Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 1

Beoordeling 7.8
Foto van C.
  • Samenvatting door C.
  • 3e klas vwo | 1033 woorden
  • 24 juni 2016
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

 Engels H1




Lesson 1















































































































































































































 

Engels



Nederlands



1



to step out of



ergens uit stappen



2



wet



nat



3



to swim / swam / swum



zwemmen / zwom / gezwommen



4



pool



zwembad



5



to wake up / woke / woken



wakker maken / maakte / gemaakt



6



energetic



energiek, vol energie



7



exercise



lichaamsbeweging



8



break



pauze



9



unbelievable



ongelofelijk



10



sheet



laken



11



shock



schok



12



road accident



verkeersongeluk



13



far



veel



14



to hit / hit / hit



raken / raakte(n) / geraakt



15



awful



verschrikkelijk



16



crash



botsing



17



injured



gewond



18



to run into / ran / run



tegenaan botsen, aanrijden



19



to knock



stoten



20



damage



schade, letsel



21



mountain bike



mountainbike



22



hurt



gewond



23



to repeat



herhalen



24



information



informatie



25



detail



detail



26



nightmare



nachtmerrie



27



to take place / took / taken



plaatsvinden / vond plaats / plaatsgevonden



28



to cycle



fietsen



29



off road



off road



30



bone



bot



31



conscious



bij bewustzijn



32



to live



leven



33



to die



sterven, doodgaan



34



refreshing



verfrissend



35



to dash



zich haasten



36



to tremble



beven



37



to skid



slippen



38



to head back



teruggaan



39



stretch of road



stuk weg





Lesson 2
































































































































































































 

Engels



Nederlands



1



motorist



automobilist



2



to accuse of



beschuldigen van



3



to shock



laten schrikken, schokken



4



country road



landweg



5



to return



teruggaan



6



pavement



stoep



7



cycle lane



fietspad



8



bend



bocht



9



oil



olie



10



to drive / drove / driven



rijden, besturen / reed / gereden



11



ditch



sloot, greppel



12



builder



bouwvakker



13



unhurt



ongedeerd



14



ambulance



ambulance, ziekenwagen



15



to rush



snel brengen, met spoed brengen



16



Accident and Emergency Unit



afdeling spoedeisende hulp



17



Royal



koninklijk



18



spokesperson



woordvoerder



19



to break / broke / broken



breken / brak / gebroken



20



injury



verwonding



21



general



algemeen, gewoon



22



ward



afdeling



23



serious



ernstig



24



pub



café



25



officer



politieagent



26



drunk



dronken



27



therefore



dus, daarom



28



illegal



illegaal



29



as



terwijl



30



condition



toestand



31



alcohol



alcohol



32



acceptable



acceptabel, aanvaardbaar



33



to improve



verbeteren



34



situation



situatie



35



infirmary



ziekenhuis



36



breath test



ademtest













Lesson 3















































































































































































































 

Engels



Nederlands



1



doctor



dokter



2



floor



verdieping, etage



3



down



aan het eind van, verderop in



4



corridor



gang



5



to smell / smelt / smelt



ruiken / rook / geroken



6



to rub



inwrijven



7



sterilizing stuff



ontsmettingsspul



8



nurse



verpleger, verpleegster



9



worried



bezorgd, ongerust



10



to hug



knuffelen



11



bruise



kneuzing



12



cast



gips



13



cast



gipsverband



14



cartoon



cartoon, spotprent



15



reading



iets om te lezen



16



mountain biking



mountainbiken



17



mags



tijdschriften



18



lucky one



geluksvogel



19



to be into / was, were / been



erg mee bezig zijn



20



extreme sports



extreme sporten



21



crash



ongeluk



22



physiotherapy



fysiotherapie



23



operation



operatie



24



X-ray



röntgenfoto



25



consultant



behandelend arts



26



optimistic



optimistisch



27



encouraging



bemoedigend



28



scary



eng



29



wheelchair



rolstoel



30



a while



een poosje



31



to mend



herstellen



32



to cheer up



opbeuren, opvrolijken



33



packet



pakje



34



artistic



artistiek



35



genius



genie, genialiteit



36



yours truly



ondergetekende



37



toe



teen



38



germ



ziektekiem, bacil



39



to be a write-off



afgeschreven zijn









Grammatica




Present simple (tegenwoordige tijd) çè present continuous




  • Je gebruikt de present simple als iets vaak, regelmatig, altijd gebeurt. Meestal staat er een woord als always, usually, often in de zin.

  • Je gebruikt de present continuous wanneer iets nu bezig of aan de gang is. Vaak staat er een woord als now of at the moment in de zin.



Past simple (verleden tijd)



Vorm:




  • Bij regelmatige werkwoorden eindigt de past simple op -ed.

  • Onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm voor de past simple.

  • In vragende en ontkennende zinnen gebruik je did of didn’t + hele werkwoord.



Gebruik:         Je gebruikt de past simple als iets in het verleden gebeurd is en het is wel belangrijk wanneer. Vaak staat er een tijdsbepaling in de zin.



Past continuous



Vorm:              Past continuous: verleden tijd van to be (was / were) + werkwoorden + -ing



Gebruik:         Je gebruikt de past continuous als je zegt wat er op een bepaald moment in het verleden bezig was, of als je zegt wat je toen aan het doen was. Wat er gebeurde staat vaak in een bijzin die met when begint.



Much / many – little / few – a little / a few































Much:



Veel + enkelvoud



Many:



Veel + meervoud



Little:



Weinig + enkelvoud



Few:



Weinig + meervoud



A little:



Een beetje + enkelvoud



A few:



Een paar + meervoud




Past simple (verleden tijd) çè past continuous




  • Je gebruikt de past simple wanneer je wilt zeggen wanneer iets gebeurde. Meestal staat er een tijdsbepaling in de zin.

  • Je gebruikt de past continuous wanneer je wilt zeggen wat er aan de gang was toen iets gebeurde. Wat er gebeurde staat vaak in een bijzin die met when begint.





My – mine – of mine





































My (mijn)



Mine (die van mij)



Of mine (van mij)



Your (jouw)



Yours (die van jou)



Of yours (van jou)



His (zijn)



His (die van hem)



Of his (van hem)



Her (haar)



Hers (die van haar)



Of hers (van haar)



Our (onze)



Ours (die van ons)



Of ours (van ons)



Their (hun)



Theirs (die van hen)



Of theirs (van hen)






Als het niet om personen gaat, gebruik je its:




  • The stream at the bottom of the garden has just burst its banks.



Onregelmatige werkwoorden (irregular verbs)



Onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm voor de verleden tijd (past simple) en het voltooid deelwoord (part participle).



Moeten (verplicht zijn)




  • Moeten (verplicht)                       è have to + hele werkwoord

    Hey, we have to stay positive, Josie.



    She has to come to another meeting.



    The people of Tolchester have to decide what they can do.



    I’ll have to be in a wheelchair for a while.



  • Niet hoeven                                 è don’t / doesn’t have to + hele werkwoord

    You don’t have to look so worried!



    He won’t have to be in a wheelchair at all.



    She doesn’t have to invite them, does she?







Lidwoorden (articles)



Soms gebruik je in het Engels lidwoorden terwijl wij dat in het Nederlands niet zouden doen. En soms is het net andersom. Het bepaalde lidwoord: the.



Je gebruikt het niet (Ø):




  • Bij publieke gebouwen (als het gaat om de functie ervan);

  • Voor de namen van jaargetijden.



Maar wel:




  • Als je het gebouw zelf bedoelt;

  • Als je een bepaald seizoen bedoelt.



Het onbepaalde lidwoord: a / an.



Je gebruikt het wel:




  • Bij beroepen.



Maar niet:




  • Als dit beroep maar door 1 persoon kan worden uitgeoefend.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door C.