ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Plato (427-347 v.C.)

Bij Plato is ‘het Goede’ een onveranderlijk Idee uit de Ideeënwereld. Het aardse en het lichamelijke (bijv. het overdadig streven naar eten, of het meegesleept worden door emoties) houden de mens volgens Plato af van het streven naar dit goede, dat alleen door de rede bereikt kan worden. De belangrijkste deugden zijn wijsheid, moed en matigheid, die samen resulteren in rechtvaardigheid. Net als zijn leraar Socrates gaat Plato er van uit dat het goede verbonden is met inzicht. Als je weet wat het goede is, zul je er volgens hem ook naar handelen.

 

Aristoteles (384-324 v.C.)

Volgens Aristoteles is een goed mens iemand die optimaal functioneert, een mens die letterlijk deugd. Het goede, geslaagde leven valt bij Ari samen met het gelukkige leven. Geluk is niet hetzelfde als genot. Het woord dat Ari gebruikt is eudaimonia. Dit betekent het vervolmaakte leven, waarin de mens zijn mogelijkheden zoveel mogelijk verwerkelijkt. De ethiek v Ari wordt de deugdethiek genoemd. Deugden zijn volgens deze opvattingen houdingen die je aanzetten om het goede te doen, zoals eerlijkheid, matigheid en barmhartigheid.

 

Thomas van Aquino (1225-1274)

Voor de kerkvader Thomas van Aquino is het geloof de bron van het goede. De kardinale deugden verstandigheid, rechtvaardigheid, moed en matigheid worden door Thomas aangevuld met de christelijke deugden hoop, geloof en liefde. De hulp v God is volgens Thomas onmisbaar om over jezelf heen te reiken en rechtvaardig te kunnen handelen zonder dat dit in je eigen belang is. De mens moet behalve voor zijn medemens ook goed voor de natuur zorgen die hij van God in bruikleen heeft gekregen. Dit wordt het principe van het ‘rentmeesterschap’ genoemd.

 

Benedictus de Spinoza (1632-1677)

Het hoofdwerk van de NL filosoof Spinoza heeft als titel Ethica. Het boek is op een wiskundige manier opgebouwd, ieder hoofdstuk bestaak uit definities, stellingen, bewijzen en conclusies. God is het uitgangspunt van Spinoza’s ethiek. God legt geen morele wetten op. Wat goed is, wordt bepaald door wat het zelfbehoud van de mens bevordert. Een mens die zijn eigenbelang nastreeft (maar dan wel een eigenbelang op langere termijn, dus geen kortstondig genot), is volgens Spinoza een deugdzaam mens. Hiervoor hoeft hij niet door God beloond te worden: volgens Spinoza is de beloning van de deugd de deugd zelf.

 

Immanuel Kant (1724-1804)

De Duitse filosoof Kant gaat in Kritiek van de praktische rede op zoek naar de fundering van zekere wetten en regels voor de ethiek. Kant formuleert als hoofdregel de categorische imperatief: ‘Handel alleen volgens die stelregen waarvan je redelijkerwijs zou kunnen willen dat het een algemene wet wordt.’ De ethiek van Kant gaat er van uit dat een handeling goed is als deze uit plicht wordt gedaan. De nadruk ligt daarmee op de intentie of het motief dat iemand heeft bij het verrichten van een handeling, en niet zozeer op de gevolgen van een handeling.

 

 

 

Jeremy Bentham (1748-1832) en John Stuart Mill (1806-1873)

De Engelse filosoof Bentham formuleerde de hedonistische calculus, een formule om te bepalen wat het goede is. Hij stelt dat een handeling goed is als deze zoveel mogelijk geluk oplevert voor zoveel mogelijk mensen. Dit is de grondregel voor het utilitarisme. Mill, ook een Engelsman, nuanceerde deze theorie door niet alleen de hoeveelheid geluk, maar ook de kwaliteit van het geluk een waarde toe te kenen. Genieten van een mooi gedicht is een ‘hoger’ soort geluk dan genieten van een zak chips. Volgens Mill is het dan ook ‘beter een ontevreden mens, dan een tevreden zwijn’ te zijn.

 

Morele Schizofrenie

Utilitarisme: discrepantie (tegenspraak) tussen wat we moeten doen (utilisme) en wat ons motiveert, wat we echt willen doen (gevoelens, vriendshcap)

Plichtethiek:  algemene wet is  morele verplichting. Niet emoties, vriendschap, familie (praktijk) = motieven.

Deugdethiek: mens is ‘zooion politikon’= politiek dier à gemeenschapswezen. Mens: rationele vermogen à verstand, talenten à eudaimonia. Goed mens is een gelukt mens.

 

Kant categorische imperatief:

  • Niet naar de gevolgen kijken
  • Hoe bepaal ik wat ik ‘onvoorwaardelijk verplicht’ moet doen?
  • De regel van jouw handeling à algemene wet? Ja: dan moet het. Nee: dan mag het niet.
  • De mens is een doel op zichzelf (intrinsieke waarde) en geen middel

 

Utilisme, plichtethiek:

  • Rationeel handelen (a. berekenen b. algemene wet)
  • Géén gevoelens, emoties en eigen geluk
  • Handeling, dus niet naar mensen
  • Hoe moet ik handelen ipv hoe moet ik leven

 

Kenmerken utilitarisme:

  • Zoveel mogelijk geluk/genot voor het grootste aantal mensen
  • Maximaliseren van geluk/genot
  • Gevolgen (consequentialisme)
  • Ze kijken niet naar intenties (bedoelingen)
  • Elk mens telt voor 1

 

Consequentialisme: maximaliseer het goede

Hedonisme: het goede is geluk

Utilitarisme: consequentialisme + hedonisme; maximaliseer het geluk

 

Hedonisme à genot

Eudaumonisme à geluk

 

Handelingsconsequentialisme: handeling dient goede te maximaliseren

Regelconsequentialisme: handeling dient regel die het goede maximaliseert te volgen.

 

Bezwaren handelingsutilisme:

  • Individu is de pineut
  • Martelen, verkrachten etc.

 

Oplossingen bezwaren handelingsutilisme:

  • J.S. Mill: kwaliteit v/h genot moet meetellen. (naast de hoeveelheid; kwantiteit)
  • Regelutilisme: je moet de regel volgen die op den duur het meeste geluk/genot oplevert.

Oplossingen bezwaren handelingsutilisme:

  • J.S. Mill: kwaliteit v/h genot moet meetellen. (naast de hoeveelheid; kwantiteit)
  • Regelutilisme: je moet de regel volgen die op den duur het meeste geluk/genot oplevert.

 

Nature – nurture

Nature: natuur (Is)

Nurture: opvoeding (Ought)

(zie aantek.)

 

Naturalistische drogreden (Is/ought fallacy):

Natuur: mannetjes sterker

Cultuur(/waarden): mannetjes in cultuur belangrijk, ‘’boven’’ vrouwen staan à behoren.

 

Waarden:

  • 1 woord
  • Principes

Normen:

  • Altijd werkwoord
  • Handelingsregel

 

Ethiek dat is de studie v/d moraal en het moraal bestaat uit normen en waarden.

 

Relativisme

  • Historisch (‘’verticaal’’)
  • Cultuur/land (‘’horizontaal’’)

 

Absolutisme/universalisme

  • Historisch (‘’verticaal’’)
  • Globaal (‘’horizontaal’’)

 

a-moreel: geen goed en kwaad

moraal: goed en kwaad

moreel: goed

immoreel: kwaad

 

Descriptief: beschrijvingen = feiten (Is)

Prescriptief: voorschrijven = normen/waardeb à moraal, ethiek (Ought)

 

Waarden:

Instrumenteel= middel (instrument)

Intrinsiek= waarde op zichzelf à doel.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.