De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


§1.1 Wat is productie?

Produceren: is het toevoegen van waarde.
Onderlinge leveringen: inkopen van spullen bij andere bedrijven.
Totale kosten: het totale bedrag dat wordt uitgegeven aan de productiefactoren.
Totale opbrengst (omzet): het totale bedrag dat wordt ontvangen met de verkoop van de producten.
Winst: het verschil tussen de totale opbrengst en de totale kosten.
Productiefactoren: zijn middelen die nodig zijn bij de productie, zoals:
1. Arbeid, 2. Kapitaal, 3. Grond (natuur) en 4. Ondernemersactiviteit.
Arbeid: hieronder verstaan we alle menselijke handelingen bij de productie om een inkomen te krijgen.
Kapitaal: daarmee bedoelen we soms geld of kapitaalgoederen zoals gebouwen, machines en gereedschappen.
Kapitaalgoederen: zijn goederen waarmee andere goederen kunnen worden gemaakt of waarmee een inkomen kan worden verkregen.
Grond: hiermee bedoelen we ‘natuur’, dus de gehele natuurlijke omgeving.
Ondernemersactiviteit: is het combineren van arbeid, kapitaal en grond, door de ondernemer.
Produceren: is het combineren van productiefactoren met het doel waarde toe te voegen.
Nationaal product: bestaat uit de som van de toegevoegde waarde van alle bedrijven in een land in één jaar.
Nationaal inkomen: bestaat uit de som van de beloningen van de productiefactoren in een land in één jaar.

§1.2: Productie en welvaart

Welvaart: is de mate waarin de bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien.
Schaarste: is de behoeften aan de ene kant en de middelen om die behoeften te bevredigen, aan de andere kant bestaat spanning, omdat er bijna nooit genoeg is geweest.
Externe effecten: doen zich voor als het streven naar welvaart van de één onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van een ander.
Welvaart in enge zin: als de negatieve externe effecten zich gaan richten op de productie ontstaat dus welvaart in enge zin.
Welvaart in ruime zin: betrek je de behoeften en de externe effecten in de beschouwing, dan gaat het om welvaart in ruime zin.

§1.3: De productiefactoren

Beroepsgeschikte bevolking: dat zijn alle mensen vanaf 15 jaar tot en met 64 jaar.
Beroepsbevolking: bestaat uit alle personen vanaf 15 jaar tot en met 64 jaar, die beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
Participatiegraad: we berekenen dan welk deel van de beroepsbevolking uitmaakt van de beroepsgeschikte bevolking.
Participatiegraad = beroepsbevolking : beroepsgeschikte bevolking x 100 %
Kapitaalgoederen: zijn goederen die niet bestemd zijn voor consumptief gebruik, maar om daarmee andere goederen te produceren of inkomen te verdienen.
Vaste kapitaalgoederen: zijn goederen die meer dan één productieproces meegaan.
Vlottende kapitaalgoederen: zijn goederen die slechts één productieproces worden gebruikt (ze gaan op in het eindproduct).
Investeren: is het aanschaffen van kapitaalgoederen.
Arbeidsproductiviteit: is de waarde van de hoeveelheid geproduceerde goederen per arbeidsuur.
Kapitaalintensiteit: is de hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid.
Diepte-investering: is een investering waarbij de kapitaalintensiteit toeneemt.
Breedte-investering: is een investering waarbij de kapitaalintensiteit niet verandert.
Arbeidsbesparende investeringen: is de arbeid vervangen door kapitaal.
Afschrijvingen: geven de in geld uitgedrukte waardedaling van kapitaalgoederen weer.
Productiefactor “natuur”: het gaat hier om 4 punten:
1. De geografische ligging van een land of regio, 2. Natuurlijke hulpbronnen, 3. Het klimaat en 4. milieufactoren.
Geografische ligging: de ligging van een land is hier erg belangrijk, want als het land “verkeerd” ligt kan het “weinig” invloed hebben op de economie.
Natuurlijke hulpbronnen: de delfstoffen die in een land aanwezig zijn.
Het klimaat: verschillende klimaten in alle landen geeft mogelijkheden voor verschillende producties.
Milieufactoren: zijn een aantal zaken samengevat, zoals frisse lucht, schoon water, rust en stilte, landsschoon en de beschermende ozonlaag.
Duurzame ontwikkeling: hiermee wordt een manier van produceren bedoeld die de natuurlijke omgeving zoveel mogelijk onaangetast laat en de onaangename kanten van onze manier van produceren niet naar de toekomst verschuift.
Innovatie: is de ontwikkeling en succesvolle introductie van nieuwe of verbeterde goederen, diensten, productieprocessen of distributieprocessen.

§2.1 Inleiding

Primaire sector: daarmee bedoelen we de agrarische sector en de visserij.
Eenmansbedrijven: dat wil zeggen dat er slechts één eigenaar is, die zelf in het bedrijf meewerkt.
Arbeidsintensief: in vergelijking tot de andere productiefactoren wordt veel arbeid gebruikt.
Secundaire sector: daarmee bedoelen we de industrie ofwel de nijverheid, zoals kleine als grote bedrijven.
Kapitaalintensief: de productie wordt gedaan met bijna alleen maar machines.
Tertiaire sector: daarmee bedoelen we de commerciële dienstverlening, zoals winkels, vervoersbedrijven, notarissen, accountants, banken, verzekeringsmaatschappijen en reparatiebedrijven.
Quartaire sector: daarmee bedoelen we de niet-commerciële dienstverlening, zij willen in tegenstelling tot de commerciële dienstverlening geen winst maken. Tot de quartaire sector wordt de overheid en alle bedrijven die door de overheid gefinancierd worden gerekend (zoals ziekenhuizen en bibliotheken).

§2.2 Hoe kunnen bedrijven worden ingedeeld?

Rechtsvorm of ondernemingsvorm: verstaan we de juridische vorm waaronder een onderneming aan het economisch verkeer deelneemt. Belangrijkste ondernemingsvormen zijn:
1. Eenmanszaak, 2. Vennootschap Onder Firma (VOF), 3. Naamloze Vennootschap (NV) en Besloten Vennootschap (BV).
Economische overwegingen: de keuze voor een bepaalde rechtsvorm hangt onder meer samen met het antwoord op vragen: wie draagt (dragen) de risico’s van het ondernemerschap, op welke manier kan het eigen vermogen worden uitgebreid?
Juridische overwegingen: deze hangen samen met de aansprakelijkheid voor de verplichtingen die door de onderneming zijn aangegaan.
Fiscale overwegingen: de belastingdruk kan een reden zijn om voor een bepaalde rechtsvorm te kiezen.
Rechtspersoonlijkheid: dat wil zeggen er is geen scheiding tussen de bezittingen en schulden van de onderneming en die van de eigenaar.
Eenmanszaak: is een bedrijf met één eigenaar, die tevens aansprakelijk is voor alle verplichtingen die namens het bedrijf zijn aangegaan.
Vennootschap Onder Firma (VOF): is een ondernemingsvorm waarbij twee of meer mensen onder een gemeenschappelijke naam een bedrijf uitoefenen.
Vennoten of firmanten: bij een VOF zijn minstens twee mensen eigenaar van het bedrijf en deze mensen worden dan dus vennoten of firmanten genoemd.
Arbeidsverdeling: is het verdelen van verschillende taken binnen een bedrijf of firma.
Hoofdelijke aansprakelijkheid: is dat iedere firmant afzonderlijk is, met zijn privé-vermogen aansprakelijk voor alle verplichtingen die het bedrijf aangaat.
Rechtspersoon: is een organisatie die zelfstandig rechten en verplichtingen kan hebben.
Naamloze Vennootschap (NV): wordt het vermogen bijeengebracht door de aandeelhouders.
Besloten Vennootschap (BV): een BV en NV zijn bijna hetzelfde, alleen bij een BV kunnen de aandelen niet vrij verhandeld worden.

§2.3 De productiestructuur: bedrijfskolommen en bedrijfstakken

Productiefase: is een bewerking die een product ondergaat.
Bedrijfskolom: is een schematisch overzicht van de belangrijkste productiefasen die een product doorloopt.
Bedrijfstak: omvat alle bedrijven die eenzelfde soort product voortbrengen, of een gelijke productieve handeling verrichten.
Oerproducent: is waar het productieproces begint.
Eindproducenten: is waar het product uit eindelijk verkocht wordt.
Verticale bewegingen: bewegingen binnen één bedrijfskolom, te onderscheiden in integratie en differentiatie.
Horizontale bewegingen: bewegingen van de ene bedrijfskolom naar de andere, te onderscheiden in specialisatie en parallellisatie.
Integratie: is het samenvoegen van twee of meer opeenvolgende fasen van de bedrijfskolom in één bedrijf.
Uitschakelingtendens: is het korter worden van de bedrijfskolom.
Differentiatie: is het afstoten van een bepaalde activiteit naar een voorgaande of een volgende fase in de bedrijfskolom.
Inschakelingtendens: is het langer worden van de bedrijfskolom.
Parallellisatie: is het verschijnsel dat een bedrijf producten andere bedrijfskolommen die in hetzelfde stadium van verwerking verkeren, in zijn assortiment opneemt.
Branchevervaging: als het gaat om een beweging van de ene bedrijfskolom naar de andere, heet dit horizontale beweging, dus parallellisatie gaat dit erg ver wordt het branchevervaging genoemd.
Specialisatie: houdt in dat een bedrijf zich gaat toeleggen op de productie van één of enkele producten in een bedrijfstak.

§2.4 Economische macht en schaalvergroting

Concentratie: is het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door steeds minder bedrijven worden genomen.
Fusie: is het samengaan van twee min of meer gelijkwaardige partners tot één nieuwe rechtspersoon.
Fusiegedragsregels: zijn het beschermen van de belangen van de fuserende bedrijven, enkele voorbeelden:
1. Een fusie moet worden aangemeld, 2. Er moeten waarborgen worden geschapen voor de belangen van de werknemers en 3. de vakbonden moeten tijdig worden ingelicht.
Overname: we spreken van overname als een groot bedrijf ene klein bedrijf overneemt.
Motieven voor schaalvergroting:
1. Kostenvoordelen kunnen zich voordoen, 2. Er kan risicospreiding optreden, 3. Als de schaalvergroting verticaal in de bedrijfskolom plaatsvindt (integratie), zal de toelevering (van grondstoffen of halffabrikaten) beter kunnen worden gegarandeerd, 4. Toegang tot de vermogensmarkt voor de grote bedrijven gemakkelijker dan voor kleine bedrijven, 5. Grote bedrijven kunnen meer geld vrijmaken voor research en 6. Tegen de achtergrond van de Europese eenwording is de schaalvergroting voor veel bedrijven dringend geworden.
Multinationale ondernemingen: zijn bedrijven die de voordelen van productie op grote schaal ten volle willen benutten, beperken hun werkzaamheden niet tot slechts één land, maar oefenen hun activiteiten in veel verschillende landen uit.
Kartel: is een afspraak tussen onafhankelijke ondernemingen om de onderlinge concurrentie te beperken.
Prijskartel: dan maken ondernemers afspraken over de verkoopprijs van producten.
Productiekartel: hierbij spreken de deelnemers af niet meer dan een bepaalde hoeveelheid te produceren, het doel is de prijs hoog te houden door een beperkt aanbod.
Rayonkartel: verdeelt de markt geografisch, om ervoor te zorgen dat men elkaar niet voor de voeten loopt.
Voorwaardenkartel of Conditiekartel: het maken van afspraken over uniforme leveringsvoorwaarden en betalingsvoorwaarden.

§2.5 Externe verslaggeving

Jaarrekening: deze bestaat uit 3 onderdelen: 1. De balans, 2. De resultatenrekening en 3. Een toelichting op beide.
Balans: is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip.
Vaste activa: kunnen langer dan een jaar worden gebruikt, zoals gebouwen en machines.
Vlottende activa: kunnen doorgaans binnen een jaar in geld worden omgezet.
Eigen vermogen: van NV’s en BV’s bestaat onder andere uit het geplaatste aandelenvermogen.
Langlopende schulden: zijn schulden die hoeven niet binnen een jaar te worden terugbetaald.
Kortlopende schulden: zijn schulden die moeten binnen een jaar worden terugbetaald.
Solvabiliteit: zegt ons hoe de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale (in het bedrijf gestoken) vermogen is.
Liquiditeit: hieronder verstaan we de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.
Resultatenrekening: is een overzicht van opbrengsten en kosten en de daaruit voortvloeiende winst (of verlies) over een bepaalde periode.

§3.1 Kosten

Kosten: vormen de geldswaarde van de opgeofferde productiefactoren.
Productiekosten vallen in 2 groepen te verdelen: 1. Constante kosten en 2. Variabele kosten.
Constante kosten: kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk zijn van de productieomvang.
Gemiddelde Constante Kosten (GCK): is de Totale Constante Kosten (TCK) gedeeld door de productie.
GCK = TCK : q
Variabele kosten: zijn de kosten die veranderen met de grootte van de productie, enkele voorbeelden: 1. Grondstoffenkosten, 2. Onderdelen die bij andere bedrijf worden besteld, 3. Bepaalde energiekosten en 4. Het loon van oproepkrachten.
Proportioneel variabele kosten: zijn kosten die recht evenredig toenemen met de grootte van de productie.
Gemiddelde Variabele Kosten (GVK): zijn de Totale Variabele Kosten (TVK) gedeeld door de (bijbehorende)productie.
GVK = TVK : q
Totale Productiekosten (TK): zijn gelijk aan de som van Totale Variabele Kosten en de Totale Constante Kosten.
TK = TVK + TCK


§3.2 De kosten nader beschouwd

Gemiddelde Constante Kosten = Totale Constante Kosten gedeeld door de productie.
GCK = TCK : q
Gemiddelde Variabele Kosten = Totale Variabele Kosten gedeeld door de productie.
GVK = TVK : q
Gemiddelde Totale Kosten = Totale Productiekosten gedeeld door de productie.
GTK = TK : q
Gemiddelde Totale Kosten = Gemiddelde Constante Kosten plus de Gemiddelde Variabele Kosten.
GTK = GCK + GVK

§3.3 Opbrengsten

Totale Opbrengst = prijs van het eindproduct (p) x de verkochte hoeveelheid producten (q).
TO = p x q

§3.4 Verschillende doelstellingen

Doelstellingen: een bedrijf kan 2 doelstellingen hebben: 1. Maximale winst en 2. Kostendekking.
Totale Winst = de Totale Opbrengst min de Totale Kosten.
TW = TO – TK
Totale Opbrengst = prijs van het eindproduct (p) x de verkochte hoeveelheid producten (q).
TO = p x q
Totale Kosten = variabele kosten per stuk (a) x het aantal geproduceerde producten (q) + de Totale Constante Kosten.
TK = a x q + TCK
Winst: geld nu: Totale Winst = prijs van het eindproduct (p) x de verkochte hoeveelheid producten (q) – variabele kosten per stuk (a) x het aantal geproduceerde producten (q) – Totale Constante Kosten.
TW = p x q – a x q – TCK
Break-evenpunt (BEP): is het punt waarop kostendekking plaatsvindt, dat is als de Totale Opbrengst en de Totale Kosten gelijk zijn.
BEP = Snijpunt van TO en TK.
Break-evenafzet: is de afzet waarbij kostendekking plaatsvindt. De winst is dan gelijk aan nul.

§4.1 De sector ‘overheid’

Onder de collectieve sector verstaan we:
1. De overheid; de rijksoverheid (het Rijk), die in Den Haag zetelt, en de lagere overheden, zoals provincies en gemeenten.
2. De socialenverzekeringsfondsen.
(tekening zie einde hoofdstuk!)
Rijksmiddelen (zijn de uitgaven van de overheid) worden betaald duit de schatkist, die gevoed wordt uit 3 bronnen:
1. Belastingontvangsten en sociale premies.
2. Niet-belastingontvangsten (denk aan omroepbijdrage en aardgasbaten).
3. Leningen als er een tekort is (en dat is er eigenlijk altijd).
Collectieve lastendruk: verstaan we het totaal aantal ontvangsten van de collectieve sector, uitgedrukt in een percentage van het nationaal inkomen.
Collectieve lastdruk = belastingen + sociale premies + niet-belastingontvangsten : nationaal inkomen x 100%.
Als we de totale uitgaven uitdrukken als een percentage van het nationaal inkomen, vinden we de collectievenuitgavenquote.
Collectievenuitgavenquote = totale uitgaven collectieve sector : nationaal inkomen x 100%.

§4.2 De uitgaven van de rijksoverheid

De waarde van de overheidsproductie bestaat uit de ambtenarensalarissen. De ambtenarensalarissen maken slechts een klein deel uit van de totale collectieve uitgaven. De indeling van de andere uitgaven en de ambtenarensalarissen daarbij worden economische categorieën genoemd. (Tekening zie einde hoofdstuk!)
Een andere manier om de overheidsuitgaven te rubriceren, is via de ministeries of departementen.

§4.3 De inkomsten van de rijksoverheid

De inkomsten van de rijksoverheid vallen uiteen in 2 hoofdgroepen:
1. Belastingen.
2. Niet-belastingontvangsten.
De belastingen vallen weer uiteen in:
1. Directe belastingen.
2. Indirecte belastingen.
Belastingen zijn gedwongen betalingen aan de overheid waar geen rechtstreekse individuele tegenprestatie van de overheid tegenover staat.
Directe belasting heet zo omdat de betalingsplicht en de belastingsdruk op dezelfde persoon rusten.
Indirecte belasting drukken weliswaar op de consument, maar het is de aanbieder (meestal de winkelier) die de belasting daadwerkelijk betaalt. Over bijna iedere aankoop moet omzetbelasting (belasting over de toegevoegde waarde) worden betaald.
De bekendste vorm van directe belasting is de loon- en inkomstenbelasting. Iedereen die inkomsten geniet, moet hierover belasting betalen. Wie in dienst is van een werkgever, krijgt direct al te maken met de loonheffing. Op grond van het inkomen dat is afgesproken, wordt berekend hoeveel belasting en sociale premies de werknemer moet betalen. De loonheffing is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Later, bij het invullen van het belastingaangifteformulier, wordt bekeken of de werknemer door het afdragen van de loonheffing voldoende inkomstenbelasting heeft betaald. De tarieven van de loon- en inkomstenbelasting zijn progressief.
Een belasting is progressief als in verhouding meer belasting moet worden betaald naarmate het inkomen stijgt.
Die progressie ontstaat ten gevolge van 2 oorzaken:
1. De belastingvrije som.
2. Het zogenaamde schijventarief.
Over het 1ste deel van het inkomen hoeft geen belasting te worden betaald. Deze belastingvrije som of basisaftrek telt voor mensen met een laag inkomen veel zwaarder dan voor mensen met een hoog inkomen. In de 2de deel kennen we in NL het schijventarief. Het bedrag waarover de belasting wordt berekend, heet de belastbare som.
Voor de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting wordt het totale inkomen eerst verminderd met een aantal aftrekposten, zoals rente over schulden en bepaalde beroepskosten. Het bedrag dat overblijft, noemen we het belastbare inkomen. Dit belastbare inkomen wordt vervolgens verminderd met een belastingvrije som. Op het bedrag dat overblijft, de belastbare som, wordt het schijventarief toegepast. De percentages waarvoor iedere inkomensschijf wordt belast, noemen we de marginale tarieven. Marginale belastingdruk is het extra belasting betalen naarmate een persoon meer gaat verdienen.
Naast de loon- en inkomstenbelasting zijn er nog enkele andere soorten directe belastingen:
- Vennootschapsbelasting is de belasting over de winst die door NV’s en BV’s betaald moet worden. In tegenstelling tot de progressieve inkomstenbelasting is de vennootschapbelasting degressief.
- Vermogensbelasting geldt voor iedere NL-er met een vermogen. Overigens is het vermogen de waarde van de bezittingen na aftrek van schulden.
Enkele vormen van indirecte belastingen zijn:
- Omzetbelasting, of belasting op de toegevoegde waarde (BTW), een verbruiksbelasting.
- Accijnzen.
- Invoerrechten.
- Houderschapsbelasting.
Omzetbelasting: van ieder artikel dat wordt verkocht en iedere dienst die wordt verricht, wordt met 19% of 6% BTW verhoogd. Vervolgens moeten bedrijven het verschil tussen de ontvangsten en betaalde BTW aan de Staat afdragen.
Accijnzen: worden geheven over een beperkt aantal goederen, vaak met de bedoeling het gebruik te ontmoedigen. Accijnzen worden in tegenstelling tot de BTW, geheven als een vast bedrag per hoeveelheid.
Invoerrechten: deze invoerrechten bestaan uit een heffing aan de grens bij invoer van bepaalde artikelen.
Houderschapsbelasting: is de vroegere motorrijtuigenbelasting, wordt betaald door personen die met hun voertuig gebruik maken van de openbare weg. De houderschapsbelasting, die aan het kenteken van een auto is gekoppeld, wordt automatisch door de belastingdienst geïnd.
Onder de niet-belastingontvangsten verstaan we alle ontvangsten van de overheid die niet onder de belastingen vallen.
Retributies zijn betalingen aan de overheid voor een duidelijke aanwijsbare tegenprestatie.
§4.4 Financieringstekort en staatsschuld

Een obligatie is een schuldbewijs. Degen die de obligatie uitgeeft, in dit geval de overheid, verplicht zich elk jaar een bepaald interestpercentage te betalen en de schuld op een afgesproken datum af te lossen, op deze manier ontstaat staatsschuld.
Het begrotingstekort is gelijk aan het verschil tussen de totale overheidsinkomsten en de totale overheidsuitgaven, waarbij de uitgaven ook de aflossingen op de staatsschuld omvatten. Het bedrag wat de overheid moet lenen, noemen we de financieringsbehoefte.
Het financieringstekort van het rijk is het begrotingstekort verminderd met de aflossing op de staatsschuld.
De staatsschuldquote is de staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen.

§4.5 Terugtreden van de overheid?

De tijd na de Tweede Wereldoorlog kan worden verdeeld in 2 perioden:
1. De periode tot ongeveer 1980, toen een redelijke overeenstemming bestond over een toenemende invloed van de overheid.
2. De periode daarna, toen de gedachte veld won dat veel maatschappelijk problemen door een te grote collectieve sector werden veroorzaakt.
Een hoge collectievelastendruk veroorzaakt een omvangrijke wig. De wig is het verschil tussen de loonkosten voor de ondernemer en het nettoloon voor de werknemer.
Hoge tarieven zorgen voor meer belastingopbrengsten. Als de tarieven verder gaan dan gemiddeld worden ze door de meeste mensen te hoog ervaren. Er doen zich dan verschillende verschijnselen voor:
1. Ontwijking.
2. Ontduiking.
3. Afwenteling.
4. Demotivatie.
Ontwijking: bedrijven vestigen zich in landen met lagere belastingdruk, mensen gaan zelf schilderen in plaats van een dure schilder in te huren. Deze methoden zijn uiteraard legaal.
Ontduiking: sommige mensen laten activiteiten plaatsvinden zonder de fiscus in te lichten, om legaal aan de hoge belastingen te ontkomen; zo ontstaat het zwartgeldcircuit.
Afwenteling: werknemers die hogere belastingen moeten betalen, zijn geneigd hun vakbonden opdracht te geven hogere brutolonen te eisen. Als de vakbonden daarin succesvol zijn betalen niet de werknemers de belastingverhoging, maar komen de bedrijven in problemen.
Demotivatie: zoals gezegd, hoge belastingen stimuleren de arbeidsparticipatie niet.
De meeste overheden zijn rond de jaren ’80 iets terug getreden en de vrije markt is wat meer ruimte gegeven. Ze namen daartoe de volgende maatregelen:
1. Bezuinigingen op de collectieve uitgaven: in de jaren ’80 en ’90 is in de meeste Europese landen de collectievenuitgavenquote gedaald.
2. Deregulering: vrije markten kunnen niet goed werken als er een overmaat aan beperkende regels bestaat. Daarom hebben veel overheden besloten het aantal regels te verminderen.
3. Privatisering: in het algemeen gaat het hier om het terugbrengen van het directe belang van de overheid bij de productie.

§4.6 De begroting van de Europese Unie

Om de behoefte aan eigen middelen te financieren, heeft de EU de volgende inkomstenbronnen:
1. Elk land staat een bepaald percentage van zijn BTW-ontvangsten aan de EU af.
2. Voor een aantal producten worden bij invoer uit derde landen douanerechten (invoerrechten) geheven, die (omdat de handelspolitiek een zaak van de EU is) volledig in kas van de Unie vloeien.
3. Iedere lidstaat moet een bepaald percentage van haar bruto nationaal product afdragen.
Een opkomend beleidsterrein is dat van de regionale steunverlening. Er zijn structuurfondsen opgericht (om de verschillen gelijk te maken), waaruit de steunverlening wordt betaald.
Naast de scholingsprogramma’s om de enorme werkloosheid binnen de EU te verminderen, is het structuurbeeld van de Unie gericht op de financiering van het sociale beleid, subsidies voor onderzoekprogramma’s en op ontwikkeling van nieuwe technologie.

§5.2 Wat is er bijzonder aan internationale handel?

Export of uitvoer is het verkoop van producten aan buitenlanders.
Import of invoer is het aankopen van producten in het buitenland.
Er zijn dergelijke redenen om de internationale handel aan een aparte bestudering te onderwerpen:
· In de 1ste plaats: de meeste verre landen in de wereld hebben een eigen wisselkoers. Wisselkoers is de prijs die we betalen voor vreemd geld.
· In de 2de plaats: voeren de meeste landen een eigen economische politiek.
· In de 3de plaats: is de productiefactor ‘arbeid’ over de grenzen heen tamelijk onbeweeglijk.
Als landen politiek integreren dan verdwijnt de internationale handel, want we spreken van internationale handel wanneer goederen of diensten een landsgrens oversteken.

§5.3 Oorzaken van handelsstromen

We bedoelen met internationale handel de invoer en uitvoer van goederen.
Bij het beoordelen van handelsstromen moeten we onderscheid maken tussen:
· Goederen die een land moeilijk of helemaal niet zelf kan maken.
· Goederen die landen zelf kunnen maken.
Verschuivingen van industrieën worden veroorzaakt door relatieve kostenverschillen. Hiermee wordt bedoeld dat in bepaalde landen sommige producten in vergelijking met andere producten goedkoper kunnen worden geproduceerd.

§5.4 De internationale concurrentiepositie

De volgende factoren zijn belangrijk voor de internationale concurrentiepositie:
· De relatieve schaarste aan productiefactoren.
· De beschikbaarheid van technisch hoogwaardige kapitaalgoederen.
· De mate van scholing van de beroepsbevolking.
· Arbeidsrust.
· Een goede infrastructuur.
Ontwikkelingslanden hebben een voordeel als het gaat om arbeidsintensieve producten, want er is een overschot aan de factor ‘arbeid’. De Westerse landen hebben een voordeel als het gaat om kapitaalintensieve producten, want hier is een overschot aan de factor ‘kapitaal’.
Bij beschikbaarheid van technisch hoogwaardige kapitaalgoederen onderscheiden we 2 begrippen:
· Mechanisering, waarbij machines handelingen van de mensen overnemen.
· Automatisering, waarbij machines (vaak computers) de besturing van het productieproces overnemen.
In de Westerse landen is human capital opgebouwd doormiddel van scholing, dat wil zeggen veel mensen zijn goed opgeleid in kunnen worden ingezet bij het productieproces.
Bij een goede infrastructuur moet je denken aan goede en niet drukke wegen, vaarwegen en luchthavens, maar ook aan het communicatie- en informatienetwerk.
Arbeidsproductiviteit = waarde van de geproduceerde hoeveelheid goederen : benodigde hoeveelheid arbeidsuren.

§5.5 Vrijhandel of protectie?

Van vrijhandel is sprake, wanneer er geen belemmeringen zijn van de internationale handel.
Protectie is de bescherming van de eigen bedrijvigheid tegen concurrentie uit het buitenland. Voor protectie worden verschillende redenen gegeven:
· Bescherming van de binnenlandse werkgelegenheid.
· Bescherming van opkomende eigen industrieën.
· Bewaren van economische onafhankelijkheid.
· Tegengaan van oneerlijke concurrentie (dumping).
· Retorsie (tegenmaatregel) tegen protectie elders.
Dumping is het exporteren van goederen tegen een lagere prijs dan de productiekosten.
Van retorsie is sprake wanneer een land de importen beperkt, als vergelding voor importbeperkingen door andere landen.
Een handelsoorlog ontstaat wanneer één land begint met de bescherming van een bedrijfstak, andere landen gaan dit ook doen en dan ontstaat er een crisis.
Onder handelspolitiek verstaan we het ingrijpen door een of meer overheden in het internationale goederen- en dienstenverkeer. In principe zijn de handelspolitieke instrumenten te verdelen in 2 soorten:
· Tarifaire, dit slaat op tarief dus op heffing.
· Non-tarifaire.
Non-tarifaire belemmeringen zijn alle handelspolitieke instrumenten behalve de invoerrechten en uitvoerrechten, hiertoe kunnen gerekend worden:
· Contingenteringen.
· Subsidies.
· Handelsverdragen.
· Beperken van de aankoop van vreemde valuta.
· Overige non-tarifaire belemmeringen.
Contingenteringen zijn kwantitatieve beperkingen (restricties), een contigent is de maximale hoeveelheid die van een bepaald goed mag worden ingevoerd.

§5.6 Internationale handel in de praktijk

Een autarkie is dat een land geen enkel economisch contact heeft met het buitenland.
De invoerquote is de waarde van de goederen- en diensteninvoer in procenten van het nationaal product.
De uitvoerquote is de waarde van de goederen- en de dienstenuitvoer in procenten van het nationaal product.
Met een open economie bedoelen we een middelmatige/hoge invoer- en uitvoerquotes van een land.
Met een gesloten economie bedoelen we een lage invoer- en uitvoerquotes van een land.
Landen met overschotten in het internationale goederen- en dienstenverkeer worden overschotlanden genoemd.
Landen met tekorten in het internationale goederen- en dienstenverkeer worden tekortlanden genoemd.

§5.7 Economische integratie

In de economische theorie worden verschillende vormen van economische samenwerking onderscheiden:
· De vrijhandelszone.
· De douane-unie.
· De gemeenschappelijke markt.
· De economische unie.
· De economische en monetaire unie.
Een vrijhandelszone bestaat uit een aantal landen die hebben afgesproken onderling geen handelsbelemmeringen te voeren en ten opzichte van derde landen de eigen tarieven te handhaven.
Certificaten van oorsprong zijn artikelen (zoals stickers op de goederen of papieren) die vermelden waar het artikel is gemaakt.
In een gemeenschappelijke markt geldt:
· Vrij verkeer van goederen.
· Vrij verkeer van productiefactoren.
· Een gemeenschappelijke buitentarief.
De kenmerken van een economische unie:
· Vrij verkeer van goederen en diensten.
· Vrij verkeer van productiefactoren.
· Een gemeenschappelijke buitentarief.
· Een gemeenschappelijke economische politiek.
Voordeel van één munt:
· Geen koersrisico.
· Geen omwisselingkosten.
De economieën van de deelnemende landen moeten echter wel aan bepaalde voorwaarden voldoen, deze voorwaarden worden wel de convergentiecriteria genoemd.
Deze convergentiecriteria betreffen:
· De inflatie, deze mag 11/2 procentpunt boven het gemiddelde van de 3 landen met de laagste inflatie liggen.
· De rente, deze mag niet meer dan 2 procentpunt boven de gemiddelde rente liggen van de 3 landen met de laagste rente.
· Het financieringstekort, die mag niet meer dan 3% van het nationaal product bedragen.
· De staatsschuld, deze mag niet meer dan 60% van het nationaal product zijn.
· De wisselkoers, de koers van het betreffende land moet zich minstens 2 jaar binnen het Europees Monetair Stelsel op een redelijke stabiele manier hebben gedragen.

§5.8 Enkele internationale organisaties

Na WO 2 zijn verschillende organisaties ontstaan om de internationale handel, het internationale betalingsverkeer en de ontwikkelingsprogrammering in goede banen te leiden, dat zijn onder andere:
· De WTO (World Trade Organization).
· Het IMF (Internationaal Monetair Fonds).
· De Wereldbank.
· De UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development).
Een belangrijk principe uit de WTO is de non-discriminatie, wat je toestaat in het ene land moet ook worden toegelaten in een ander land.
Het doel van het IMF is de bevordering van een ordelijk internationaal betalingsverkeer met stabiele wisselkoersen. Een quotum (is een deel van een fonds) is afhankelijk van het nationaal inkomen van het betreffende land en het aandeel in de internationale handel . In het algemeen gesproken kan een land vrij of na overleg beschikken over een quotum, dan spreken we van het algemeen trekkingskracht.
Het doel van de Wereldbank is de ontwikkelingslanden aan zachte (goedkope) leningen te helpen.

§6.2 Een eenvoudige kringloop

Met micro-economie bedoelen we het bekijken van één onderneming.
In de macro-economie houden we ons bezig met begrippen als de nationale productie, nationaal inkomen, de totale werkgelegenheid, de totale invoer en uitvoer, de totale consumptie en de totale investeringen.
De macro-economie werkt met geaggregeerde grootheden, dat wil zeggen met grootheden die tot stand zijn gekomen door de micro-economische grootheden op te tellen.
Een economische kringloop omvat alle geldstromen en goederenstromen tussen de belangrijkste economische sectoren.
Onder consumptie verstaan we het bedrag dat gezinshuishouding uitgeven aan door bedrijven geproduceerde goederen.
Het nationaal product (W) bestaat uit de som van de toegevoegde waarden van alle bedrijven in een land in een jaar.
Het nationaal inkomen (Y) bestaat uit een som van de beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar.
W = Y
De totale productie – inclusief de vervanging van versleten kapitaalgoederen – noemen we de bruto toegevoegde waarde.
De totale productie – exclusief de vervanging van versleten kapitaalgoederen – noemen we de netto toegevoegde waarde.
Bruto toegevoegde waarde = netto toegevoegde waarde + afschrijvingen.
De toegevoegde waarde bestaat uit de verkoopwaarde van de eindproducten minus de waarde van de ingekochte grondstoffen en hulpstoffen te verminderen met de waarde van de derden ingekochte diensten.
Het bruto nationaal product bestaat uit de som van de toegevoegde waarden van alle bedrijven in een land in een jaar, inclusief de afschrijvingen.
Het netto nationaal product bestaat uit de som van de beloningen van de productie factoren in een land in een jaar, exclusief de afschrijvingen.
Het nationaal inkomen en nationaal product kunnen op twee manieren worden berekend:
· Via de objectieve methode: optelling van de toegevoegde waarden.
· Via de subjectieve methode: optelling van de beloningen van de productiefactoren.

§6.3 Sparen en investeren

§6.4 De collectieve sector in de kringloop

Besparingen bestaan uit het niet-geconsumeerde deel van het nationaal inkomen.
De totale investeringen (bruto investeringen) vallen uiteen in 2 onderdelen:
Vervangingsinvesteringen, dienen om de voorraad vaste kapitaalgoederen in stand te houden.
Netto-investeringen, kunnen worden geïnvesteerd in kapitaal of in voorraden.
W = C + I. Y = Nationaal Inkomen.
Y = C + S. W = Nationaal Product.
Y = W = C + I + O. I = Investeringen.
Y = C + S + B. S = Besparing.
W = C + I + O. C = Consumptiegoederen.
Y = W = C + S +B = C + I +O of (S-I) + (B-O) = 0 O = Overheidsbestedingen.

De goederen die de collectieve sector van bedrijven koopt, noemen we de materiële overheidsconsumptie.
De ambtenarensalarissen plus de materiële overheidsconsumptie worden samen de consumptieve overheidsbestedingen genoemd.

§6.5 Het buitenland in de kringloop

Een betalingsbalans is een overzicht van alle betalingen aan en ontvangsten uit het buitenland gedurende een jaar.
De betalingsbalans bestaat uit 3 onderdelen:
1. De oplopende rekening.
2. De vermogensoverdrachtenrekening.
3. Financiële rekening.
De lopende rekening bestaat uit:
1. De goederenrekening (handelsbalans): worden alle ontvangsten en uitgaven van goederen geregistreerd die voortvloeien uit de verkopen aan en inkopen uit het buitenland.
2. De dienstenrekening: staan de ontvangsten en uitgaven die te maken hebben met het verleende en ontvangen diensten (zoals toerisme, bankdiensten en vervoer).
3. De inkomensrekening: treffen we onder meer de beloningen van productiefactoren die aan het buitenland zijn betaald, respectievelijk uit het buitenland zijn ontvangen. Bijv. lonen van grenspendelaars en de opbrengsten van beleggingen in het buitenland.
4. De inkomensoverdracht: hiertoe behoren schenkingen, zoals de ontwikkelingshulp die door overheden en particulieren wordt verstrekt voor consumptieve doeleinden.
Vermogensoverdrachten zijn bijv. schenkingen van investeringsgoederen.
Op een financiële rekening staan onder meer leningen aan buitenlandse bedrijven (of overheden) als investeringen die bedrijven in het buitenland doen.
Onder export verstaan we alle ontvangsten uit het buitenland die voortvloeien uit de verkoop van goederen en diensten aan het buitenland.
Onder import verstaan we alle betalingen aan het buitenland die voortvloeien uit de aanschaf van goederen en diensten uit het buitenland.
W = C + I + O + E – M. E = Export.
C + B +S = C +I +O +E – M. M = Import
(S-I) + (B-O) + (M-E) = 0.

§6.6 Statistiek en werkelijkheid

De officiële economische transacties, geregistreerd door het CBS, vormen samen de formele economie.
De niet-geregistreerde transacties vormen de informele economie, deze bestaat uit 2 delen:
1. Een legaal of wit gedeelte.
2. Een illegaal of zwart gedeelte.
Het begrip ‘economische groei’ kan op 2 manieren worden opgevat:
1. In enge zin verstaan we onder economische groei een toename van de productie.
2. In ruime zin verstaan we onder economische groei een toename in de welvaart.
Welvaart is de mate waarin de bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien.

§7.1 Groei en conjunctuur

De factoren die de ontwikkeling van het nationaal inkomen in de loop van de tijd bepalen, kunnen in 4 groepen worden ingedeeld:
1. Trendmatige ontwikkelingen.
2. Conjunctuurbewegingen.
3. Seizoensbewegingen.
4. Toevallige (incidentele) bewegingen.
De gemiddelde groei over langere tijd noemen we de trend. De trend of trendmatige groei is de gemiddelde groei over langere tijd.
Trendbreuk is het (tijdelijk) onderbreken van de groei, door overstromingen of oorlogen.
Onder de conjunctuurbeweging verstaan we de schommeling in de groei van het nationaal product die wordt veroorzaakt door veranderingen in de vraag.
Conjunctuurcyclus of conjunctuurgolf ontstaan wanneer schommelingen rond een trend een zekere regelmaat ontstaat.

§7.2 De productiecapaciteit

Arbeid
Kapitaal
Productieproces Productie
Natuur
Ondernemersactiviteit

Onder de productiecapaciteit verstaan we de maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan voortbrengen.

§7.3 Economische groei

Inflatie is een aanhoudende stijging van het algemeen prijspeil.
Het indexcijfer van het algemeen prijspeil is samengesteld uit de prijzen van een pakket consumptiegoederen: de consumentenprijsindex.
Bij het beoordelen van de productieve prestaties van een land maken we onderscheid tussen het nominaal nationaal inkomen en het reëel nationaal inkomen.
Het nominaal nationaal inkomen is het nationaal inkomen in guldens van een bepaald jaar. Het nominaal inkomen kan veranderen door:
1. prijsveranderingen, door inflatie kan het nominaal inkomen toenemen zonder dat er een stijging van productie plaatsvindt.
2. veranderingen in de productie, een verandering van de totale productie blijkt uit veranderingen in het reëel nationaal inkomen.
De veranderingen van het nationaal inkomen in lopende prijzen geeft de verandering van het nominaal nationaal inkomen weer.
Het reële nationaal inkomen is het voor inflatie gecorrigeerde nationaal inkomen. Toename van het reëel nationaal inkomen betekent een toename van de totale productie.
Indexcijfer reëel nationaal inkomen: indexcijfer nominaal nationaal inkomen : prijsindexcijfer x 100.

Reëel nationaal inkomen
Per hoofd van de bevolking

Reëel nationaal inkomen : Bevolkingsomvang

Nominaal nationaal : Inflatie
inkomen

Reële inkomensstijging: nominale inkomensstijging : stijging van het algemeen prijspeil x 100.
Onder economische groei verstaan we de toename van het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking over langere tijd.
De productiefactor ‘arbeid’ kan in hoeveelheid veranderen door 2 oorzaken:
1. een toename of afname van de bevolking.
2. een toename of afname van de participatiegraad.
Scholing wordt tegenwoordig beschouwd als een investering in menselijk kapitaal, de beroepsbevolking bevat dan human capital. Naast scholing kan de arbeidsverdeling (specialisatie) de productiviteit van arbeid verhogen.
Een andere methode om de arbeidsproductiviteit te laten stijgen is door kapitaalvorming.
De kwaliteit van de factor kapitaal wordt vooral bepaald door de technische ontwikkeling die in het kapitaalgoed ligt opgesloten, door mechanisering (machines nemen menselijke handelingen over) en automatisering (machines besturen zichzelf) is de productiviteit van de factor kapitaal sterk verbeterd.
Op lange termijn is het structuurbeleid van de overheid gericht op vergroting van de productiecapaciteit, het structuurbeleid betreft onder meer:
· investeringssubsidies voor een betere infrastructuur.
· scholing van de beroepsbevolking om de fricties op de arbeidsmarkt te verminderen.
· bevordering van onderzoeksprogramma’s om nieuwe technologie te ontwikkelen (innovatiebeleid).
· opsporing en exploitatie van delfstoffen.
· de omvang en samenstelling van de kapitaalgoederenvoorraad.
Zeer belangrijk zijn innovaties, dit zijn geen inventies (uitvindingen), maar hier gaat het om de toepassingen van een nieuwe vinding.
Basisinnovaties zijn innovaties die van belang zijn geweest en die vaak vele andere innovaties oproepen.

§7.4 De effectieve vraag

De effectieve vraag bestaat ui de volgende onderdelen:
1. de gezinsconsumptie, macro-economisch bepaalt vooral het nationaal inkomen de consumptieve bestedingen.
2. de bedrijfsinvesteringen, de investeringen van bedrijven zijn heel moeilijk te verklaren, deze investeringen hangen af van de volgende factoren:
· het verwachte rendement op de investering, een ondernemer maakt een schatting van afzet, prijzen en kosten, door deze ramingen kan hij uitrekenen wat de investering hem opbrengt.
· de rentestand, de rentestand kan op 2 manieren de investering beïnvloeden: 1. als een bedrijf geld moet lenen om een investering te financieren, stuwt een stijgende rente de kosten van de investering omhoog. 2. een dalende rente maakt de lening goedkoper.
Dus een hoge rente ontmoedigt de investeringen en een lage rente bemoedigt de investeringen.
· de verwachte economische groei, als verwacht wordt dat het nationaal inkomen zal groeien, zullen ook meer kapitaalgoederen nodig zijn om die productie tot stand te brengen.
· de bezettingsgraad van de kapitaalgoederenvoorraad, als er een flinke economische groei wordt verwacht, maar de kapitaalgoederenvoorraad de laatste jaren behoorlijk onderzet is, wachten de ondernemers met investeren tot de productie boven de capaciteit uitkomt.
3. de overheidsbestedingen, op korte termijn worden de overheidsbestedingen dus bepaald door politieke besluitvorming, alleen de zwaarstwegende factor is ongetwijfeld de begroting van het vorige jaar.
4. het saldo van export en import,
Export is afhankelijk van:
1. het inkomen in het buitenland, vooral in de landen waarnaar men veel uitvoert.
2. de prijs van onze exportgoederen ten opzichte van de prijs van concurrerende producten.
3. de voorkeur die er bestaat voor buitenlandse producten boven die van eigen bodem.
4. de hoogte van de wisselkoers.
Import is afhankelijk van:
1. ons eigen nationaal inkomen, hoe hoger ons inkomen des te meer producten kopen we in het buitenland.
2. de prijs van buitenlandse producten ten opzichte van die van onze eigen producten.
3. de voorkeur die in het buitenland bestaat voor onze producten boven die van elders.
4. de hoogte van de wisselkoers.
De effectieve vraag wordt voor een deel bepaald door het saldo van im- en export.

§7.5 De conjunctuurbeweging

In de opgaande fase (hoogconjunctuur of hausse genoemd) groeit het nationaal product sterker dan gemiddeld. In de fase van hoog conjunctuur is er zelf kans op overbesteding, dit is de situatie dat er meer vraag is naar goederen en diensten dan er geproduceerd wordt (de effectieve vraag is groter dan de productiecapaciteit).
Kenmerken van overbesteding zijn:
· lange levertijden, bedrijven kunnen het werk niet aan
· grote bereidheid om te investeren
· stijgende rente, omdat veel geld nodig is voor investeringen
· dalend overheidstekort door toenemende belastingontvangsten en kleiner beroep op werkloosheidsvoorzieningen
· gespannen arbeidsmarkt, door de steeds toenemende werkgelegenheid zal het aantal vacatures eveneens toenemen, zodat zelfs een tekort aan arbeidskrachten kan ontstaan
· flinke prijsstijging (inflatie)
Wanneer de hausse overgaat in een recessie, dan is de top bereikt en neemt de jaarlijkse groei van de productie af. Van recessie is sprake wanneer het stijgingstempo van het nationaal product afneemt. Als de groeicijfers negatief worden, dan gaat de recessie zelfs over in een depressie. Vooral in dat laatste geval is onderbesteding in de meeste gevallen het gevolg. Onderbesteding is de situatie waarin de effectieve vraag niet groot genoeg is om voor volledige benutting van de productiecapaciteit te zorgen.

Kenmerken van onderbesteding zijn:
· conjuncturele werkloosheid
· bedrijven kunnen hun goederen niet afzetten en blijven met onverkochte voorraden zitten
· weinig investeringslust, omdat bedrijven al met overcapaciteit zitten
· dalende rente door minder vraag naar leningen voor investeringen
· deflatie (een algemene prijsdaling) door het wegvallen van de druk op de prijzen
· stijgend overheidstekort door minder belastingontvangsten en een groter beroep op werkloosheidvoorzieningen.
Een depressie gaat vervolgens over in een herstel, in de herstelperiode neemt de bedrijvigheid toe, de consumptieve vraag begint weer toe te nemen en het gaat weer richting een hausse. De overheid streeft dan ook naar een situatie van bestedingsevenwicht, de effectieve vraag (nationale bestedingen) zou in evenwicht moeten zijn met de productiecapaciteit.
Investeringen die deel uitmaken van de effectieve vraag, hebben invloed op de omvang van het nationaal inkomen. Deze investeringen hebben een bestedingseffect en kunnen de situatie van onderbesteding verminderen. Investeringen die een capaciteitseffect hebben die hebben invloed op de omvang van de kapitaalgoederenvoorraad en daarmee op de productiecapaciteit.
Multipliereffect is de doorwerking van investeringsimpuls in de economie, die aan veel mensen werk en een grotere koopkracht geeft.
Alles bedrijven meer winst maken dan betekent dat zij ruimte over hebben om efficiëntere machines aan te schaffen of meer scholingsprogramma’s op te zetten en hiermee kunnen ze dan hun concurrentiekracht vergroten.
Het beleid waarbij de overheid de effectieve vraag probeert te beheersen door tegen de conjunctuurgolf in te gaan, wordt anticyclische begrotingspolitiek genoemd. De anticyclische begrotingspolitiek is geen succes geworden, hier zijn verschillende oorzaken voor zoals:
1. de openheid van de Nederlandse economie, een zeer groot deel van de Nederlandse productie wordt uitgevoerd en dit deel van de effectieve vraag ligt buiten de invloedssfeer van de overheid
2. de timing van de maatregelen, de conjunctuurgolf is verre van regelmatig. Het kost bovendien maanden voordat maatregelen hun invloed uitoefenen.
3. de opwaartse druk op de overheidsuitgaven, als de economie zich in een recessie bevindt, zullen maatregelen om de overheidsuitgaven te verhogen en de belasting te verlagen weinig weerstand ontmoeten. Anders ligt dit tijdens hoogconjunctuur, als de tegengestelde maatregelen moeten worden genomen.

§8.1 Het keuze probleem

Schaarste is de spanning tussen behoeften en middelen.
Wanneer de middelen toenemen hoeft de schaarste niet af te nemen:
· De productie externe effecten meebrengt.
· De behoeften met de productie meestijgen.
Dus meer productie betekent niet dat de welvaart toeneemt
Bedrijven moet kiezen:
· Welke goederen worden voortgebracht.
· In welke hoeveelheden en in welke kwaliteiten deze zullen worden aangeboden.
· Welke technieken bij de productie zal worden gebruikt.
· Waar de productie zal plaatsvinden.
Veel goederen zijn alternatief afwendbaar, dit wil zeggen dat ze op verschillende manieren kunnen worden gebruikt.

§8.2 Markten

Een markt is het geheel van vraag naar en het aanbod van een bepaald product.
Er zijn 2 verschillende markten:
1. Concrete markt, hiermee bedoelen we een plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald product samenkomen met het doel om te kopen en te verkopen.
2. Abstracte markt, dit wil zeggen dat ze niet op een bepaalde plaats te vinden zijn.
Enkele voorbeelden van concrete markten:
· Winkels, zoals filiaalbedrijven (winkelbedrijven met meer dan een verkooppunt), vrijwillig filiaalbedrijf (aantal zelfstandige detaillisten die zich aansluiten bij een grote organisatie) en de warenhuizen (grootwinkelbedrijven, zoals V&D, Hema en de Bijenkorf, waarin zeer uiteenlopende producten worden aangeboden)
· Weekmarkten, in veel plaatsen worden wekelijks (kramen)markten georganiseerd, waar consumptiegoederen worden aangeboden.
· Veilingen, kenmerkend voor een veiling is dat op een bepaalde plaats tegenover een relatief groot aantal vragers één aanbieder staat. We onderscheiden 2 manieren van veilen:
1. Veilen bij afslag, dit gebeurt met o.a bloemen, groente en vis
2. Veilen bij opbod, dit gebeurt met o.a. huizen, kunstwerken en tweedehands goederen.

§8.3 Het prijsmechanisme

Het prijsmechanisme, ook wel marktmechanisme genoemd, is een informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over de consequenties van hun handelen.
De vraag naar een bepaald product wordt meestal uitgeoefend door de consument, de totale vraag naar de hoeveelheid hangt af van de behoefte van de consument voor een product.
Het aanbod van een product is afhankelijk van de beschikbare productiemiddelen.
Vraag en aanbod bepalen beide de schaarste van een goed en de schaarste bepaald weer de prijs.
Het prijsmechanisme speelt ook een belangrijke rol bij het vaststellen van de beloning voor productiefactoren.

§8.4 Marktvormen

Bij een abstracte markt gaat het niet om een plaats waar producten verhandeld worden, maar alles wat bepalend is voor de prijs van de producten.
Hoe de prijs tot stand komt, hangt af van de marktvorm.
Een marktvorm is het geheel van prijsbepalende factoren. De aard van de marktvorm wordt bepaal door:
1. Het aantal vragers en het aantal aanbieders, als er weinig vragers zijn des te meer invloed oefenen ze uit op de prijs.
2. De aard van het goed, zijn 2 verschillende goederen: 1. homogene goederen, zijn goederen die op volkomen gelijke wijze voorzien in een bepaalde behoefte. 2.heterogene goederen, zijn goederen die, hoewel ze in dezelfde behoefte voorzien, in de ogen van de consument toch van elkaar verschillen.
3. De doorzichtigheid van de markt, een markt is doorzichtig wanneer alle vragers en aanbieders op de hoogte zijn van alles wat er op de markt gebeurt.
4. De hoogte van de toetredingsbarrières, enkele voorbeelden zijn wettelijke eisen (niet iedereen kan een horecaonderneming beginnen, hier zijn bepaalde vergunningen voor vereist) en aard van de productie (als één bedrijf genoeg is en geen tweede bedrijf met dezelfde mogelijkheden bij hoeft te komen).
De situatie dat een bepaald product door slechts één aanbieder wordt aangeboden, noemen we monopolie. Een belangrijk kenmerk van het monopolie is dat er geen substituten voor het betreffende product, het kan niet door een ander soortgelijk product worden vervangen.
Als er weinig aanbieders zijn dat ze bij hun handelingen rekening houden met de reacties van andere aanbieders, spreken we van het oligopolie. Er zijn dan zo weinig aanbieders dat ze elkaar in de gaten kunnen houden, hierbij heeft de individuele aanbieder grote invloed op het vaststellen van de marktprijs.
Van veel aanbieders is sprake wanneer de individuele aanbieder géén invloed kan uitoefenen op de marktprijs.
Productdifferentiatie is het proces waarin de aanbieder op verschillende manieren de vrager probeert naar zijn product te krijgen en deze ook kopen. Door productdifferentiatie ontstaan heterogene goederen.
Er zijn twee groepen marktvormen:
1. Marktvormen waarbij de individuele producent geen invloed heeft op de marktprijs.
2. Marktvormen waarbij de individuele producent wel invloed heeft op de marktprijs.
Hoeveelheidsaanpassing ontstaat wanneer de individuele producenten hun productiegrootte zullen aanpassen aan de marktprijs.
Prijszetting ontstaat wanneer producenten de prijs van hun product kunnen beïnvloeden.
Hoe ontstaan verstoringen op de markt?
1. Er is één aanbieder (monopolie).
2. Er zijn enkele aanbieders (oligopolie).
3. Enkele aanbieders werken samen in een kartel, zodat feitelijk toch weer een monopolie ontstaat.
4. De consumenten werken samen.
5. De overheid grijpt in.

§ 9.1 Consumeren

Consumeren is de aanschaf van goederen door gezinnen ter wille van de behoeftebevrediging.
De berekende percentages bij de consumptieve uitgaven noemen we wegingsfactoren of wegingscoëfficiënten.
De veranderingen van de kosten van levensonderhoud worden weergegeven met het consumentenprijsindexcijfer. Dit indexcijfer laat zien met welk percentage de kosten van levensonderhoud zijn veranderd in vergelijking met het basisjaar.

§ 9.2 De vraag naar een product
Behoeften
Prijs van het product
Totale vraag Prijs van andere producten
Inkomen
Aantal consumenten
De behoeften (preferenties) bepalen of iemand een product al dan niet wil kopen, we onderscheiden:
1. Primaire behoeften (basisbehoeften) zijn goederen die onmisbaar zijn geacht, zoals voeding, kleding en onderdak.
2. Secundaire behoeften zijn alle goederen die het leven aangenamer maken, zoals ‘mooie’ kleding, ontspanning.
De behoeften worden door allerlei factoren van buitenaf beïnvloed, zoals:
- Reclame, bevordert de koopt van producten, want de moderne consument kan uit vele verschillende dingen kiezen.
- Opleiding, kan ook een rol bij het consumptiepatroon spelen.
- Sociale druk, sommige consumenten laten de beslissingen van anderen in hun aankoopbeslissingen meewegen.
- Gezinssamenstelling.
- Klimaat.
- Woonomgeving.
De prijs van een product bepaalt sterk of en in welke mate een consument tot de aanschaf daarvan overgaat, hoge prijs ? weinig vraag en lage prijs ? meer vraag.
Als het inkomen van een consument stijgt, zal hij meer uitgeven. Hij zal niet alles uitgeven, een deel sparen en een deel consumeren (= het budget).
De bevolkingsgroei zorgt voor een grotere vraag, maar ook de bevolkingssamenstelling kan de vraag vergroten maar dan in andere soorten.

§ 9.3 De collectieve vraagvergelijking

Collectieve vraagvergelijking is het (wiskundig) verband tussen de prijs en de totale gevraagde hoeveelheid.
Individuele vraagvergelijking is de vraagvergelijking van één consument.
Vraaglijn of vraagcurve is het in een grafiek brengen van de vraagvergelijking.
Wanneer de prijs van een goed daalt, wordt de gevraagde hoeveelheid groter.
Wanneer de prijs van een goed stijgt, wordt de gevraagde hoeveelheid kleiner.
Een vraagvergelijking geeft het verband weer tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid van dat goed, aangenomen dat het budget, de voorkeuren, de prijzen van andere goederen en het aantal consumenten gelijk blijven.
Ceterisparibusvoorwaarde is de veronderstelling dat alle factoren behalve de prijs gelijk blijven (letterlijk: alle overige omstandigheden gelijkblijvend).
Algemene gedaante van een vraagvergelijking is:
qv = ap + b (a 0)
qv ? gevraagde hoeveelheid.
p ? prijs.
a ? geeft de gevraagde hoeveelheid weer die reageert op een verandering van de prijs.

§ 9.4 De prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid

De prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid (Ev) geeft weer hoe de gevraagde hoeveelheid reageert op een prijsverandering.
Ev = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid : procentuele verandering van de prijs
De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid is: ?q : q1 x 100%
?q = q2 – q1
De procentuele verandering van de prijs is: ?p : p1 x 100%
?q = p2 – p1
Ev = ?q : ?p x p1 : q1
Relatief elastische vraag is dat bij sommige goederen de gevraagde hoeveelheid relatief sterk reageren op een prijsverandering. We spreken hiervan wanneer ?q groter is dan ?q.
Relatief inelastische vraag is dat bij andere goederen de gevraagde hoeveelheid relatief zwak reageren op een verandering van de prijs. We spreken hiervan wanneer ?q kleiner is dan ?q.
De vraag is volkomen inelastisch wanneer de gevraagde hoeveelheid niet reageert op een prijsverandering, dan geldt: Ev = 0.

§ 10.1 Het aanbod bij volledige mededinging

Bij het aanbod maken we gebruik van vergelijkingen en curven: de collectieve aanbodvergelijking en de collectieve aanbodcurve of aanbodlijn. Individuele aanbodvergelijking en individuele aanbodcurve gelden dan voor één aanbieder.

§ 10.2 Het marktevenwicht bij volledige mededinging

Economen menen dat alle gebeurtenissen op een markt door slechts 3 vergelijkingen kunnen worden weergegeven:
1. een vraagvergelijking ? qv = ap + b
2. een aanbodvergelijking ? qa = ap -b
3. een evenwichtsvoorwaarde ? qv = qa
De evenwichtsprijs is de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn.
Er kunnen de volgende veranderingen op de markt zijn:
1. veranderingen in de vraag.
2. veranderingen in het aanbod.
3. veranderingen in zowel de vraag als het aanbod.

§ 10.3 De aanbieder op een perfect werkende markt

Totale Opbrengst = prijs X verkochte hoeveelheid (TO = p ? q).
Totale Winst = Totale Opbrengst – Totale Kosten (TW = TO – TK).

TW

TO TK

p X q TCK + TVK

De productiegrootte, waarbij de totale kosten gelijk zijn aan de totale opbrengst , wordt de break-evenproductie (BEP) genoemd.
TK = aq + b
GTK = a + b:q (GTK = gemiddelde totale kosten).
GVK = a (GVK = gemiddelde variabele kosten).
GCK = b:q (GCK = gemiddelde constante kosten).

TW = (GO – GTK) X q
TW ? Totale Winst.
GO ? Gemiddelde Opbrengst.
GTK ? Gemiddelde Totale Kosten.

§ 10.4 Het monopolie

In de praktijk werkt het marktmechanisme niet volledig, dit komt door verschillende oorzaken:
· Het aantal aanbieders is zo klein dat van echte concurrentie geen sprake is.
· Aan de kant van de vragers kan machtsconcentratie optreden.
· De overheid probeert de resultaten van het marktmechanisme vaak te corrigeren.
Het monopolie is de marktvorm waarbij slechts één aanbieder de voorziening van een bepaald goed verzorgt.
Er zijn verschillende monopolies:
· Wettelijke monopolie, we spreken hiervan als de productie door particuliere bedrijven verboden is.
· Natuurlijke monopolie, we spreken hiervan wanneer een bedrijf als enige over de technische kennis beschikt om een bepaald product voort te brengen.
· Collectief monopolie, heeft als kenmerk dat de gezamenlijke (maar weinige) aanbieders van een bepaald product optreden als er slechts één aanbieder is. Hier worden vaak kartel afspraken gemaakt (kartel is een concurrentiebeperkende afspraak).
We kunnen 3 doelstellingen onderscheiden bij de doelstellingen van de monopolist:
· Bij het streven naar maximale winst zal de monopolist 5 eenheden aanbieden en daartoe zijn prijs vaststellen op 35 (max. winst is dan 45).
· De monopolist die streeft naar maximale omzet zal 6 eenheden willen aanbieden tegen een prijs van 30 (max. omzet is dan 180).
· Volgens de doelstelling kostendekking maakt de monopolist zijn kosten juist goed bij de break-evenpunten: q = 2 en q = 8.

§ 10.5 Marketing

Onder het marktaandeel verstaan we het deel van de totale omzet op een markt dat door een bedrijf wordt verzorgd.
Marktaandeel = omzet van bedrijf : totale marktomzet x 100%
Onder marketing verstaan we alle activiteiten die gericht zijn op het bevredigen van de behoeften van de klant.
Een bedrijf heeft verschillende mogelijkheden (= marketinginstrumenten) om aan marketing te doen (de vier P’s):
1. Productbeleid, aanbieders doen aan productdifferentiatie (= iets bijzonders doen met product), enkele mogelijkheden zijn: 1. Merk, dit kan een naam zijn maar ook een beeldmerk, 2. Kwaliteit, gaat het vooral om hoe de consument de kwaliteit van het product ervaart, 3. Service, is dienstverlening van de aanbieder rond de aankoop van een product en 4. Verpakking, is van oorsprong bedoeld om het product te beschermen. Dit is nu meer bedoeld om: aandacht te trekken van consument, informatie vermelden en makkelijk voor vervoer en opslag.
2. Promotiebeleid, dit gaat om directe verkoopbevorderende activiteiten, hierin zijn 2 vormen van promotie: 1. persoonlijke communicatie, hier gaat het om persoonlijke benadering van de klant en 2. massacommunicatie, verloopt via de media meestal via reclame.
3. Prijsbeleid, een bedrijf kan vanuit 2 overweging hetzelfde product aanbieden voor verschillende prijzen: 1. prijsdifferentiatie, kostenoverwegingen die voor andere prijs zorgen en 2. prijsdiscriminatie, worden aan verschillende groepen afnemers verschillende prijzen in rekening gebracht.
4. Plaatsbeleid (ook wel distributiebeleid), hier gaat het om hoe de producten bij de klant komen (ook wel distributiekanaal). De aanbieder zal een aantal keuzes moeten maken betreffende: 1. directe of indirecte distributie, hier gaat het artikel rechtstreeks van de fabrikant naar de consument (directe) en bij indirecte zijn er een aantal “tussenstations” nodig, 2. intensieve, selectieve of exclusieve distributie, betekent dat de klant het product op zo veel mogelijk plaatsen tegenkomt (intensieve), de fabrikant zoekt een relatief klein aantal detaillisten uit (selectieve), hier is in een groot gebied slechts één detaillist die het product verkoopt (exclusieve) en 3. winkelformule, hier gaat het om in welk type winkel wil de fabrikant zijn producten verkopen.
Elk bedrijf stelt zijn eigen marketing mix ( = marketinginstrumenten )samen.

§11.1 Waarom grijpt de overheid in?

Verschillende redenen waarom de overheid de resultaten van het marktmechanisme wil corrigeren:
1. De producent moet worden beschermd.
2. De consument moet worden beschermd.
3. Er zijn externe effecten.
4. Het is noodzakelijk collectieve goederen aan te bieden.
5. De overheid wil het gebruik van bepaalde goederen stimuleren en dat van de andere afremmen.
6. Machtsvorming op markten moet soms worden bestreden.
7. De bestaande inkomensverdeling is onrechtvaardig.

§11.2 Minimumprijzen: bescherming van de producent

Een vervelend gevolg van een minimumprijs is het ontstaan van overschotten.
Om ervoor te zorgen dat het beoogde doel – een redelijk inkomen voor de producenten – wordt bereikt, moet het overschot tegen de minimumprijs worden gekocht. We spreken daarom ook wel van interventieprijzen, interventie betekent ‘ingrijpen’.
Verreweg het belangrijkste voorbeeld van het gebruik van minimumprijzen vinden we bij het Europese landbouwbeleid, meestal aangeduid als gemeenschappelijk landbouwbeleid. Al vele jaren worden de boeren in de Europese Unie gesteund met minimumprijzen, de laagste prijs waarvoor een product verkocht mag worden (dit geldt voor: melk, graan, suiker en rundvlees).
Het gemeenschappelijk landbouwbeleid had en heeft verschillende doelstellingen:
1. Zelfvoorziening op voedselgebied.
2. Een redelijk inkomen voor de landbouwers.
3. Stabiele consumentprijzen.
Inkomenssubsidie is het aanvullen van het inkomen wanneer iemand te weinig verdient.
De aanbieder ontvangt de minimumprijs uit een productenfonds, dit wordt gevoed doordat over elke transactie een percentage voor dit veilingfonds wordt geheven.

§11.3 Maximumprijzen: bescherming van de consument

Om de consument te beschermen, worden soms voor bepaalde producten maximumprijzen ingesteld. Een maximumprijs is de hoogste prijs waartegen een product mag worden verkocht.
Als de gevraagde hoeveelheid bij een maximumprijs groter is dan de aangeboden hoeveelheid, ontstaat er een tekort. Om het geringe aanbod toch nog enigszins eerlijk te kunnen verdelen, zal voor die goederen waarvoor de tekorten erg nijpend zijn geworden, rantsoenering worden gevoerd. Voor het huren (en soms ook kopen) van een goedkope woning heeft men in sommige steden dan bijvoorbeeld een woonvergunning nodig.
Als er veel mensen zijn die meer willen en kunnen betalen dan de maximumprijs, ontstaat er een zwarte markt.

§11.4 De Wet Economische Mededinging

Monopolistische en oligopolistische bedrijven komen vooral voor in de energievoorziening (elektriciteitsopwekking en elektriciteitsdistributie, aardgaswinning en aardgasdistributie, en de aardoliewinning, aardolieraffinage en aardoliedistributie), in de staalindustrie, de chemische en farmaceutische industrie, de automobielfabricage, de vliegtuigindustrie en in het bank- en verzekeringswezen. Vaak gaat het hier om goederen en diensten die bij een productie op grote schaal goedkoper kunnen worden geleverd dan bij een productie in kleine eenheden.
Als een groot bedrijf een klein bedrijf koopt, spreken we van overname. Een andere mogelijkheid is fusie.
Hoewel bedrijven op veel verschillende manieren met elkaar concurreren, komen ook veel vormen van samenwerking voor. Zo kan de samenwerking gedeeltelijk of volledig zijn. Gedeeltelijke samenwerking beperkt zich tot onderdelen van het bedrijfsproces (vb. is een kartel).
Kartels hebben in elk geval voor de deelnemende bedrijven voordelen. Het kartel biedt zekerheid: bedrijven hoeven elkaar niet te concurreren. Ze zijn zeker van een bepaalde prijs of een gedeelte van de marktomzet. Kartels hebben ook nadelen:
1. De afnemers moeten vaak een hogere prijs betalen dan zonder kartelafspraken.
2. De flexibiliteit van de marktwerking wordt door kartels aangetast.
Op grond van de Wet Economische Mededinging wordt opgetreden tegen kartels.
Het Europese mededingingsbeleid wordt vormgegeven door onder mee:
- Het tegengaan van ongewenste bedrijfsconcentraties (kartels).
- Het gelijktrekken van voorschriften en normen ten aanzien van techniek, milieu en gezondheid.
- Harmonisatie van belastingen (zoals de BTW).
- Beperking van de machtspositie van staatsmonopolies.
- Beperking van concurrentievervalsende overheidssteun.

§11.5 Nog meer overheidsingrijpen

Behalve de maatregelen die tot nu toe in dit hoofdstuk zijn genoemd, beschikt de overheid over een flink aantal andere instrumenten, zoals:
- Kostprijsverhogende belastingen
- (kostprijsverlagende) subsidies, waaronder ook huursubsidies
- verbodswetgeving
- het stellen van kwaliteitseisen aan producten en productieprocessen
- het maken van afspraken met het bedrijfsleven (convenanten)
- voorlichting
Kostprijsverhogende belastingen moeten door de aanbieder (meestal de winkelier) aan de belastingdienst worden afgedragen. Hij dient deze heffingen vervolgens aan de klant in rekening te brengen. We spreken dan van afwenteling.
Subsidies kan de overheid verstrekken op merit goods, goederen waarvan de overheid het gebruik wil stimuleren. We kunnen twee soorten subsidies onderscheiden:
1. subsidies aan de producent, met het doel de (kost)prijs laag te houden.
2. subsidies aan de consument.
Om te bereiken dat de producenten meer aanbieden en de vragers minder betalen, betaalt de overheid van bepaalde producten een deel van de prijs. Dit gebeurt door middel van subsidie.
Individuele huursubsidie is voor mensen die in een huurwoning wonen van een bepaalde prijsklasse en zich beneden een bepaalde inkomensgrens bevinden.
Premies voor koopwoningen deze krijg je wanneer je een huis van een bepaald door de overheid aangewezen type koopt, dan krijg je een aantal jaren subsidies.

§12.1 De productie van goederen en diensten

Er zijn twee sectoren die voor goederen en diensten zorgen:
1. De particulierensector.
2. De overheidssector.
Vrije goederen zijn er genoeg van dat niemand ervoor wil betalen, zoals lucht.
Schaarse/economische goederen zijn niet in overvloed aanwezig, dus hiervoor moet worden betaald.
Individuele goederen zijn goederen die splitsbaar zijn in eenheden die aan individuele personen kunnen worden verkocht, zoals tv, radio etc.
Collectieve goederen zijn goederen die niet splitsbaar zijn in eenheden die aan individuele personen kunnen worden verkocht, zoals dijken, verkeersveiligheid.
Quasi-collectieve/semi-collectieve goederen zijn individuele goederen die door de overheid worden aangeboden.
Enkele reden waarom de overheid individuele goederen aanbiedt:
1. Kostenaspecten: zoals bij gebruik van wegen en dan over deze wegen tol heffen, daarom bekostigt en verzorgt de overheid deze wegen.
2. Merit Goods: zijn goederen waarvan de overheid vindt dat de burgers uit zichzelf niet of onvoldoende kopen.
3. Monopolietendensen: dat de overheid misbruik van macht voorkomt, bij bijvoorbeeld productie en distributie van elektriciteit, water en gas.
4. Rechtvaardigheidsoverwegingen: onderwijs en gezondheidszorg zouden onbereikbaar worden voor sommige groepen in de samenleving daarom biedt de overheid dit aan.

§12.2 De economische sector

De particulierensector/marktsector voorziet in de behoefte aan individuele goederen.
De overheid en de sociale verzekeringsfondsen vormen de collectieve sector.
Een economische orde of economisch stelsel s het geheel van instellingen en regels voor de coördinatie van alle economische beslissingen in een volkshuishouding.
Als besluiten op een centraal punt worden genomen en als opdrachten aan anderen worden verstrekt noemen we deze gecentraliseerde besluitvorming, dit gebeurt in de collectieve sector.
In de particuliere sector worden economische beslissingen gedecentraliseerd genomen, dit houdt in dat individuele huishoudingen (gezinnen en bedrijven) zelf beslissen hoe de productiefactoren (arbeid, natuur en kapitaal) zullen worden aangewend en hoe het inkomen zal worden besteed.
We kunnen drie vormen van economische orde onderscheiden:
1. De vrijemarkteconomie: beslissen de individuele huishoudingen zelf over de aanwending van de productiefactoren, door marktmechanisme worden ze op elkaar afgestemd.
2. De centraal geleide economie: neemt de centrale overheid alle economische beslissingen, door opdrachten en aanwijzingen wordt de informatie naar anderen overgedragen.
3. De gemengde economie of georiënteerde economie: worden de beslissingen deels gecentraliseerd en deels gedecentraliseerd genomen, de informatieoverdracht loopt zowel via de prijzen als via de opdrachten.
Welke economische orde een land ook heeft, altijd zijn twee mechanismen nodig om de productie te organiseren:
1. Het prijsmechanisme: maakt gebruik van markten.
2. Het budgetmechanisme: laat de besluitvorming lopen via democratisch gekozen organen.

§12.3 Voor- en nadelen van het prijsmechanisme

De beloningen van productiefactoren zijn van belang voor zowel gezinnen als bedrijven:
1. Voor gezinnen is de beloning van de productiefactoren een inkomen. Dit inkomen is in de meeste gevallen het loon als beloning voor de productiefactor arbeid. Verder kunnen we denken aan interest en winst als beloning voor de productiefactor kapitaal.
2. Bedrijven kijken anders tegen de beloning van de productiefactoren aan: voor hen zijn het kosten. Deze productiekosten moeten met de verkoop van de productie worden terugverdiend.
Als arbeid relatief goedkoop is, wordt de productie arbeidsintensief. Er vindt dan veel arbeid plaats.
Is kapitaal relatief goedkoop, dan vindt de productie kapitaalintensief plaats.
Als arbeid steeds meer vervangen gaat worden door kapitaal, omdat de arbeid te duur wordt. Dan vindt er substitutie (= vervanging) plaats tussen arbeid en kapitaal.
Op korte termijn kan geen substitutie worden gebruikt, kijk maar naar een vervoersbedrijf (bij elke vrachtwagen hoort een chauffeur).
Arbeid en kapitaal worden in dit geval in vaste verhoudingen gebruikt: het zijn hier complementaire productiefactoren.
Er zijn gevallen waarin het prijsmechanisme niet of niet optimaal werkt. Het aanbod komt dan niet overeen met de wensen van de individuele vragers. Dit gebeurt in de volgende gevallen:
1. Er zijn economische machtsposities: de overheid grijpt in als dit gebeurt bij de aanbodzijde en in sommige gevallen verzorgt zij zelfs het aanbod (gas, water en elektriciteit).
2. Het gaat om de voorziening in collectieve goederen: marktmechanisme werkt alleen via individuele goederen. Dus bij collectieve goederen kan geen uitspraak worden gedaan van een gezin wil een stukje veiligheid, stukje gezondheidszorg en dat gaat dan zoveel kosten.
3. Er treden externe effecten op: dat kan gaan over de vervuiling van de omgeving met de productie van sommige producten.
4. Er ontstaat een onaanvaardbare inkomensverdeling: als de inkomens alleen door de markt zullen worden bepaald, ontstaan er behoorlijke inkomensverschillen.
5. De factor ‘arbeid’ wordt niet volledig ingeschakeld: de overheid probeert dit door de methode-Keynes (= vergroting van de effectieve vraag door grotere overheidsbestedingen en/of belastingverlaging) te beperken, maar de werkloosheid kan niet worden teruggebracht.

§12.4 Het budgetmechanisme

De productie van collectieve en quasi-collectieve goederen wordt, niet via de markt geregeld. Hiervoor bestaat het budgetmechanisme, de besluitvorming kan weer op twee manieren gebeuren:
1. Democratisch.
2. Bureaucratisch.
Van democratische besluitvorming spreken we wanneer de beslissingen worden genomen door middel van verkiezingen. Als iedereen het na de verkiezingen met het resultaat eens is, spreken we van een consensus.
Het democratisch budgetmechanisme heeft verschillende gebreken:
1. Een gebrekkige afweging: een probleem is de vaak gebrekkige afweging van de baten en de lasten van een overheidstaak.
2. De soms onevenredige grote invloed van pressiegroepen: dit heeft te maken met de invloed van pressiegroepen op het parlement en de regering. Deze pressiegroepen kunnen soms wel erg vergaan in het nastreven van hun doel.
3. Starheid: de voorkeur van de burgers wordt eens in de 4 jaar bij verkiezingen gepeild. De wetsontwerpen die worden aangenomen en uitgewerkt etc. duurt enkele jaren, terwijl in het bedrijfsleven veel sneller gereageerd kan worden op de voorkeur van de consument.
Van bureaucratische besluitvorming of planeconomie spreken we wanneer één centrale instelling alle (economische) beslissingen neemt, zoals dit gebeurde in het einde van de jaren 80’ in Oost-Europa.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

super handig

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast