ADVERTENTIE
Heb jij hulp nodig bij het kiezen van jouw studie?

Thijs (22 jaar) kreeg hulp van onze studiekeuzeadviseur Marise. Door telefonische gesprekken en een aantal testen weet Thijs nu welke studie het beste bij hem past. Zijn tip: “Wacht niet af, ga op onderzoek uit en laat je adviseren!”

Vraag nu jouw persoonlijke gesprek aan!

Module 1 – mens en arbeid



Hoofdstuk 1 – arbeidsmarkt; vraag en aanbod



Arbeid een productieve inspanning waar een een primair wit inkomen tegenover staat. Arbeid is een heterogeen product.



Primair inkomen inkomen verdiend door productieve prestatie

Secundair inkomen inkomen zonde rer iets voor te doen: uitkeringen



Wit inkomen inkomen dat volledig bekend is bij de belastingdienst

Zwart/grijs inkomen inkomen dat deels of niet bekend is bij de belastingdienst



Arbeidsmarkt totale aanbod en vraag naar arbeid





Concrete markt zichtbare markt (arbeidsbureau, uitzendbureau)



Abstracte markt niet zichtbare markt (arbeidsmarkt)



Arbeidsaanbod iedereen tussen de 15 en 57,5 die wil en kan werken, ofwel de beroepsbevolking



Beroepsbevolking werkenden: afhankelijke en zelfstandige (eigen baas) + geregistreerde werklozen



Arbeidsvraag de werkenden en de vacatures



Participatiegraad werkenden in procenten, geeft beter beeld dan absolute getallen

Werkenden / beroepsbevolking * 100% of

Beroepsbevolking / Potentiële beroepsbevolking * 100%



Veranderingen in arbeidsaanbod

- Demografie veranderingen in bevolking; vergrijzing en ontgroening

- Emigratie/immigratie er verhuizen mensen naar buitenland of hierheenj

- Culturele factoren vrouwen die wel of niet werken



- Loonniveau hoge lonen aantrekkelijk voor werknemer, minimumloon

- Institutionele factoren regels en wetten (uitkeringen, leerplicht)

- Economische situatie slechte economie ontmoedigt het aanbieden en andersom.

 ontmoedingseffect of aanzuigeffect



Veranderingen in arbeidsvraag

- Bestedingen als de vraag naar producten toeneemt, moet er meer geproduceerd worden en neemt de vraag naar arbeid toe

- Techniek machines nemen de plek van mensen in, waardoor er minder arbeid nodig is

- Arbeidstijd door arbeidstijd te verkorten werken mensen minder lang en komen er meer arbeidsplaatsen vrijdag

- Loonniveau hoge lonen zorgen voor hoge arbeidskosten waardoor werkgevers arbeid vervangen door kapitaal.



Hoofdstuk 2 – arbeidsmarktproblemen

Hoofdstuk 3 – Oplossingen voor de Arbeidsproblematiek



Geregistreerde werkloosheid:

1. ingeschreven bij arbeidsbureau

2. tussen 15 en 57,5 jaar

3. geen werk

4. bereid en in staat om minstens 12uur per week te werken



Bestandsvervuiling werklozen geven niet door dat ze werk hebben gevonden en blijven dus toch zo ingeschreven bij het arbeidsbureau

Manieren van meten werkloosheidscijfer

- In personen aantal werkloze personen wordt geteld

- In arbeidsjaren aantal volledige banen wordt geteld (niet iedereen werkt fulltime)



P/A ratio Aantal uren optellen gedeeld door het fulltime

(aantal uren=A aantal werknemers=P)



Verborgen werkloosheid werkloosheid die er wel is maar niet wordt gemeten



Soorten werkloosheid

- Conjunctuur werkloosheid

werkloosheid veroorzaakt door te lage vraag:

Dalende vraag naar goederen en diensten -> minder orders -> lagere productie -> minder werknemers nodig.

► belasting omlaag, rente omlaag, overheidsbestedingen/buitenland omhoog

Effectieve vraag toe laten nemen

EV=C(onsumtie)+I(nvestering)+O(verheidsbestedingen)+E(xport)-X(import)



- Structuur werkloosheid in ruime zin

werkloosheid veroorzaakt door technische ontwikkeling ->langdurig



* Kwantitatieve structuurwerkloosheid

Te weinig arbeidsplaatsen beschikbaar

1. arbeidsvraag te klein: arbeidsbesparende investeringen, overheid

2. arbeidsaanbod te groot: stijgende participatie vrouwen, toename van aantal schoolverlaters, werkzoekenden uit het buitenland

1. ► Investeringen, innovaties, lagere loonkosten

2. ► extra belasten van tweeverdieners, verlenging leerplicht, verlaging pensioenleeftijd, arbeidstijdverkorting, aanpassen werkloosheids-definitie



* Kwalitatieve structuurwerkloosheid

Vraag en aanbod niet op elkaar afgestemd

De scholing sluit niet aan bij de vraag, geografisch spreiding van vraag en aanbod

► Betere scholing, mobiliteit verbeteren (verhuispremies, openbaar vervoer)



* Frictiewerkloosheid

Mensen die van werk wisselen zijn tijdelijk werkloos (zoekwerkloosheid)

► Alleen verkorting door betere communicatie arbeidsbureau, geen oplossing



* Seizoenswerkloosheid

Bepaalde seizoenen is er minder werk als andere (landbouw, schilders)

► Prijsverlaging in rustige seizoenen, andere diensten aanbieden (diversificatie)



* Overspannen arbeidsmarkt

De vraag overtreft het aanbod (zorgsector)

► Overwerken, verlaging bestedingen, aantrekken buitenlandse werknemers



Arbeidsmarktbeleid Overheid voert een arbeidsmarktbeleid waarbij vraag en aanbod zo goedmogelijk op elkaar is afgestemd. Richt zich zowel op aanbod als vraagkant

Arbeidsvoorzieningenbeleid Aanbodkant -> Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Mensen die zich aanbieden op de arbeidsmarkt moet binnen een redelijke termijn een baan kunnen vinden

Werkgelegenheidsbeleid Vraagkant -> Ministerie van Economische Zaken.

1. structuurbeleid: toename van de productie

2. conjunctuurbeleid: bestedingen constant houden



Hoofdstuk 4 - Inkomensvorming



Vakbond een vereniging van werknemers (Abvakabo, vervoersbond, dienstenbond) -> aangesloten bij vakcentrale (FNV, CNV).



Werkgeversorganisatie een vereniging van werkgevers (VVN, AVB) -> aangesloten bij werkgeverscentrale (VNO-NCW)



Categorale bonden Vakbond niet aangesloten bij vakcentrale



Arbeidsovereenkomst Afspraken over de arbeid (functie, loon, lengte contract, arbeidstijd, wel/geen proeftijd) = individueel



CAO Collectieve Arbeidsovereenkomst. Overleg tussen werkgevers en werknemersorganisaties. Geldt voor hele bedrijfstak, geldig door bindend verklaren van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. CAO geldt dan voor de gehele bedrijfstak

Alle regels over de CAO onderhandelingen staan in de loonwet



Initiële loonstijging jaarlijkse loonstijgingen die voor iedereen gelden



Incidentele loonstijging gelden niet voor iedereen en staan niet altijd in de CAO (promotie)



Prijscompensatie als de lonen evenredig stijgen met de prijzen, koopkracht gelijk.



Sociale partners afgevaardigden werkgevers- en werknemerscentrales.



Stichting Arbeid opgericht door sociale partners en afgevaardigden overheid.



Centraal Akkoord Landelijke afspraken m.b.t. arbeidsvoorwaarden door sociale partners +overheid.

Inkomensverdeling:

1. personeelinkomensverdeling over natuurlijke personen in een land (hoeveel % van het inkomen wordt verdiend door hoeveel % van de bevolking)

2. categoriaal hoeveel inkomen wordt verdient per productiefactor

* arbeid – loon

* kapitaal – interest

* natuur – pacht

* management - winst

Lorenzcurve tekenen:

Vb. economie van 7 personen:

Sjonnie: 37.500 – sjanneke: 312.600 – sjoert: 27.000 – sjaak: 14.000 – sjaan: 32.000 –

sjimmie: 270.000 – sjors: 62.500

% mensen inkomen % ? Gecumuleerd %

14.29 14.000 1.85 1.85

28.58 27.000 3.57 5.42

42.87 32.000 4.24 10.38

57.16 37.500 4.96 14.62

71.45 62.500 8.27 22.89

85.74 270.000 35.73 58.62

100 312.600 41.37 100



1. Inkomen sorteren van laag naar hoog

2. Omzetten naar procenten van het totaal

3. procenten cumuleren.



Box tekenen. Diagonaal als ideaal. Horizontale as: personen. Verticale as: inkomens

Inkomensverdeling

− Primair gebaseerd op productieve prestatie (loon, interest, pacht of winst)

− Secundair primair gecorrigeerd door belastingen, premies en uitkeringen

− Tertiair secundair gecorrigeerd door indirecte belastingen (bijv. BTW) en gebonden inkomensoverdrachten



Arbeids/Loonquote loonsom / inkomen * 100% (ook voor rente/pacht en winst)



Arbeidsinkomensquote loonsom + geschat inkomen zelfstandigen / inkomen * 100% (AIQ)



Overige inkomstenquote overige / inkomen * 100%



Module 2- Zorg en Beleid



Hoofdstuk 1 – Verzorgingstaat



Allocatie vraagstuk verdeling van de productiefactoren, alle vragen die je kan stellen bij het produceren van goederen (wie, wat, waar, wanneer, hoeveel)



Goederen kunnen we onderverdelen in :

• Individuele goederen

• Collectieve goederen

• Quasi collectieve goederen



Individuele goederen: Goederen die maar door 1 persoon kunnen worden geconsumeerd

• Rivaliteit

• Uitsluitbaarheid



Collectieve goederen : Geen sprake van rivaliserende consumptie

• Non rivaliteit

• Niet uitsluitbaarheid



Quasi collectieve goederen: Worden door de overheid voortgebracht dan wel gesubsidieerd

• Uitsluitbaarheid (maar: maatschappelijk ongewenst)



Economische orde: de manier waarop het proces van productie en consumptie georganiseerd is -> Economsiche beslissingen.

Twee elementen die de economische orde van een land bepalen:

1. eigendomsverhoudingen: wie bezit de productiemiddelen

2. verdeling van beslissingsbevoegdheden: wie is er bevoegd om beslissingen te nemen?



Op grond van deze elementen kun je drie typen van economische orde onderscheiden:

• Markteconomie -> marktmechanisme

• Democratische huishouding -> budgetmechanisme

• Bureaucratische huishouding -> planmechanisme



Marktmechanisme : Consumenten en producenten beslissen zelf wat en hoeveel. Beslissigen: dencentraal. Productiemiddelen in particulier eigendom Rol van de overheid minimaal-> nachtwakersstaat

Voordelen :

• Optimale allocatie (baten en de kosten vergelijken -> op elkaar afstemmen)

• Vraag & aanbod bepalen de prijs

Nadelen :

• Maatschappelijk onaanvaardbare prijzen bij bv een misoogst.

• Prijsschommelingen kan leiden tot werkloosheid

• Externe effecten -> maatschappelijke kosten

• Collectieve goederen zullen niet worden geproduceerd

• Onvoldoende quasi collectieve goederen



Budgetmechanisme: De overheid stelt budgetten beschikbaar. Beslissingen decentraal. De volksvertegenwoordiging bepaalt via een politiek proces welke taken door de overheid zullen wordne uitgevoerd en betaald.

Voordelen :

• Recht vaardige inkomensverdeling

• Overheid kan ongewenste uitkomsen corrigeren en bepaalde doelstellingen nastreven

• Collectieve en Quasi-Collectieve goederen door de overheid

Nadelen

• De band tussen beslissen, genieten en betalen is doorbroken



Redenen waarom de overheid zich bemoeit met het aanbod van quasi collectieve goederen :

• Te hoge inningskosten: particulieren kunnen het niet aan (bv. Wegennet exploiteren)

• Geen inkomensdrempel (scholing)

• Positief effect op de maatschappij (openbaar vervoer)

• Bemoeigoederen: overheid vindt dat burgers er meer van moeten gebruiken (musea)

• Merit goods -> museumbezoek, tentoonstelling

• Demerit goods -> alcohol , tabak .



Planmechanisme : De besluitvorming over het productieproces is in handen van de staat -> centraal. Productiemiddelen ook van de staat. Overheid bepaalt de consumptie– en productiewensen -> plan

Voordelen :

• Ontbreken van conjunctuurschommelingen

• Inkomensverschillen zijn klein

• Gezondheidszorg en onderwijs zijn voor iedereen beschikbaar

Nadelen :

• Gebrek aan efficiency

• Besluitvorming loopt traag

• Voorziet niet in de behoeften van de consument

• Geen financiële prikkels

• Moeilijk om in 1 centraal plan te vangen



Marktsector aanbod van goederen en diensten wordt verzorgd door onderneming, terwijl de consument, overheid en andere ondernemingen ernaar vragen



Collectieve sector door de overheid zelf geproduceerde voorzieningen zoals rechtspraak, poltiie, ov en de sociale zekerheid.

Niveaus van allocatie

• Individueel (macro)

• Landelijk

• Internationaal



Sociale zekerheid

een groot aantal wettelijke regelingen, instellingen en voorzieningen die betrekking hebben op de

bestaanszekerheid van burgers.

1. sociale verzekeringen -> premies

2. sociale voorzieningen -> belastingen



De sociale verzekeringen zijn weer opgedeeld in de:

• Werknemersverzekeringen - voor iedereen in loondienst is

• Volksverzekeringen - voor iedereen die in Nederland woont



Waardevaste uitkeringen de verhoging van de sociale voorzieningen is even groot als de gemiddelde prijsstijging



Welvaartsvaste uitkeringen de uitkeringstrekkers mee willen laten delen in de economische groei



Verzorgingstaat een samenleving waarin de overheid iedereen een maatschappelijk aanvaardbaar bestaansminimum wil garanderen



Staat :

• Een volk binnen een bepaald grondgebied

• Een overheid (instellingen) die over dat volk gezag uit oefent

Ontwikkeling verzorgingsstaat

De snelle industriële ontwikkeling bracht grote veranderingen met zich mee. Als gevolg van deze revolutie vond de productie steeds meer plaats in fabrieken (slechte arbeidsomstandigheden). Dit leidde tot een reeks wetten waarmee de overheid de werknemers wilde beschermen. De volgende stap was de ontwikkeling van een systeem waarbijn de werknemer premies betaalt. Eerst was dit alleen voor werknemers, later voor iedereen in Nederland -> via belastingen



Begrotingsbeleid de conjunctuurgolven met behulp van de overheidsbegroting in te dammen (de economische groei te vertragen bv.)



Industrialisatiebeleid wederopbouw; i.c.m. loonmatiging -> concurrentiepositie



Collective lasten de stijgende collectieve uitgaven moesten worden gefinancierd uit belastingen en sociale premies



Afwentelingproces de groeiende collectieve lasten worden via premie – en loonsverhogingen afgewenteld op de werkgevers -> ten koste van de winst -> failliet



Door de hoge collectieve lasten ontstaat er werkloosheid (want de loonkosten stegen hierdoor ook hard) waardoor de lasten nog hoger stijgen… om hier uit te komen moet je de vicieuze cirkel doorbreken met maatregelen bijv.

• Bezuinigingen op de collectieve uitgaven

• Loonmatiging

• Lastenverlichting van het bedrijfsleven

• Betere werking van de arbeidsmarkt



Dereguleren minder overheidsregels

Privatisering het overhevelen van de collectieve sector naar de marktsector

Verzelfstandigen een bedrijf moet zichzelf financieel kunnen redden maar wel onder de overheid (NS)

Decentraliseren overheid probeert minder op centrala niveau te regelen en meer ruimte te geven aan de lagere overheden



Arbeidsverhoudingen alle overlegvormen, afspraken en wetteijke regelingen waarbij zowel de overheid, de werknemers- en werkgeversorganisaties betrokken zijn

Geleide loonpolitiek de overheid bepaalde in de periode 1945-1963 wel de loonontwikkeling, maar deed dat in overleg met de sociale partners



Adviesorganen van de regering

• SER

• Centraal planbureau

• CBS



Verborgen overbodige arbeiders wegvloeien via de WAO in plaats werkloosheidcomponent een werkloosheidsuitkering



Volumebeleid Het terugdringen van het beroep op de verschillende wetten

Het terugdringen van het beroep op de sociale zekerheid door :

• Voorwaarden verzwaren

• Maatregelen om te zorgen dat je minder lang een beroep kan doen op uitkeringen

• Premiedifferentiatie – bedrijfstakken met een hoger dan gemiddeld ziekteverzuim moeten meer premie betalen



Kapitaaldekkingsstelsel de premies worden gebruikt om een fonds of vermogen te vormen waaruit de toekomstige pensioenuitkeringen betaald kunnen worden



I / A ratio de verhouding tussen het aantal mensen met een uitkering en het aantal mensen met een betaalde baan. (inactieven / actieven)

Een hoog i/a ratio is slecht omdat er een groot beroep word gedaan op de sociale zekerheid. Waardoor de loonkosten zullen stijgen -> toenemende structuurwerkloosheid



Hoofdstuk 2 – Overheid en Economie



Rijksbegroting de beleidsvoornemens van de regering, ten aanzien van de uitgaven/inkomsten. Advies van: CPB: publiceert jaarlijks de Macro-Economische Verkenning -> vooruitzicht. Een half jaar hierna komt het Centraal Economisch Plan.



Collectieve sector voorzieningen waar we gezamenlijk voor moeten betalen door middel van belastingen en sociale premies -> hier kunnen we allemaal beroep op doen

1. overheden (regering) + publiekrechtelijke organisaties (gemeente) + onderwijssector

2. instellingen die sociale voorzieningen uitvoeren



Semi-collectieve sector Gefinancierd uit collectieve middelen: ziekenhuis, ov, sport



Miljoenennota algemen toelichting op de rijksbegroting en geeft bovendien een een overzicht van de nat. en int. economische situatie en een toelichting op het regerinsbeleid



Algemene politieke beschouwingen

de minister president bespreekt de grote lijnen van het regeringsbeleid. Hierna volgt de algemeen financiële beschouwing door de minister van financiën



Overheidsuitgaven :

Subsidie – de overheid geeft geld aan personen en instellingen en hoeft daar geen tegenprestatie voor terug -> de overheid haalt dit geld uit de belastingsontvangsten daarom spreken we van overdrachtsuitgaven.



Overheidsinvesteringen bijv. de aanleg van een snelweg of de HSL -> toekomst dus het is een investering, overheid neemt deel aan procoes van productie en inkomensvorming



Overheidsconsumptie overheid legt beslag op productiefactoren, die na gebruik niet meer beschikbaar zijn

Personeelskosten (politie, onderwijs, defensie etc.)

• Materieel (energiekosten, papierkosten enz.)

• Immaterieel (personeelskosten)



Overheidsproductie overheid produceert niet tegen marktprijzen, de waarde van het overheidsproduct wordt dus gelijk gesteld aan de uitbetaalde lonen en sociale lasten (personeelskosten = waarde product)



Functies van de overheid :

• Allocatieve functie

• Herverdelingsfunctie (belastingheffing vs. Subsidie)

• Stabilisatiefunctie (anti cyclisch begrotingsbeleid -> tegenwerken van conjunctuur golven)



Collectieve uitgavenquote zegt iets over de mate waarin de overheid zich met het economisch proces zich in een land bemoeit



De overheidsinkomsten :

• Belastingen (direct -> loonbelasting/inkomstenbelasting, indirect -> BTW, accijnzen)

• Niet belastingen / Overig (boetes, reclame inkomsten, kijk en luister geld enz.)



Belasting verplichte bijdragen van de overheid waar geen direct prestatie van deze overheid tegenover staat



Profijtbeginsel burgers moeten bijdragen in de kosten van overheidsvoorzieningen naar de mate waarin ze daarvan profiteren (motorrijtuigenbelasting)



Draagkrachtbeginsel hoger % van je inkomen aan belasting betalen



Belastbaar inkomen bruto inkomen – aftrekposten + forfait



Belastbaar bedrag belastbaar inkomen – belasting vrije som (dan: -> schijventarief)



Collectieve lasten sociale premies, belastingen, niet-belastingontvangsten



Collectieve lasten druk het % van het nationaal inkomen dat de burgers aan belastingen, sociale premies en niet-belastingontvangsten met een collectievenlasten karakter aan de collectieve sector afdragen.



Overheidstekort verschil tussen collectieve inkomsten en collectieve uitgaven



Wig het verschil tussen de totale loonkosten van de werkgever en het nettoloon van de werknemer



Begrotingstekort verschil tussen uitgaven en inkomsten van de overheid

= financieringsbehoefte



Financieringstekort begrotingstekort - opnieuw geleende aflossingen



staatsschuld

Staatsschuldquote = ____________________ x 100%



Nationaal inkomen



Doelstellingen van SER :

• Economische groei

• Volledige werkgelegenheid

• Stabiel prijsniveau

• Evenwicht op de betalingsbalans (importeren / exporteren)

• Redelijke inkomensverdeling (nivellering)


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.