Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Vrije wil als verantwoordelijkheid

We spreken van vrije wil als verantwoordelijkheid, wanneer iemand iets doet uit vrije wil. Als vrije wil een vereiste is voor verantwoordelijkheid, dan zou dit betekenen dat criminelen alleen gestraft mogen worden als ze hun misdaden uit vrije wil hebben gepleegd. Alleen moeten we dan eerst een juiste definitie voor vrije wil hebben.

Vier redenen om te straffen

  • Opvoeding. Straf is een middel om het gedrag van een misdadiger te veranderen en te zorgen dat hij de strafbare daad niet nog eens zal begaan.
  • Afschrikking. Straf is een middel om te voorkomen dat veel mensen de wet zullen overtreden. Als er geen kans was om gestraft te worden, zouden veel meer mensen misdaden begaan.
  • Bescherming van de samenleving. Een misdadiger die in de gevangenis zit, kan buiten de gevangenis geen kwaad meer doen.
  • Vergelding. Als iemand verantwoordelijk is voor een misdrijf, dan verdient hij het om daarvoor boete te doen.

De eerste drie redenen zijn pragmatisch: het is wenselijk om criminaliteit te verminderen en de maatschappij ertegen te beschermen, dus als straf een middel kan zijn om dat te bereiken, dan geeft ons dat wellicht een reden om te straffen. De vierde reden, vergelding, is meer principieel van aard en beroept zich op het filosofische idee van morele verantwoordelijkheid. Het idee dat het rechtvaardig is om mensen om deze reden te straffen, staat bekend als retributieve rechtvaardigheid. Het woord ‘retributie’ betekent ‘teruggave’: de misdadiger betaalt als het ware zijn schuld af door de straf te ondergaan.

 

Incompatibilisme

Als het determinisme waar is, dan heeft niemand een vrije wil.

Determinisme

  • Natuurwetmatig determinisme, iedere gebeurtenis volgt noodzakelijk uit eerdere gebeurtenissen in combinatie met de natuurwetten.
  • Hard determinisme, als determinisme waar is, heeft niemand een vrije wil. Het determinisme is waar. Dus niemand heeft een vrije wil.
  • Libertarisme, als het determinisme waar is, dan heeft niemand een vrije wil. Mensen hebben een vrije wil, het determisme is onwaar.
    • Principe van alternatieve mogelijkheden: handelen uit vrije wil vereist dat je ook iets anders had kunnen doen.
    • Het ultieme oorzaak principe: als iemand uit vrije wil handelt, dan is zijn handeling veroorzaakt door zijn keuze om zo te handelen, zonder dat die keuze zelf weer is veroorzaakt door eerdere gebeurtenissen.

 

Compatibilisme

Mensen hebben een vrije wil of het determinisme nu waar is of niet. Vrije wil en het determinisme zijn vereinigbaar. Het ultieme oorzaak principe wordt wel verworpen.

Conditioneel compatibilisme

G. E. Moore kwam met deze term. Het houdt een dubbele betekenis van ‘had gekund’ in. Als een persoon iets anders had kunnen doen betekend: Als ze iets anders had gewild, dan had ze iets anders gedaan. Eigenlijk kan het niet -> determinisme, maar toch had het gekund. Dit is een conditionele analyse van het principe van alternatieve mogelijkheden. Een conditioneel compatibilist stelt twee voorwaarden voor het handelen uit een vrije wil.

1.De persoon moet doen wat hij wil doen, het mag echter gedetermineerd zijn.

2.Als hij iets anders had willen doen, dan had dat gekund. Het mag echter wel zo zijn dat, dat hij niet wat anders wilde doen, gedetermineerd is.

Peter van Inwagen was tegen het conditioneel compatibilisme. Hij kwam met het consequentie argument. Het consequentie-argument stelt dat als het determinisme waar is al onze handelingen een noodzakelijk gevolg (‘consequentie’) zijn van de natuurwetten en gebeurtenissen en die al vastlagen voor onze geboorte. Als iemand wat anders had kunnen doen in een bepaalde situatie dan hij deed, is zeggen dat iemand de natuurwetten of de gebeurtenissen voor zijn geboorte kan veranderen. Maar dat is absurd: niemand kan het verleden of de natuurwetten veranderen. Als we dat laatste accepteren lijkt alle hoop op een overtuigende invulling van het idee dat alternatieve mogelijkheden en determinisme verenigbaar zijn te vervliegen.

 

Frankfurt ging grappig doen met dokter Black. Vrije wil niet vereist dat is voldaan aan het principe van alternatieve mogelijkheden. Jansen wilde de bank overvallen, en als hij het niet wilde had hij nog steeds gedaan. Hij had dus geen alternatieve mogelijkheden. Meneer Jansen heeft geen regulatieve controle, maar hij heeft wel besturingscontrole.

 

Compatibilisme o.g.v vatbaarheid voor redenen Fischer

Vrije wil heeft alles te maken met controle. Als we geen controle hebben zijn we niet verantwoordelijke en hebben we geen vrije wil. Als we uit het niets een handeling kunnen veroorzaken hebben we totale controle. Als het determinisme waar is, dan hebben we deze controle niet. Het principe van alternatieve mogelijkheden stelt; dat we ook iets anders hadden kunnen doen. Dit noem je regulatieve controle. Op basis van het consequentie argument wordt duidelijk dat we deze controle niet hebben. We hebben alleen besturingscontrole. Wanneer je begrijpt wat je doet en waarom je het doet, dan heb je besturingscontrole. Dan ben je voor rede vatbaar.

 

Compatibilisme o.g.v. reactieve attitudes Strawson

Reactieve attitudes zijn gevoelens die binnen de samenleving de alledaagse omgang reguleren. Reactieve attitudes zijn de basis van waar wij elkaar voor verantwoordelijk houden. Of het determinisme nou waar is of niet, verandert hier niets aan. Strawson maakt een onderscheid tussen reactieve attitudes en een objectieve houding. Een objectieve houding heb je bij bijv. een demente vrouw die iets doet. Bij een reactieve attitude heb je verontwaardiging bij een objectieve houding niet. Hoewel het ook best samen kan gaan.

 

David Hume

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Hume probeerde oorzakelijkheid op een strikt empirische manier te begrijpen. Hij begreep

oorzakelijkheid als gewenning aan het elkaar telkens weer opvolgen van hetzelfde soort gebeurtenissen (‘constant conjunction’). Omdat we eraan gewend zijn geraakt dat bepaalde gebeurtenissen telkens weer op elkaar volgens spreken we in zulke gevallen van oorzaak en gevolg. Hieruit volgt echter dat we voor het idee van oorzakelijkheid het idee van noodzakelijkheid nodig hebben. Immers, er kan alleen maar sprake zijn van een oorzaak – gevolg relatie als er sprake is van gewenning aan het elkaar telkens weer – constant – opvolgen van hetzelfde soort gebeurtenissen. De constantheid geeft ons het idee dat het noodzakelijk zo is dat de ene gebeurtenis altijd volgt op de andere. Dit geldt ook als we nadenken over de wil als oorzaak van onze handelingen. Ik wil de domino stenen omgooien er is dus een verband tussen mijn wil en het gevolg.

 

Immanuel Kant

Immanuel Kant stelde dat je ervan uit kan gaan dat er ondanks een gedetermineerde wereld, er toch plaats is voor een vrije wil. Dit deed hij als volgt: de wetenschap heeft een beperkte visie en ziet de wereld niet an sich. En juist in het stukje wereld wat de wetenschap niet ziet (noumenale wereld) zit onze vrije wil. De wereld die wij waarnemen noem je dus de fenomenale wereld, en de wereld die we niet kunnen waarnemen noem je de noumenale wereld. Omdat de wetenschap alleen zinnige uitspraken kan doen over de fenomenale wereld, kunnen we ervan uitgaan dat hierbinnen alles gedetermineerd is, maar de wetenschap kan geen uitspraken doen over de noumenale wereld, en dus hoeft die ook niet gedetermineerd te zijn. Een vrije wil is nodig volgens Kant om de praktische rede aan te sturen. Onze menselijke rede, ookwel intelligibelle karkater, beantwoord morele vragen en beslist hoe we zullen handelen. Kant verdedigde een plichtethiek. Hij stelde dat plichtethiek veronderstelde dat je vrij bent in de zin van het principe van alternatieve mogelijkheden. Kant hangt het ultieme-oorzaakprincipe aan. Hij gaat ervan uit dat de keuzes die men maakt puur en enkel in door het persoon die ze maakt worden gevormd. Verder stelt Kant dat de wetenschap ons geen reden geeft om zijn theorie te geloven, maar dat de wetenschap ook geen reden geeft om zijn theorie niet te geloven. We moeten in de fenomenale wereld er maar van uitgaan dat men een vrije wil heeft, omdat anders ethiek niet mogelijk is. Volgens de auteurs van dit boek is Kant geen liberetariër, geen compatibilist en ook geen hard determinist, hij valt buiten alles. Dit omdat Kant het beste van de 2 werelden combineert, enerzijds deterministische opvatting en anderzijds een ongedetermineerde vrije wil.

 

Derk Peereboom

Hard incompatibilisme is de opvatting dat niemand een vrije wil heeft of determinisme nu waar is of niet. Volgens de filosoof Derk Pereboom volgt uit hard compatibilisme dat mensen nooit straf verdienen (sterke aanrekenbaarheid), maar betekent dat nog niet dat je mensen nooit ter verantwoording mag roepen (zwakke aanrekenbaarheid).

Doordat mensen geen straf verdienen is vergelding geen geldige reden om te straffen. Opvoeding ook niet, want het heeft geen effect. Afschrikking ook niet, je laat de misdadiger lijden ten behoeve van anderen. Alleen bescherming van de samenleving is een goede manier, maar dan op de quarantaine manier. Bovendien mag er gestraft worden als de misdadiger het zelf wil.

Morele woede is woede die zich richt op personen die volgens ons slecht handelen.

  • Zorgt voor verzet tegen onderdrukking, onrechtvaardigheid en misbruik.
  • Het heeft wel vaak schadelijke gevolgen hebben. Ze dragen niet bij aan het welzijn van degenen op wie de woede is gericht.

Morele woede speelt een rol bij ons geloof in het bestaan van de vrije wil en morele verantwoordelijkheid. Over het algemeen rechtvaardigen we uitingen van morele woede met het argument dat mensen die kwaad doen het ook verdienen om onze woede te ondergaan. Als we onze morele woede willen rechtvaardigen hebben we er dus belang om ons geloof in het bestaan van vrije wil en morele verantwoordelijkheid in stand te houden.

We mogen mensen niet straffen maar wel opsluiten als ze een gevaar voor de samenleving vormen. Hun opsluiting moet dan geen leed veroorzaken, het is een beetje zoals in het in quarentaine plaatsen. Het enige verschil is dat je niet preventief misdadigers kan opsluiten en wel preventief zieken kunt opsluiten.

Voor kleinere vergrijpen kunnen mensen wel een lichtere maatregel als straf krijgen, zoals een geldboete. Dit mag omdat het als afschrikmiddel werkt. Het ontnemen van bezit als een vorm van straf is volgens Pereboom dus te verdedigen op grond van de voordelige gevolgen die het uiteindelijk heeft voor een samenleving of het harde incompatibilisme nu waar is of niet.

Dit is goed voor de samenleving omdat: Het accepteren van hard incompatibilisme kan leiden tot een meer optimistische visie op moraal. Immers: als vrije wil niet bestaat, komt immoreel gedrag ook niet voort uit een vrije wil om kwaad te doen. Mensen doen dan slechte dingen uit onwetendheid en gebrek aan opvoeding. Dit inzicht zou onze morele woede kunnen temperen en daarmee de schadelijke gevolgen van deze reactieve attitude kunnen verminderen. In plaats daarvan zouden we misschien verdraagzamer worden naar andere mensen. Daarnaast zou acceptatie van hard incompatibilisme kunnen resulteren in een hogere mate van gemoedsrust in gevallen waarin we geconfronteerd worden met tegenspoed.

 

 

 

 

 

 

Thomas Nagel

Thomas Nagel introduceert het begrip ‘moral luck’. Soldaten zijn bijv. slachtoffer van moral luck. Zij zijn gewoon op de verkeerde plek in de verkeerde tijd.

Het probleem van morele mazzel vloeit voort uit de normale voorwaarden voor morele oordelen. We vinden het vanzelfsprekend dat iemand niet moreel kan worden beoordeeld op grond van iets dat zijn schuld niet is, of dat te wijten is aan factoren buiten zijn controle. De zaken waarop mensen moreel worden beoordeeld, worden echter in veel meer opzichten dan we oorspronkelijk dachten bepaald door zaken buiten onze controle. Uiteindelijk blijkt volgens Nagel niets of bijna niets van wat iemand doet onder zijn controle te vallen. Je kunt je afvragen of er, uitgaande van het bestaan van morele mazzel en pech, nog wel ruimte is voor een vrije wil die zelf niet ook het resultaat is van een vorm van mazzel of pech.

Vier soorten morele mazzel/pech

1.Mazzel of pech ten aanzien van je karakter (constitutieve mazzel/pech)

2.Mazzel of pech ten aanzien van je huidige omstandigheden

3.Mazzel of pech ten aanzien van je verleden

4.Mazzel of pech ten aanzien van hoe je handelingen uitpakken.

Actorspijt is de spijt die je kunt voelen over iets dat je (mede) hebt veroorzaakt, zonder dat je er

schuldig aan bent. Stel bijvoorbeeld dat een vrachtwagenchauffeur per ongeluk een kind aanrijdt. Als de chauffeur niets fout heeft gedaan, zal hij zich ellendig voelen over zijn rol in de gebeurtenis, maar hij zal zichzelf niets te verwijten hebben. Dit is een geval van actorspijt zonder morele pech. Als de chauffeur echter nalatig is geweest en heeft verzuimt zijn remmen op tijd te laten controleren dan zal hij zich niet alleen ellendig voelen over het gegeven dat zijn nalatigheid heeft bijgedragen aan de dood van het kind, hij zal zich ook schuldig voelen aan de dood van het kind. Dit is wѐl een voorbeeld van morele pech, omdat hij zich maar weinig verwijten had hoeven te maken over zijn nalatigheid als hij niet plotseling hard had hoeven remmen om het kind niet aan te rijden. Toch is de nalatigheid in beide gevallen (wel of geen kind dat oversteekt) hetzelfde en de chauffeur heeft geen controle over het feit dat er een kind voor zijn vrachtwagen loopt.

                                                                                                                                             

Vrije wil als zelfverwerkelijking

Herkenbaarheid: Wanneer het gedrag van iemand normaal is. Als iemand zich ineens heel anders (‘out of character’) gaat gedragen, roept dat bij anderen vaak de vraag op of iemand nog wel doet wat hij daadwerkelijk wil.

Authenticiteit: je ideeën en gedrag moet ook echt van jou zijn. Juist bij meelopers en naprater spreken we meestal niet van zelfverwerkelijking.

Reflexiviteit: een onderscheid maken tussen ‘klakkeloos iets van anderen overnemen’ en ‘jezelf bewust laten beïnvloeden’.

Zelfkennis: hoe meer inzicht je hebt in wie je bent, hoe beter je in staat bent om keuzes te

maken die daar goed bij passen, en hoe meer je eigen identiteit tot uitdrukking komt in je handelen.

Zelfinterpretatie: het bepalen van wat je zelf wilt door je enerzijds te baseren op kenmerken van jezelf die al vastliggen, maar daar anderzijds ook weer iets aan toe te voegen door de manier waarop je die kenmerken interpreteert.

                                               

Een handeling uit vrije wil als zelfverwerkelijking is een handeling waarin duidelijk wordt wat een de handelende persoon zelf belangrijk vindt. Om een vrije wil te hebben, moet je een individu zijn met een eigen mening over wat belangrijk voor je bent en wat niet. Met ‘vrije wil’ bedoelen we hier dus het vermogen om op basis van je eigen mening beslissingen te nemen.

Wanneer onze eigen identiteit in de praktijk slechts gedeeltelijk tot uitdrukking komt, dan zouden we zelfverwerkelijking kunnen zien als een soort van ideaal van vrijheid: in de praktijk is het misschien onmogelijk om altijd volledig authentiek en bereflecteerd te handelen, maar we zouden er wel naar kunnen streven om zoveel mogelijk onze eigen identiteit in ons gedrag tot uiting te laten komen.

 

David Hume

Volgens Hume kan reflectie ons helemaal niet vertellen wat we wel zouden moeten verlangen en wat niet. Als we rationeel denken over wat we moeten doen (reflecteren) is het volgens Hume altijd gebaseerd op het volgende schema:

(1) Als je verlangt naar A

(2) en je gelooft dat je A zou bereiken door B te doen

(3) dan heb je een reden om B te doen.

Dit soort redeneringen begint dus altijd met een verlangen. Mensen hebben meestal meerdere verlangens tegelijkertijd en wat we uiteindelijk zullen kiezen, wordt bepaald door het samenspel van de krachten van die verschillende verlangens. Door rationeel denken kan je er hoogstens voor zorgen dat je sterkste verlangen uitkomt. De rede is volgens Hume dus de slaaf van de passies (de verlangens). Volgens Hume bestaat er geen ‘zelf’, we zijn gewoon een bundel verlangens. Het dus ook onmogelijk om over zelfreflectie te spreken. We handelen uit vrije wil volgens Hume als we het sterkste verlangen bevredigen. Aangezien onze wil een verscheidenheid van verlangens is.

 

 

 

Frankfurt

Frankfurt is het met Hume eens dat de rede de passies nodig heeft om tot handelen te komen.

Volgens Frankfurt laat het voorbeeld van verslaving echter zien dat het sterkste verlangen niet noodzakelijk een authentiek (eigen) verlangen is. Zo kan iemand volgens Frankfurt ook een ‘onwillige verslaafde’ zijn: iemand die zelf bepaalde drugs niet wil gebruiken, maar zo verslaafd is dat hij het toch doet. Als het mogelijk is om een onwillige verslaafde te zijn, dan kun je dus een eigen wil hebben die verschilt van de optelsom van je verlangens in termen van hun motiverende kracht. Frankfurt probeert te begrijpen hoe die verschillende verlangens met elkaar samenhangen wanneer je zelf iets wilt. Een persoon die zelf iets wil (zelfverwerkelijking), heeft niet zomaar allerlei losse verlangens, maar verlangens die met elkaar een bepaalde structuur vormen. Een onwillige verslaafde heeft tegelijkertijd (minstens) twee tegenstrijdige verlangens heeft, namelijk het eerste-orde verlangen naar drugs en het tweede-orde verlangen om het verlangen naar drugs niet te hebben. Volgens Frankfurt is een tweede-orde-verlangen een noodzakelijke (maar geen voldoende) voorwaarde om zelf iets te kunnen willen (vrije wil als zelfverwerkelijking). ‘

Determinisme

Frankfurts theorie van vrije wil als zelfverwerkelijking is aantrekkelijk voor deterministen, omdat

determinisme volgens deze theorie geen gevaar is voor zelfverwerkelijking. Bij Frankfurts theorie ligt in je ‘natuurlijke aard’ besloten waar je van houdt. Waar je van houdt kan dus volledig gedetermineerd zijn, maar dat is volgens Frankfurt geen probleem voor het idee van vrije wil als zelfverwerkelijking. De verlangens die in overeenstemming zijn met wat je liefhebt, zijn van jezelf; de verlangens die ermee in strijd zijn, zijn niet van jezelf

Kritiek

Volgens Frankfurt is het hebben van een tweede-orde-verlangen dat overeenstemt met het eerste orde-verlangen dat je aanzet tot een handeling een noodzakelijke voorwaarde om iets zelf te kunnen willen(vrije wil als zelfverwerkelijking). Alleen wat doe je als er sprake is van een conflict met de tweede-orde verlangen. We kunnen dan zeggen dat je handeling daadwerkelijk een handeling is waarbij sprake is van zelfverwerkelijking als je een derde-orde-verlangen hebt dat overeenstemt met het tweede-orde-verlangen dat overeenstemt met het eerste-orde-verlangen. Volgens sommige filosofen kan je dan oneindig door blijven gaan.

 

Frankfurt en Sartre over verslaving

Kan verslaving leiden tot gedrag zonder tussenkomst van je eigen wil?

Frankfurt zegt van wel: hij ziet de verslaving als een "verlangen dat je niet bent maar wel hebt" en dat, als het maar sterk genoeg is, jouw onwillige gedrag veroorzaakt.

Sartre zegt van niet: Sartre zou eerder geneigd zijn om de onwillige verslaafde te beschrijven als een geval van kwade trouw. Alleen als hij fysiek echt niet kan stoppen met zijn verslaving is er sprake van een facticiteit. Wanneer een verslaving van zodanige aard is dat de verslaafde er tegenin zou kunnen gaan, maakt deze in de opvatting van Sartre géén deel uit van de facticiteit waarbinnen die persoon kan handelen. Wie beweert weliswaar te willen stoppen, maar nu eenmaal een gevangene is van een of andere substantie, geeft zich over aan mauvaise foi, tenzij het inderdaad fysiek volkomen uitgesloten is dat iemand ooit van het spul af zou kunnen komen - dus alleen als het werkelijk een soort blijvende invaliditeit is.

 

Sartre

Volgens Sartre gaat in het geval van mensen (in tegenstelling tot andere dingen op de wereld) ‘existentie’ (ons bestaan) vooraf aan ‘essentie’ (je wezen). Sartre kan niets ooit bepalen wat het belangrijkst voor je is of wat je het best kunt doen. Soms heb je misschien ook goed nagedacht over wat je nu eigenlijk wil en wat niet (reflectie) en baseer je je argumenten op ervaringen uit je verleden, maar al deze factoren kunnen je uiteindelijk nooit tot een bepaalde keuze dwingen; je kunt er immers ook voor kiezen om tegen je eigen argumenten in te handelen. Het is jouw uiteindelijke keuze die je maakt tot wie je bent.

Atheïsme

Mensen zijn volgens Sartre niet geschapen of bedacht door een God er is in Sartre existentialisme helemaal geen plaats voor een god. Sartre was het ook niet eens met Kant terwijl Kant wel atheïst was. Kant zei dat er een universeel begrip is van wat het betekent om een mens te zijn dat vooraf gaat aan elke historische verschijningsvorm van de mens. Sartre wijst ook dit idee af als een vorm van essentialisme en verdedigt in plaats daarvan dat je als mens telkens weer zelf moeten kiezen wie je bent en zelf verantwoordelijk bent voor je keuze.

Sartre zegt wel dat mensen natuurlijk met omstandigheden te maken hebben, je kan je taal niet kiezen, niet waar je geboren bent of in welke cultuur. Deze omstandigheden noemt hij Facticiteit. Mensen moeten wel leren omgaan met hun facticiteit en kunnen evengoed altijd een keuze maken, ze zijn altijd vrij. Deze vrijheid is een last. Mensen die hun vrijheid ontkennen zijn te kwader trouw, mauvaise foi. Mensen die te kwader trouw zijn weigeren verantwoordelijkheid te nemen voor wie ze zijn en leven daarmee in een leugen.

Vier aspecten bij Sartre

Herkenbaarheid: Volgens Sartre heeft dit niets met een ‘zelf’ te maken. Je beslist continu zelf wat je wilt doen. Hierdoor ben je altijd zelf in controle en is dus elke keuze die je maakt herkenbaar.

Authenticiteit: Wanneer je met authenticiteit bedoeld dat elk mens een diepe vaststaande innerlijke essentie bedoeld dan is Sartre het dus niet met je eens. Maar wanneer je met authenticiteit bedoeld dat je een keuze maakt puur op eigen denken en totaal niet beïnvloed

door invloeden van buitenaf, dan sluit dit juist aan bij Sartre omdat hij stelt dat je als persoon zelf altijd de keuze maakt wat je wilt Je bent niet authentiek wanneer je iets zomaar kiest omdat het past bij je rol of functie, of omdat het is wat ‘men’ nu eenmaal doet, maar wanneer je juist kiest vanuit het besef dat de keuze aan jou is.

Reflexiviteit: Reflectie leid volgens het existentialisme niet tot redelijke uitgangspunten waar je je keuzes op moet baseren.

Zelfkennis: Het maakt volgens Sartre niet uit hoeveel zelfkennis je hebt, er zijn nou eenmaal dilemma’s waar je niet uit kan komen. Hij stelt dan ook dat kennis van feiten over jezelf nooit bepalend kan zijn voor welke keuze je zou moeten maken.

 

John Stuart Mill

Volgens Mill hangt vrije wil als zelfverwerkelijking samen met het hebben van karakter. Het feit dat we karakter hebben, betekent dat we niet blind worden voortgestuwd door onze verlangens, maar dat sommige verlangens een uitdrukking zijn van de individuele ontwikkeling die we als personen doormaken. Mill combineert Nature en Nurture. Iemands karakter is het product van een individueel groeiproces dat voor iedere persoon verschillend is. Verlangens of behoeften die van jezelf zijn, zijn verlangens die kenmerkend zijn voor je karakter. Gedrag dat voortkomt uit dit soortverlangens is volgens Mill gedrag waar je iemand aan kunt herkennen als hij zich gelukkig voelt. Dus als je van een bepaald verlangen niet gelukkig voelt, dan is dat dus niet kenmerkend voor jou karakter.

Schadebeginsel

Mill acht vrijheid van denken en handelen van groot belang, maar er zijn wat hem betreft ook grenzen. Deze grenzen houden het schadebeginsel in. Het schadebeginsel stelt dat mensen vrijheid van handelen en meningsuiting hebben op voorwaarde dat ze andere mensen niet fysiek schaden. Op het moment dat er sprake is van fysieke schade mag de overheid ingrijpen, bijvoorbeeld door iemand te arresteren en vast te zetten. Handelen is minder vrij dan denken. Want wanneer je alleen maar iets ergs denkt dan zitten daar geen gevolgen aan vast, maar zodra je handelt, kan je ervoor zorgen dat andere mensen fysieke schade oplopen.

Vorming eigen karakter

Volgens Mill is het niet raadzaam om je oordelen en handelen uitsluitend te laten bepalen door de traditie van je tijd en de gewoonten en gebruiken van de mensen om je heen.

Je moet volgens hem zelf nadenken en je eigen weloverwogen oordelen te gebruiken. Hij geeft daarvoor 3 redenen.

1) De tradities, gebruiken en opvattingen van anderen gebaseerd op hun ervaringen en hun uitleg ervan. Deze ervaringen kunnen echter beperkt zijn of de uitleg ervan kan verkeerd zijn (vergissen is immers menselijk).

2) Je moet actief betrokken zijn op de vorming van je eigen karakter want het kan zijn dat ‘gewoonten gemaakt zijn voor gewone omstandigheden en alledaagse karakters’ en dat jouw omstandigheden en karakter ongewoon of afwijkend kunnen zijn. Met andere woorden: nieuwe omstandigheden en afwijkende karakters vereisen nieuwe ideeën en mogelijkheden die niet noodzakelijk gegeven zijn in tradities en opvattingen van anderen.

3) ‘De menselijke vermogens van waarneming, oordeel, onderscheid, geestelijke activiteit en zedelijke keuze’ alleen worden geoefend door zelf na te denken en zelf keuzes te maken. Iemand die anderen slaafs volgt spant zich niet in en ontwikkelt geen kritisch denkvermogen.

Dit alles is goed voor de samenleving omdat deze zich dan ontwikkeld en betere dingen kan uitvinden. Als niemand out of the box dacht dan was er nu geen internet.

Robot en boom

Mill stelt dat ‘de menselijke natuur geen machine die men naar een model kan bouwen en precies dat werk kan laten doen waarvoor hij gemaakt is, maar een boom, die naar alle kanten moet kunnen uitgroeien en zich moet kunnen uitbreiden, in overeenstemming met de innerlijke krachten die er een levend ding van maken’. Mensen zijn dus volgens Mill niet vergelijkbaar met robots, omdat tot meer in staat zijn dan het ‘blind en mechanisch’ navolgen van regels. Sterker nog, volgens Mill is het wenselijk dat mensen meer doen dan regels volgen en hun verstand gebruiken. Daarnaast hebben mensen in tegenstelling tot robots begeerten en hartstochten die ook een belangrijke rol spelen in het bepalen van iemands karakter. Een boom vormt zich wel door middel van de omstandigheden en het “karakter” van de boom zelf.

Mill en het Calvinisme

Bij calvinisme ligt de nadruk op gehoorzaamheid aan de wil van God en het idee dat alles dat daarvan afwijkt zondig is. Deze nadruk op gehoorzaamheid en plicht gaat niet goed samen met de door Mill verdedigde visie op zelfverwerkelijking waarin individualiteit en eigenzinnigheid een belangrijke rol spelen. Mill stelt dat een belangrijk uitgangspunt van het christelijk geloof is dat de mens geschapen is door een goed Wezen (God). Het ligt volgens Mill voor de hand om in het verlengde van dit uitgangspunt te denken dat het Gods wil is dat mensen de hen gegeven vermogens zo goed mogelijk ontwikkelen.

 

Charles Taylor

Volgens Taylor wordt de manier waarop wij onszelf interpreteren onvermijdelijk sterk bepaald door onze taal en cultuur. Wij kunnen niet denken zonder onze taal en ons moraal wordt bepaalt door onze cultuur. Het kan alleen zijn dat begrippen uit jouw taal en cultuur niet altijd goed passen bij wat voor jou volgens jouw gevoel persoonlijk belangrijk is, zodat je interpretatie van jezelf vaak niet volledig bevredigend zal zijn. Volgens Taylor zijn taal en cultuur vooral belangrijk voor zelfinterpretatie vanwege allerlei begrippen die een sterke morele lading hebben. Maar juist omdat die begrippen niet neutraal zijn, is het volgens Taylor belangrijk om in te zien dat je je ‘diepste gevoel’ van wat belangrijk is ook weer niet tot die begrippen kunt herleiden. Je moet je namelijk ook van die begrippen weer kunnen afvragen of dat wel de begrippen zijn die je wilt gebruiken.

Evaluaties

Taylor bouwt voor op de orde verlangens van Frankfurt. Hij gebruikt zwakke en sterke evaluaties. Een zwakke evaluatie is een afweging in termen van wat op de korte dan wel lange termijn de meeste bevrediging of het meeste welbevinden gaat opleveren. Bij sterke evaluatie daarentegen maken we niet slechts een ‘koele’ berekening in termen van te verwachten genot of gemak, maar vellen we een moreel oordeel over de verschillende motivaties en verlangens die op het spel staan. Sterke evaluatie speelt volgens Taylor een belangrijke rol bij zelfverwerkelijking en veronderstelt een vermogen tot reflectieve zelfevaluatie zoals dat is geformuleerd door Frankfurt in termen van tweede-orde verlangens.

Zelfinterpretatie

Volgens Taylor moet je continu je zelfinterpretatie herevalueren. Telkens als je om wat voor

redenen dan ook in een proces van herevaluatie van je (diepste) waarden en persoonlijke idealen verzeild is het uiteindelijke resultaat de uitkomst van een worsteling. Er zijn geen duidelijke ‘regels’ die snel en makkelijk een degelijke en stabiele interpretatie van jezelf opleveren (een conception of the self). Zo zou het bijvoorbeeld kunnen zijn dat je over het

algemeen de juistheid van je handelen, motiveert door een algemeen streven naar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen (een utilistisch criterium). Dit is (op het eerste gezicht) een relatief duidelijke maatstaf, maar bij radicale herevaluatie van wie je bent en wat je belangrijk vindt staat zoals gezegd precies ook iedere maatstaf zelf ter discussie. Taylor wijst er dan ook op dat een fundamentele herevaluatie van wensen en handelingen bijzonder moeilijk is en een houding van openheid (voor nieuwe maatstaven en interpretaties) vereist.

 

Taylor en Sartre

Het probleem van de Soldaat, moeder vs. verzet. Volgens Sartre is dit probleem niet op te lossen op basis van rationele reflectie of morele uitgangspunten, maar slechts door de radicale keuze die de jongeman uiteindelijk zal maken. Volgens Taylor laat dit voorbeeld echter precies zien dat Sartres theorie niet klopt. Zijn punt is dat het dilemma van de jongeman slechts ontstaat omdat hij verscheurd wordt door morele eisen die precies niet het resultaat zijn van een radicale keuze. De jongeman kiest niet zelf wat hij belangrijk vindt (cultuur) en heeft de pech dat hij in de situatie zit waarin zijn sterke evaluaties onverenigbaar zijn. Wat jij goed en belangrijk vindt is volgens Taylor noch iets dat helemaal vastligt, maar zeker ook niet iets dat jij bepaalt door middel van radicale keuze (zoals Sartre beweert). In tegenstelling tot Sartre is het volgens Taylor misschien wel mogelijk om een radicale keuze te maken tussen sterke evaluaties, maar is radicale keuze van sterke evaluaties ondenkbaar.

 

John Gray

Volgens John Gray zijn mensen eenvoudigweg dieren die zoals alle andere dieren gevormd zijn door een evolutie die ons heeft geselecteerd op agressie en inventiviteit. Morele begrippen zoals ‘moed’, ‘eer’ en ‘rechtvaardigheid’ zijn geen instrumenten waarmee we onszelf interpreteren, maar eerder een soort modegrillen die passen bij de gewoontes van onze tijd. Aangezien het gewoon begrippen zijn waarmee wij bijv. ‘wraakzuchtigheid’ beoordelen. Mensen blijken hun keuzes en oordelen in veel gevallen eerder op intuïtie dan op rationele overwegingen te baseren. Rationaliteit speelt meestal pas achteraf een rol als mensen op zoek gaan naar argumenten voor standpunten die ze toch al hebben.(Haidt) In het verlengde hiervan stelt Gray dat het hele idee van zelfverwerkelijking een typisch westerse misvatting is.

Volgens Doris en Gray zijn geen van de vier aspecten van zelfverwerkelijking op mensen van toepassing.

  • Net als andere dieren worden gedreven door gevoelens van honger, lust en agressie. Hiermee vervalt het aspect van authenticiteit.
  • Menselijk handelen en oordelen meestal niet gebaseerd is op rationele reflectie, maar op intuïtie en daar zijn mensen zich niet van bewust. Reflexiviteit en zelfkennis vervallen hier dus ook.

-         Het experiment van Milgram laat zien dat iemands gedrag meer afhankelijk is van de situatie waarin de persoon zich bevindt dan van zijn individuele karakter of eigen wil. Mensen kunnen niet voorspellen wat ze zouden doen. Ze wijken van hun herkenbare karakter af. Het aspect herkenbaarheid, in de zin dat mensen een eigen herkenbaar karakter zouden ontwikkelen, komt hiermee onder vuur te liggen.

Doris argumenteert wegens het Milgram experiment dat we ons minder moeten richten op morele opvoeding en dat we beter kunnen gaan onderzoeken hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen niet in situaties terechtkomen waarin ze verkeerde dingen doen.

 

Vrije wil als bewuste aansturing

Vrije wil als bewuste aansturing is het vermogen om bewust je eigen lichaam in beweging te brengen. Wanneer je handelt uit vrije wil dan is je handeling aangestuurd door een bewuste gedachte die je vlak voor je handeling hebt.

Dit roept echter vragen op bij filosofen. Waar zit de bewuste aansturing? Wat is een bewuste gedachte? Om daadwerkelijk iets zinnigs te kunnen zeggen over het wel of niet bestaan van vrije wil als bewust aansturing zullen we ook over dit soort vragen na moeten denken en daarmee iets zeggen over de verhouding tussen geest en lichaam.

Doordat het wereldbeeld veranderde van teleologisch, waarin veranderingen in de wereld begrepen worden als het streven naar een bepaald doel. Na de wetenschappelijke revolutie kwam er een mechanistisch wereld beeld. Binnen het mechanistische wereldbeeld wordt de natuur gezien als een grote machine die uit allerlei onderdelen bestaat die zich volgens vaste principes gedragen, maar geen ‘innerlijke neiging’ of bedoeling heeft. Maar als onze lichamen in essentie mechanische machines zijn die zich, net als de rest van de natuur, gedragen volgens vaste principes, hoe zit het dan met onze vrije wil?

 

Substantie dualisme

Substantiedualisme is de theorie die stelt dat de menselijke geest een denkende substantie is die

onafhankelijk bestaat van het materiële menselijk lichaam. Alleen hoe kan onze geest en ons lichaam elkaar kunnen beïnvloeden als de geest een niet materiële substantie is die onafhankelijk bestaat van ons lichaam. Dit is het interactie probleem, waar nog geen antwoordt op gevonden is. Deze theorie is wel aantrekkelijk omdat sommige mensen geloven dat de ziel blijft leven na de dood. Als je dit gelooft moet je er van uitgaan dat geest en lichaam los van elkaar kunnen bestaan. Verder is het moeilijk om de werking van de menselijke geest op mechanistisch wijze te begrijpen. Het menselijk denken en voelen lijkt veel te complex, subtiel, flexibel en onvoorspelbaar om ooit te kunnen herleiden tot mechanistische principes. Bovendien lijken gedachten en gevoelens simpelweg geen dingen te zijn die ruimte innemen en gewicht hebben zoals materiële dingen (die wel onderdeel uitmaken van de mechanistische natuur).

 

Causale geslotenheid van het natuurkundig domein

Causale geslotenheid van het natuurkundig domein houdt in dat iedere gebeurtenis binnen het natuurkundig domein die een oorzaak heeft, volledig wordt veroorzaakt door gebeurtenissen binnen het natuurkundig domein. Oftewel iets natuurlijks kan alleen iets natuurlijks veroorzaken, dus als bovennatuurlijke krachten objecten in de natuur in beweging kunnen brengen, dan zouden natuurlijke krachten alleen niet voldoende zijn om de bewegingen van objecten in de natuur te begrijpen. Onze beschrijving van de natuur altijd onvolledig moeten zijn. Ontwikkelingen in de moderne natuurwetenschap zoals de ontdekking van de wet van behoud van energie en de theorie dat alle krachten die we in de natuur vinden te herleiden zijn tot vier fundamentele natuurkrachten, zwaarte kracht, elektromagnetische kracht, zwakke kernkracht en sterke kernkracht, laten echter geen ruimte meer voor het idee dat zulke ‘gaten’ bestaan.

 

Omdat krachten volgens Newton niet via directe fysieke aanraking hoeven te werken, vinden sommige wetenschappers in zijn krachtenleer een mogelijkheid om het op te lossen met behulp van het idee van bovennatuurlijke krachten. Als de geest het lichaam in beweging kan brengen, dan oefent de geest dus blijkbaar ook een kracht uit. Men veronderstelde daarom dat er niet alleen natuurkrachten waren die door materiële objecten kunnen worden uitgeoefend, zoals zwaartekracht en trekkracht, maar ook krachten waarmee de geest invloed kan uitoefenen op de materie van het lichaam. Andersom zouden de natuurkrachten dan ook invloed moeten kunnen hebben op de denkende substantie van de geest. Op grond van deze theorie zouden we de vrije wil kunnen zien als een vermogen van onze geest om een bovennatuurlijke kracht uit te oefenen op ons lichaam.

 

Dit is aantrekkelijk voor mensen omdat:

  • Allereerst sluit het idee van bovennatuurlijke krachten gevoelsmatig goed aan bij de dualistische ideeën die mensen hebben over de verhouding tussen geest en lichaam.
  • Het geeft een oplossing voor het interactieprobleem
  • Een theorie van vrije wil als bewuste aansturing die goed lijkt aan te sluiten bij onze alledaagse ervaring van onszelf als handelende personen.
  • Daarnaast geloven veel mensen in allerlei paranormale verschijnselen die alleen kunnen bestaan als er ook bovennatuurlijke krachten zijn.

 

Verschillen tussen causale geslotenheid en het natuurwetmatig determinisme

Uit het principe van causale geslotenheid volgt niet dat alle gebeurtenissen in het natuurkundig domein noodzakelijk volgen uit eerdere gebeurtenissen. Terwijl bij natuurwetmatig determinisme alles een oorzaak heeft.

De causale geslotenheid van het natuurkundig domein heeft als gevolg dat we het interactieprobleem voor het substantiedualisme nooit kunnen oplossen. Aangezien de bewegingen van ons lichaam binnen het natuurkundig domein vallen, moeten de oorzaken van die bewegingen ook altijd binnen dat domein vallen. Maar als de geest buiten het natuurkundig domein ligt, zoals het substantiedualisme stelt, dan kan de geest dus nooit de beweging van het lichaam veroorzaken.

 

Epifenomenalisme

Epifenomenalisme is de theorie dat bewuste ervaringen en gedachten wel door het lichaam worden veroorzaakt, maar zelf geen invloed hebben op het lichaam. Dus “je” hebt geen invloed op je lichaam. Dit vinden veel mensen niet leuk, en dus geen goed idee. Daarnaast lijkt de waarheid van epifenomenalisme te impliceren dat mensen niet zouden leren van hun bewuste ervaringen, dit vinden ook veel mensen niet kloppend.

 

Substantiemonisme en identiteitstheorie

Substantiemonisme (ook vaak ‘monisme’ genoemd) is de stelling dat er slechts één substantie is en dat de geest op een andere manier samenvalt met het lichaam.

De Identiteitstheorie (identiek theorie) is een monistische theorie die stelt dat alle gedachten en ervaringen identiek zijn aan hersentoestanden.

Kritiek op identiteitstheorie

  • Een gedachte dat die ergens over gaat, maar kunnen we ook zeggen dat hersentoestanden ergens over gaan?
  • Een ander probleem is dat verschillende mensen dezelfde gedachte zouden kunnen hebben, terwijl de activiteit in hun hersenen toch heel verschillend zou kunnen zijn.
  • Er lijkt geen één-op-één-relatie tussen gedachten en hersentoestanden te zijn.
  • Het blijft moeilijk te begrijpen dat de activiteit in onze hersenen ervoor zorgt dat we een bewuste ervaring hebben van datgene dat we denken, zien, voelen of willen.

 

Onderzoek van Libet

Uit experimenten van Amerikaanse hersenonderzoekers onder leiding van Benjamin Libet bleek dat in je hersenen de voorbereiding van een beweging begint vlak voordat je bewust bedenkt dat je met die beweging wilt beginnen. De theorie dat de voorbereiding van een beweging in de hersenen eerder begint dan de bewuste gedachte dat je met de handeling wilt beginnen, wordt tegenwoordig door diverse experimenten ondersteund. Je kunt je afvragen of je nog wel kunt spreken van vrije wil in de zin van bewuste aansturing, wanneer blijkt dat je hersenen al met een handeling zijn begonnen terwijl je nog niet bewust hebt bedacht dat je het nu gaat doen.

Niet iedereen is ervan overtuigd, dat het experiment van Libet aantoont dat onze bewuste gedachten geen invloed hebben op ons handelen. Volgens Libet laat dit zien dat hoewel het bewustzijn handelingen niet veroorzaakt, het wel de mogelijkheid heeft om een ‘veto’ uit te spreken op het moment dat de je je bewust wordt van je neiging om te handelen: het bewustzijn kan die beslissing volgens Libet nog terugdraaien (free won’t i.p.v. free will). Verder is het zo dat hoe meer de situatie in het experiment afwijkt van situaties uit het dagelijks leven, hoe moeilijker het wordt om conclusies te trekken uit de antwoorden van de proefpersonen. In het experiment van Libet werd mensen bijvoorbeeld gevraagd om met een nauwkeurigheid van honderden milliseconden te bepalen wanneer een bewuste gedachte begint. Dit roept de vraag op of je wel nauwkeurig kunt meten wanneer een bewust gedachte ontstaat door het simpelweg aan proefpersonen te vragen. Als dit inderdaad niet kan moeten we ons afvragen of dit soort experimenten eigenlijk wel gaan over bewuste aansturing.

 

Dit brengt ons bij het monistische epifenomenalisme van Swaab. Volgens Swaab loopt het bewustzijn achter de beslissingen van de hersenen aan. Het verschil met het dualistische epifenomenalisme is dat Swaab het bewustzijn wel binnen het natuurkundig domein plaatst. Een bewuste gedachte kan daarom wel degelijk invloed hebben binnen het natuurkundig domein, bijvoorbeeld wanneer een proefpersoon in een experiment die bewuste gedachte rapporteert. Maar het bewustzijn neemt niet de beslissing om te beginnen met handelen, want die wordt in de hersenen al eerder genomen. In die zin komt de bewuste gedachte dus achteraf.

 

René Descartes

Volgens Descartes zijn mensen een samenstel van twee substanties die in principe onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan, maar wel samenwerken.

 

Passies van de Ziel

Passies van de Ziel

Als we de passies van de ziel en hun verhouding tot het lichaam willen begrijpen dan zullen we zo precies mogelijk de functies van ziel en lichaam van elkaar moeten onderscheiden. Het lichaam is mechanistisch. In het hart brandt een vuur en verwarmd het bloed dat vervolgens zich via aderen door het lichaam verspreidt en via de hersenen allerlei bewegingen in gang te zetten. Op deze manier verricht het lichaam automatische functies zoals ademen en het verteren van eten.

Een passie van de ziel is bijvoorbeeld de gewaarwording van honger. Hierdoor kan de ziel het lichaam een seintje geven en naar de koelkast laten lopen. Een belangrijke rol in dit soort processen spelen de zogenaamde animale geesten: hele kleine deeltjes in ons bloed die zelfs in de kleinste holtes van de hersenen kunnen komen en op die manier zenuwen bewegen en organen en spieren aansturen. Met de animale geesten verklaart Descartes ook hoe onze lichaamsdelen zich kunnen bewegen zonder dat onze wil (de ziel) daarbij een rol speelt. Cognities en gewaarwordingen noemt Descartes passies van de ziel, omdat de ziel bij gewaarwordingen en cognities een overwegend passieve rol speelt; de ziel wordt ‘bewogen’ door het lichaam.

  • Gewaarwordingen van het lichaam, zoals de ervaring van dorst, representeren een toestand van het lichaam zelf en zijn het resultaat van de manier waarop het lichaam de ziel beweegt.
  • Gewaarwordingen van de ziel, onder meer emoties (hartstochten), maar ook de (vrije) wil. Een voorbeeld van een emotie die uitsluitend betrokken is op de ziel, is de blijdschap die ik ervaar bij het fantaseren over een verre reis die ik binnenkort hoop te gaan maken.

Acties van de Ziel

Volities (willingen) noemt Descartes acties van de ziel, omdat het bij volities gaat om iets dat de ziel zelf in gang zet.

  • Volities die gericht zijn op het lichaam: bijvoorbeeld het willen optillen van je arm
  • Volities die gericht zijn op zaken binnen de ziel, de wil om van God te houden.

 

Waarom de pijnappelklier?

Volgens Descartes interacteren lichaam en ziel met elkaar via een klier in de hersenen: de pijnappelklier (epifyse).  In tegenstelling tot andere delen van de hersenen is de pijnappelklier niet tweevoudig en hoe moet je anders verklaren hoe de twee beelden afkomstig van onze twee ogen en auditieve indrukken van onze twee oren in de ziel verschijnen als één samenhangende gewaarwording.

Descartes ziet de pijnappelklier als de plaats waar de indrukken van onze zintuigen door middel van de animale geesten samenkomen en zich verenigen voordat ze naar de ziel gaan. 

De andere kant op kan de ziel via de pijnappelklier het lichaam aansturen door middel van volities (acties van de ziel). Doordat de wil helemaal vrij is, kan ze volgens Descartes enkel door te willen de pijnappelklier bewegen en zo het gewilde tot stand brengen.

 

Daniel Dennett

Libet trok uit zijn experimenten de conclusie dat onze hersenen bewegingen van ons lichaam al voorbereiden voordat we de bewuste gedachte hebben dat we een bepaalde beweging willen maken. De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett beweert echter dat dit een onjuiste conclusie is die berust op een verkeerde (cartesiaanse) manier van denken over ons bewustzijn als een plaats van waaruit we ons lichaam aansturen. Descartes begreep de geest als volledig transparant; alles dat zich in de geest afspeelt trekt als het ware als een film aan ons oog voorbij. De ziel is dus de homonculus, een mannetje, in het (cartesiaans) theater die op basis van de film die hij voor bij ziet komen alle beslissingen maakt. Het mannetje is geen onderdeel van de machine van het lichaam en ook niet van de film, maar lijkt een soort oneindig klein – of zelfs onstoffelijk – punt van waaruit wordt geoordeeld over de ‘film’ en vrije beslissingen worden genomen.

Volgens Dennett geeft onze huidige kennis van de hersenen geen enkele reden om te denken dat bewustzijn een plaats in de hersenen is waar op eenduidige tijdstippen informatie binnenkomt andere woorden: er is geen cartesiaans theater. Ook is er geen oneindig klein of zelfs onstoffelijk mannetje in ons hoofd dat op basis van bewuste informatie beslissingen neemt. Jij bent daarentegen het geheel van je hersenen en al je mentale vermogens moet je begrijpen als ‘uitgesmeerd’ over tijd en ruimte, zonder eenduidige plaats waar informatie bewust wordt en jij beslissingen neemt. Als je dit allemaal klopt moeten we dus concluderen dat Libets onderzoek gebaseerd is op foutieve aannames over het bewustzijn en dat zijn onderzoeksresultaten niet aantonen dat vrije wil als bewuste aansturing verworpen moet worden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.