Hoofdstuk 1 – Wijsgerige antropologie

1.1 - De mens is een dier dat kan denken.
* Het uitgangspunt van wijsgerige antropologie is de biologie, die de mens opvat als een bepaalde diersoort en niet in de eerste plaats als een redelijk wezen. De vraag die filosofen zichzelf stellen is: wat is de mens. Dit is vreemd, omdat de mens zowel het object als het subject van het onderzoek is. Volgens sommige filosofen is het feit dat mensen weten dat ze zullen sterven, de reden dat wij ons leven ook van een afstand kunnen beschouwen.
- De mens wordt ook wel homo sapiens genoemd, ofwel: de wetende, of kennende mens.

* Filosoof Aristoteles typeerde de mens als animal rationale, ofwel: een dier dat kan denken.

Van nature kunstmatig.
* Filosoof Friedrich Nietzsche was een belangrijke voorloper voor de wijsgerige antropologie. Hij brak radicaal met het beeld van mens als redelijk wezen. Volgens hem is de mens niets meer dan ‘wil tot macht’, gericht op heersen en overleven.
- Nietszche noemde de mens ook wel een ‘nog niet vastgesteld dier’. Het vermogen tot denken is volgens hem geen ‘extraatje’, maar juist een middel om te kunnen overleven, omdat wij niet zoals andere dieren een vacht, snelheid of enorme kracht hebben. In de Duitse Antropologie wordt de mens hierom ook wel Mangelwesen genoemd.
- Nietszche verklaarde God dood en de mens ‘meester en vormgever van zichzelf’, omdat bij de mens het leven niet vast ligt.

* Filosoof Helmuth Plessner was een van de grondleggers van de wijsgerige antropologie. Volgens hem is de mens niet alleen een natuurwezen, maar ook een cultuurwezen omdat zij in staat is afstand te doen van natuurlijke behoeften.
- De cultuur beïnvloedt echter ook hoe wij over onszelf denken en hoe wij ons leven vormgeven. Dit wordt enculturatie genoemd, ofwel: onze (waarde)oordelen worden voor een groot deel bepaald door de cultuur waarin we zijn opgegroeid. Hoe de mens over zichzelf denkt, hangt behalve met wetenschappelijke en religieuze opvattingen, ook samen met culturele en historische veranderingen.

Copernicaanse wendingen.
Psychiater Sigmund Freud stelde dat de mens tot drie keer toe enorm gechoqueerd was:
- Schok 1. 1514: Copernicus stelde een nieuw model van het heelal voor. Hierin was niet langer de aarde het middelpunt, maar de zon. De aarde en de planeten draaiden daar volgens hem omheen. Dit idee staat ook wel bekend als de copernicaanse wending en was een schok omdat volgens het scheppingsverhaal de aarde het middelpunt is.
- Schok 2. 1859: Charles Darwin bracht het boek met daarin de evolutietheorie uit. Deze theorie ging uit van natuurlijke selectie, ofwel: het best aangepaste dier overleeft en andere soorten sterven uit. Dit was een schok omdat volgens het scheppingsverhaal de mens als evenbeeld van God was.
- Schok 3. Freud stelde dat de mens een ziek dier is, die therapie nodig heeft. De theorie was gericht op psychiatrische patiënten. Tot voor heen werden zij met elektroshocks en dwangbuizen behandeld. Hij kwam met de psychoanalyse, die verdrongen gedachten, trauma’s, onvervulde verlangens en onopgeloste problemen door gesprekstherapie naar boven kon halen.

* Freud deelde de menselijke geest in drie delen: Ich, Es en Über-Ich.
- Ich is de persoonlijkheid.
- Es is de dierlijkheid, ofwel de (seksuele) driften. Ich wordt in belangrijke mate door het Es beïnvloed. Het lichaam speelt volgens Freud een belangrijke rol, veel belangrijker dan bij Plato of Descartes, die de mens als redelijk wezen beschouwden.
- Über-Ich is een soort geweten dat opgebouwd wordt door de opvoeding. Het controleert of er geen verboden/verdrongen gedachten in het bewustzijn komen. Echter ‘sluimert’ de Über-Ich in de slaap, waardoor deze gedachten in je dromen toch naar boven kunnen komen.
 

 

 

1.2 - Lichaam en geest
* Naast de vraag ‘Wat is de mens?’, is ook de vraag naar ‘Wie zijn wij?’ erg belangrijk. Door de wetenschap weten we nu dat de cellen in ons lichaam verschillende keren vervangen worden tijdens ons leven, in materieel opzicht blijf je dus niet je hele leven dezelfde persoon. Echter blijft de vraag of er een ‘kern’ bestaat waaruit onze persoonlijkheid bestaat bestaan.

Wie ben ik ook alweer?
* Filosoof John Locke ging uit van de tubula rasa, ofwel: het onbeschreven blad. Volgens hem zijn er geen aangeboren ideeën of een aangeboren karakter aanwezig. Door wat je meemaakt, word je wie je nu bent. Het ‘zelf’ is volgens Locke een verzameling van ervaringen die we door ons geheugen tot een samenhangend verhaal maken.
- Echter, als Locke gelijk zou hebben, zouden wij als we ons geheugen verloren, ook onze ‘zelf’ verliezen. Hierom zijn velen toch geneigd te denken dat er los van het geheugen ook iets anders is dat de identiteit, ofwel: persoonlijkheid, van een persoon bepaalt.
* Net als Locke, benadrukken tegenwoordig ook verschillende filosofen dat ons karakter niet een gegeven, maar een constructie is. Dit is een postmoderne opvatting, ofwel: er is niet één waarheid over de mens, maar talloze verschillende naast elkaar.

* Volgens filosoof David Hume kun je, ook al doe je nog zo je best om ‘jezelf’ te voelen, enkel warmte, kou, honger, dorst, pijn of genot voelen. Hume dacht dat er niet zo iets bestond als een kern waaruit onze persoonlijkheid bestaat. Volgens hem zijn we te vergelijken met een ui: je kunt de ui laag voor laag pellen op zoek naar de kern, maar uiteindelijk blijft er dan niets meer over, de kern ontbreekt.

Ziel of machine?
* Volgens filosoof Plato is er wél een onveranderlijke kern, namelijk de menselijke ziel. Deze ziel bestaat volgens hem uit de rede, het gemoed en de begeerte, die hij het gouden, zilveren en bronzen deel noemt en is onveranderlijk en onsterfelijk.
- Plato noemt het lichaam ‘de kerker van de ziel’. De ziel komt oorspronkelijk uit de Ideeënwereld, ofwel: de wereld waarin volgens Plato de pure en onveranderlijke ideeën zoals het Ware, het Goede en het Schone te vinden zijn, waarvan we op aarde slechts flauwe afspiegelingen kunnen vinden, en heeft daarom alle kennis van de Ideeën in zich. Eenmaal afgedaald op aarde wordt de ziel gevangen gehouden in het lichaam, dat door zijn behoeften de ziel afleidt van de ware kennis.
- Plato gaat uit van twee werelden: de onstoffelijke wereld van de ziel en de zuivere ideeën aan de ene kant en de aardse, materiële wereld van het lichaam aan de andere kant. Dit is een dualistisch uitgangspunt, ofwel: er zijn twee substanties (soorten stof) die radicaal gescheiden zijn.
- Tegenover die dualisme, staat monisme, ofwel: een uitgangspunt dat er vanuit gaat dat alles uit één en dezelfde substantie bestaat. O.a. Aristoteles had een monistische opvatting, omdat hij dacht dat lichaam en ziel niet los van elkaar te zien waren.

* Filosoof René Descartes zag lichaam en geest als twee strikt gescheiden substanties. Dit wordt cartesiaans dualisme genoemd. Volgens Descartes is het lichaam stoffelijk (gemaakt van materie) en neemt dit ruimte in (res extensa). De geest daarentegen is onstoffelijk en neemt dus geen ruimte in (res cogitans). Het was volgens Descartes moeilijk voor te stellen hoe de stoffelijke en onstoffelijke werelden invloed op elkaar uit konden oefenen. Door lichamelijk onderzoek bij menselijke stoffelijke overschotten uit te voeren, concludeerde hij echter dat de pijnappelklier, gelegen in de hersenen, de plaats moet zijn die de twee ‘werelden’ met elkaar verbindt.
- Dieren zijn volgens Descartes slechts domme machines, die enkel leven in de stoffelijke wereld. Dieren zou je volgens hem ook na kunnen laten bouwen, omdat zij leefden volgens een vast systeem.

* Volgens arts en filosoof Julien Offray de La mettrie bestaat cartesiaans dualisme niet. Als je ziek bent, merk je dat lichaam en geest elkaar zo sterk beïnvloeden, dat ze niet los te zien zijn. Volgens hem was er maar één substantie: de materie. Volgens hem was de mens niets anders dan een ingewikkelde machine, omdat het denken en voelen te verklaren zijn binnen de scheikunde. Deze opvatting wordt het materialisme genoemd en is een vorm van monisme.
- Deze opvatting van verder doorgevoerd worden tot een deterministische visie, ofwel: als alles wat wij denken en doen, wordt bepaald door sofjes en processen waar wij zelf geen invloed op hebben, is onze vrije wil een illusie.

* Volgens filosoof Benedictus de Spinoza is er maar één substantie, die hij God, Natuur of het Ene noemde. God is oneindig en buiten God kan niets bestaan of begrepen worden. Het denken en het lichamelijke zijn volgens hem twee aspecten van dezelfde substantie.

 

 

De wereld tussen haakje zetten.
* De kloof tussen lichaam en geest die het cartesiaans dualisme kenmerkt, is tevens een kloof tussen binnen- en buitenwereld.
- De binnenwereld is de wereld van de geest, die onzichtbaar is omdat deze enkel voor onszelf toegankelijk is. Met ons lichaam bevinden we ons in de buitenwereld, die voor alle levende en dode dingen beschikbaar is. Hoe deze kloof gedicht moet worden, blijft een probleem voor het cartesiaans dualisme.

* Filosoof Immanuel Kant maakte het onderscheid tussen onze waarnemingen en de objecten an sich. Hoe de wereld er ‘op zichzelf’ uit ziet, kunnen wij niet zien, wij kennen enkel de manier waarop wij de wereld zelf waarnemen. Hoe bijv. een dier de wereld ziet, is mogelijk heel anders.

* Filosoof Husserl was de grondlegger van de fenomenologische methode , ofwel: het onderscheid tussen de manier waarop wij dingen ervaren (de fenomenen) en hoe de dingen los van onze ervaring zijn. omdat we dit laatste niet kunnen weten, kunnen we de relatie met de buitenwereld het beste (tijdelijk) buiten beschouwing laten. Husserl vindt dat men zich alleen moet richten op eigen ervaringen.
- Wat Husserl toevoegde aan het materialisme, was dat gedachten en gevoelens misschien wel te verklaren zijn door scheikundige processen in de hersenen, maar dat bijv. de ervaring van het proeven van chocola hier niet door te verklaren is.
* Volgens Husserl bestaat het bewustzijn alleen door de activiteit van het ervaren van dingen in de wereld. Dit wordt intentionaliteit genoemd, ofwel: het bewustzijn is altijd op iets anders gericht dan op zichzelf, je kunt niet níet denken, kijken of voelen.

Lichaam hebben en lichaam zijn.
* Filosoof Helmuth Plessner begon zijn antropologisch onderzoek binnen de biologie en gebruikte hierbij de fenomenologische methode. Hij bekeek op welke manieren dingen, planten, dieren en mensen zich verhielden tot hun omgeving.
- Levenloze dingen bleken de relatie tot hun omgeving niet zelf te kunnen vormgeven. Planten slechts in beperkte mate, bijv. door de bladeren open en dicht te slaan als reactie op licht en donker. Dieren vormen een zelfstandig element in de omgeving, doordat zij het contact met de omgeving zelf ondernemen. Het dier koppelt wat het doet terug naar een ‘centrum’, dit noemt Plessner centrisch.
- De mens is volgens Plessner ook centrisch, maar de mens weet in tegenstelling tot het dier dat hij het centrum van zijn activiteiten is. De mens koppelt daarnaast ook terug op de terugkoppeling zelf, waardoor zij als buitenstaander naar eigen acties kunnen kijken en zich van zichzelf bewust zijn. Doordat de mens zich bewust is van het gevoel, heeft hij niet alleen het gevoel zelf (bijv. een pijnlijke gevoel), maar beseft hij het gevoel ook (bijv. pijn lijden). Dit noemt Plessner excentrisch. Plessner verklaart het ontstaan van de cultuur door het feit dat de mens niet samenvalt met zijn omgeving. De mens voelt zich nooit volledig ‘thuis’ en probeert hierom een thuis te creëren d.m.v. cultuur. Plessner noemt de mens hierom ‘van nature kunstmatig’. Volgens Plessner werken lichaam en geest samen en zijn zij als twee kanten van een medaille: dubbelzinnig.

* Volgens filosoof Maurice Merleau-Ponty staat de relatie tussen de mens en hun wereld centraal. Deze relatie noemt hij ‘het uitstaan van de wereld’. De mensen zíjn hun lichaam in plaats van dat zij hun lichaam hébben. De wereld is niet daarbuiten maar omdat volgens Ponty de mens. Dit wordt ‘decentreren van het subject’ genoemd.
- Ponty dacht dat wij door het lichaam een plaats in de wereld innamen, en dat het lichaam onze waarneming van de wereld bepaalde. O.a. lengte, gezondheid of fitheid bepalen de waarnemingen. Het lichaam staat dus centraal, het denken staat op de tweede plaats.

Kunnen computers denken?
* Een belangrijke vraag die wij ons tegenwoordig stellen is: als de geest daadwerkelijk niets meer is dan een ingewikkelde machine, is de geest dan na te maken? Meerderen dachten hier over na.
- De wiskundige Alan Turing ontwierp de Turing-test om te onderzoeken of een computer geprogrammeerd zou kunnen worden om menselijk te lijken, waardoor hij dus kan ‘denken’.
- Filosoof John Searle ontwierp op reactie van deze test. Volgens Searle blijkt uit de Turing-test niet dat computers kunnen denken, maar slechts dat dit zo van lijken. De computer denkt niet, maar volgt slechts regels op die zijn geprogrammeerd. De computer weet niet de betekenis van de antwoorden die hij geeft.

1.3 - Vrijheid
* Volgens vele filosofen, waaronder Freud en Darwin, wordt de mens bepaald door iets waar hij geen invloed op heeft en is hij dus niet vrij. Dit heet determinisme.
- Een bekende discussie rondom het determinisme is die van de nature-nurture kwestie, ofwel: worden we bepaald door onze genen (nature) of door onze opvoeding en omgeving (nurture).

 

 

Een radartje in het geheel.
*Volgens nurture zijn wij slechts een radar in het geheel: wij bevinden ons in het grotere deel van de maatschappij. Onze toevallig plaats in deze structuur van de maatschappij is volgens het structuralisme bepalend voor wie wij worden. Hieronder vallen o.a. het sociale milieu waarin je opgroeit, maar ook de manier waarop het verkeer geregeld is en hoe onze taal in elkaar zit. De taalconstructie bijv. geeft ons de mogelijkheid te communiceren, maar legt ons tevens een manier van denken op, waar we door de vastgelegde regels, niet overheen kunnen stappen.
*Volgens het existentialisme is het bijzondere van het mens-zijn juist dat we niet gedetermineerd zijn, maar vrij. Het gaat uit van de menselijke ervaring van het bestaan.

Veroordeeld tot vrijheid.
Filosoof Jean Paul Sartre is een van de bekendste aanhangers van het existentialisme. Op basis van de fenomenologische methode maakte hij een onderscheid tussen het zijn van de natuur en het zijn van de mensen.
- Het zijn van de natuur noemde hij en soi, ofwel: op zich. De natuur valt volgens hem samen met zichzelf en is zich niet van zichzelf bewust.
- Het zijn van de mens noemde hij pour soi, ofwel: voor zich. De mensen zijn zich bewust van hun bestaan en hebben weet van hun geschiedenis en de cultuur waarin ze leven, dit in tegenstelling tot dieren.
* Sartre ging er, net als Nietszche vanuit dat de menselijke natuur niet vast ligt, omdat mensen keuze moeten maken. ‘Existentie gaat vooraf aan essentie’, volgens hem: mensen hebben geen aangeboren karakter, doel, plan of kern en zitten dus niet vast aan een essentie. De vrijheid van het invullen van zijn leven, kan de mens echter niet ontlopen, de mens is hierom ‘veroordeeld’ tot vrijheid.

Gemaakt tot vrouw.
* Het existentialisme gaat uit van vrijheid, echter kun je niet alle keuzes zelf maken, de keuze voor het geboren worden als man of vrouw bijvoorbeeld ligt al vast.  Echter, volgens filosoof Simone de Beauvoir, wordt je niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt.
- De Beauvoir was feminist, en volgens het feminisme zijn de biologische verschillen tussen man en vrouw geen rechtvaardiging voor sociale, culturele of economische verschillen. In onze cultuur worden vrouwen van oudsher geassocieerd met gevoel en natuur, terwijl mannen met rationeel denken en zelfbeheersing worden geassocieerd. De vraag of dit klopt is deel van het nature-nurture debat.

* Filosoof Luce Irigaray was geen aanhanger van het gelijkheidsdenken, zoals de Beauvoir, maar van het denken over seksuele differentie, dat de verschillen tussen man en vrouw juist benadrukt. Volgens Irigaray is streven naar gelijkheid niet goed, omdat de beleveniswereld van een vrouw anders is dan die van een man. Vrouwen moeten volgens haar juist proberen niet hetzelfde, maar onafhankelijk te worden van mannen en een eigen identiteit te ontwikkelen.
- De symbolische orde van de taal noemt Irigaray fallocentrisch, ofwel: het gaat uit van de man. Als vrouwen spreken, moeten ze zich uitdrukken in een mannelijke taal, waarin de rol van de vrouw die van ‘de ander’, het negatief van de man is. Irigaray streeft naar een samenleven waarin mannen en vrouwen onafhankelijk van elkaar kunnen leven, zonder traditionele rolpatronen en taalconstructies.

Emoties.
* Van oudsher wijzen filosofen op een andere onvrijheid in het menselijke leven: de emoties. De stoïcijnen gingen er bijv. vanuit dat de emoties de innerlijke rust en het denken verstoren. Niet de gebeurtenissen, die je niet in de hand hebt, bepalen hoe het met je gaat, maar je reactie op die gebeurtenissen.

* Filosoof Benedictus de Spinoza zei dat onze vrijheid juist in de aanvaarding van datgene wat noodzakelijk is ligt. Emoties zijn volgens hem, net als al het andere, onderworpen aan natuurwetten. Spinoza onderscheidt drie fundamentele emoties: de begeerte (drift tot zelfbehoud), de vreugde en het verdriet. Liefde komt bijvoorbeeld voort uit vreugde. De hoogste vorm van liefde, was volgens hem de liefde voor God, die gelijk staat aan pure kennis.

* William James is een van de grondleggers van de psychologie. Volgens hem hebben we de verkeerde volgorde in ons hoofd bij het optreden van een emotionele reactie en treedt eerst een lichamelijke reactie en daarna past het besef van de emotie op. Als er helemaal geen lichamelijke reactie is, bestaat volgens James ook geen emotie. Een emotie kan bijvoorbeeld ook bedwongen worden of worden opgeroepen door lichamelijke reacties.

* Volgens filosoof Jean Paul Sartre zijn emoties een manier om de werkelijkheid te ontvluchten, namelijk door de beleving van de werkelijkheid te veranderen. Huilen of flauwvallen zijn voorbeelden van situaties die de beleving veranderen. Zelfs emoties zijn volgens Sartre een keuze.

 

 

Hoofdstuk 2 – Ethiek

2.1 - Het goede leven.
* Het woord ethiek is afgeleid van ‘ethos’, dat gewoonte betekent. De ethiek bestudeerd de moraal, ofwel: het geheel van normen en waarden in een cultuur, dat bepalend is voor de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar omgaan, hoe kinderen worden opgevoed, welke regels er zijn e.d. Morale regels worden vaak boven wetten of etiquetteregels gesteld, omdat zij belangrijk gevonden worden.
- In de ethiek gaat het om de vraag wat iemand tot een ‘goed mens’ maakt, in tegenstelling tot een ‘slecht mens’.

* Filosoof Hannah Arendt beschreef het proces van Eichmann, die als ambtenaar meewerkte aan de deportatie en executies van duizenden Joden in WOII. Bij Eichmann ontbrak het verantwoordelijkheidsgevoel door zijn verweer dat hij alleen maar orders had uitgevoerd. Dit noemde zij ‘banaliteit van het kwaad’. Dat de meeste mensen aangeven anders gehandeld te hebben, wordt tegengesproken door het onderzoek ‘obedience to authority’ van psycholoog Stanley Milgram. De vraag blijft echter of dit hen tot een slecht mens maakt.

Waarden, normen en feiten.
* Waarden geven aan wat mensen belangrijk vinden en vormen de kern van de moraal. Voorbeelden zijn rechtvaardigheid, eerlijkheid en respect. Niet morele waarden zijn o.a. schoonheid. Waarden kunnen in twee subcategorieën worden onderbedeeld:
- intrinsieke waarden, ofwel: een waarde die op zichzelf waardevol is en niet om iets anders wordt nagestreefd. Bijv. geluk.
- instrumentele waarden, ofwel: een waarde die als instrument wordt nagestreefd om een andere waarde te bereiken. Bijv. voetballen om rijk te worden.
* Waarden zijn niet gelijk aan feiten. Bij een waarde wordt namelijk een ideaal of waardering uitgesproken, hiervoor bestaat meer dan één goed antwoord.

* Volgens filosoof David Hume is descriptief, ofwel: beschrijven, anders dan prescriptief, ofwel: normstellen. Hij noemt dit de is/ought fallacy, ofwel: de drogreden van zijn en behoren.
- Een voorbeeld van zulke drogredenen is de naturalistische drogreden, ofwel: uit hoe het in de natuur is, wordt afgeleid hoe het (in de cultuur) zou moeten zijn.

* Normen worden afgeleid uit waarden. Waarden worden meestal positief, als ideaal, gevormd, terwijl normen vaak negatief zijn, als in: je mag niet. Bij eerlijkheid hoort bijvoorbeeld: je mag niet liegen.
 

2.2 - Het geluk, de plicht en de deugd.
* Volgens Epicurus, een filosoof, was datgene wat geluk of plezier opleverde goed, en dat wat pijn of lijden veroorzaakt slecht. Hierom moet volgens Epicurus plezier nagestreefd worden en pijn vermeden. Deze opvatting wordt ook wel het hedonisme genoemd. Het doel van Epicurus was om innerlijke rust te vinden, niet om overmatig te consumeren. Echter wordt het hedonisme tegenwoordig vaak anders opgevat.
- Door de lijfspreuk ‘Als ik er ben is de dood er niet en als de dood er is, ben ik er niet’, kun je veel lijden vermijden, gezien het feit dat angst voor de dood plezier kan vergallen.

* Het hedonisme ligt ten grondslag aan het utilitarisme, ofwel: het streven naar zoveel mogelijk geluk, dat onderdeel is van de gevolgenethiek. Volgens de gevolgenethiek is een handeling simpelweg goed als deze geluk oplevert, en slecht als hij ellende veroorzaakt.
* Jeremy Bentham, een filosoof, stelde de hedonische calculus (hoofdregel utilitarisme) op: een handeling is goed als deze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen oplevert. Bij het utilitarisme gaat het dus niet om het geluk van het individu, maar van zoveel mogelijk mensen. Volgens Bentham is ieder individu evenveel waard, maar aangezien het doel is zoveel mogelijk geluk voor de grootst mogelijke groep mensen te bereiken, moeten individuen zich soms opofferen voor het geluk van de meerderheid.

Kritiek op de hedonische calculus.
* In sommige gevallen lijdt het volgen van de hedonische calculus tot een uitkomst die de meeste mensen als moreel slecht zouden beschouwen. Hierbij wordt dus geen recht gedaan aan de intrinsieke waarde van de mens. (Vb. zie blz. 50)
* Daarnaast is geluk iets dat niet gemakkelijk te meten is, want is het ene geluk het andere wel?

Beter een ontevreden mens, dan een tevreden zwijn.
* John Stuart Mill, een filosoof, was het eens met Bentham dat als een handeling moreel goed is, deze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen oplevert. Echter stelde hij wel dat als mensen alleen maar kiezen voor de maximalisering van geluk en genot, men zou grijpen naar ‘lager vermaak’ waar minder moeite voor gedaan moet worden. Hierom voegde Mill aan Bentham’s theorie toe dat bij het bepalen van het nut van de handeling niet enkel rekening gehouden moet worden met de kwantiteit van het geluk, maar ook met de kwaliteit van het geluk.
- Volgens Mill moeten mensen zich niet verlagen tot dieren, zij zijn namelijk in staat tot hogere verlangens en hebben een bepaalde waardigheid. Men moet volgens Mill bij het beoordelen van een handeling op kwaliteit en kwantiteit ook letten op de vraag of de handeling niet in strijd is met de menselijke waardigheid.
* Mill heeft geprobeerd de nadelen van het utilitarisme te ondervangen door te wijzen op de kwaliteit van geluk en menselijke waardigheid. Echter is dit vreemd, omdat hij eigenlijk stelt dat we meer waarde zouden moeten hechten aan het ene geluk dan aan het andere geluk.
- Later voegde Mill aan deze uitspraak toe dat het echte geluk bestaat uit een combinatie van intellectueel geluk en ongecompliceerd genot.

Handelingsutilisme en regelutilisme.
* Om de problemen van het utilitarisme te ondervangen wordt ook wel onderscheid gemaakt tussen handelsutilisme en regelutilisme.
- Handelsutilisme houdt in dat een persoon een specifieke handeling uit moet voeren die zo veel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen voortbrengt. (78u)
- Regelutilisme kijkt naar de langere termijn gevolgen van een handeling en stelt dat je moet kiezen voor de regel die, algemeen nagevolgd, tot zoveel mogelijk geluk zou leiden. (Mill)
* Ondanks deze nuanceringen blijft er kritiek bestaan. In het utilitarisme heiligt het doel de middelen, waardoor het nog steeds in kan gaan tegen ons geval van rechtvaardigheid. Het gaat dus niet om een goede bedoeling hebben, maar om de uiteindelijke uitkomst volgens het utilitarisme.

De plichtethiek.
* De plichtethiek, bedacht door Immanuel Kant, gaat er vanuit dat mensen ten diepste rationele wezens zijn. De moraal is volgens Kat gefundeerd in het verstand. De plichtethiek gaat dan ook uit van de morele plicht van waaruit een handeling gedaan wordt. Niet zozeer de gevolgen, maar de morele plicht bepalen of een handeling goed of slecht is.
* Voor het beoordelen van een handeling, heeft Kant de categorische imperatief opgesteld, die, zoals de naam al suggereert, meerdere categorieën heeft:
- 1. Handel volgens die regel waarvan je redelijkerwijs zou kunnen willen dat het een algemene regel wordt. Vb. beloftes nakomen. Je kunt niet willen dat het een wet wordt je beloftes niet na te komen.
- 2. Je moet een mens altijd als doel op zich behandelen en nooit als middel. Mensen mogen niet opgeofferd worden voor het geluk van het geheel. Echter mag je wel voordeel halen uit menselijke betrekkingen. Vb. naar de bakker omdat je honger hebt. Je betaalt hem echter wel, dus ‘gebruikt’ de bakker niet.
* De categorische imperatief is geen wet. De moraal zit juist in het feit dat wij als rationele en autonome wezens onszelf deze wet opleggen.

Kritiek op de plichtethiek.
* De meest voor de hand liggende kritiek op de plichtethiek is dat deze te absoluut is en daardoor geen rekening houdt met de omstandigheden. Vb. Volgens de plichtethiek mag je nooit liegen. Echter zou het niet goed zijn tegen een moordenaar te zeggen dat degene die hij zoekt zich in jouw huis bevindt, als hij hiernaar vraagt. Het is in dit geval dus beter te kijken naar de beste optie, in dit geval liegen.
* Een ander probleem is de belangrijke rol die Kant aan de rede toekent bij de bepaling van wat je plicht is. Volgens Kant is een handeling moreel als deze uit plicht gedaan wordt, het gevoel lijkt hierbij een ondergeschikte rol te spelen. Vb. Wanneer je een bejaarde op straat helpt oversteken, speelt plichtsgevoel een rol, maar zulke handelingen worden niet alleen gedaan uit redelijke overweging. Emoties een rol laten spelen bij het handelen, ziet men juist als een morele kwaliteit van mensen, de vraag is dus of het wel wenselijk is enkel uit plicht te handelen.

De deugdethiek.
* De deugdethiek, bedacht door Aristoteles, sluit aan bij de traditionele plichts- en gevolgenethiek, waarbij de vraag is ‘wat moet ik doen?’ Echter stelt de deugdethiek niet deze vraag, maar de vraag ‘hoe moet ik leven?’ Het gaat hierbij niet zozeer om het formuleren van regels en die toepassen op handelingen, maar om het aanleren van een goede levenshouding.

- Volgens Aristoteles is de deugd een houding die ons in staat stelt om juist te handelen, overeenkomstig met het belang van de gemeenschap. De mens ziet hij als een ‘politiek dier’ of sociaal wezen dat zich alleen kan ontwikkelen met andere mensen om zich heen. Het doel is het bereiken van eudaimonia, ofwel: het goede, vervolmaakte leven waarin de mens zijn talenten en mogelijkheden verwerkelijkt. De eudaimonia ziet er voor iedereen anders uit, omdat iedereen een andere aard en aanleg heeft. Dit hangt samen met de teleologische visie van Aristoteles, ofwel: alles in de natuur heeft een doel en streeft ernaar zo volmaakt mogelijk te worden. Deugden moeten voortdurend worden getraind, zodat het een gewoonte wordt het goede te doen zonder veel moeite. Een goede opvoeding is hierbij essentieel.
- Ook rede is voor Aristoteles belangrijk, echter legt hij de nadruk niet alleen op het denken maar ook op het genieten. Een mens die niet (met mate) geniet van het leven, is volgens hem geen deugdelijk mens.
* Aristoteles onderscheid het theoretische verstand en het praktische verstand.
- Phronèsis, het praktische verstand, is vooral van belang in de deugdethiek, aangezien daarmee juist het midden gevonden moet worden.
- Sophia, de theoretische wijsheid, is in veel mindere mate vereist voor het vinden van de gulden middenweg, dan het praktische verstand.

Kritiek op de deugdethiek.
* Een eerste nadeel van de deugdethiek is dat deze een stuk minder duidelijk is dan de plicht- en gevolgenethiek, omdat deze geen algemene regels oplegt of antwoord geeft op de vraag hoe bepaalde situaties opgelost moeten worden.
* Ten tweede kan de bruikbaarheid van de deugdethiek bekritiseerd worden, omdat wij niet, zoals Aristoteles, in de overzichtelijke omgeving van een Polis (stadstaat) leven, maar in een ingewikkelde samenleving met verschillende culturen en opvattingen over het goede leven.
* Een laatste kritiekpunt is het optimisme, of zelfs de naïviteit over de mensheid dat ten grondslag aan de deugdethiek ligt. Volgens Aristoteles willen mensen niets liever dan goed en deugdelijk zijn, maar in de praktijk is dit niet altijd het geval. Aristoteles verklaarde dit door onwetendheid; mensen die het goede kennen, zullen vanzelf het goede doen.    
 

2.3 - Waarden en rechten.

Waar komen waarden vandaan?
* Volgens sommige filosofen ligt het fundament van onze waarden in de natuur. Dit kan op meerdere manieren opgevat worden.
- Bij Aristoteles liggen deugden in het verlengde van onze natuurlijke capaciteiten. De natuur is volgens hem een ordelijk systeem, gericht op een doel.
- Volgens Kant is de menselijke redelijkheid een voorwaarde voor moreel handelen, maar is de natuur zelf onredelijk, waardoor natuurlijke verlangens niet leiden tot goed handelen.
- Volgens Nietszche is de natuur niet goed of slecht en maken de deugden die Aristoteles juist zo belangrijk vond, ons juist tam en zwak. Het goede bij Nietszche is het krachtige, vitale leven waarin de wil tot macht tot uitdrukking komt. De visie van Nietszche sluit het meeste aan bij de moderne opvatting van de sociobiologie. In de jaren ’70 verdedigde etholoog E.O. Wilson de opvatting dat menselijk genetisch bepaald is en net als andere levensvormen gebaseerd op het recht van de sterksten (volgens de Darwinleer). De dominantie van mannen over vrouwen en westerse over niet-westerse mensen rechtvaardigde hij vanuit de biologie. Hij werd hierom beschuldigd van racisme en seksisme.
- Volgens anderen is moraal juist iets typisch menselijks, een onderdeel van de cultuur. De natuur zou amoreel zijn.

Zijn waarden universeel?
* Een belangrijk discussiepunt in de ethiek gaat over de vraag of universele waarden bestaan. Dit zijn waarden die alle mensen belangrijk vinden, in welke tijd, plaats of cultuur ze ook leven. Vb. respect voor het menselijk leven of de menselijke waardigheid. Echter kunnen per tijd, plaats of cultuur wel andere consequenties aan de waarden gehecht worden. (Zie blz. 58).
* In de tijd van het kolonialisme beoordeelde men culturen a.d.h.v. het etnocentrisme, ofwel: het beoordelen van culturen gebaseerd op het eigen waardesysteem. Echter was het idee dat de westerse cultuur superieur was aan andere culturen toen volstrekt normaal. In de twintigste eeuw nam de cultuur op zowel het kolonialisme als het etnocentrisme toe.
- Terwijl de koloniën een voor een zelfstandig werden, kreeg het cultuurrelativisme, ofwel: de gedachte dat het niet mogelijk is andere culturen objectief te beoordelen, steeds meer aanhang. Volgens het cultuurrelativisme is etnocentrisme onmogelijk, omdat je kijk op een andere cultuur beïnvloed wordt door de eigen cultuur. Daarnaast zijn culturen onmogelijk te vergelijken, je mag je hierom ook niet teveel bemoeien of ingrijpen in andere culturen.
- In 1948 werd de UVRM (Universele Verklaring van de Rechten van de Mens) opgesteld, met als bedoeling rechten vast te leggen die voor alle mensen ter wereld gelden. Het uitgangspunt van universalisme, ofwel: algemene geldigheid, is principieel in strijd met het cultuurrelativisme.

Hebben alleen mensen rechten?
* Morele problemen worden vaak geformuleerd in termen van rechten. Deze rechten zijn meestal gefundeerd op waarden. Vb. In de discussie rondom abortus is er de moeilijke afweging tussen de waarden autonomie, ofwel: zelfbesturing, aan de ene kant en het recht op leven aan de andere kant. (Zie blz. 60)
* Als waarden zoals redelijkheid en autonomie als de belangrijkste waarden worden beschouwd, zie Kant, ligt het voor de hand om alleen aan mensen rechten toe te kennen, omdat het toekennen van rechten aan dieren of zelfs de natuur wijst op een andere houding ten aanzien van de natuur en de plaats van de mens daarin.
* In de jaren 70’ werd de milieufilosofie, ofwel: de filosofie rondom de houding van de mens tegenover de natuur, populair. Volgens de eerste milieufilosofen was het kapitalistische systeem constant gericht op het maken van winst door uitbreiding en groei, wat de oorzaak was van uitbuiting van de natuur. Tegenwoordig worden drie houdingen onderscheiden:
- De eerste is de overheersing van de natuur door de mens, waarin aan de natuur geen intrinsieke waarde wordt toegekend.
- De tweede is het rentmeesterschap over de natuur, waarin de mens de natuur beheert gericht op toekomstige generaties.
- De derde is de eenheid met de natuur, waarin aan de natuur intrinsieke waarde wordt gehecht. Tegenwoordig wordt in de natuurbescherming nauwelijks nog onderscheid tussen intrinsieke en instrumentele waarden gemaakt, omdat levende wezens in de natuur geen middel zijn, maar zelf een doel hebben. Natuuropvattingen die een intrinsieke waarde aan de natuur toekennen, worden ecocentrisch genoemd. Daar tegenover staat het antropocentrisme, waarin de mens centraal staat en wordt opgevat als enige bron van waarden.
 

2.4 – Individualisme.
* In de drie hoofdstromingen van de ethiek staat het individu centraal, de manier waarop verschilt.
- De deugdethiek gaat uit van de persoonlijke ontwikkeling van het individu, die door goed te leven zijn talenten maximaal kan ontplooien.
- De plichtethiek gaat uit van de autonomie van het individu, dat alleen een moreel handelend persoon kan zijn als hij zichzelf bestuurt.
- Het utilitarisme neemt het handelende individu als uitgangspunt, dat moet inzien dat het in zijn belang is om zijn persoonlijk streven naar geluk aan te passen aan het algemeen belang van de grootste groep.
* Dat het individu centraal staat, is niet vanzelfsprekend. Daarnaast kan het begrip individu in andere culturen een andere betekenis hebben.

Wees meester en vormgever van jezelf.
* Voor de westerse cultuur is de Verlichting een belangrijke periode geweest voor de ontwikkeling van waarden als individualiteit, vrijheid en zelfontplooiing. De nadruk kwam te liggen op de rede in plaats van het geloof, waardoor de religie een andere functie in de samenleving kreeg. Er werd hierbij ook een oproep gedaan om jezelf tegenover de maatschappij te plaatsen en niet mee te lopen met de massa.

De malaise van de moderniteit.
* Waar vroeger saamhorigheid nog hoog in het vaandel stond, gaat het tegenwoordig alleen nog maar om zelf zo gelukkig mogelijk te worden, desnoods ten koste van anderen.
- Volgens filosoof Charles Taylor is dit omdat het individualisme het moderne idee van authenticiteit, ofwel: echtheid, verkeerd heeft opgevat. Het individualisme kan ontaarden in egocentrisme en relativisme als er geen gedeelde waarden zijn, iedereen gaat dan zijn eigen gang en alle opvattingen zijn evenveel waard, waardoor onverschilligheid ontstaat. Dit leidt tot het losraken van maatschappelijke verbanden.
- Tegenwoordig zoekt men de bron van waarden niet in de religie, maar in onszelf. Volgens Taylor verkeren we door deze houding in een morele crisis, omdat we niet meer beseffen dat veel van wat we waardevol vinden enkel kan bestaan in relatie met andere mensen. Alleen op basis van waarden die door de samenstelling worden aangereikt, kun je bepalen wat voor jou persoonlijk waardevol is, stelt hij.

 

Hoofdstuk 3 – Sociale filosofie

3.1 – De ideale samenleving
* Overal waar mensen samenleven, worden afspraken gemaakt, om de problemen te beperken. De vraag die echter nog niemand wist te beantwoorden is de van de ideale samenleving.

Utopia?
* Het woord utopie verwijst zowel naar eutopia, ofwel: goede plaats, als naar outopia, ofwel: plaats die niet bestaat. Het is hierom zowel een blauwdruk voor een ideale samenleving als een onmogelijk te bereiken paradijs.
- In boeken, zoals die van Thomas More en Francis Bacon, uit vorige eeuwen werden boeken over een gelukkige maatschappij vaak gekenmerkt door technologische vooruitgang. In de 20e eeuw veranderde dit beeld radicaal. Men dacht dat de utopische gedachte kon ontaarden in een onderdrukkend regime, met als gevolg dat mensen niets meer te vertellen hebben over de manier waarop ze willen leven. Na WOII en het instorten van het communisme aan het einde van de 20e eeuw was volgens sommige filosofen het einde van de utopie in zicht.

Het maatschappelijke contract.
* De moderne filosofie begint met het onderwerp van een maatschappelijk contract, ofwel: een symbolische overeenstemming van een groep mensen om zich te onderwerpen aan een staat.
- Volgens filosofen bevindt de mens zich, voor het contract er is, in natuurtoestand, ofwel: een fictieve toestand van de mens in de natuur, voordat de mens zich heeft onderworpen aan de staat. De staatsmacht wordt vervolgens niet door God of een andere instantie van bovenaf opgelegd, maar door het volk zelf. Een opstand kan volgens hem nooit wettig zijn, omdat wat wettig is wordt bepaald door de heerser.

* Volgens contractfilosoof Thomas Hobbes is elk mens gericht op zelfbehoud en handelt om die reden puur egoïstisch. Volgens Hobbes is er in de natuurtoestand een algemene schaarste aan goederen, waardoor een oorlog van allen tegen allen ontstaat. Het menselijk verdrag ontstaat doordat men inziet dat dat zij op lange termijn meer baat hebben bij vrede. De hoofdgedachte van het contract is: de wil die als wil van allen geldt.
- In de staat die zo ontstond was volgens Hobbes de bestuurder verantwoordelijk voor het welzijn van het volk. Echter, aangezien de heerser net als elke mens egoïstisch is, is dit geen garantie dat de heerser zijn absolute macht niet zal misbruiken. Toch is het volgens Hobbes beter te leven met een slechte heerser, dan zonder heerser omdat dan mogelijk de natuurtoestand terug zal keren.

* Contractfilosoof John Locke beschouwde de natuurtoestand echter als een morele toestand. De natuurtoestand brengt wegens de volmaakte vrijheid en gelijkheid bepaalde morele verplichtingen met zich mee, waaronder het feit dat niemand het leven, de gezondheid, vrijheid of bezittingen van een ander mag schaden. Doet iemand dit toch, verspilt hij zijn eigen natuurrechten en heeft hij een vergeldende straf verdiend.
- Er moet een staat opgericht worden die het recht op bezit kan garanderen. Er is hierbij, in tegenstelling tot
Hobbes visie, onderscheid tussen de wetgevende en uitvoerende macht. Daarnaast is een opstand van het volk bij Locke gerechtvaardigd wanneer de regering er niet in slaagt om de natuurlijke rechten van het volk te beschermen.
* Volgens Locke behoort de aarde toe aan de mensheid als geheel, privébezit bestaat oorspronkelijk dus ook niet. Met het werk dat ons lichaam, dat ons enige natuurlijke eigendom is, verricht, kunnen we ons eigendom uitbreiden. Locke voegt wel toe dat het niet de bedoeling is oneindig veel producten in te slaan, omdat dan overvloed ontstaat van producten die kunnen vergaan. Uitzondering op deze regel is geld, dat opgespaard kan worden en doorgegeven kan worden aan de volgende generatie.

* Contractfilosoof Jean-Jacques Rousseau zag privébezit als de bron van alle kwaad. De natuurtoestand stelt hij zich voor als een soort paradijs waarin de mens totaal vrij is, op zijn gevoel kan vertrouwen en niet hoeft na te denken. Een peinzend mens is volgens hem een ontaard dier.
- Volgens Rousseau komt er een einde aan de natuurtoestand als iemand op een dag een hek om een stuk grond zet en die toe-eigent. Op dat moment slaat de oorspronkelijk goede zelfliefde (amour de soi), waar het medeleven voor andere mensen op gebaseerd is, om in slechte eigenliefde (amout propre), wat ontaard in egoïsme. Een concurrentiestrijd ontstaat, waardoor verschillen in rijkdom en een onnatuurlijke levensstijl ontstaan. De hele verdere ontwikkeling van cultuur en maatschappelijke instituties als wetenschap en rechtspraak, zag Rousseau als iets slechts omdat zij het natuurlijke gevoel voor goed en kwaad verzwakken. 
- Om de natuurlijke vrijheid te herstellen, stelt Rousseau een maatschappelijk verdrag voor waardoor individuen zich niet onderwerpen aan een leider, maar zichzelf volgens het principe van de Volonté Générale, ofwel: de algemene wil of wil van de gemeenschap, besturen. Wetten zijn hierdoor enkel geldig als ze in overeenstemming zijn met de algemene wil. De ideale staat is volgens Rousseau een kleine democratie, waarin het gemakkelijk is te bepalen wat de algemene wil is en waar de natuurlijke goedheid van de mens kan zegevieren.

Positieve en negatieve vrijheid.
* Hobbes en Rousseau geven een verschillende invulling aan het begrip vrijheid:
- Volgens Hobbes is vrijheid de afwezigheid van dwang, waardoor je niet gehinderd wordt in wat je wilt doen. Dit noemt filosoof Isaiah Berlin negatieve vrijheid. Volgens sommigen is het nodig een deel van de vrijheid in te leveren, bijv. door je te onderwerpen aan een leider, om een ander soort vrijheid terug te krijgen. Vb. vrijheid om zonder angst en in vrede te leven.
- Volgens Rousseau is vrijheid het gehoorzamen aan wetten die de algemene wil van de gemeenschap uitdrukken en verwoorden wat de burger echt wil. Dit noemt Berlin positieve vrijheid. Positieve vrijheid legt de nadruk op het zelf kunnen kiezen en iets kunnen doen.

De correlatiethese.
* Naast positieve en negatieve vrijheid, zijn ook positieve en negatieve rechten te onderscheiden:
- Een negatief recht is het recht vrij te zijn of iets te doen of laten. Vb. vrijheid van meningsuiting.
- Een positief recht is het recht op bepaalde goederen, diensten of kansen. Vb. voedsel en scholing.

* Correlatiethese houdt in dat er een onderlinge afhankelijkheid tussen rechten en plichten bestaat: het recht van de één brengt verplichtingen voor de ander mee. Echter blijft soms de vraag wie dan de plicht heeft het recht van de ander te vervullen. Vb. hongersnood in Afrika.
- Bij de negatieve rechten is de correlatie met plichten wat minder problematisch, omdat het enkel de mensen verplicht het recht van anderen niet te verhinderen. Een veel voorkomend probleem is echter de combinatie van meerdere rechten. Vb. het recht niet gediscrimineerd te worden op grond van afkomst of geloof en het recht op vrije meningsuiting.
 

3.2 – Een rechtvaardige samenleving

* In de sociale filosofie is het begrip rechtvaardigheid van cruciaal belang. Rechtvaardigheid heeft vaak te maken met eerlijk delen van goederen en rechten van de samenleving onder haar leden, dat wordt distributieve rechtvaardigheid, ofwel verdelende rechtvaardigheid genoemd.
- Een ander soort rechtvaardigheid is de correctieve rechtvaardigheid, ofwel: herstellende rechtvaardigheid, waarbij het gaat om het herstellen van een vermeende onrechtvaardigheid. Vb. straf na een misdaad.

Brede en smalle moraal.
* In de filosofie wordt onderscheid gemaakt tussen de brede moraal en de smalle moraal:
De brede moraal is een theorie die aangeeft wat de overheid moet doen om het geluk van haar burgers te bevorderen. De smalle moraal daarentegen kaart juist aan dat de overheid zich niet behoort te bemoeien met de manier waarop mensen hun leven leiden, maar slechts de voorwaarden moet scheppen waarbinnen mensen hun leven kunnen inrichten zoals ze willen. 
- Filosoof John Rawls is voorstander van de smalle moraal theorie. Volgens hem hebben mensen om hun eigen leven in te richten vrijheid, keuzemogelijkheden en welvaart nodig.
- Rawls is tevens de bedenker van het denkexperiment van de sluier van onwetendheid. In dit experiment moet men de ‘ideale samenleving’ opbouwen. Om te voorkomen dat je principes kiest die je zelf het beste uitkomen, moet je denken vanuit de oorspronkelijke positie, ofwel: niet wetende welke maatschappelijke positie je zelf in zult nemen. Door dit te doen, zal je zo onpartijdig mogelijke beslissingen nemen volgens Rawls.

Liberalisme en communitarisme.
* Het liberalisme gaat uit van de theorie van de smalle moraal. Negatieve rechten moeten het individu beschermen tegen zijn omgeving en tegen de staat. Vb. recht op vrije meningsuiting. De overheid moet de orde handhaven, om de vrijheid te maximaliseren. Contractfilosoof John Locke zei hierover: als er geen wet is, is er geen vrijheid. Deze opvatting wordt de nachtwakerstaat genoemd.

* John Stuart Mill was een van de grondleggers van het liberalisme. Volgens Mill heeft iedereen recht op een gelijke behandeling, behalve misdadigers. Je eigen vrijheid houdt volgens hem op, waar die van een ander begint, hierom moest men geen dingen nastreven, die het geluk van een ander in de weg stonden.

* Filosoof Charles Taylor wijst in zijn kritiek op het liberalisme op het feit dat mensen niet los gezien kunnen worden van hun sociale omgeving. Zijn opvatting, ook wel bekend als het communitarisme, gaat er vanuit dat de gemeenschap beschermd moet worden, omdat er zonder gemeenschap geen individu mogelijk is.

Democratie: de meest rechtvaardige staatsvorm?
* Democratie is afgeleid van de Griekse woorden volk (demos) en macht (kratos). Meestal wordt met democratie een volksregering bedoeld waarin iedere burger een stem heeft en mag meebeslissen over wetten en regels.
- Rond 500-300 V.C. was Athene nog klein en werd met directe democratie bestuurd. Toen de staat groter werd, bleek deze vorm van democratie niet langer mogelijk. Hierom werd besloten dat burgers zich moesten laten vertegenwoordigen door politici, die voor hun belangen konden opkomen. Dit heet indirecte democratie. Volgens Rousseau is indirecte democratie niet goed, omdat in een echte democratie alle burgers over alle zaken moeten kunnen stemmen.

* Vrijwel elk democratisch land organiseert zijn bestuur volgens het idee van de trias politica van filosoof Charles Montesquieu. Binnen dit idee zijn drie soorten overheidstaken, die strikt gescheiden werken: de wetgevende, bestuurijke en rechterlijke macht.

* De kracht van de democratie is tevens zijn zwakte: doordat de meerderheid bepaalt wat er in de maatschappij gebeurd, kan een verkeerde keuze snel gemaakt zijn. Vb. Hitler aan de macht.
- Volgens Aristoteles is de democratie een instabiele staatsvorm, omdat elke paar jaar nieuwe vertegenwoordigers gekozen worden, zodat de plannen blijven veranderen. Deskundigheid van de leiders is bovendien niet gegarandeerd.
- Ook filosoof Machiavelli ging er vanuit dat de leider immoreel was. Volgens hem was om orde en rust te garanderen een autoritaire heerser nodig. Bedrog en geweld waren volgens Machiavelli geoorloofd, omdat het doel de middelen heiligt.

Anarchisme.
* Anarchie betekent ‘zonder leiding’. Anarchisten vatten elke vorm van gezag op als onderdrukking. Uitgangspunt is dat mensen sociale wezens zijn, die zich kunnen verenigen om hun problemen gezamenlijk op te lossen. De meeste anarchisten streven naar de vorming van kleine, zelfbesturende gemeenschappen waarin mensen vrij en gelijk zijn, met ordening van de samenleving van onderop ipv. Van bovenaf. De eerste filosoof die zichzelf anarchist noemde was Pierre-Joseph Proudhon.
- Over anarchisme bestaan veel misverstanden. Zo wordt in het dagelijks leven anarchie vaak gebruikt om een toestand van chaos en wanorde aan te duiden. Echter leidt het zelfbestuur waar anarchisten naar streven, juist tot harmonie.

Communisme en socialisme.
* Het communisme is gebaseerd op de ideeën van de denker Karl Marx. Marx werd geïnspireerd door het idealisme, bedacht door Georg Hegel. Het idealisme gaat uit van het idee dat ideeën werkelijker zijn dan materie. Volgens Hegel was de bevrijding van de Geest het doel van de wereldgeschiedenis. Echter staat bij Marx juist het materiële centraal en bepalen niet de ideeën maar de relatie tussen productiemiddelen en de productieverhoudingen de wereldgeschiedenis. Lenin was een van Marx’ volgers. Dit leidde in 1917 tot het ontstaan van de Sovjet Unie.
- Essentieel voor de mens is volgens Marx de arbeid. Volgens hem leidt het kapitalistische productieproces tot vervreemding, omdat arbeid wezenlijk is voor de menselijke identiteit.
- De religie beschouwt Marx als een andere vorm van vervreemding. Marx’ ideaal is een klasseloze, areligieuze samenleving zonder uitbuiting en onderdrukking, waarin de productiemiddelen in handen zijn van het volk.
- Een revolutie is volgens Marx onvermijdelijk, omdat het communisme enkel bereikt kan worden door eerst de fase van het socialisme te doorlopen, waarin mensen langzaam gevormd worden tot communisten.
 

3.3 – Macht en markt

De vrije markt als fundament.
* Volgens Marx is de economie het fundament van de samenleving. Marx’ kritiek richt zich op het liberale, kapitalistische systeem.
- Volgens de eerste moderne econoom, Adam Smith, is de vrije markt juist in het belang van de maatschappij. Doordat vraag en aanbod zich aan elkaar aanpassen, ontstaat er als vanzelf, door de ‘onzichtbare hand’ van de markt, een evenwichtige economie. De overheid had volgens hem overigens wel een belangrijke rol in het voorkomen van corruptie, het bevorderen van gemeenschapsgevoel en het aanbieden van onderwijs.

Valse behoeften.
* In 1923 werd in Frankfurt een instituut voor sociaal onderzoek opgericht, waarvan de medewerkers voornamelijk marxisten waren. Hier ontstond de kritische filosofische beweging de Frankfurter Schule.

* Een volgeling van deze groep was filosoof Herbert Marcuse. Marcuse was het met Marx eens dat de westerse wereld bepaald wordt door de verwoestende invloed van de markt. De mens was volgens Marcuse slechts een consument. 
- Van Freud neemt Marcuse het idee over dat de mens gedreven wordt door twee basisdriften: Eros, ofwel: het verlangen, en thanatos, ofwel: vernietiging en doodsdrift. Dit laatste leidt volgens Marcuse tot de drang de natuur te beheersen.
- Ook van Rousseau heeft Marcuse een standpunt overgenomen, namelijk de bewering dat de mens oorspronkelijk ged was, maar door cultuur ontaardde in egoïsme. Echter worden volgens Marcuse ‘vase’ behoeften gecreëerd door de kapitalistische samenleving. Volgens hem moeten we ons hierom weigeren te onderwerpen aan het systeem.

* Ook filosoof René Girard meent dat de moderne mens zich valse behoeften aan laat praten. Volgens hem wordt schaarste in het algemeen niet veroorzaakt door een tekort aan goederen, maar doordat we altijd hetzelfde willen hebben als de ander. Dit noemt hij mimetische begeerte. Door dit begeerte kunnen onze wensen makkelijk gemanipuleerd worden.

Macht is overal.
* Volgens filosoof Michel Foucault wordt macht meestal ten onrechte voorgesteld als een centrale kracht, alsof er een heerser is die bepaalt wat er moet gebeuren en dat delegeert aan de onderdanen. Echter heet in de moderne samenleving ‘de heerser’ en de politiek macht, maar ook individuen of bijv. bedrijven over elkaar.
- De macht die mensen over elkaar uitoefenen is volgens Foucault gericht op de uitsluiting van wie niet normaal is. Moderne macht disciplineert en normaliseert, het heet hierom ook wel disciplinaire macht.

Globalisering.
* De hedendaagse variant van de kritiek op het imperialisme is de kritiek op de globalisering. Globalisering is het proces waarin mensen uit verschillende delen van de wereld steeds meer en sneller met elkaar in contact komen en elkaar beïnvloeden. Aan eind van de 20e eeuw had dit proces door economische en technologische ontwikkelingen zo’n vaart genomen, dat men bang was dat culturele verschillen steeds meer zouden verdwijnen.
- Met name multinationals roepen veel weerstand op bij critici (ook wel: andersglobalisten), omdat zij de gevolgen van de vrije makt en de enorme macht van deze bedrijven op kwetsbare gebieden (vb. milieu, armoede en mensenrechten) vrezen. Zij wijzen o.a. op de uitbuiting van de fabrieksarbeiders door deze bedrijven.
- Tot voor kort stelde de sociale filosofie de samenleving voor als een land of natiestaat waarin burgers met elkaar moeten bepalen hoe ze het beste met elkaar kunnen samenleven. Door de invloed van de globalisering leven we nu echter steeds meer in een samenleving die de hele wereld omvat.

 

 

COGITO - Hoofdstuk 4: Kennistheorie

4.1 – Wat weten we (en wat we niet weten)
Kennistheorie wordt ook wel epistemologie genoemd. Ofwel: de vraag naar de zekerheid of betrouwbaarheid van kennis. De vraag naar betrouwbaarheid hangt samen met de vraag hoe we aan onze kennis komen. Mogelijke bronnen zijn zintuigen, ervaring, geheugen, intuïtie en het denkvermogen. Over de vraag welk van deze het meest betrouwbaar is, is niet iedereen het eens:
- Scepticisme is de overtuiging dat je niet voor 100% zeker kunt weten.
- Empirisme gaat er vanuit dat we onze kennis krijgen door onze zintuigen te gebruiken. Dit wordt ervaringskennis of empirische kennis genoemd.
- Rationalisme gaat er vanuit dat de enige betrouwbare kennis die van het denken is, waar geen waarneming voor nodig is. Kennis is volgens rationalisten aangeboren en niet aangeleerd.

In de kennistheorie draait het om propositionele kennis, ofwel: de inhoud van een uitspraak. Het maakt bij een propositie veel uit wie een bepaalde uitspraak doet. Mensen hebben altijd al een bepaalde voorkennis, waardoor men informatie op een bepaalde manier interpreteert en filtert. Veel informatie komt hierdoor niet eens ‘binnen’. Vaak merk je pas hoe gewend je aan iets bent, als er opeens iets veranderd. In de filosofie hebben objectief en subjectief andere betekenissen:
- objectief = datgene over het object zelf gaat. Volgens velen is het voor wetenschappers onmogelijk te testen welke kennis objectief is, omdat ook zij mensen zijn en uitgaan van subjectieve kennis. Hierom wordt de norm van objectiviteit vaak vervangen door die van intersubjectiviteit.
- Intersubjectief = datgene wat voor een grote groep gemeenschappelijk geldig is.
- Subjectief =  datgene wat door het oordeel van het subject bepaald wordt.

4.2 – Rationalisme en empirisme (Plato en Aristoteles)
Het rationalisme en empirisme gaan over de vraag waar kennis vandaan komt.

Opvatting van Plato.
Plato zocht de ware kennis in het denken en het ‘bovenaardse’. Zijn aanhangers, ook wel begripsrealisten, gingen er vanuit dat een algemeen begrip op zichzelf bestaat. Vb. Het begrip hond. Zelfs al zou de hond uitsterven, zou het woord nog wel bestaan. Het wordt hierbij gezien als een universale, ofwel algemeenheid, los van alle exemplaren op aarde.
Van Socrates leerde Plato dat de zoektocht naar de ware kennis het doel is van het menselijk leven. Hij zegt met het verhaal van de grotallegorie (zie blz. 108) dat wij niet alles moeten geloven wat we zien. Voor de ware kennis van ‘alles wat juist en mooi is’, moeten we onze blik naar boven richten en geen genoegen nemen met de schijn van de alledaagse werkelijkheid. De ware kennis ligt volgens Plato diep weggeborgen in onze ziel, waar de herinnering aan de Ideeënwereld ligt. Deze opvatting heet ook wel het idealisme.
De sofisten, een soort onderwijzers in de retorica, waren Plato’s grootste vijanden omdat zij voor veel geld leerden hoe machthebbers hun onderdanen konden overtuigen. Echt begrip was volgens hen niet belangrijk, omdat objectieve waarheden niet zouden bestaan. ‘Wie wint heeft gelijk’.

Opvatting van Aristoteles.
Aristoteles bleef ‘met beide benen op de grond’. Zijn aanhangers, ook wel nominalisten, zij gingen er vanuit dat een begrip na het verdwijnen van waar het begrip over ging, ook verdween. Vb. De hond is slechts een verzameling die honden aanduidt die op aarde bestaan (in verleden, heden en toekomst).
Aristoteles ging er vanuit dat kennis begint bij zintuiglijke waarneming. Het bijzondere van de mens is volgens hem dat hij de mogelijkheid heeft om uit de waarneming bepaalde karaktereigenschappen te abstraheren. Wij zijn in staat niet belangrijke zaken van zaken van algemene aard te onderscheiden, waardoor we niet het aangeboren idee van een begrip nodig hebben. Vb. de hond. (Zie blz. 109).

Het verschil tussen de opvattingen.
Het verschil tussen de twee blijkt uit het begrip ‘essentie’. Bij Plato bestaat de essentie van de dingen los van die dingen zelf, als een idee dat voorafgaat aan het ding. Echter, volgens Aristoteles zit de essentie vervat in het ding, als het doel of de functie van het ding. Dit heeft te maken met het teleologische systeem van Aristoteles, waarin alle onderdelen een doel hebben en samen streven naar perfectie. Een substantie bestaat volgens Aristoteles uit vorm en materie. Hij onderscheid vier oorzaken: de stofoorzaak, de vormoorzaak, de werkoorzaak en de doeloorzaak. (Vb. zie blz. 109). Omdat de essentie in de dingen zelf zit, kunnen we volgens Aristoteles gewoon om ons heen kijken om de wereld te leren kennen. Volgens Plato is alleen kennis die zonder de zintuigen tot stand is gekomen, a priori. Echter is volgens Aristoteles ook empirische kennis,
a posteriori, ofwel: na de waarneming, mogelijk. Om de verbanden tussen de zintuiglijke indrukken te kunnen leggen, hebben we volgens Aristoteles de logica nodig. Hiervoor ontwierp hij het systeem van de syllogistiek. Syllogismen zijn redeneringen gegoten in een bepaalde vaste vorm met twee premissen en een conclusie. Zijn de premissen waar, dan klopt ook de conclusie.

De rationalisten.
Na de donkere middeleeuwen, waarin de religie overheerste, kwam de filosofie in een crisis. De macht van de kerk brokkelde af, o.a. door ontdekkingen zoals de ontdekking van Copernicus dat de aarde niet het middelpunt is. Kennis leek opeens veel minder zeker dan daarvoor.

De opvatting van René Descartes.
Filosoof René Descartes begon hierop een radicaal twijfelexperiment in de hoop iets over te houden wat absoluut zeker was. Descartes beschreef hoe hij zich van de wereld afsloot en letterlijk aan alles ging twijfelen. Als eerst vielen de zintuiglijke waarnemingen af, vervolgens de eigen gedachten.
- Conclusie 1: Ik ben een ding dat denkt.
- Conclusie 2: Wat onzeker is, is of de buitenwereld of zelfs zijn eigen lichaam bestaat.
- Conclusie 3: Er moeten aangeboren ideeën zijn. (Vb. zie boek, blz. 111)
- Conclusie 4: God moet bestaan, en er is geen boosaardige demon die me bedriegt. Een bewijs is dat de mens niet uit zichzelf op een volmaakt wezen als God kan komen. Hij moet dus wel bestaan, anders kunnen wij hem niet denken.

Kritiek op deze laatste conclusie is dat dit een cirkelredenering is: God bestaat omdat Descartes daar een helder idee van had, en die heldere ideeën zouden kloppen omdat God bestaat.

De opvatting van Benedicus de Spinoza.
Filosoof Benedictus de Spinoza ging er ook vanuit dat heldere en duidelijke inzichten de basis van zekere kennis vormen, maar zei wel dat filosofie juist daarom niet moet beginnen met twijfel, maar met het directe inzicht in de goddelijke natuur.
 

De Britse empiristen.
In reactie op het rationalisme ontstond het Britse empirisme, een beweging van filosofen die meenden dat de rede alleen geen kennis over de werkelijkheid kon geven.

De opvatting van John Locke.
Een van de eerste aanhangers was John Locke, die geloofde in het principe van de tubula rasa, ofwel: onbeschreven blad (zie §1.2). Een belangrijk punt van Locke’s kennistheorie is zijn onderscheid tussen primaire en secundaire eigenschappen.
- Primaire eigenschappen van dingen zijn meetbare en objectief vast te stellen eigenschappen.
- Secundaire eigenschappen bestaan alleen in de waarneming en zijn voor iedereen anders.

De opvatting van George Berkley.
Locke’s opvolger, George Berkley, was het met Locke eens dat kennis voortkomt uit waarneming en dat niet alle waarnemingen even betrouwbaar is, maar verwierp het onderscheid tussen primaire en secundaire eigenschappen. Volgens hem bestaan enkel secundaire eigenschappen en hebben we dus enkel subjectieve kennis. Volgens Locke zijn dingen slechts een verzameling waarnemingen. Vb. als niemand de smaak van een appel zou proeven, zou de smaak niet bestaan.
Berkley’s theorie heeft verregaande consequenties. Als alles alleen maar bestaat bij de gratie van het waarnemen ervan, kun je er zelfs niet van op aan dat je huis nog bestaat wanneer jij hem niet ziet. Volgens Berkley bestaat God als eeuwige waarnemer van alles en iedereen, waardoor de wereld toch blijft bestaan als wij onze ogen sluiten. God zorgt er tevens voor dat iedereen dezelfde ideeën en begrippen volgt, zodat wij kunnen communiceren.

De opvattingen van David Hume.
Een derde aanhanger was David Hume. Volgens hem zijn er twee zinvolle uitspraken. Met zijn theorie, de vork van Hume, deelt hij de uitspraken hierom in drie delen in:
- Analytische uitspraken, die a priori zijn (voorafgaand aan waarneming). Deze zijn per definitie waar.
- Synthetische uitspraken, die a posterori zijn (m.b.v. de waarneming). Het nadeel van deze waarnemingen is dat de waarneming ons kan bedriegen. Vb. hoe jij rood ziet, kan anders zijn dan hoe een ander rood ziet.
- Onzinnige uitspraken, ofwel: alle uitspraken die niet aan bovenstaande eisen voldoen.

Hume wijst erop dat oorzaak en gevolg begrippen van onze geest zij en geen kenmerken van de wereld om ons heen. Het is dus niet God die ervoor zorgt dat de wereld als een ordelijk geheel waarneemt, maar het idee van oorzaak en gevolg, ook wel causaliteit genoemd. Volgens Hume kan uit een individueel geval niet worden afgeleid dat een universeel begrip waar is, dit wordt het inductieprobleem genoemd. Hierom is empirische kennis nooit zeker, hoogstens waarschijnlijk.
 

 

 

4.3 – De grenzen van onze kennis
Volgens het inductieprobleem van Hume is inductief afgeleide kennis principieel onzeker. Daarnaast is het onmogelijk te achterhalen of de kennis die onze zintuigen afgeven klopt.
Ook het rationalisme heeft grote nadelen. In de wiskunde en de logica zijn veel stellingen en bewijzen geformuleerd, maar deze zijn niet nuttig als het verband met de wereld om ons heen niet duidelijk is. Daarnaast zit alle informatie die zij ons kunnen geven als het ware opgesloten in de premissen die verondersteld worden, we leren er dus niets nieuws van.

De opvattingen van Immanuel Kant.
Filosoof Immanuel Kant probeerde in zijn werk het empirisme met het rationalisme te verzoenen. Net als empiristen ging hij er vanuit dat kennis begint bij de waarneming. Echter leveren de zintuigen volgens Kant niet vanzelfsprekend de juiste kennis op. Volgens Kants theorie is kennis principieel subjectief, ofwel: we kunnen het ding an sich niet kennen, alleen de verschijning ervan. Met zijn theorie bakent hij daarnaast duidelijk af wat we wel en niet kunnen kennen. Kant stelde dat bepaalde structuren in ons kenvermogen, die de waarnemingen en gedachten ordenen, aanwezig moeten zijn. Hij onderscheidde hierbij twee soorten:
- De aanschouwingsvormen, ofwel: de structuren die de waarneming ordenen. Dit zijn ruimte en tijd. Kant vergeleek deze structuren met een ‘kennisbril’ die je altijd op hebt. Deze bepaalt niet alleen wat je wel of niet ziet, maar ordent daarnaast het vermogen de wereld te begrijpen.
- De categorieën, ofwel: de structuren die het verstand ordenen. We kunnen enkel over de wereld denken in termen van causaliteit, vandaar dat we, zoals Hume eerder al opmerkte, altijd direct een oorzaak zoeken als we iets waarnemen. Er zijn in totaal 12 categorieën. Hieronder vallen o.a. kwantiteit en kwaliteit. Categorieën van Kant zijn geen aangeboren ideeën, zoals de rationalisten stelden, maar vallen onder een bepaalde structuur in ons kenvermogen, die overigens wel bij de geboorte aanwezig is. (Vb. zie blz. 117).

Van Hume nam Kant ook het onderscheid tussen analytische en synthetische uitspraken over. Kant kwam echter met een nieuwe combinatie: de synthetische a priori, ofwel uitspraken die noodzakelijk waar zijn en toch kennis toevoegen.

De opvattingen van Ludwig Wittgenstein.
Volgens filosoof Ludwig Wittgenstein vallen de grenzen van het denken samen met de grenzen van de taal. Alle filosofische problemen zijn dus taalproblemen en kunnen worden opgelost als we precies in ons gebruik van de taal, ofwel: elementaire zinnen gebruiken die maar één betekenis hebben. Wittgenstein gaf hiermee een belangrijke impuls aan de linguistic turn, ofwel wending aan de taal. Al snel ontstond de analytische filosofie, die zich vooral bezighield met taalanalyse.
Later verwierp hij deze uitspraak, omdat taal niet zo eenduidig blijkt te zijn als hij dacht. De context van een woord bepaald de betekenis. Waar of hoe iemand het verhaal verteld kan dus ook uitmaken.
 

4.5 – Vier waarheidstheorieën
- Theorie 1: Ook wel de correspondentietheorie van de waarheid genoemd. Uitgangspunt is dat uitspraken waar zijn als ze corresponderen met standen van zaken in de werkelijkheid.
- Theorie 2: Ook wel de coherentietheorie. Feiten zijn hier niet het uitgangspunt, het is volgens deze theorie al voldoende als uitspraken logisch met elkaar samenhangen. Of ze dan ook iets met de werkelijkheid te maken hebben, doet er niet toe, als het maar klopt in ons denksysteem.
- Theorie 3: Ook wel de conventietheorie. Deze gaat er vanuit dat waarheid datgene is waarover we het eens zijn, mensen bepalen dus samen wat waar is (= intersubjectiviteit).
- Theorie 4: Ook wel de pragmatische waarheidstheorie. Deze gaat er vanuit dat wat werkt waar is. Niet de abstracte theorieën zijn bepalend voor de vraag naar de waarheid, maar de praktische bruikbaarheid van de kennis.

 

 

COGITO - Hoofdstuk 5: Wetenschapsfilosofie

5.1 – Wat is wetenschappelijk?
Tot de 17e eeuw werd het wereldbeeld bepaald door het christelijk geloof, dat nog altijd uitging van het wereldbeeld waarin de aarde het middelpunt van de schepping vormde. Vele filosofen werden gestraft doordat zij anders beweerden. Pas in 1687, toen Isaac Newton zijn werk over de fundamenten van de natuurkunde uitbracht, was de tijd rijp voor de erkenning dat de aarde niet het middelpunt van de schepping vormt en dat de aarde en hemelse bewegingen verklaard kunnen worden door dezelfde natuurwetten. Newton wist de kennis van de astronomie en mechanica van die tijd te verenigen, waardoor de schepping van een goddelijk mysterie veranderde in een immens uurwerk. Om het geheim van de natuur te ontdekken, hoefden zij dus enkel de natuurwetten op te sporen die dit uurwerk zo precies lieten lopen.

De beheersbaarheid van de natuur werd het ideaal. Francis Bacon schreef hierover een utopie, waar welvaart, geluk en gezondheid voor iedereen voor het oprapen lag. Pas in de 20e eeuw, toen verschillende voorspellingen van Bacons’ utopie werkelijkheid waren geworden, en ook de schaduwzijden van wetenschap en techniek bekend werden, ontstond de wetenschapsfilosofie. De belangrijkste taak voor de nieuwe wetenschapsfilosofie was zowel beschrijven wat wetenschap is als laten zien hoe wetenschap bedreven zou moeten worden.

Methoden in de wetenschap.
Aan het einde van de 19e eeuw concludeerde de Duitse denker Wilhelm Dilthey dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen de natuurwetenschappen en de mens- of geesteswetenschappen. Terwijl de mens- of geesteswetenschappen het begrijpen van redenen en bedoelingen als doel hebben, richten de natuurwetenschappen zich op het verklaren van de wetmatigheid van de natuur. Voor beide wetenschappen werden tot die tijd dezelfde benaderingswijzen gebruikt. Omdat het in de geesteswetenschappen echter draait om het begrijpen van menselijke uitingen, en niet het begrijpen van natuurwetenschappelijke feiten, was er volgens Dilthey een andere methode nodig om deze wetenschappen te benaderen.

De standaardmethode.
De standaardmethode voor de natuurwetenschappen is de empirisch-analytische methode. Deze methode probeert gebeurtenissen te verklaren. Volgens deze methode werkt de natuur altijd op dezelfde manier. Een belangrijk kenmerk van deze methode is de herhaalbaarheid van de experimenten. Daarnaast is een belangrijk kenmerk dat de feiten onafhankelijk van elkaar worden beschreven. Dit wordt anatomisme genoemd. Deze standaardmethode bestaat normaal gesproken uit vijf stappen:
1. Waarneming van verschijnselen;
2. Het opstellen van een hypothese om de verschillen te verklaren;
3. Het toetsen van de hypothese d.m.v. experimenten;
4. Het afleiden van resultaten uit deze experimenten;
5. Het opstellen van een wetmatigheid.
* In deze methode wordt zowel gebruik gemaakt van inductie, als deductie. Inductie houdt in dat uit herhaaldelijke waarnemingen een algemene conclusie getrokken wordt. Deductie houdt juist in dat uit een algemene uitspraak via een logische redenering een individuele conclusie getrokken wordt.

De hermeneutiek.
Voor de mens- en geesteswetenschappen had Dilthey een andere methode in gedachten, namelijk de hermeneutiek. Volgens deze methode komt het begrip tot stand in een hermeneutische cirkel, ofwel: het begrip komt tot stand door een wisselwerking tussen deel en geheel. Menselijk gedrag krijgt hierdoor pas betekenis binnen een patroon van handelingen.
Het draait bij deze methode om het interpreteren van allerlei menselijke uitingen, zowel van individueel gedrag als kunst en cultuur.  De basis van de hermeneutiek is levenservaring, het uitgangspunt is holisme, ofwel: menselijke uitingen krijgen pas betekenis als we ze als geheel zien. Vb. zie blz. 139.

Binnen de geesteswetenschappen vallen het object van onderzoek en de onderzoeker voor een deel samen. De onderzoeker is daarom niet alleen waarnemer, zoals bij de natuurwetenschappen, maar ook deelnemer aan het onderzoek. Dit betekend overigens niet dat natuurwetenschappen objectiever zijn.
Volgens Dilthey is het observeren en interpreteren van menselijk gedrag heel anders dan van natuurwetenschappelijke fenomenen, Dilthey pleitte hierom voor een afbakening van de geesteswetenschappen. Toch zou in de wetenschapsfilosofie de nadruk komen te liggen op de natuurwetenschap als voorbeeldwetenschap. Door de ontwikkeling van nauwkeurige meetinstrumenten was de natuurwetenschap enorm vooruitgegaan. ‘Meten is weten’ werd het nieuwe motto.

Volgens filosoof August Comte moesten de sociale wetenschappen de methode van de natuurwetenschappen overnemen. Hij dacht dat maatschappelijke ontwikkelingen hierdoor voorspeld konden worden en levensomstandigheden verbeterd konden worden.
 

5.2 – Hoe wetenschap werkt
Om het begrip ‘wetenschap’ af te bakenen wordt in de wetenschapsfilosofie het begrip demarcatie, ofwel: scheidslijn gebruikt. Dit kan op drie manieren worden opgevat:
- 1. Moet er 1 methode voor alle wetenschappen zijn, of moeten deze gescheiden methoden gebruiken?
- 2. Waar kan de wetenschap wel of geen zinnige uitspraken over doen?
- 3. Wat is ‘echte’ wetenschap en wat niet?

De Wiener kreis (logische positivisten).
In de jaren 20’ van de 20e eeuw ontstond de Wiener Kreis, een groep wetenschappen en filosofen die samen formuleren wat volgens hen échte wetenschap is. Zij worden ook wel logische positivisten genoemd. Hun ideeën baseren zij op het positivisme van Comte, dat er vanuit gaat dat wetenschap het hoogste stadium van een samenleving is. Wetenschap gaat over concrete feiten en moet volgens het positivisme zo min mogelijk interpreteren, puur empirisch en kwantitatief te werk gaan en streven naar zekerheid en precisie.
De logische positivisten willen de wetenschap volgens het positivistische ideaal ontdoen van vaagheid en onzin. Hun uitgangspunten:
- Enkel synthetische en analytische uitspraken zijn nuttig, net als Hume eerder had gesteld.
- Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen zinvolle en zinloze synthetische uitspraken. Dit is het doel van het verificatieprincipe, dat stelt dat een uitspraak enkel zinvol is, als deze empirisch geverifieerd, ofwel: met waarneming getoetst kan worden. om misverstanden te voorkomen, moeten deze waarnemingsuitspraken zo ondubbelzinnig en objectief mogelijk zijn.

Als onderzoeksmodel stellen de logische positivisten de empirische cyclus voor, die veel lijkt op de standaardmethode van de natuurwetenschappen. Dit model bestaat uit zes stappen:
1. Observatie;
2. Een conclusie trekken uit de observatie;
3. Hypothesen formuleren;
4. Voorspellingen afleiden uit de hypothesen;
5. De voorspellingen toetsen d.m.v. waarnemingen;
6. Nieuwe hypothesen vormen uit de waarnemingen.

Algemene kritiekpunten.
Een belangrijk kritiekpunt op de wetenschapsopvatting van de logische positivisten is dat het strikt toepassen van het verificatiecriterium tot gevolg geeft dat er geen algemene wetten geformuleerd kunnen worden, terwijl dit nu juist zo’n belangrijk doel is. Het verificatiecriterium eist dat alle uitspraken gecontroleerd worden door de waarneming, dit is echter niet altijd mogelijk. Natuurwetten bestaan altijd uit generalisaties, en volgens het inductieprobleem van Hume zijn deze nooit helemaal zeker.
Als reactie op deze kritiek zwakken de logische positivisten het verificatiecriterium af tot het confirmatiecriterium, dat stelt dat een wetenschappelijke theorie slechts empirisch bevéstigd moet kunnen worden. Echter, als wetenschappers enkel op zoek gaan naar een bevestiging van hun theorie, is opeens heel veel toegestaan van wat de logische positivisten juist willen weren uit de wetenschap.

Kritiek van Karl popper.
Volgens Karl Popper is de objectieve en neutrale wetenschap die de logische positivisten voorstellen onmogelijk. Wetenschap blijft mensenwerk en mensen kijken altijd vanuit een bepaald perspectief naar de wereld. Dit noemt Popper de theoriegeladenheid van de waarneming: achter elke waarneming gaat een theorie schuil, een verwachting over wat je denkt te zullen waarnemen. Door het filteren van informatie, neemt geen mens alles waar.

Volstrekt objectieve ervaringsgegevens, wat volgens de logische positivisten de bouwstenen van de wetenschap zijn, bestaan niet volgens Popper. Keuzes die gemaakt worden binnen het onderzoek (doelgroep, waarnemingen e.d.) maken het onderzoek subjectief. Kennis is hierdoor fundamenteel onzeker, stelt hij.

Dat een theorie waar is kun je volgens Popper nooit bewijzen. Niet verificatie maar falsificatie is hierom volgens hem het sleutelwoord, ofwel: een wetenschappelijke theorie moet in principe weerlegbaar zijn. Zijn de theorieën niet weerlegbaar, dan zijn het volgens Popper geen wetenschappelijke theorieën. Is een theorie bekrachtigd na verschillende pogingen tot weerlegging te hebben doorstaan, dan is de theorie volgens Popper gecorroboreerd, ofwel: geldig tot het tegendeel bewezen wordt.

Kritiek van Karl popper.
Volgens Karl Popper is de objectieve en neutrale wetenschap die de logische positivisten voorstellen onmogelijk. Wetenschap blijft mensenwerk en mensen kijken altijd vanuit een bepaald perspectief naar de wereld. Dit noemt Popper de theoriegeladenheid van de waarneming: achter elke waarneming gaat een theorie schuil, een verwachting over wat je denkt te zullen waarnemen. Door het filteren van informatie, neemt geen mens alles waar.

Volstrekt objectieve ervaringsgegevens, wat volgens de logische positivisten de bouwstenen van de wetenschap zijn, bestaan niet volgens Popper. Keuzes die gemaakt worden binnen het onderzoek (doelgroep, waarnemingen e.d.) maken het onderzoek subjectief. Kennis is hierdoor fundamenteel onzeker, stelt hij.

Dat een theorie waar is kun je volgens Popper nooit bewijzen. Niet verificatie maar falsificatie is hierom volgens hem het sleutelwoord, ofwel: een wetenschappelijke theorie moet in principe weerlegbaar zijn. Zijn de theorieën niet weerlegbaar, dan zijn het volgens Popper geen wetenschappelijke theorieën. Is een theorie bekrachtigd na verschillende pogingen tot weerlegging te hebben doorstaan, dan is de theorie volgens Popper gecorroboreerd, ofwel: geldig tot het tegendeel bewezen wordt.

 

 

De opvattingen van Thomas Kuhn.
In 1962 schreef filosoof Thomas Kuhn een boek waar hij in een klap beroemd mee werd. Anders dan de logisch positivisten, die nadruk legden op de rechtvaardiging van kennis (context of justification), wijst Kuhn op het belang van de totstandkoming van kennis voor de aanvaarding ervan (context of discovery). Het sleutelwoord in zijn wetenschapstheorie is paradigma, ofwel: een gemeenschappelijk denkkader waarbinnen wetenschappers werken. Wetenschappers delen binnen een paradigma verschillende vooronderzoeken, waardoor niet steeds opnieuw de uitgangspunten betwist hoeven worden en duidelijk is wat wel en niet zinvol is om te onderzoeken. Wanneer iets nieuws ontdekt wordt dat niet binnen het paradigma past, en wetenschappers het niet met elkaar eens zijn, wordt volgens Kuhn de strijd niet bepaald door rationele argumenten, maar door sociologische factoren. Doordat er op zo’n moment geen gemeenschappelijk kader is, zijn rationele argumenten niet nuttig.
Sommige paradigma’s zijn volgens Kuhn incommensurabel, ofwel: onvergelijkbaar. Vb. zie blz. 147. Daarnaast concludeert hij, door deze onvergelijkbaarheid, dat wetenschap niet per se in een rechte lijn vooruit gaat. Volgende paradigma’s hoeven niet per se dichter bij de waarheid te liggen, het is namelijk niet zo dat alle theorieën uit het verleden hebben geleid tot het hedendaagse succes. Kuhn stelt dat de falsificatie van Popper in de praktijk niet mogelijk is. Tussen twee paradigma’s is geen redelijke discussie mogelijk, waardoor ook niet uitgemaakt kan worden op welke gronden een theorie gefalsificeerd zou moeten worden.

De opvattingen van Paul Feyerabend.
Volgens wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend wordt de westerse wetenschap sterk overschat. Er is volgens hem niet één onafhankelijke wetenschappelijke methode, ‘anything goes’, stelt hij. Feyerabend pleit voor pluralisme, ofwel: een veelvoud van methoden en experimenten. Hij wil laten zien dat rationaliteit niet de enige weg is die kennis oplevert. De meeste wetenschappers vonden Feyerabends extreme opvattingen onzin. In een belangrijk Amerikaans wetenschappelijk tijdschrift werd hij zelfs omschreven als ‘de grootste vijand van de wetenschap’.
 

5.3 – Wetenschap is overal
Tegenwoordig leeft de overtuiging dat wetenschappelijke kennis de enige betrouwbare kennis levert en dat de wetenschap bovendien de eigen problemen kan oplossen. Wetenschap is niet alleen een beschrijving van de wereld, maar draagt in belangrijke mate bij aan hoe de wereld in elkaar zit. De manier waarop we samenleven is bijv. zo ingrijpend veranderd dat we al lang niet meer door hebben dat daar in veel gevallen techniek en wetenschap ten grondslag liggen. Ook de geschiedwetenschappen beïnvloeden ons leven. Wetten en regels, maar ook bijv. opgedane kennis binnen de psychologie zorgen ervoor dat wij op bepaalde manieren beïnvloed of zelf gemanipuleerd worden.

Ook de politiek kan niet om de wetenschap heen. Als er een beslissing moet worden genomen over een ingewikkeld onderwerp, kan het zelfs zo zijn dat wetenschappers eer invloed hebben dan de verantwoordelijke bestuurders. Filosoof Max Weber zag het als een gevaar dat politieke doelen ondergeschikt zouden raken aan technische middelen. Andersom vond Weber ook dat wetenschap tegen politieke en ideologische invloeden beschermd moesten worden. Webers waardevrijheidsthese gaat er vanuit dat de wetenschap zich alleen bezig moet houden met feiten, niet met waarden. De betrokkenheid bij een onderzoek mar niet de waardevrijheid in de weg staan, zegt Weber. Volgens Weber is de wetenschappelijke benadering van de wereld doorgedrongen tot de manier waarop mensen met elkaar omgaan. De samenleving wordt daardoor rationeler.

Sociologe Donna Haraway schreef een boek waarin zij liet zien dat de harde grenzen tussen man en vrouw, lichaam en geest, natuur en cultuur en zelfs tussen levend wezen en ding, niet langer vol te houden zijn in de technologische cultuur waarin wij leven. In het toekomstbeeld dat zij schetst, vullen mensen hun lichaam aan met technologische middelen, tot ze een soort ‘cyborgs’ worden. Zij ziet hierin mogelijkheden.
Filosoof Marcuse daarentegen, zag o.a. de Holocaust als rechtstreeks gevolg van de moderne techniek. Wetenschap en techniek bleken voor vreselijke doeleinden gebruikt te worden, wat het vertrouwen krenkte.

Behalve de gevolgen die de wetenschap en techniek hebben voor hoe mensen met elkaar omgaan, werd in de 20e eeuw ook steeds duidelijker wat de gevolgen voor natuur en milieu zijn. filosoof Hans Jonas pleitte hierom voor voorzichtigheid; bij een handeling moet men nadenken over de invloed die de handeling kan hebben in de verre toekomst.

Volgens socioloog Ulrich Beck leven wij in een risicomaatschappij, waarin als gevolg van moderne technologie veel rampen ontstaan. Dit zijn allang geen ‘incidenten’ meer, stelt hij. Beck geeft aan dat we niet moeten vergeten dat wetenschap ons niet alleen welvaart en gemakt heeft opgeleverd, maar ons ook heeft verlost van gevaarlijke vooroordelen en kwakzalverij. 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.