’, maar de zinnen hebben wel een andere betekenis! A door B geeft een noodzakelijkheid weer, een noodzakelijk verband van oorzaak en gevolg (causaliteit). En dit verband zelf neem ik niet waar.

Ik kan dus niet stellen dat dit verband hoort bij het wezen van de dingen. Ik neem het aan op basis van gewoonte of gewenning (a custum of a belief), een verwachting van een regelmaat.

Hume geeft dus een psychologische fundering van de natuurwetten!

De kenleer van Descartes – De lijn van zijn denken

Er zijn twee soorten twijfel:

1. De socratische twijfel: object, doel, uitvoering en conclusie.

  • Object: aan zijn eigen kennis en wijsheid en die van anderen.
  • Doel: kennis van de Idee.
  • Uitvoering: het filosofisch gesprek met anderen: de dialoog (socratische methode).
  • Conclusie: de wetende onwetendheid en menselijke kennis is en blijft feilbaar. Je moet je beseffen dat je de waarheid eigenlijk niet weet. We weten dat we het niet weten, pas als de ziel naar de ideeënwereld gaan kunnen we de waarheid zien. Je hebt pas na de dood kennis van ideeën. Wijsbegeerte: verlangen naar wijsheid.

2. De cartesiaanse twijfel: object, doel, uitvoering en conclusie:

  • Object: de waarheid van zijn kennis en ervaringen.
  • Doel: de onbetwijfelbare kennis.
  • Doel: de onbetwijfelbare kennis.
  • Uitvoering: kritisch zelfonderzoek van de eigen kennis door introspectie (de methodische twijfel).
  • Conclusie: het cogito (het denken) en daarmee zijn eigen bestaan (cogito ergo sum) à zekere menselijke kennis is bereikbaar. De kennis van Descartes is gelegen in de mens, in de mens is echte kennis vergeten.

De argumentatie van Descartes bevat een aantal stappen.

Deel 1: De eerste waarheid:

Uitvoering: de methodische twijfel:

  1. Aan alles twijfelen waar men aan kan twijfelen totdat dat overblijft waarvan de waarheid niet meer betwijfeld kan worden;
  2. Het bestaan van vrijwel alles kan men betwijfelen, maar niet over het feit dat je twijfelt, dus het denken. En omdat er iets moet zijn dat denkt, moet ik bestaan. Dat is het fundament.
  • 1e waarheid = het ego cogito = het denkende ik (het subject) à het zelfbestaan = cogito ergo sum.

Deel 2: de aangeboren ideeën:

  • Waarheidscriterium: de eerste kennis bestaat uit niets anders dan een helder en welonderscheiden (duidelijk) begrip van dat wat ik bevestig à de wiskunde à de ideeën die ik even helder en onderscheiden inzie zijn waar.
  • Argumentatie: zonder een aantal basisbegrippen kan ik nooit tot de 1e waarheid komen: ‘ik’, ‘denken’, ‘waarheid’, ‘ding’.
  • Deze heb ik niet uit de ervaring, maar uit mezelf, uit het denken.
  • De basisideeën zijn aangeboren.
  • We ontdekken deze dus door reflectie op zichzelf (introspectie) à rationalisme.

Deel 3: Het bedriegersargument:

  • Argumentatie: hoe kan ik zeker zijn dat er buiten mijn geest (subject) nog iets anders is? Ik kan immers twijfelen aan de echtheid van de empirische buitenwereld.
  • Descartes: stel een kwade God heeft een schijnwerkelijkheid, een illusie geschapen; een droomwereld.
  • Moderne variant: het probleem van het brein in het vat.

Cartesiaans godsbewijs: De tweede waarheid

  1. Mijn idee van God als een oneindig, volmaakt en eeuwig wezen, kan niet van mijzelf afkomstig zijn: namelijk niet uit de empirie en niet door eigen beredenering.
  2. Want ik kan als eindig, onvolmaakt en vergankelijk wezen dit idee niet waarnemen en bedenken.
  3. VA: een gevolg kan niet perfecter zijn dan een oorzaak.
  4. Dus moet het idee al in mij zijn, aangeboren.
  5. En dan moet het wel afkomstig zijn van een oneindig, volmaakt en eeuwig wezen zelf (van wie anders?).

God is geen bedrieger:

  • Ik heb een aangeboren idee van een volmaakte God.
  • Een volmaakt wezen zou nooit bedriegen.
  • Dus kan God als schepper geen schijnwereld gecreëerd hebben.
  • Conclusie: de materiele buitenwereld moet dus echt bestaan.

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.