Filosofie – Hoofdstuk 2 – Wijsgerige Ethiek



Paragraaf 1

• Goed mens = mens die goed handelt

• Wijsgerige ethiek = onderscheid maken tussen goed en slecht -> de mens behoort goed te zijn -> probeert vast te stellen wat de betekenis van goed is -> systematische en kritische bestudering van moraal

• Iemand die een ander gelukkige maakt is goed -> maar als je een armoedzaaier geld geeft om je schuldgevoel te stillen, dan ben je egoïstisch



• Je hebt 2 soorten goed:



1. kwalitatief-goed -> het gaat goed met mij, de film was goed

2. moreel-goed -> een goed mens

• Moreel komt van moraal en mores (Latijn voor zeden/gebruiken/gewoontes)



• Goede leven = in 1e plaats: een gelukkig leven (leven met veel gelukkige momenten, veel ervaringen van vreugde en genot)

• Moraal = stel ongeschreven regels -> hierbij gaat het om de 1e plaats om de belangen van andere mensen (respect en zorg voor anderen bijv)

• Ultieme belang vd mens = gelukkig zijn, het “goede leven” leiden



• Waarde = iets wat veel mensen waardevol/belangrijk vinden

• Niet-morele waarden = gezondheid, leuk werk etc

• Morele waarden = eerlijkheid, rechtvaardigheid, zorg voor de zwakkeren, soberheid

• Normen zijn afgeleid van waarden



• Norm = een regel waarin een bepaald gedrag wordt voorgeschreven -> van 1 waarde kunnen meerdere normen afgeleid worden

• Of een waarde of norm moreel of niet moreel is hangt af van de reikwijdte van de kring van mensen wier belangen in het geding zijn (familie, Nederlanders, Europeanen).

• Waarden en normen zijn meningen

• Je hebt 2 soorten uitspraken:

1. Feitelijke uitspraken (bijv. Parijs is hoofdstad van Frankrijk) -> kan waar of onwaar zijn

2. Waarde-uitspraken -> nooit waar of onwaar, je bent het ermee eens of niet (bijv. Jaap schrijft mooie boeken -> waardeterm = mooie)



• Een handeling is moreel goed als zij bijdraagt aan het geluk van 1 of meer anderen -> hierbij moet je wel kijken naar het motief van degene die de handeling verricht -> ook het motief moet deugen

• Sommige filosofen zeggen dat een goed mens, niet iemand is die goede handelingen verricht, maar iemand met een goed innerlijk/karakter -> een deugdzaam mens (iem die in moreel opzicht deugt en bepaalde deugden bezit)

• Deugd is een dispositie: een aanleg of geneigdheid om je op een bepaalde manier te gedragen

• Griekse Oudheid had je 4 ‘kardinale’ deugden:

1. wijsheid

2. rechtvaardigheid

3. moed

4. matigheid

• 3 belangrijkste deugden van het christendom:

1. geloof

2. hoop

3. liefde

• Dit zijn allemaal morele deugden -> niet morele deugden zijn: intelligentie en opgewektheid



• Moraal is prescriptief (voorschrijvend, hoe je iets moet doen)

• Cultuur-antropologen die de moraal ve bepaalde etnische groepering gaan onderzoeken gaan descriptief (beschrijvend, ze beschrijven de normen en waarden) te werk

• De 5 kenmerken van moraal:

1. zorg voor anderen

2. prescriptief

3. morele regels hebben voorrang boven andere gedragsregels (bijv verkeersregels)

4. morele regels dienen universaliseerbaar te zijn

5. morele regels zorgen voor sterke betrokkenheid (voor een persoon in een bepaalde situatie)



Socrates

• Het moreel goede is verbonden met inzicht -> als men niet weet wat het goede is, kan men ook geen goed mens zijn -> maar als men uiteindelijk weet wat goed is, kan je nooit meer fout doen -> deugd & inzicht vallen samen

• Lijfspreuk: “Ken uzelf” -> hij riep zijn toehoorder op tot zelfonderzoek en inkeer

• Socrates is meest deugdzame persoon uit oudheid



Plato

• Plato’s Ideeënleer: het Idee vh Goede neemt de centrale plaats in -> via onsterfelijke ziel vd mens neemt men deel ad wereld van Ideeën.

• Doel v mens = zich boven het direct zintuiglijke en materiële verheffen om het doel te bereiken -> doel = in contact komen met het Idee vh Goede -> zintuiglijke en materiële zijn afschaduwingen vh Echte, nl. de Ideeën.

• D.m.v. deugd kan de ziel in contact komen met het Idee vh Goede

• Vindt ook dat deugd is gebaseerd op inzicht, maar vindt ook dat deugd uit 4 hoofddeugden bestaat:

1. wijsheid

2. rechtvaardigheid

3. moed

4. matigheid

• Ziel is verdeeld in: denken (wijsheid), wil (moed) en begeerte (matigheid) -> rechtvaardigheid omvat alle andere deugden -> er is rechtvaardigheid als de 3 delen vd ziel en daarbijhorende deugden met elkaar in evenwicht zijn.

• Stoffelijke wereld is hoger dan geestelijke wereld en geestelijke wereld is hoger dan lichamelijke wereld



Aristoteles

• Deugdethicus -> het goede v elk ding bestaat in het actief functioneren volgens de eigen aard (goed functionerende beeldhouwer)

• Goed functioneren volgens eigen aard = hoogste deugd

• Mens is een redelijk wezen -> hoogste deugd is dus: het volop laten functioneren vd rede

• Deugden verwerf je niet zomaar, je moet jezelf erin bekwamen (training)

• Het gaat vooral om het praktische doel waarop elk mens zijn handelen afstemt: bereiken v eudaimonie (gelukzaligheid)

• Goede leven ziet er voor elk individu anders uit, daarom geen dwingende, absolute normen -> ieder moet afzonderlijk weg naar eudaimonie kiezen

• Ieder moet wat hij v nature is uitoefenen voordat hij beïnvloed wordt door omgeving

• Mens is redelijk wezen en vindt zijn eudaimonie dus door zijn rede -> daardoor geeft mens uitdrukking aan zijn wezen = grootste deugd

• Andere deugden: matigheid, zelfbeheersing en de gulden middenweg (bijv bij moed -> moed is gulden middenweg tussen lafheid en overmoedigheid)

• Mens is gemeenschapswezen en kan deze deugden alleen verwezenlijken in een menselijke gemeenschap.



Paragraaf 2

• We gedragen ons moreel, omdat dat voordelig is voor de gehele samenleving -> als er totale oorlog zou zijn, zou niemand gelukkig kunnen worden

• “War of all against all” (Thomas Hobbes 17e eeuw)

• “Homo homini lupus esse” (Thomas Hobbes -> de mens is een wolf voor de medemens)

• “Homo homini deus esse” (Spinoza -> de mens is een god voor de medemens)

• Contracttheorie = de leden ve samenleving hebben een (fictief) sociaal contract met elkaar gesloten waardoor ze elkaar verplichten tot een morele levenswijze.



• Jij zou je niet moreel kunnen gedragen (morele, parasitaire houding), als de rest zich wel moreel gedraagt

• Als iedereen zich niet meer moreel zou gedragen, zou alles 1 grote puinhoop worden

• Er is sprake ve prisoner’s dilemma als:

1. een morele, solidaire opstelling, waarbij iedereen iets moet inleveren of bijdragen, voor iedereen voordelig is

2. het voor ieder individu nog voordeliger zou zijn als alleen hij/zij niet solidair was en de rest wel



• Verantwoordelijkheid is iets wat je leert -> hierdoor krijg je wel vrijheid in het maken van keuzes

• Secularisatie (=proces v ontkerkelijking) zorgde voor ontwikkeling v eigen moraal

• Enkele christelijke waarden: opkomen voor zwakkeren, verantwoord omgaan met schepping (‘rentmeesterschap’), vergevingsgezindheid en geen talent verspillen.

• 2 opvattingen over de herkomst vd moraal:

1. de moraal wordt sterk beïnvloed door het bedrijfsleven

2. elke moraal komt overal en altijd voort uit puur eigenbelang (vb: christelijke moraal komt voort uit wraakgevoelens v onderdrukte)

• Moraal kan 2 waarden hebben:

1. instrumentele waarde -> de moraal dient als middel om een bepaald doel te bereiken

2. intrinsieke waarde -> de moraal is een doel op zichzelf (intrinsiek betekent: innerlijk, van zichzelf)



Nietzsche

• Filosoof met hamer, omdat hij zich ongelooflijk radicaal afzet tegen filosofie voor hem -> hij slaat alle bestaande filosofische inzichten in puin

• Kernbegrip in Nietzsches filosofische opvatting = Wille zur Macht (levensdrang) -> deze vormt het wezen vd wereld, daarbuiten bestaat helemaal niets

• Also Sprach Zarathustra: “God is dood.” -> Zarathustra is een Perzische profeet (fictief figuur)

• Wereld is alles wat we hebben -> in de wereld is een eeuwigdurend kr8enspel bezig van zelfschepping en zelfvernietiging -> er is een eeuwige terugkeer van alles -> de aarde onstaat, leeft en gaat ten onder.

• Nietzsche’s filosofie is 1 van hartstocht/extase/roes

• Het dionysische = de duistere, zinnelijke kant vd mens (daar waar de oerdrang, de scheppende drang zit) (symbool voor Dionysos: god vd wijn en extase)

• Het apollinische = harmonie, redelijkheid en (zelf)beheersing voor het zuivere en verhevene (symbool voor Apollo: god vh licht)

• Het apollinische gaat altijd samen met het dionysische -> je moet er evenwicht tussen vinden.

• Nietzsche is antimoralist: hoogstaande moralen worden door hem gezien als puur egoïsme, eigenbelang of wraakzucht -> hij wil een herijking (Umwertung) v alle waarden

• Nietzsche zet zich sterk tegen christelijk geloof en christelijke moraal af

• Je hebt 2 soorten moraal:

1. heersersmoraal -> goed = een onbelemmerde ontplooiing v levensdrift vd heerser

2. slavenmoraal -> goed = vredelievendheid, onschadelijkheid en medelijden

• Christendom = slavenmoraal, omdat de slaven/onderdrukten zich gezamenlijk sterk maken tegen heersers en hierdoor ontplooiing v levensdriften v heersers belemmeren -> door christendom krijgen moreel goede zaken (rijkdom, goddeloosheid, gewelddadigheid en zinnelijkheid) een negatieve waarde -> het christendom onderdrukte de wil tot macht

• Na een nihilistisch tijdperk verw8 Nietzsche een Übermensch (nieuw bovenmenselijk wezen) -> deze weet dat God dood is, en die dus weet dat er niets hogers bestaat en dat de wereld dionysisch is -> hij weet dat hij deel is v wereld die voortdurend geboren wordt en ondergaat (tragische wijsheid)



Paragraaf 3

• Plato beschouwde rechtvaardigheid als belangrijkste deugd -> rechtvaardigheid is nu ook belangrijkste deugd v publieke moraal



• “gelijke monniken, gelijke kappen.” = principe dat je gelijke mensen gelijk moet behandelen en ongelijke mensen ongelijk



• 3 soorten rechtvaardigheid:

1. distributieve of verdelende rechtvaardigheid -> eerlijke verdeling v rechten, vrijheden, kansen, inkomen en welvaart -> wordt geregeld door bel. Instituties ve mppij (regering etc)

2. procedurele rechtvaardigheid:

• volmaakte procedurele rechtvaardigheid = procedure voor het verdelen v goederen en diensten + criterium v rechtvaardige verdeling, dat onafhankelijk is v procedure -> vb snijden ve stuk cake, waarbij snijder laatste stuk krijgt (procedure), dat iedereen een gelijk stuk krijgt is het criterium

• onvolmaakte procedurele rechtvaardigheid = er is wel een criterium v rechtvaardige verdeling, maar geen procedure die garandeert dat er aan de eisen vh criterium voldaan wordt (rechters en jury’s maken fouten)

• Pure procedurele rechtvaardigheid = er is een procedure voor verdeling, maar geen rechtvaardigheidscriteria die onafhankelijk zijn vd procedure -> de verdeling is rechtvaardig als de verdeling het resultaat is ve correcte toepassing vd procedure

3. rechterlijke rechtvaardigheid -> de wetten end e rechtspraak zijn per definitie rechtvaardig -> als je een bepaalde wet of uitspraak onrechtvaardig vindt, dan ben je “contradictio in terminis” (innerlijk in tegenspraak) -> eigenlijk is het een bepaald soort procedurele rechtvaardigheid



• 4 soorten rechten:

1. wettelijke rechten; wetten en rechtspraak ve bepaalde gemeenschap

2. morele rechten; natuurlijke rechten die voorrang hebben boven wettelijke rechten -> zijn fundamenteler dan concrete wettelijke/juridische rechten, omdat deze juist op morele rechten gebaseerd zijn

3. negatief recht; het recht om vrij te zijn iets te doen of te laten -> anderen zijn verplicht iets niet te doen (bijv bij vrijheid v godsdienst -> niem mag jou daarin belemmeren)

4. positief recht; het recht op bepaalde goederen, kansen of diensten -> anderen zijn verplicht iets te doen

• Overeenkomsten tussen alle soorten rechten:

1. een recht kan opgeëist of geclaimd worden

2. rechten worden beschermd door de mppij

3. een schending v rechten verschaft een basis voor compensatie -> als een bepaald recht geschonden wordt, blijft er een schuld bestaan.

• Een plicht is iets wat je moet doen, wat v je geëist wordt -> je kunt van je plicht ontheven worden door degene jegens wie je de plicht hebt



• Recht van de één brengt plichten mee voor de ander -> correlatie-these (onderlinge onafhankelijkheid) tussen rechten en plichten -> je spreekt ve these, omdat de correlatie tussen rechten en plichten zeer omstreden is

• “Universele verklaring van de rechten van de mens” vd VN -> positieve en negatieve rechten

-> positieve rechten zijn: aanbevelingen aan regeringen dat hun burgers hun rechten ook claimen (kan alleen als je weet wie de bijbehorende plichten heeft)

-> negatieve rechten: correlatie met plichten in vrij makkelijk -> recht op vrijheid v meningsuiting verplicht iedereen om de uitoefening v dat recht niet te verhinderen, iedereen heeft plicht vrijheid v godsdienst te respecteren

-> boven-normaal moreel idee (supererogatery duty) -> plichten waar geen rechten tegenover staan -> bijv: bloemetje meenemen voor je oma, complimenten geven etc.



• eind 17e eeuw: men begint morele kwesties in verband te brengen met rechten

• John Locke: mensen zijn door God geschapen wezens met onvervreemdbare rechten -> mensen bezitten natuurlijke rechten (natural rights) los vd sociale en politieke structuur waarin ze leven

• Meest fundamentele recht vd mens = ze mogen zelf beoordelen hoe God wil dat zij leven

• Natuurlijke rechten zijn universeel

• Tijdens Franse revolutie stelt Montesquie de verklaring op v “de rechten van mens en burger” -> alle mensen zijn v nature vrij en gelijk en hebben onvervreemdbare rechten -> gaat vooral om negatieve rechten

• In “Universele verklaring van de rechten van de mens” vd VN staan ook positieve rechten (recht op scholing, wonen en medische zorg)

• Natuurlijke rechten/mensenrechten hebben voorrang boven wetten vh recht en het recht v afzonderlijke gemeenschappen



Spinoza

• Hoofdwerk = Ethica -> hierin ontvouwt hij zijn ethische denkbeelden dmv axioma’s, stellingen, bewijzen en conclusies -> 1 vd radicaalste beschrijvingen vd individuele vrijheid vd mens

• Ethische denkbeelden komen v Stoa af -> volgens Spinoza kan niemand een wijze worden volgens stoïcijnse ideaal

• Vrijheid is besef van noodzaak -> verzet tegen rede is illusie van vrijheid, dan ben je juist niet vrij -> vrij ben je als je niet onderworpen bent aan emoties en de hieruit voortkomende haat en liefde

• Je leeft passief als je je laat leiden door je emoties -> je moet je laten leiden door rede, dan leid je een actief leven

• Emoties laten zich beter beheersen als wij ze in hun wezen begrijpen

• Deugdzaam mens = mens die zijn welbegrepen eigenbelang volgt (eigenbelang op langere termijn) -> geen beloning voor het zijn v deugdzaam mens, dat zou de deugd bederven -> beloning is: de deugd zelf



Paragraaf 4

• Je hebt 2 soorten benaderingen vd studie vd moraal:

1. normatieve benadering -> er wordt een bepaalde norm gesteld: men stelt zich niet neutraal op ten aanzien v moraal en laat eigen normen en waarden doorklinken en kiest positie -> vbn: normatieve ethiek en toegepaste ethiek

• algemene normatieve ethiek = houdt zich bezig met normatieve ethische theorieën (gevolgenethiek, pichtethiek en deugdethiek) -> in normatieve ethische theorieën worden fundamentele morele principes v plicht en deugd geformuleerd -> normatief, omdat ze een bepaalde norm stellen met betrekking tot het moreel goede (men treft er een standpunt in aan ten aanzien v correct moreel handelen)



• toegepaste ethiek = houdt zich bezig met mkn v concrete ethische afwegingen en het nemen v concrete ethische beslissingen (vb: wie krijgt nier->)

2. niet-normatieve benadering -> zoveel mogelijk neutraal opstellen ten aanzien v moraal -> vbn: descriptieve ethiek en meta-ethiek ->

• descriptieve ethiek = het gaat om de beschrijving en verklaring v morele opvattingen en moreel gedrag (cultureel-antropologen, historici en sociologen)

• meta=-ethiek = houdt zich bezig met analyse v morele taal (betekenis v morele termen en regels voor correct moreel redeneren -> rechtvaardiging v moraal en morele uitspraken)



Gevolgenethiek

• Gevolgenethiek = eerst kwalitatief, dan kwantitatief -> alleen kijken naar gevolgen (bijv 1 mens vermoorden en 10 mensen blij maken is moreel goed) -> het moreel goede is afhankelijk van de gevolgen van handelingen -> consequentialistische/teleologische theorie (ethische theorie die geformuleerd wordt in termen v gevolgen en doelen) (consequentie=gevolg en telos=doel)

• Utilisme/utilitarisme = belangrijke consequentialistische theorie -> de (on)juistheid v handelingen wordt uitsluitend bepaald door de goede of slechte gevolgen vd handelingen -> gevolgen voor het leven v allen die bij de handelingen betrokken zijn

• Utilisme -> handeling is goed als ie meer goede gevolgen/minder slechte gevolgen heeft dan alle andere handelingen die iem had kunnen doen

• Geluksutilisme -> goede gevolgen = geluk en slechte gevolgen = ongeluk -> een handeling die meer geluk/minder ongeluk tot stand brengt dan alle andere mogelijke handelingen is moreel goed én verplicht

• Geluk is moeilijk te kwantificeren (is noodzakelijk om grootste geluk voor grootste aantal mensen vast te stellen) -> om problemen te voorkomen, kiezen sommigen ervoor om als utilistisch criterium niet geluk maar de voorkeuren v mensen te nemen -> voorkeursutilisme (probleem: moeten alle voorkeuren zo zwaar tellen -> alcoholist)

• Belangrijkste arg. voor utilisme als ethische theorie = het verschaft een duidelijke criterium om te beoordelen wat goed is

• Nadeel v utilisme = het zijn uitsluitend de goede gevolgen die een handeling goed maken



J.S. Mill

• Werd sterk beïnvloedt door Jeremy Bentham (vader v utilisme) -> zoveel mogelijk mensen, zoveel mogelijk tevreden stellen -> “Het grootst mogelijke geluk voor grootst mogelijk aantal mensen -> individuele mens moet leren in te zien, dan als hij zijn persoonlijk streven naar geluk aanpast ah algemene doel v al het menselijk handelen

• Mills doel v al het menselijk streven: lust verwerven -> de dingen die ons lust verschaffen zijn waardevol, het zijn middels, geen doelen

• Onze morele oordelen hebben zich op grond v ervaring gevormd

• “On liberty” -> hierin formuleert Mill de eisen voor de ideale samenleving in liberale zin -> een zo groot mogelijk vrijheid voor iedereen -> als iem vrijheid beperkt wordt is daar 1 reden voor: de mogelijke belemmering vd vrijheid v iem anders

• overheid mag alleen haar m8 in negatieve en niet positieve zin gebruiken -> het goede komt vanzelf, als daar de ruimte->vrijheid voor is



Plichtethiek

• Ethische theorieën waarin het doen v je plicht centraal staat = deontologische theorieën (Deon = het passende, dat wat gepast is)

• Handeling is moreel goed als zij in overeenstemming komt met 1 of meer principes v morele plicht

• Deontologische theorieën zijn gericht op handelingen die mensen verrichten -> de gevolgen zijn niet belangrijk (utilisme), maar je moet handelen volgens je principes v je morele plicht (ongeacht de consequenties daarvan en zonder een bepaald doel na te streven)

• Vervullen v je plicht = doel op zichzelf -> mensen niet gebruiken als middel, maar als doel

• Morele verplichting hangt vaak af v bepaalde verplichtingen uit verleden (bijv een contract) -> kan ook voortkomen uit bepaalde relaties tussen mensen (ouders en kinderen bijv -> ouders moeten kinderen liefhebben en kinderen moeten ouders respecteren -> verplichtingen zijn absoluut (gelden zonder meer en zijn niet afhankelijk ve voordeelberekening/gelukscalculatie)

• Deontologen: er is maar 1 hoogste principe v morele plicht -> dat je slechts moet handelen volgens een generaliseerbare vuistregel (regel waarvan je tegelijk zou willen dat het een algemene wet was) -> het is onaanvaardbaar dat je ten aanzien ve bepaalde regel een uitzondering voor jezelf maakt (uitzondering geldt dan voor iedereen)

• Hoogste deontologische principe: wat je niet wilt dat anderen jou aandoen, moet je anderen ook niet aandoen -> mens nooit zien als middel, maar als doel -> anderen hebben eigen doelstellingen, je mag hun nooit tot middel maken voor doelstelling die in strijd zijn met hun doelstellingen

• Voordeel deontologisme:

• Morele principes nemen in deze ethische theorie een centrale plaats in -> vanuit deontologisch standpunt zijn sommige handelingen moreel nooit te rechtvaardigen (bijv onschuldig iemand vermoorden om bloedbad te voorkomen is deontologistisch gezien niet aanvaardbaar -> morele principe = dat je iem die onschuldig is niet mag vermoorden)

• Nadeel deontologisme:

• Het bevat geen objectief criterium om uit te maken welke morele principes men moet hanteren

• Er zijn situaties waarin 2 of meer morele principes met elkaar in conflict komen -> er moeten bepaalde voorrangsregels gelden tussen versch morele regels

• Gebaseerd op verborgen consequentialistische opvattingen -> bij hoogste principe: behandel een ander zoals je zelf behandeld wil worden -> uiteindelijk heeft dit de beste gevolgen



Kant

• Was eerste zogenaamde “vak-filosoof” -> was hoogleraar logica en metafysica ad universiteit v Koningsbergen (Kaliningrad) -> had heel erg regelmatig leven

• De rede werkt op 2 verschillenden manieren:

1. rede is op kennis gericht en is dus theoretisch werkzaam

2. rede is gericht op handelen en is dus praktisch

• “Kritik der praktischen Vernunft” -> gaat over praktisch handelen vd mens (ethiek en moraal dus)

• Hij is op zoek naar altijd en overal geldende morele regels -> kunnen niet afgeleid worden uit ervaring, want dan zouden ze toevallig en willekeurig zijn -> ze moeten voorafgaand aan iedere ervaring zijn (a priori)

• Hij zoekt ook naar formulering v hoogste morele wet waaruit andere morele wetten afgeleid kunnen worden -> deze wet is a priori en categorisch (uit zichzelf en zonder enige gestelde waarde)

• Categorisch imperatief = een bevel dat los v elke inhoud onvoorwaardelijk opgevolgd moet worden

• 2 formuleringen v categorisch imperatief:

1. handel slechts volgens die regel, waarvan je wilt dat het een algemene wet wordt

2. je moet een mens altijd behandelen als een doel op zichzelf en nooit als een middel

• De hoogste morele wet/categorisch imperatief moest even absoluut gelden als wet van oorzaak en gevolg

• Moraal = luisteren naar eigen geweten, volgen vd plicht -> je moet in overeenstemming met de plicht handelen en uit plicht (uit 8ing voor hoogste morele wet) -> het resultaat is niet belangrijk, alleen de plicht (dat wat moet)



Deugdethiek

• Iemand die een goede handeling verricht, hoeft geen goed mens te zijn -> iemand die een slechte handeling verricht, hoeft geen slecht mens te zijn

• Bij een handeling moet je kijken naar de motieven, intenties en hun karakter

• Een deugdzaam mens is iemand die bepaalde deugden (goede eigesnschappen zoals moed, eerlijkheid) bezit

• Men is wel geïnteresseerd in de handelingen, maar niet in het effect ervan, maar in de deugden die ten grondslag liggen ad handelingen



Thomas van Aquino

• In ME waren filosofen automatisch theologen -> ze moesten hun filosofische leer in overeenstemming brengen met leer vd Rooms-Katholieke kerk -> ze probeerden christendom te verzoenen met Griekse filosofie

• Augustinus heeft Plato gekerstend (christelijk gemaakt) -> christendom: God heeft wereld uit niets geschapen, alleen God is er en zal er eeuwig zijn -> Plato beweerde hetzelfde alleen dan over de Ideeën -> Augustinus: de Platoonse Ideeën stonden al in Gods gedachten voordat hij de wereld schiep

• V Aquino richtte zich op Aristoteles -> hij slaagde erin ‘de grootste synthese tussen rede en openbaring’ tot stand te brengen -> hij hefde de tegenspraak op tussen wat we met ons verstand kunnen begrijpen (rede) en wat in de Bijbel staat

• Filosofie beschouwde v Aquino als dienstmaagd (dienstbode) vd theologie

• Theologie was de hoogste vorm v wetenschap in de ME

• Maakte scherp onderscheid tussen domein v kennen en domein vh geloof

• In domein v kennen gaat het om objectieve werkelijkheid waarvan we dmv rede kennis kunnen verkrijgen

• In domein v geloof gaat t om bovennatuurlijke kennis, die ook zeker & waar is, maar die we niet met ons verstand kunnen begrijpen -> grote mysteries vh christelijke geloof: de 3-eenheid v God, zijn menswording en zijn opstanding ch lichaam -> dit zijn bovennatuurlijke waarheden, die God in de bijbel beschrijft en die wij slechts gelovig voor waar kunnen aannemen

• V Aquino voegt aan wijsheid, rechtvaardigheid, moed en matigheid toe: hoop, geloof en liefde -> mens is op eerste plaats een redelijk wezen -> driften en lusten moet men in toom houden dmv rede

• Mens is een zooion politikon (sociaal wezen) -> mens kan onmogelijk goed zijn zonder zich te bekommeren om algemeen belang -> hoe meer een deugd gericht is op algemeen belang, hoe hoger deze deugd staat aangeschreven

• Als voorwaarde voor moreel handelen ligt er veel nadruk op de vrijheid vd wil



Paragraaf 5

• Sommige filosofen zeggen dat bij een conflict van 2 moralen, de moraal wint die de meeste aanhangers heeft

• Andere filosofen pleiten bij zo’n conflict voor een overeenkomst/geïdealiseerd eindpunt



Jaartallen

Mensen:

Socrates 470-399 vC

Plato 427-347 vC

Aristoteles 384-322 vC

Thomas van Aquino 1224/1225-1274

Spinoza 1632-1677

John Locke 1632-1704

Kant 1724-1804

Jeremy Bentham 1748-1832

J.S. Mill 1806-1873

Opzoomer 1821-1892

Nietzsche 1844-1900



Gebeurtenissen:

1948: Universele verklaring van de rechten van de mens door VN

Franse Revolutie: declaratie van de rechten van de mens en burger

1991: apartheid wordt officieel in Zuid-Afrika afgeschaft

1829: Lord Bentick legt een verbod op het feit dat een vrouw zichzelf op de brandstapel laat gooien, waar het lijk van haar dode man ligt


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.