1.1 Macro-economie



Kenmerk macro-economie = werken met aggregeerde grootheden, bijv. het totaal van alles inkomens of alle werkgelegenheid in een land.

Probeert de hoogte en de verandering van het nationaal inkomen, de werkgelegenheid en het loon- en prijspeil te verklaren,

Er zijn 5 sectoren in de macro-economie.

1. Consumptiehuishoudingen, alle personen als consument.

2. Ondernemingen, die m.b.v. productiefactoren goederen en diensten voortbrengen.

3. Collectieve sector, de rijksoverheid, de gemeenten, provincies en de instellingen die de sociale wetgeving uitvoeren.



4. Financiële instellingen, zoals de pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en banken.

5. Buitenland, verzamelbegrip voor alle buitenlandse ondernemingen waar Nederland transacties mee doet.

Gesloten economie zonder overheid = de macro-economie zonder de sectoren overheid en buitenland.

De collectieve sector is in ons land erg belangrijk en er is een zeer intensief handels- en betalingsverkeer met het buitenland.



1.2 Toegevoegde waarde



Toegevoegde waarde = gelijk aan het verschil tussen de marktwaarde van de productie en de waarde van de gebruikte grond- en hulpstoffen en diensten van derde, bijv. werkzaamheden van een schoonmaakbedrijf of de adviezen van een belastingconsulent.

De toegevoegde waarde is dus eigenlijk wat je hebt moeten toevoegen om de waarde van het eindproduct zo te krijgen.

marktwaarde

verbruik -



—–––––———

toegevoegde waarde



Tijdens een productie worden niet alleen grond- en hulpstoffen gebruikt, maar ook een deel van de waarde van vaste kapitaalgoederen  afschrijving = op geld gewaardeerde economische slijtage van kapitaalgoederen. Afschrijving geeft de slijtage van het vaste productieapparaat weer.

Om nieuwe gebouwen en machines te kopen, wordt een deel van de toegevoegde waarde gebruikt.

` bruto

Toegevoegde waarde

netto



bruto toegevoegde waarde bijv. btw = 2 miljoen

afschrijvingen – afschrijvingen= 0,5 miljoen

——————————— –————–

netto toegevoegde waarde ntw = 1,5 miljoen

Marktprijzen en factorkosten

tegen marktprijzen

Toegevoegde waarde

tegen factorkosten



Tegen marktprijzen = toegevoegde waarde berekenen door uit te gaan van de markt- of verkoopprijzen van de goederen. Betekent dat een grootheid (meestal het nationaal inkomen) bepaald is tegen de prijzen zoals die op de markten voorkomen. Hierin zit de prijsverhogende werking van de indirecte belastingen (prijsverhogende belastingen) en de invloed van de prijsverlagende subsidies.

Tegen factorkosten = het weglaten uit de marktprijzen van de kostprijsverhogende belastingen en de prijsverlagende subsidies. Betekent dat een grootheid (meestal het nationaal inkomen) bepaald is tegen de prijzen van de productiefactoren.

De toegevoegde waarde tegen factorkosten bereken je als volgt:



(bruto/netto) toegevoegde waarde tegen marktprijzen

kostprijsverhogende belastingen -

prijsverlagende subsidies +

——————————————————————

(bruto/netto) toegevoegde waarde tegen factorkosten



Dit is het bedrag dat de ondernemingen en financiële instellingen beschikbaar hebben voor de beloning van de productiefactoren.

Primaire inkomens: loon, interest, pacht, huur en winst.

Winst = de vergoeding voor het combineren van de productie factoren.

Ook de overheid produceert. Omdat voor deze productie geen verkoopprijzen op markten tot stand komen, meten we de bijdrage door de netto toegevoegde waarde van de overheid. Dit zijn de salarissen van de ambtenaren die de overheid in een jaar uitbetaald. De bruto toegevoegde waarde bij de overheid zijn de ambtenarensalarissen + de afschrijvingen van de overheid, bijv. op gebouwen.



bruto toegevoegde waarde in factorkosten

afschrijvingen –

—————————————————

netto toegevoegde waarde in factorkosten

= primaire inkomens (loon, pacht, huur, interest, en winst)



1.3 Bruto binnenlands product en nationaal inkomen



Bruto binnenlands product = is de som van alle bruto toegevoegde waarde voortgebracht door alle sectoren in een land in een jaar tijd. Als overheidsproductie neemt men de ambtenarensalarissen. Ook is rekening gehouden met het saldo van de primaire inkomens ontvangen en betaald aan het buitenland. Het bruto nationaal product is gelijk aan de som van het netto nationaal product (NNP) en de nationale afschrijvingen.



bruto toegevoegde waarde van ondernemingen en financiële instellingen

bruto toegevoegde waarde van de overheid +

—————————————————————————————

bruto binnenlands product



Het netto nationaal product is gelijk aan het bruto maar dan min de afschrijvingen.

Nationaal inkomen = de som van al het verdiende inkomen in een land in een jaar tijd. Het is de som van loon, interest, pacht en winst. Tenzij anders vermeld betreft het meestal netto tegen factorkosten. Het (netto) nationaal inkomen is altijd gelijk aan het netto nationaal product. Dit is een identiteit (= een gelijkheid die altijd waar is). Als methode van meten onderscheidt men de objectieve, subjectieve methode en de bestedingsmethode.



Het verschil tussen het nationaal inkomen en het bruto binnenlands product ontstaan, doordat de productie in elk land voor een deel geschiedt met buitenlandse productiefactoren.

Wanneer een Italiaanse vrouw bij een Nederlandse onderneming werkt, draagt zij bij voor het bruto binnenlands product van Nederland, maar het loon dat zij ontvangt, hoort bij het Italiaanse nationaal inkomen. Omgekeerd zijn er ook Nederlanders die in het buitenland werken en dus uit het buitenland primaire inkomens ontvangen.



Samengevat:

bruto binnenlands product

afschrijvingen –

———————————————————————————

netto binnenlands product in factorkosten

primaire inkomende betaald aan buitenlanders -

primaire inkomens van Nederlanders ontvangen uit het buitenland +

———————————————————————————

nationaal inkomen

(= netto begrip, bevat geen afschrijvingen)



Het CBS werkt vooral met het bruto binnenlands product(BBP).

Nationaal product = de som van alle toegevoegde waarde in een land in een jaar tijd voortgebracht. De toegevoegde waarde is te verdelen in loon, interest, pacht en winst. De som van loon, interest, pacht en winst is weer het nationaal inkomen. Daarom is het nationaal product altijd gelijk aan het nationaal inkomen. Men onderscheidt het bruto en netto nationaal product.



1.4 Categoriale inkomensverdeling en arbeidsinkomensquote.



Bij de categoriale inkomensverdeling gaat het om de verdeling van het nationaal inkomen over loon, pacht en huur, interest en winst.

totale loonsom

Verdeeld in:

overig inkomen (pacht, interest, huur en winst)

Maatstaf voor de categoriale inkomensverdeling is de loonquote:

de totale loonsom

Loonquote = ———————

nationaal inkomen

Het nationaal inkomen bestaat voor 2/3 deel uit loon en voor 1/3 uit overig inkomen.

Bezwaar tegen loonquote = loonsom laat alleen het inkomen uit arbeid van de werknemers zien, inkomen van zelfstandigen valt onder winst. Alleen letten op de ondernemingen en de financiële instellingen. Bij de overheid bestaat de netto toegevoegde waarde voor 100% uit loon.



Arbeidsinkomensquote =

loonsom in de ondernemingen + toegerekend arbeidsinkomen van zelfstandigen

————————————————————————————————

netto toegevoegde waarde van de ondernemingen



Bijv. arbeidsinkomensquote bestaat uit 75%, dat betekent dat van elke 100 euro die in de ondernemingen wordt verdiend, 75 euro als beloning naar de productiefactor arbeid gaat en 25 euro is overig inkomen.



De verandering van de arbeidsinkomensquote is in de loop van de tijd van belang. Een geleidelijke daling van de arbeidsinkomensquote laat meer ruimte over voor overige inkomens, vooral winst. Loonmatiging draagt bij tot een daling van de arbeidsinkomensquote. Dit stimuleert de investeringen van ondernemingen en dus ook de werkgelegenheid.



1.5 De economische kringloop



Om een indruk te krijgen van de betrekkingen tussen de sectoren van de economie, kun je het kringloopschema gebruiken. Daarin wordt d.m.v. pijlen weergegeven hoe de geld- en goederenstromen zich tussen de sectoren bewegen.

De Franse arts en econoom Francois Quesnay (1694-1774) heeft deze kringloop bedacht.

Door deze kringloop werd duidelijk dat er een samenhang was tussen de economische activiteit van ondernemingen en werknemers. En ook dat door het economisch leven een geldkringloop en een goederenkringloop bewegen die aan elkaar zijn gekoppeld.



1.6 De samenstelling van de investeringen



Consumptieve bestedingen = de aankopen van consumenten (consumptie)

Kapitaalgoederen = goederen die aanwezig zijn bij de ondernemingen

Vlottende kapitaalgoederen = voorraden van grondstoffen of eindproducten zijn. Kapitaalgoederen die één productieperiode meegaan. In feite gaan ze in het productieproces op c.q. verloren.

Vaste kapitaalgoederen = aanwezige machines en gebouwen. Gaan meerdere productieprocessen mee.

Investeren = als ondernemingen kapitaalgoederen kopen.

Netto-investeringen = de investeringen die de kapitaalgoederenvoorraad in een land doen toenemen. De netto investeringen zijn te bereken door van de bruto investeringen de afschrijvingen af te trekken. De netto investeringen bestaan uit de uitbreidingsinvesteringen plus de voorraadveranderingen.

Bruto-investeringen = alle kapitaalgoederen, die door de productiehuishouding in een jaar zijn aangekocht. De aankopen door een producent zijn per definitie investeringen.



1.7 Nationale Rekeningen en identiteiten



Een andere manier om de betrekkingen tussen de sectoren in de economie weer te geven dan de kringloop, is door middel van Nationale Rekeningen.

Nationale Rekeningen = geven de geldstromen tussen de sectoren weer in boekhoudkundige vorm in een land in een bepaald jaar.

Identiteit = is een gelijkheid die (per definitie) altijd waar is.

In de macro-economie bestaat een aantal identiteiten, die de betrekkingen tussen macro-economische grootheden beschrijven.



Y = nationaal inkomen;

C = consumptieve bestedingen van de consumenten

S = besparingen van de consument

I = netto-investeringen van de ondernemingen



Y = C + S



Y = C + I



I = S



1.8 Berekening van het nationaal inkomen



Drie manieren om het nationaal inkomen te meten:

1. Subjectieve methode

2. Objectieve methode

3. Bestedingenmethode



Subjectieve methode = houdt in dat het nationaal inkomen bepaald is door middel van het optellen van alle inkomens in een land in een jaar tijd; dus de loonsom, de interestsom, de pachtsom en de winstsom. (subject wordt persoon mee bedoeld)

Objectieve methode = houdt in dat het nationaal product bepaald is door middel van het optellen van de toegevoegde waarde, de productiewaarde van een land in een jaar tijd.

Bestedingenmethode = is een manier om het nationaal inkomen te berekenen. Men kijkt dan naar de batenkant van de ondernemingen, waar de bestedingen van de gezinnen bij de ondernemingen staan vermeld. In feite wordt dan gebruik gemaakt van de identiteit Y = C + I



1.9 Indeling van overheidsuitgaven



De uitgaven van de collectieve sector deel je in:

1. overdrachtsuitgaven

2. overheidsbestedingen



Overdrachtsuitgaven = betreffen inkomensoverdrachten. Het zijn uitgaven "om niet", d.w.z. de overheid verwacht hiervoor geen tegenprestatie, zoals de bijstandsuitkeringen en de inkomensondersteunende subsidies.

Overheidsbestedingen = betreft dat gedeelte van de overheidsuitgaven dat de overheid zelf besteed. Deze uitgaven worden ook wel de reële uitgaven genoemd, omdat het overige deel bestaat uit overdrachtsuitgaven.

De overheidsbestedingen zijn te verdelen in overheidsinvesteringen en overheidsconsumptie.

Overheidsconsumptie = materiële overheidsconsumpties. Betreft de uitgaven voor vlottende zaken, bijvoorbeeld de ambtenarensalarissen, verwarming en elektriciteit van de overheidsgebouwen, telefoonrekening, schrijfbehoeften, etc.

Overheidsinvesteringen = betreft de aanschaf van vaste kapitaalgoederen door de overheid, zoals voor spoorlijnen, wegen, bruggen, gebouwen en dijken. Deze geven we weer met de hoofdletter O.



1.10 Middelen en bestedingen



Door het buitenland aan de kringloop toe te voegen, krijgen we ook te maken met de uitvoer (E) en de invoer (M). Ook geldstromen tegengesteld aan goederenstromen. De invoer geeft het bedrag aan van de totale bestedingen aan goederen en diensten dat niet in ons land is geproduceerd.



Y + M = C + I + O + E



Staat van middelen en bestedingen = geeft de som (en de samenstelling) van het nationaal inkomen en de invoer aan de linkerkant van de staat, en de som van de totale bestedingen (gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland) aan de rechterkant.



1.11 Het officieuze circuit.



Officieuze economie = is dat deel van de economie, waar men belastingen en premies ontduikt. Het is het zogenaamde zwarte circuit.

Informele economie = betreft alle economische activiteiten die niet in de officiële cijfers tot uitdrukking komen, omdat de gegevens zich niet laten registreren. Het betreft hier niet alleen het "zwart en grijs" werken, maar ook legale activiteiten die aan de waarneming van het CBS voorbij gaat. Men spreekt daarom ook wel van verborgen circuit.

Zwarte circuit = zie boven.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

C.

C.

Een kleine opmerking over het berekenen van de bruto toegevoegde waarde tegen factorprijzen. Als je de toegevoegde waarde tegen marktprijzen corrigeert met de prijsverhogende belastingen min de prijsverlagende subsidies, bekom je de TW tegen factorprijzen en niet: - de prijsverhogende belastingen en +de prijsverlagende subsidies!

5 jaar geleden