De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


Economie Schaarste, handel en geld

Hoofdstuk 1 Voor niks gaat de zon op

1.1
behoeften:
de wensen van mensen die ze willen bevredigen. Deze wens is onbegrensd. Om je behoeften te bevredigen, heb je middelen nodig.
Schaarste: spanningsveld tussen onbegrensde behoeften en beperkt aanwezige middelen.
alternatief aanwendbaar: met hetzelfde middel kan je verschillende behoeften bevredigen. De manier waarop je een middel gebruikt, is de aanwendingsrichting. Het gebruik van een middel levert iets op: opbrengsten, ook wel baten genoemd.
opofferingskosten: nettobaten van de beste denkbare alternatieve aanwending. De vraag die een econoom steeds stelt, is hoe je een middel het beste kunt gebruiken? Deze vraag moet je in drie stappen beantwoorden:

1.       Bepaal alle verschillende manieren waarop het middel gebruikt kan worden.

2.       Bereken voor iedere aanwendingsrichting de kosten en baten.

3.       Kies de aanwendingsrichting waarbij de opbrengsten het meest boven de kosten uitstijgen; deze aanwendingsrichting levert het meeste voordeel op.

1.2
budget: de optelsom van alle middelen die iemand heeft. Er zijn twee soorten middelen:

·       Tastbare middelen

·       Tijd

Het budget beperkt de keuzes die iemand kan maken. Het budget kan je aan verschillende middelen besteden. Productcombinaties: combinaties van middelen waar je het budget aan uitgeeft. Omdat het budget je keuzes beperkt, moet je achterhalen welke productcombinaties je met een bepaald budget kunt kopen. Budgetlijn: deze lijn geeft alle mogelijke productcombinaties die je maximaal kunt kopen met een bepaald budget.

Budget= (prijs goed 1 x aantal goed 1) + (prijs goed 2 x aantal goed 2)

Een verschuiving van de budgetlijn kan twee oorzaken hebben:

·       het budget verandert: door een stijging van het budget verschuift de budgetlijn van de oorsprong af, terwijl de helling van de budgetlijn gelijk blijft.

·       een prijs verandert: als de prijs van een product verandert, dan verandert de helling van de budgetlijn. 

 

Hoofdstuk 2 Van ruilen komt geen huilen

2.1
een ruil komt tot stand wanneer beide partijen er baat bij hebben. Zo ontstaat er wederzijds voordeel. Bij een ruil zijn twee middelen betrokken: de middelen  die geruild worden. Bij een ruil van twee middelen is iedere partij zowel vrager als aanbieder. Zonder ruil maakt iedereen alleen gebruik van de middelen die hij al heeft: iedereen is zelfvoorzienend (autarkie).
aanbieder: partij die een middel aanbiedt bij een ruil
vrager: partij die een middel vraagt bij een ruil
ruilverhouding: de waarde van het ene middel uitgedrukt in het aantal eenheden van het andere middel. De ruilverhouding bepaalt of er wederzijds voordeel kan ontstaan bij een ruil.

2.2
eigendomsrecht:
wettig recht van eigendom. (meestal niet meer dan een kassabon) het kan ook een patent (octrooi): wettelijk recht van intellectueel eigendom, zijn. Een monopolist kan met een patent en dus alleenrecht een hoge prijs vragen.
auteursrecht: wettelijk en exclusief recht van een auteur om zijn werken publiek te maken en te vermenigvuldigen.
transactiekosten: kosten die gemaakt worden voor het maken van een geschikte ruil. Deze kosten zijn voor rekening van vrager of aanbieder. Om twee redenen spelen transactiekosten een belangrijke rol in de economie:

·       ze kunnen het wederzijds voordeel van een ruil tenietdoen waardoor de ruil niet doorgaat. De baten zijn dan lager dan de kosten. Soms wordt er bij een ruil een contract opgesteld dat bepaalt onder welke voorwaarden de ruil plaatsvindt. Contracten worden alleen opgesteld bij een ingewikkelde ruil. De kosten horen onder de transactiekosten.

·       Het ontstaan van instituties. Bij veel vormen komen steeds dezelfde transactiekosten weer terug. Met een institutie kan dit goedkoper. Een institutie is een plek die een bepaalde ruil vergemakkelijkt doordat het de transactiekosten van die ruil verlaagt.

Contract: wettelijk document met daarin de voorwaarden van een ruil
institutie: organisatie die de transactiekosten van een ruil verlaagt.
 

2.3
arbeid:
productiefactor die het menselijk handelen tijdens het productieproces omvat.
consumptie: kopen van goederen en/ of diensten om behoeften te bevredigen.
consument: iemand die goederen en/ of diensten koopt om behoeften te bevredigen.
productie: transformatie van inputs naar goederen en/ of diensten.
producent: persoon of organisatie die producten en/ of diensten voortbrengt.
arbeidsproductiviteit: productie per arbeidskracht per tijdseenheid.
er zijn twee manieren waarop je je arbeidsproductiviteit kunt verhogen:

·       Scholing het opdoen van nieuwe kennis en het aanleren van nieuwe vaardigheden.

·       Specialisatie: het toeleggen op een afgebakend onderdeel van productie

Door specialisatie wordt het productieproces verdeeld over meerdere mensen en ontstaat arbeidsdeling: iedereen vervult een deeltaak. Transactiekosten, specialisatie en arbeidsindeling bepalen samen de organisatievorm: de manier waarop alle activiteiten van een institutie onderling georganiseerd zijn.
manager: persoon die een productieproces organiseert

2.4
absoluut productievoordeel:
voordeel in productie waarbij een product tegen absoluut lagere kosten voortgebracht kan worden. Specialisatie en arbeidsindeling kunnen het gevolg zijn van verschillen in absolute productievoordelen.
comparatieve productievoordeel: voordeel in productie waarbij een product tegen relatief lagere kosten voortgebracht kan worden. Op basis van het comparatieve productievoordeel kan iemand zich zelfs gaan specialiseren in een activiteit waarin iemand een absoluut productievoordeel heeft.  (alleen mogelijk als overige middelen door anderen worden geproduceerd en er onderling ruil mogelijk is).

2.4
absoluut productievoordeel:
voordeel in productie waarbij een product tegen absoluut lagere kosten voortgebracht kan worden. Specialisatie en arbeidsindeling kunnen het gevolg zijn van verschillen in absolute productievoordelen.
comparatieve productievoordeel: voordeel in productie waarbij een product tegen relatief lagere kosten voortgebracht kan worden. Op basis van het comparatieve productievoordeel kan iemand zich zelfs gaan specialiseren in een activiteit waarin iemand een absoluut productievoordeel heeft.  (alleen mogelijk als overige middelen door anderen worden geproduceerd en er onderling ruil mogelijk is).

 

Hoofdstuk 3 Geld, de smeerolie van ruil

3.1
geld:
middel dat kan worden geruild tegen alle andere middelen.
prijs: ruilverhouding van middelen tot het middel geld.

Geld is ooit bedacht om ruilen te vergemakkelijken. Inmiddels heeft geld drie functies:

·       Ruilmiddel: functie van geld waardoor goederen en diensten geruild kunnen worden.

·       Oppotmiddel: functie van geld waardoor de aanwending van middelen uitgesteld kan worden.

·       Rekenmiddel: functie van geld waardoor de waarde van verschillende middelen met elkaar vergeleken kan worden.

3.2
om geld de drie functies van geld te laten vervullen, moet het aan vier technische eisen voldoen:

·       Geld moet deelbaar zijn.

·       Geld moet handzaam zijn.

·       Geld moet duurzaam zijn.

·       Geld mag niet gemakkelijk na te maken zijn.

·       Economie Schaarste, handel en geld

Vroeger
Geldwissel: document waarop staat hoeveel geld de houder aan de bank in beheer heeft gegeven. Geldwissels  verdrongen na verloop van tijd het merendeel van het muntgeld.

Nu
fiduciar geld: geld dat zijn waarde uitsluitend ontleent aan het vertrouwen dat mensen erin hebben.

Modern geld is fiduciar en komt op twee manieren voor:

·       Chartaal geld: munten en bankbiljetten

·       Giraal geld: direct opvraagbare tegoeden op bank- of girorekeningen

 

3.3
chartaal geld heeft drie waarden: de intrinsieke waarde, de nominale  waarde en de interne waarde. Giraal geld heeft alleen een nominale warde en een interne waarde.

·       Intrinsieke waarde: waarde van het materiaal waarvan het geld gemaakt is.

·       Nominale waarde: waarde die op chartaal geld staat afgebeeld.

·       Interne waarde: koopkracht van het geld.

·       Externe waarde: uitgedrukt in een ander munt.
- wisselkoers: ruilverhouding tussen twee valuta: muntsoort

De nominale waarde van geld blijft altijd gelijk. De intrinsieke waarde schommelt veel. De interne waarde van geld veranderd ook veel. De gebeurt in de loop der tijd en bijna altijd in dezelfde richting: naar beneden. Dit verschijnsel van geldontwaarding heet inflatie: stijging van het algemene prijspeil door de tijd. Chartaal geld blijft in omloop zolang de nominale waarde groter is dan de intrinsieke waarde.

Wet van Gresham: ervaringsgegeven dat zegt dat geld met een relatief hoge intrinsieke waarde uit de omloop gaat.

3.4
centrale bank:
  bank belast met de ontwikkeling en uitvoering van monetair beleid en met het toezicht op het bank- en verzekeringswezen.
de Nederlandse Bank: centrale bank van Nederland.
Europese Centrale Bank: centrale bank van de eurolanden
geldschepping: nieuw geld in omloop brengen. De centrale bank kan geld op twee manieren in omloop brengen:

·       Uitgeven van chartaal geld.

·       Regulieren van de girale geldhoeveelheid.

De optelsom van al het chartale en girale geld dat in handen is van gezinnen en bedrijven, is de maatschappelijke geldhoeveelheid.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.