Filosofie: Hoofdstuk 1 Redeneren en Overtuigen
Basis:

Standpunt – houding t.o.v. bewering: - instemmend – afwijkend
Argument – reden voor instemming/afwijzing
Redenering – aaneenschakeling van argumenten ter ondersteuning van een standpunt
Bestaat uit dus argumenten – premissen
Conclusie – standpunt dat door argumenten wordt ondersteund
Logica – Rechtvaardigen je argumenten je standpunt? ≠ Waarheid
Retorica – overtuigingskracht van een argumentatie
Dialectica – verband tussen tekst en onderwerp
Logica:

- Logos – ‘zin’, ‘bewering’ etc.;
- Bestuderen wetten van het redeneren, zonder zich te bemoeien met inhoud;
- Plato: ‘Redeneren is instrument van het denken, ware denken ligt niet in de redenering, maar in het inzicht van de Ideeën;
- Aristoteles: Organon (letterlijk: gereedschap voor de filosoof en wetenschapper), hij beschrijft hierin de verschillenden ingrediënten van beweringen en redeneringen.
- Leibniz: ‘Logische problemen veroorzaakt door dubbelzinnigheden en onduidelijkheden in de spreektaal’ universele kunsttaal (characteristica universalis), die alle dubbelzinnigheden en vaagheden zou vermijden (verg. wiskunde) vertaalsleutel: woordenboek met natuurlijke taal (omgangstaal) en symbolen uit kunsttaal (ars combinatoria). Dit alles m.b.v. rekenregels (calculus ratiocinator). Zo vertaalt met de redenering van natuurlijke taal naar kunsttaal en m.b.v. rekenregels de redenering controleren. CALCULEMUS
Redenering hoeft niet waar te zijn, alleen maar geldig
Als de premissen waar zijn, is de conclusie dan ook waar? – Volgt de conclusie noodzakelijkerwijs uit de premissen? Zo ja - de redenering is geldig
Geldigheid gaat dus niet over de waarheid, maar over het verband tussen beweringen onderling
Modus Ponens – Als a het geval, dan is ook b het geval; a is het geval, dus b is het geval.
Één van de premissen in een implicatie (als p, dan q); de tweede premisse stelt dat het antecedens (dat wat na ‘als’ komt) het geval is; hieruit volgt ook het consequens (dat wil zeggen q) het geval is.
Modus Tollens – zie boven, maar het consequens en de implicatie worden ontkend en dus kan het antecedens niet waar zijn.
Foutieve omkering – consequens volgt niet uit antecedens  ex-consequentia redenering.
Onware conclusies volgen dus uit:
I. Onware premissen (onterechte vooronderstellingen);
II. Denkfouten (premissen zijn waar, maar conclusie volgt er niet uit)
Kunsttalen:
- Vereenvoudiging van de redenering in de natuurlijke taal
- Vergelijkbaar met symbolentaal in de wiskunde:
W ‘a’, ‘b’ en ‘c’ zijn variabelen
W ‘+’ en ‘-‘ zijn constanten
W ‘(…)’ en leestekens zijn hulptekens
T Letters zijn variabelen
T Tekens zijn constanten, logische constanten (bv ‘en’ en ‘of’)
- Goed inzicht in de structuur van de redenering, niet meer afgeleid door betekenis (is het waar of niet?)
Syllogisme: sluitrede, redenering waarin uit de premissen noodzakelijk de conclusie volgt.
- Vorm van deductief redeneren, d.w.z. redeneervorm waarbij uitgaande van de waarheid van de premissen, de conclusie noodzakelijkerwijs waar is;
- Bestaat uit:
I. Twee uitspraken of beweringen (premissen)
II. Waartussen een verband bestaat (‘als…dan’, ‘en’ en ‘of’)
III. Zó, dat ze samen tot een derde uitspraak leiden (conclusie)
- Kenmerken:
I. Middenterm – term die in beide premissen voorkomt
II. In beide premissen zit een stukje uit de conclusie
III. Eerste premisse is algemeen – Maior
IV. Tweede premisse is specifiek – Minor
Propositie logica – hele zinnen vervangen door letters, propositie is één enkelvoudige zin, die waar of onwaar is. Ontwikkeld door Stoïcijnen (filosofische stroming Stoa).
- ¬¬¬¬¬¬¬¬Logische Constanten – Connectieven:
→ Implicatie ‘als…dan’
∧ conjunctie ‘en’
∨ Disjunctie ‘of’
¬ Negatie ‘niet’
- Waarheidswaarde: 1 (propositie is waar) of 0 (propositie is onwaar)
- 2 soorten Disjunctie: Exclusieve- en inclusieve disjunctie.
Exclusief: het één óf het ander
Inclusief: het één of (‘en’) het ander
- tautologie – een logische formule die onder alle omstandigheden waar is.
- ONTHOUDT: EEN IMPLICATIE IS ALLEEN NIET WAAR ALS DE PREMISSE WAAR MAAR DE CONCLUSIE ONWAAR IS.
Retorica: Rhetor – redenaar

retorische middelen – middelen die een spreker kan inzetten om zijn argumentatie kracht bij te zetten, bijvoorbeeld een goede woordkeus, drogredenen, mimiek, intonatie enzovoort.
retorische communicatie – de concrete situatie waarin iemand (een spreker of schrijver) een publiek (lezers, toehoorders) van een gedachte of opvatting (zijn standpunt) probeert te overtuigen (het doel). De speciale vorm van communicatie die je gebruikt in zo’n situatie heet retorische communicatie.
Ars rhetorica – kundigheid van spreken
Befaamde beoefenaars van de retorica waren de sofisten, het ging hun niet om de waarheid maar om de manier waarop het verhaal gebracht werd en de beargumentering daarvan. Oftewel gelijk krijgen i.p.v. gelijk hebben.
Omdat hierdoor de waarheid eigenlijk relatief werd, kwamen de sofisten in een kwaad daglicht te staan en zodoende worden drogredenen (logisch gezien ongeldige argumenten) ook wel sofismen genoemd.
Drogredenen:

I. Drogreden door misleidend taalgebruik:
- Dubbelzinnigheden, woordspellingen en verwarrend taalgebruik
- Emotioneel taalgebruik, bespelen van emoties in het publiek
- Strikvragen, meerdere vragen tegelijk stellen om zo iemand antwoorden te ontfutselen die hij wellicht liever niet had willen geven, of hem een standpunt te laten innemen die hij niet deelt. De verborgen vragen worden dus niet ‘gesteld’, maar dat het antwoord als een feit wordt verondersteld, de ondervraagde gaat niets vermoedend in op de vraag en gaat dus in op de veronderstelling
II. Misleidende beweringen:
- Overhaaste generalisatie, afleiden van algemene uitspraken uit een groot aantal waarnemingen inductieve redenering: Zwaan 1 is wit, Zwaan 2 is wit….. Conclusie: Alle zwanen zijn wit. Conclusie volgt niet noodzakelijkerwijs uit premissen = verschil met deductief redeneren. 1. Te zoeken naar uitzonderingen, 2. Algemene vaststelling te vertalen naar percentuele schatting en 3. Mensen alleen als op zichzelf staande individuen te beoordelen
- Post hoc ergo propter hoc: erna, dus erdoor. David Hume: Als twee gebeurtenissen elkaar altijd opvolgen, dan neemt men aan dat de eerste gebeurtenis de oorzaak is van de tweede, maar we zien geen oorzakelijk verband.
III. Misleidend redeneren:
- Petitio principii: Cirkelredenering: ‘Ik houd niet van spruiten, want ik vind ze vies’, geen argument gegeven; herhaling; schijnargument
Syllogistisch: p → p, altijd geldig, ongeacht de p, maar antecedens voegt niets toe aan consequens. Argumenten moeten iets nieuws toevoegen aan standpunt
- Non sequitur: dat volgt er niet uit. Besluit volgt niet uit de premissen, en is dus een onjuist gevolg.
- Foutieve omkeringen:
p → q
q
p
- Foutieve analogieën: appels met peren vergelijken, analogie redenering is een redenering op grond van overeenkomsten tussen A en B en zodoende wordt er geconcludeerd dat wat aan A toekomt ook aan B toekomt. Net als inductieve redenering volgt de conclusie niet noodzakelijkerwijs uit de premissen, hij is alleen mogelijk/waarschijnlijk
IV. Valse Retoriek: Beïnvloeden van tegenstander of publiek:

- De stroman: verdraaien of overdrijven van iemands standpunt. Je schuift je tegenstander dus een ander standpunt voor z’n voeten en zo kan je hem dus beter aanvallen. Een man van stro is immers makkelijk omver te werpen, net zoals een verdraaide standpunt.
- Argumentum ad Hominem: op de man spelen. Voorbeelden: feiten of verzinsels bekendmaken van opponent, het beledigen van opponent of om voorvallen te vertellen die de opponent inferieur laten lijken aan jou (dom, oneerlijk of onbetrouwbaar). Hij moet dus in de verdediging zonder dat hij zijn standpunten uiteenzet, zo kan men dus een discussie uit de weg gaan. Jijbak is een een variant van het ad-hominem-argument, waarbij kritiek wordt teruggekaatst naar de oorspronkelijke spreker. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind u deze kwestie niet goed aanpakt’ –‘Nou, alsof u het beter zou doen!’.
- Argumentum ad populum, bespelen van het publiek (vergelijk emotioneel taalgebruik). Iemand die dit soort drogreden vaak aanwendt noemt men een populist. Zo krijgt men de meerderheid achter zich en zullen zijn standpunten gesteund worden.
- Argumentum ad verecundiam: autoriteitsargument. Thomas van Aquino gebruikte dit vaak door filosofen, Augustinus en de bijbel te citeren.
- Ontduiken/verschuiven van de bewijslast. Je neemt een standpunt in en je weigert vervolgens deze te verdedigen en dus de last van het bewijzen maar in de schoenen van de opponent schuift (‘Je gelooft me niet. Nou leg jij dan maar eens uit hoe het wel zit!’)
- Ad baculum-argument: dreigen, intimideren en manipuleren. ‘Je doet wat ik zeg, of ik doe je wat aan!’ De bedreigde personen worden geacht hun standpunten te veranderen of niet langer te uiten. Zo bestaat er ook iets als emotionele chantage, variant waarin iemand een schuldgevoel wordt aangepraat.
Aantekeningen
Alleen dingen die niet genoemd worden in bovenstaande. Soms een vereenvoudiging.
Logische Principes:
Identiteit: iets is zichzelf en niet iets anders A = A
Verschil: iets is anders dan z’n tegendeel A ≠ -A
Syllogisme: Redeneerschema’s
M = Mayor
P = Predicaat
S = Subject
a = universeel bevestigend ‘allen zijn’
i = particulier bevestigend ‘sommige zijn’
e = universeel ontkennend ‘geen zijn’
o = particulier ontkennend ‘sommige zijn niet’
M P
S M
S P
Vier categorische syllogismen: Barbara, Celarent, Darii en Ferio.
Barbara:
Schema: Voorbeeld:
M a P Alle mensen zijn dieren
S a M Alle mannen zijn mensen
S a P Alle mannen zijn dieren
Celarent
Schema: Voorbeeld:
M e P Alle mensen kunnen niet vliegen
S a M Alle mannen zijn een mensen
S e P Alle mannen kunnen niet vliegen
Darii
Schema: Voorbeeld:
M a P Alle Mensen zijn sterfelijk
S i M Socrates is een mens
S i P Socrates is sterfelijk
Ferio
Schema: Voorbeeld:
M e P Mensen kunnen niet vliegen
S i M Socrates is een mens
S o P Socrates kan niet vliegen

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.