Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Module 1 kwestie van schaarste, kiezen en consumptie

Beoordeling 3.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1091 woorden
  • 27 januari 2004
  • 37 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.9
  • 37 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
* ‘behoeven’ iets nodig hebben
* basisbehoeften – normale behoeften – luxe behoeften
* altijd ontevreden vrouwtje in verhaal van kabouter Piggelmee => Piggelmee syndroom = reference drift
* productie: ook een schoenwinkeljuffrouw verkoopt schoenen => produceert. Ook in huis: koken.
* arbeid in ruime zin = serveren in eetcafé, sjouwen volle vuilniszakken, verrichten van hartchirurgie, ook onbetaalde werk in huishouding,
* arbeid in enge zin = betaald werk. In bedrijven en bij de overheid. (kwaliteit belangrijk)

* kapitaalgoederen = goederen die in het productieproces worden ingeschakeld om er andere goederen mee te maken.
* Kernvraagstuk van eco = het schaarste probleem keuzehandelen vloeit voort uit: 1=bestaan van menselijke behoeften 2=wens deze te bevredigen 3= schaarste v.d. bevredigingsmiddelen 4=verschillende gebruiksmogelijkheden .v.d. middelen
* Begroting = 1. zo goed mogelijk bepalen wat je wel en niet kunt uitgeven. 2. Feitelijke uitgaven vergelijken met de begrote.
* Uitgaven. 1. vaste lasten 2. incidentele grote uitgaven 3. dagelijkse uitgaven
* Economische factoren 1, voorkeuren v.d. consument 2. prijzen v.d. goederen en diensten 3. hoogte, stabiliteit en vooruitzichten v.h. inkomen 4. bezit v. spaargeld en andere vermogen 5. mogelijkheden om geld te lenen. 6. beschikking over vrije tijd
* Sociale factoren 1. beroep dat man of vrouw uitoefent 2. levensgewoonten 3. verschillende groepen waartoe men behoort (clubs, buurt, kerk)
* Demografische factoren 1. leeftijd 2. gezinssamenstelling 3. burgerlijke staat
* Via reclame slimme technieken bij consument behoeften opwekt, die er eerder niet waren

* Voor consument is het moeilijk het aanbod van goederen te overzien (mist kennis, tijd om merken, kwaliteiten en prijzen goed te vergelijken)
* Consumentenorganisaties proberen in ons land in samenwerking met overheid een actief consumentenbeleid te voeren => vergelijken warenonderzoek. Ook verspilling in consumptiegoederen aan kaak stellen
* Warenwet let op voorlichting over normen en voorschriften door overheid gegeven
* Warenwet = besluiten nemen over product zodat die kan verbeteren
* Wet kan eerste aanbetaling eisen bij aankoop en voorschriften geven over de op afbetalingstermijnen
* Sommen: rente => je leent F 55.000 .. je betaalt => 155 maanden x F 550 = F 85.250. F85.250 – F55.000 = F30.000 afgerond… rente per jaar : F30.000 : 13 = F2.300… gem. geleend bedrag: (F55.000 + F0) : 2 = F27.500…. Het percentage = F2.300 : F27.500 x 100% = 8% per jaar.
* Nadeel consumptiebeleid = te zien aan geluidsoverlast en vervuiling v. wateren, de bodem en lucht via milieuwetten tegen optreden
* 4 redenen van verschuiving: 1. Inkomen stijgt 2. aantal vragers 3. behoeften stijgen 4. prijzen v. overige goederen. (schuiven allemaal naar rechts.)
* Theeprijzen gaan omhoog. Dan verkoop je meer koffie. (lijn naar rechts)
* Koffiezetapparaat wordt duurder. Dan verkoop je minder koffie. (lijn naar links)
* Koopgedrag: 1. prijs van goed. 2. voorkeuren v.d. consument 3. inkomen of budget v. consument 4. prijzen van overige goederen (koffie-thee)
* Qv = ap + b
* Qv = gevraagde hoeveelheid…..p = prijs v.h. goed…… b = gevraagde hoeveelheid als p=0… a = richtingscoëfficiënt
* prijselasticiteit=
* Als hoeveelheidsverandering groter is dan prijsverandering = product elastisch (je mag ook zeggen = Ev < -1)
* Als hoeveelheidsverandering kleiner id dan prijsverandering = product inelastisch (je mag ook zeggen Ev ligt russen –1 en 0)
* Per % prijsverhoging daalt de afzet slechts 0,6% => omzet stijgen
* Volkomen inelastische vraag = verticale lijn
* Volkomen elastische vraag = horizontale lijn.

· Behoeften onbeperkte wensen
· Basisbehoeften noodzakelijke levensbehoeften
· Goederen en diensten goederen zijn stoffelijk (vastpakken) diensten niet
· Vrije goederen geen middelen opofferen voor deze goederen (zon, lucht)
· Produceren maken van goederen en diensten
· Consumptiegoederen door consumenten worden gebruikt om in behoeften te voorzien
· Kapitaalgoederen of productiegoederen, elke keer weer worden gebruikt bij de productie van andere goederen
· Productiefactoren bij productie gebruiken: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
· Natuur of “natuurlijke hulpbronnen” (lucht, zonlicht, olie, gas en kolen, ligging, reliëf, rivieren)
· Arbeid alle geestelijke en lichamelijke inspanning van mensen ten dienste van productie
· Vaste kapitaalgoederen langer dan 1 productieproces meegaan
· Hulpstof wordt tijdens productieproces helemaal verbruikt
· Grondstoffen zie hier boven, maar ze zijn wel in eindproduct terug te vinden
· Vlottende kapitaalgoederen: Vlottend omdat ze opgaan in product, kapitaalgoederen omdat alle gekochte goederen die voor de productie en niet voor consumptie zijn bestemd, tot de kapitaalgoederen worden gerekend.
· Kapitaal vaste en vlottende kapitaalgoederen
· Vermogen als met kapitaal geld bedoeld wordt (of geldkapitaal)
· Ondernemerschap de ondernemer combineert de productiefactoren: arbeid, kapitaal en natuur met als resultaat dat er producten ontstaan. Voor de onder is winst de beloning voor zijn of haar ondernemerschap
· Schaarste onbegrensde behoeften en beperkte middelen
· Alternatief aanwendbare middelen: de schaarste van de middelen die voor verschillende gebruiksmogelijkheden kunnen worden aangewend.
· Prioriteiten stellen afwegen wat we het belangrijkste vinden
· Economie de economische wetenschap
· Welvaart de mate waarin mensen erin slagen de schaarste te verminderen
· Welstand geproduceerde goederen en diensten. Welvaart gaat nog veel verder daar op in.
· Consumeren om in behoeften te voorzien, gebruiken we goederen en diensten
· Duurzame consumptiegoederen: bij consumptie worden deze goederen helemaal gebruikt, maar je kunt er meer keren plezier van hebben
· Niet-duurzame consumptiegoederen: goederen die 1 keer verbruikt worden
· Begroting overzicht van te verwachten ontvangsten en uitgaven in de komende periode
· Vaste lasten betalingen die steeds opnieuw terugkomen omdat je een bepaalde verplichting op je hebt genomen.
· Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichtingen: NIBUD,in hele jaar de ontvangsten en uitgaven met elkaar in de pas te laten lopen. (ze delen folders uit)
· Consumptiepatroon je geld uitgeven op ander manier dan CBS-doorsneegezinnen.
· Reclame het overbrengen (communiceren) van een boodschap door een adverteerder met de bedoeling zijn afzet te beïnvloeden.
· Promotie dit is een onderdeel van reclame, dat ook de niet-commerciële communicatie omvat
· Demonstratie-effect als mensen goederen eenmaal in bezit hebben en laten ze ook graag zien
· Keeping up with the Joneses: De consumptie wan de een wordt nauwlettend door de ander gevolgd
· Consumentisme een streven om niet alleen de rechten maar ook de macht van de consument tegenover de producent te vergroten
· Consumentenbeleid gevormd door de overheid: het beschermen en helpen van de individuele consument bij zijn keuze van goederen en diensten
· Consumptiebeleid de overheid wil het consumeren in goede banen leiden.
· Duurzame ontwikkeling men wil de huidige productie e consumptie zo inrichten dat de behoeftebevrediging van de generaties na ons niet in gevaar komt
· Ceteris-paribus-clausule bekijken hoe de vraag naar een goed afhankelijk is van de prijs van het goed zelf. Alle factoren blijven gelijk
· Vraaglijn laat zien wat een consument bij uiteenlopende prijzen van plan is te kopen
· Individuele vraaglijn zie bovenstaande, alleen dan van 1 persoon
· Collectieve vraaglijn de totale vraag naar een product wordt weergegeven en laat zien hoeveel de gezamelijke consumenten willen kopen van een product bij verschillende prijzen.
· Inferieure goederen goederen waarvan de vraag afneemt bij een stijging van het inkomen.
· Substitutiegoederen goederen die elkaar kunnen vervangen.. (koffie-thee)
· Complementaire goederen: goederen die tezamen gebruikt worden (koffie-koffiemelk)
· Prijselasticiteit van de vraag: kan door marktonderzoek bepaald worden. Is een verhoudingsgetal dat de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid weergeeft in verhouding tot de procentuele prijsverandering
· Inelastische vraag als prijs van brood of melk stijdgt, zal de gevraagde hoeveelheid nauwelijks dalen. Deze goederen zijn niet zo gevoelig voor prijswijzigingen
Volkomen inelastische vraag: dan blijft de gevraagde hoeveelheid gelijk bij een prijsverandering.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.