Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Hoofdstuk 1 – Paragraaf 1; Binnenlands product

De macro-economie kijkt naar de optelsom van economische begrippen. Er wordt gekeken naar de economie als geheel. De belangrijkste macro-economische grootheid is het bruto binnenlands product: de waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten in een jaar. Om het bbp te berekenen kijk je naar de waarde die productie toevoegt aan producten: de bruto toegevoegde waarde. De bruto toegevoegde waarde bereken je door het verschil te berekenen van de opbrengst van het product en de kosten van de ingekochte goederen en diensten. In formule:

Bruto toegevoegde waarde = TO – kosten ingekochte goederen en diensten

De optelsom van alle bruto toegevoegde waarden die in een land gedurende een jaar zijn gemaakt, is gelijk aan het bbp.

De bruto toegevoegde waarde houdt geen rekening met afschrijvingen. De netto toegevoegde waarde wel. In formule ziet dat er als volgt uit:

Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen

Het netto binnenlands product is de optelsom van allo netto toegevoegde waarden die in een land gedurende een jaar worden gecreëerd. In formule:

Nbp = bbp – afschrijvingen

Hoofdstuk 1 – Paragraaf 2; Binnenlands inkomen

Degenen die de productiefactoren leveren, krijgen de netto toegevoegde waarde in zijn geheel uitbetaald. De productiefactoren zijn:

  • Arbeid
  • Kennis (in de macro-economie: Ondernemerschap)
  • Kapitaal
  • Locatie (in de macro-economie: Natuur)

Inkomen dat iemand verdient met het ter beschikking stellen van een productiefactor is primair inkomen. De optelsom van alle primaire inkomens is het totale bedrag dat in een land aan inkomen verdiend wordt. (= netto binnenlands inkomen) Het verschil tussen het nbi en het bruto binnenlands inkomen zit hem in de afschrijvingen. In formule: nbi = bbi – afschrijvingen. De netto toegevoegde waarde wordt in zijn geheel gebruikt om de beloningen van de productiefactoren uit te betalen. En de optelsom van al die beloningen vormt weer het nbi. Dus de conclusie is dat het nbi gelijk is aan het nbp: nbi = nbp.

Als er rekening wordt gehouden met de oorsprong van de productiefactoren kan het inkomen van Nederlanders worden bepaald. In dat geval spreek je van het nationaal product en het nationaal inkomen.

Hoofdstuk 1 – Paragraaf 3; Economische kringloop

Spelers van een economie handelen niet onafhankelijk van elkaar. Als je de verbanden weergeeft, ontstaat er een economische kringloop. Hieronder is de economische kringloop uitgebeeld:

Y = netto binnenlands inkomen              C = consumpties

O = overheidsbestedingen                       E = export

M = import                                                    S = sparen

I = netto-investeringen                              B = belastingen

Er zijn in de economische kringloop vier sectoren:

  • Bedrijven; de ingaande geldstromen moeten gelijk zijn aan de uitgaande geldstromen: Y = C + I + O + E – M
  • Gezinnen; Y = C + B + S
  • Overheid; bij deze sector zijn de uitgaven groter dan de inkomsten. Hierdoor ontstaat er een begrotingstekort: O > B
  • Buitenland; E > M, doordat de export groter is dan de import heeft het land een positief uitvoersaldo.

Bij de kringloop zijn, vanuit de “Financiële instellingen” gezien, de ingaande geldstromen altijd gelijk aan de uitgaande geldstromen: S = I + (O – B) + (E – M)

Hoofdstuk 1 – Paragraaf 4; Nationale rekeningen

Ieder jaar stelt het Centraal Bureau voor Statistiek een overzicht op van alle inkomsten en uitgaven van de Nederlandse economie: nationale rekening. Dat is een systematisch overzicht van de geldstromen tussen de economische sectoren in her afgelopen kalenderjaar.

Hoofdstuk 1 – Paragraaf 5; De betalingsbalans

De handel tussen landen heeft ook een eigen overzicht: de betalingsbalans. De betalingsbalans bestaat uit twee rekeningen: de lopende rekening en de kapitaalrekening. Het saldo is gelijk aan het saldo (E – M) in de economische kringloop. De lopende rekening:

  • Goederenrekening, hierop staan de betalingen van de import en de export van goederen. De import staat aan de uitgavenkant. Exportgoederen worden verkocht en dus staan ze aan de inkomstenkant. Er is sprake van handelsoverschot als de export groter is dan de import.
  • Dienstenrekening, hierop worden de internationale dienstentransacties geboekt.
  • Primaire-inkomensrekening, hierop staan de internationale beloningen voor het beschikbaar stellen van productiefactoren (Loon, winst, huur, pacht, rente).
  • Inkomensoverdrachtenrekening, dit zijn de overdrachten die over de grens gaan en waar geen prestatie tegenover staat. Zoals ontwikkelingshulp en prijzengeld van de loterij in België, dat gewonnen is door een Nederlander.

Wat ook op de betalingsbalans staat, maar niet op de lopende rekening, is de kapitaalrekening. Daarop staan alle internationale investeringen en beleggingen.

Hoofdstuk 2 – Paragraaf 1; Meten van welvaart

De middelen waarover iemand beschikt, bepalen voor een belangrijk deel het leven dat hij leidt. Om dit te weten, moet je de welvaart meten. Als indicator voor welvaart wordt vaak het bbp gebruikt, maar het bbp is geen prefecte maatstaf voor het meten van welvaart. Het laat 3 zaken buiten beschouwing:

  • Consumentensurplus
  • Externe effecten. Een toename in de bruto toegevoegde waarde betekent een stijging van het bbp. Maar als er bij de stijging van de productie negatieve externe effecten optreden, moet je het voordeel van de gestegen productie afwegen tegen het nadeel van de negatieve externe effecten.
  • Onbetaalde arbeid, omdat het bbp onbetaalde arbeid niet meet, is het een onderschatting van de totale toegevoegde waarde.

Hoofdstuk 2 – Paragraaf 2; De verdeling van welvaart

Het bbp is een benadering van de hoogte van de welvaart. Het zegt niets over de verdeling van de welvaart. De verdeling van het bbp over de ingezetenen van het land bekijk je met de lorenzcurve. Deze curve zet twee percentages tegen elkaar af: op de horizontale as het cumulatieve percentage personen en op de verticale as het cumulatieve percentage inkomen. De individuen worden geordend naar hun inkomen, van laag naar hoog. De lorenzcurve illustreert de mate waarin het inkomen scheef verdeeld is. Als iedereen hetzelfde verdient, valt de lorenzcurve samen met de diagonaal.

Hoofdstuk 2 – Paragraaf 3; Belastingen

De overheid heft belastingen om collectieve goederen te produceren. Ze betaalt er ook andere overheidstaken mee. Alle verschillende belastingen plus bijbehorende regels vormen samen het belastingstelsel.

Het percentage loonbelasting dat niet afhankelijk is van de hoogte van het loon, is de vlaktaks. Bij een vlaktaks is er sprake van een proportioneel belastingtarief; het belastingpercentage blijft constant. Maar dit betekent niet dat iedereen dezelfde hoeveelheid belasting betaald.

Het inkomen na de aftrek van belastingen en de verplichte premies voor volks- en werknemersverzekeringen en verhoogd met de uitkeringen, is het secundaire inkomen. De secundaire inkomensverdeling is bij een vlaktaks net zo scheef als bij de primaire inkomensverdeling, omdat de overheid met de belastingheffing de verhoudingen niet verandert.

In een belastingsysteem kan een belastingvrije voet zitten, waardoor de belastingbetaler over de eerst verdiende euro’s geen belasting hoeft te betalen. De belasting vrije voet maakt de inkomensverdeling gelijker, want het bedrag van de belastingvrije voet is voor iedereen gelijk. En het is dus voor mensen met een laag inkomen relatief hoger.

Een belangrijke indicator voor het belastingstelsel is wat iemand gemiddeld aan belasting betaalt: het gemiddelde belastingtarief:

Gemiddeld belastingtarief = belasting : bruto inkomen x 100%

Bij een proportioneel belastingtarief is het gemiddelde bij elk inkomen hetzelfde.

Een tweede belangrijke indicator van het belastingstelsel is het percentage dat iemand over zijn laatst verdiende euro aan belasting betaalt: het marginale belastingtarief. Bij een stijging van het inkomen kom je in een hoger belastingtarief terecht. Het effect van een belastingvrije voet op de inkomensverdeling is duidelijk te tonen met het gemiddelde en marginale belastingtarief.

Bij een belastingvrije voet is er sprake van een progressief belastingsysteem: het marginale en gemiddelde belastingpercentage stijgt bij een stijgend inkomen. Een progressief belastingsysteem veroorzaakt een nivellering van de inkomens. Mensen met een hoog inkomen betalen een hoger percentage belasting dan mensen met een lager inkomen. Mensen met een laag primair inkomen houden naar verhouding een hoger secundair inkomen over dan mensen met een hoog primair inkomen.

Het omgekeerde van een progressief belastingsysteem is een degressief belastingsysteem. Daarbij betalen mensen met een hoog in komen naar verhouding minder belasting dan mensen met een laag in komen.

Nog een manier om de inkomens via het belastingstelsel te nivelleren, is het instellen van een heffingskorting. Een heffingskorting is het bedrag dat een belastingplichtige mag aftrekken van het te betalen belastingbedrag. Omdat het bedrag niet afhankelijk is van het inkomen, profiteren mensen met een laag inkomen naar verhouding meer dan mensen met een hoog inkomen. De heffingskorting is een vast bedrag.  

Hoofdstuk 2 – Paragraaf 4; Het Nederlandse belastingsysteem

Nederland heeft op dit moment een belastingsysteem, waarbij oplopende belastingtarieven en heffingskortingen de inkomensverdeling nivelleren. Nederland kent een boxenstelsel. Voor je inkomstenbelasting zijn er drie soorten belastbare inkomens. Deze inkomens zijn ondergebracht in 3 boxen.

  • In box 1 betaal je belasting over inkomen uit werk en woning volgens een oplopend tarief met vier schijven. Om hierin de loonbelasting te berekenen, bepaal je eerst het belastbaar inkomen. Dat is het bruto inkomen minus de aftrekposten waarop je recht hebt.
  • Box 2 geldt alleen voor mensen die geld hebben geïnvesteerd in een bedrijf.
  • In box 3 wordt het inkomen uit sparen en beleggen belast.

Hoofdstuk 3 – Paragraaf 1; Economische structuur

Economische groei wordt gemeten door de groei van het bbp. Er ontstaat een conjunctuur, dat is de stand van de economie, meestal is het een golfbeweging. Een afwisseling van een hoog en een laag conjunctuur. Structuur van de economie bepaalt mede de economische prestaties van die economie. De belangrijkste macro-economische kenmerken van de economische structuur zijn:

  • Menselijk kapitaal: Hoe hoger iemand is opgeleid, hoe hoger zijn productiviteit zal zijn.
  • Fysieke infrastructuur: Hoe beter de infrastructuur, hoe makkelijker het is om handel te drijven. Multinationals zullen sneller geneigd zijn een deel van hun activiteiten in Nederland te vestigen.
  • Sectorgrootte: De economie kan in vier sectoren worden verdeeld: de primaire (landbouw), de secundaire (industrie), de tertiaire (commerciële diensten) en de quartaire (niet-commerciële diensten = niet gericht op winst maken) sector.
  • Sociale infrastructuur: Er bestaan tal van regels die het ruilen stimuleren. Het geven van garantie bijvoorbeeld. Het rechtssysteem behoort tot de sociale infrastructuur, maar controlerende instanties als de ombudsman en de nationale mededingingsautoriteit ook. Deze instanties zorgen voor meer vertrouwen bij de consument en dat zorgt voor een makkelijkere handel.
  • Categoriale inkomensverdeling: dit is de verdeling van het inkomen over de primaire inkomens (huur, loon, rente, pacht en winst). De loonquote geeft aan welk deel van het inkomen naar de factor arbeid gaat:                                                  loonquote = loon : binnenlands inkomen x 100%                           Op deze manier is de winstquote te berekenen. De winstquote wordt meestal met de pachtquote en rentequote samengevoegd tot de quote van het overig inkomen. Een zelfstandige met een eenmanszaak ontvangt zijn inkomen uit de winst vaan de onderneming. In de meeste gevallen is dit loon gelijk aan de winst. In dit geval noem je het looninkomen winst, terwijl het eigenlijk een beloning is voor de arbeid. Daarom is het begrip arbeidsinkomen bedacht:                        arbeidsinkomen = looninkomen + winst zzp’er arbeidsinkomensquote = arbeidsinkomen : binnenlands inkomen x 100% De loon- en inkomensquota geven aan hoeveel er relatief verdiend wordt door een productiefactor. Als de loonquote hoog is, zijn er relatief veel mensen in loondienst. Bij een stijging van de loonquote gaat een groter deel van het verdiende inkomen naar de werknemers, maar een stijging gaat meestal ten koste van de winstgevendheid van de bedrijven, waardoor de investeringen kunnen dalen. Als de winstquote hoog is, zijn er relatief veel ondernemingen. Een hoge winstquote geeft ook aan dat er veel ruimte is voor bedrijfsinvesteringen.
  • Monetaire infrastructuur: Alles wat te maken heeft met de financiële kant van een ruil, behoort tot de monetaire infrastructuur. Een eigen munt en een eigen centrale bank zijn daar onderdelen van, maar ook het aantal geldautomaten, het kunnen betalen met creditcards en het gebruik van pinpassen horen hierbij. Een slechte monetaire infrastructuur bemoeilijkt het ruilen.

Economische groei wordt gemeten door de groei van het bbp. Er ontstaat een conjunctuur, dat is de stand van de economie, meestal is het een golfbeweging. Een afwisseling van een hoog en een laag conjunctuur. Structuur van de economie bepaalt mede de economische prestaties van die economie. De belangrijkste macro-economische kenmerken van de economische structuur zijn:

  • Menselijk kapitaal: Hoe hoger iemand is opgeleid, hoe hoger zijn productiviteit zal zijn.
  • Fysieke infrastructuur: Hoe beter de infrastructuur, hoe makkelijker het is om handel te drijven. Multinationals zullen sneller geneigd zijn een deel van hun activiteiten in Nederland te vestigen.
  • Sectorgrootte: De economie kan in vier sectoren worden verdeeld: de primaire (landbouw), de secundaire (industrie), de tertiaire (commerciële diensten) en de quartaire (niet-commerciële diensten = niet gericht op winst maken) sector.
  • Sociale infrastructuur: Er bestaan tal van regels die het ruilen stimuleren. Het geven van garantie bijvoorbeeld. Het rechtssysteem behoort tot de sociale infrastructuur, maar controlerende instanties als de ombudsman en de nationale mededingingsautoriteit ook. Deze instanties zorgen voor meer vertrouwen bij de consument en dat zorgt voor een makkelijkere handel.
  • Categoriale inkomensverdeling: dit is de verdeling van het inkomen over de primaire inkomens (huur, loon, rente, pacht en winst). De loonquote geeft aan welk deel van het inkomen naar de factor arbeid gaat:                                                  loonquote = loon : binnenlands inkomen x 100%                           Op deze manier is de winstquote te berekenen. De winstquote wordt meestal met de pachtquote en rentequote samengevoegd tot de quote van het overig inkomen. Een zelfstandige met een eenmanszaak ontvangt zijn inkomen uit de winst vaan de onderneming. In de meeste gevallen is dit loon gelijk aan de winst. In dit geval noem je het looninkomen winst, terwijl het eigenlijk een beloning is voor de arbeid. Daarom is het begrip arbeidsinkomen bedacht:                        arbeidsinkomen = looninkomen + winst zzp’er arbeidsinkomensquote = arbeidsinkomen : binnenlands inkomen x 100% De loon- en inkomensquota geven aan hoeveel er relatief verdiend wordt door een productiefactor. Als de loonquote hoog is, zijn er relatief veel mensen in loondienst. Bij een stijging van de loonquote gaat een groter deel van het verdiende inkomen naar de werknemers, maar een stijging gaat meestal ten koste van de winstgevendheid van de bedrijven, waardoor de investeringen kunnen dalen. Als de winstquote hoog is, zijn er relatief veel ondernemingen. Een hoge winstquote geeft ook aan dat er veel ruimte is voor bedrijfsinvesteringen.
  • Monetaire infrastructuur: Alles wat te maken heeft met de financiële kant van een ruil, behoort tot de monetaire infrastructuur. Een eigen munt en een eigen centrale bank zijn daar onderdelen van, maar ook het aantal geldautomaten, het kunnen betalen met creditcards en het gebruik van pinpassen horen hierbij. Een slechte monetaire infrastructuur bemoeilijkt het ruilen.

Hoofdstuk 3 – Paragraaf 2; De prestaties van de economie

Het bbp is een macro-economische maatstaf voor de welvaart. Om een evenwichtig beeld te krijgen van de prestaties gebruikt men ook andere prestatiemaatstaven:

  • Bbp per hoofd van de bevolking: = bbp : aantal inwoners
  • Economische groei:           = (bbp dit jaar – bbp vorig jaar) : bbp vorig jaar x 100% Om het bbp van jaar tot jaar te vergelijken moet je rekening houden met de prijsontwikkeling door de tijd. Bij nominale economische groei wordt geen rekening gehouden met de inflatie (pxq). Uit de nominale economische groei komt de reële economische groei (als de productie in volume bekend is en de groei van dit volume. Anders uitrekenen met RIC = NIC/PIC x 100% waarbij PIC inflatie is.). Als het reële bbp groeit, stijgt het besteedbaar inkomen. 
  • Productiviteit: Als de productiviteit toeneemt kan met dezelfde inzet van productiefactoren meer toegevoegde waarde gecreëerd worden. Daardoor groeit het bbp. Economieën die veel innoveren, kenmerken zich door een grote economische groei. De groei is het gevolg van een hogere productiviteit.
  • Technologische vooruitgang: Innovatie vergroot de productiviteit. Uiteindelijk zorgt innovatie zo voor meer economische groei. Maar innovatie heeft ook een direct effect, want de stand van de techniek beïnvloedt de kwaliteit van leven sterk.
  • Werkloosheid: Het niet gebruiken van de productiefactor arbeid is een slechte zaak. Als mensen werkloos thuis zitten, vermindert de waarde van je menselijk kapitaal. Werkloosheid is slecht voor de totale economie, want een deel van de productiecapaciteit blijft onbenut. Door werkloosheid word je ook sociaal geïsoleerd.
  • Scholing en kwaliteit van arbeid: Iemand die niet of laag opgeleid is, verricht ongeschoolde arbeid. Dit type arbeid is en de regel van lage kwaliteit. De kwaliteit van arbeid en de mate waarin kinderen onderwijs genieten, zijn twee belangrijke indicatoren voor de prestaties van de economie.

Hoofdstuk 3 – Paragraaf 3; Convergentie en divergentie

Economische convergentie is het naar elkaar toe groeien van economieën, dat wil zeggen dat de verschillen kleiner worden. Divergentie is letterlijk het uiteenlopen, dat wil zeggen dat de verschillen groter worden. Er kan sprake zijn van convergentie van het inkomen tussen landen, dat wil zeggen dat de inkomensverschillen dus kleiner worden. Je zou dat ook verwachten doordat er steeds meer internationale handel is, het bestaan van internet en dat iedereen steeds mobieler wordt.

De verschillen in inkomen blijven echter groot door allerlei oorzaken:

  • Er bestaan grote culturele verschillen tussen landen. De uitwisseling van mensen, producten en kennis kan daardoor moeizaam verlopen.
  • Er zijn nog veel landen waar sprake is van een dictatuur. De mensen willen zich wel ontwikkelen, maar de staat laat dit niet toe.
  • Het hoeft ook niet van belang te zijn dat rijke landen arme landen helpen met het ontwikkelen, omdat dit ten koste kan gaan van hun eigen economie.
  • De bestaande situatie kan de neiging hebben zichzelf in stand te houden. Ontwikkelde landen bezitten meer en betere productiefactoren dan ontwikkelingslanden. Zij kunnen daardoor meer en betere goederen en diensten produceren en meer geld verdienen. Dit geld kunnen ze weer investeren in scholing, wat weer zorgt voor betere productiefactoren.

Een manier om economische convergentie af te dwingen is het opzetten van internationale samenwerkingsverbanden tussen landen. De inkomensverschillen nemen dan af. 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.