ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Samenvatting lesbrief markten deel 2

H1 Markt en concurrentie
Hoe meer concurrentie des te beperkter zal de machtspositie van een individuele onderneming zijn.

Markt: Het geheel van vraag en aanbod van een bepaald product. (Geen sprake van een plaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten.)
Wereldmarkt, nationale, regionale of lokale markt.
Marktpartijen: Bedrijven, andere bedrijven, consumenten, overheid.
Prijsvorming: Een belangrijke functie van de markt. Op de markt komt er een bepaalde prijs tot stand.
Marktvorm: Geeft de omstandigheden weer waaronder een onderneming moet werken, bepaalt het marktgedrag van een onderneming.
Marktgedrag: De strategie die een ondernemer kiest in de concurrentieslag.
Marktresultaat: De hoogte van de tot stand gekomen prijzen, de omvang en kwaliteit van de productie en de hoogte van de winst. Wordt bepaald door de marktvorm en het marktgedrag.

Is het marktresultaat in de ogen van de overheid onbevredigend, dan kan zij het marktproces beïnvloeden door bijvoorbeeld accijnzen, subsidies, heffingen, maximum- of minimumprijzen.

H2 Het dictaat van de markt (volkomen concurrentie)

§1 Het markt- en prijsmechanisme
Individuele aanbodlijn Individuele aanbodfunctie. Deze geeft aan hoeveel een producent bij
uiteenlopende prijzen zal aanbieden.
Collectieve aanbodlijn Collectieve aanbodfunctie. Deze geeft aan hoeveel alle producenten zullen produceren bij uiteenlopende prijzen.
Marktprijs: Evenwichtsprijs. Daar waar de collectieve vraaglijn en aanbodlijn elkaar snijden komen de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid tot stand. (Qv = Qa)

Kenmerken van volkomen concurrentie of volledige mededinging:
- Veel aanbieders
- Veel vragers
- Homogeen product (allemaal precies hetzelfde)
- Transparante markt
- Gemakkelijke toe- en uittreding
- De marktprijs komt door het collectieve aanbod en de collectieve vraag tot stand
- Individuele producent geen invloed op prijs (de prijs gedicteerd door de markt), maar kan wel zelf beslissen hoeveel hij aanbiedt.
- Producent streeft naar maximale totale winst. Dus MO=MK. Aangezien MO bij volkomen concurrentie gelijk is aan de prijs, zal MK de aangeboden hoeveelheid bepalen voor de individuele producent. Dus P=minimum GTK.

Voorbeelden: groenteveiling, bloemenveiling, visafslag, graanbeurzen, metaal(erts)beurzen, effectenbeurzen en de valutamarkt.

Als het aantal aanbieders toeneemt, verschuift de collectieve aanbodlijn naar rechts, dat wil zeggen dat bij elke denkbare prijs het aanbod groter wordt. De vraaglijn blijft hetzelfde, er zal een aanbodoverschot ontstaan. Het prijsmechanisme komt op gang, de evenwichtsprijs daalt totdat er geen overwinst meer is. dan geldt: P=GO=minimum GTK.
Aanbodfunctie: q=ap+b, als het aantal aanbieders toeneemt met c, wordt de nieuwe aanbodfunctie q=ap+b+c.

Stijgt de prijs, dan treedt er slechts een verschuiving langs de lijn op.

Producenten zullen een toe- of afname van de kosten doorberekenen in hun verkoopprijs. Bij een toename verschuift de aanbodlijn omhoog en bij een afname omlaag.
Aanbodfuncitie: p=aqa+b, als de verkoopprijs toeneemt met c, wordt de nieuwe aanbodfunctie p=aqa+b+c.

Prijsmechanisme: Marktmechanisme. Het proces waarbij een prijsverandering zorgt voor een nieuw evenwicht tussen vraag en aanbod.
Transparante markt: Als alle vragers en aanbieders op de hoogte zijn van wat er op de markt gebeurt; hoeveel er wordt verhandeld en tegen welke prijs.
Overwinst: Als kosten worden gezien als alles wat nodig is om een onderneming draaiende te houden, dan is winst niet noodzakelijk. Als de kosten zo ruim worden opgevat en er wordt dan nog winst gemaakt, noemen we dat overwinst.
Bij volledige mededinging zal op lange termijn de (over)winst verdwijnen, omdat er zolang er overwinst gemaakt wordt nieuwe aanbieders zullen toetreden.

Bedrijfstakevenwicht: Als er geen overwinst meer is en er dus geen nieuwe ondernemers toetreden.

§2 Overheid en markt
Maximum en minimumprijzen
Als op een markt een prijs ontstaat die voor de producenten te laag is, kan de overheid ingrijpen, dit gebeurt vooral in de landbouw. Dit is nodig omdat de voedselvoorziening moet worden veiliggesteld en de boeren een minimum bestaanszekerheid te geven. Dit gebeurt dan door middel van minimumprijzen (ook wel interventieprijs genoemd). Dit heeft geleid tot overproductie. Als er overproductie is en de prijs zakt binnen een bepaald niveau, dan koopt ‘Brussel’ het overschot tegen de minimumprijs of garantieprijs. Dit kan ertoe leiden dat de voorraden hoog oplopen.
De overheid kan ook maximumprijzen instellen om te hoog oplopende prijzen tegen te gaan, dit gebeurt bijvoorbeeld in de gezondheidszorg en met huurwoningen. Hierdoor kan een vraagoverschot of een aanbodtekort ontstaan. De overheid kan dan zelf huurwoningen gaan aanbieden of met een vergunningensysteem de vraag indammen (rantsoenering).

Prijsverhogende belastingen en heffingen
Bemoeigoederen: Goederen waarvan de overheid met accijnzen en heffingen het gedrag van producenten en consumenten wil beïnvloeden.
Ecotaks: Heffing op energiegebruik.
Afwenteling: Als de producent de heffingen in rekening brengt bij de producent.

Prijsverlagende subsidies
Merit-goederen: Goederen waarvan de overheid het gebruik wil stimuleren door het verlenen van subsidies.

H3 Productdifferentiatie (Monopolische concurrentie)
Marketinginstrumenten:
Ø Promotiebeleid reclame.
Ø Prijsbeleid hanteren van psychologische prijs.
Ø Plaatsbeleid ’via welke kanalen het product wordt verkocht’, ‘waar moet het te koop zijn’.
Ø Productdifferentiatie dat bedrijven iets proberen toe te voegen aan hun product, waardoor ze zich onderscheiden van hun naaste concurrenten, terwijl de producten in dezelfde behoefte voorzien.
Marketingmix: Combinatie van marketinginstrumenten

Kenmerken van Monopolistische concurrentie:
- Veel aanbieders
- Heterogeen product (ontstaan door productdifferentiatie)
- Ondoorzichtige markt
- Vrije toetreding
- Producent kan prijs zelf bepalen, maar de klanten kunnen wel snel overstappen op een soortgelijk product. Een kleine prijsverhoging lijdt tot een forse vermindering van de afzet.
- MO - De TO lijn wordt een bergparabool
-
Gelijkenis met monopolie: monopolist binnen de klantenkring van ‘zijn’ product.
Gelijkenis met volkomen concurrente: nieuwe aanbieders kunnen toetreden, die de aanbieder imiteren en een deel van zijn klanten, dus een deel van zijn winst afpakken. Dus op korte termijn kan overwinst gemaakt worden, maar die zal op lange termijn weer verdwijnen.

H4 Gedeelde macht (Oligopolie)
Kenmerken van een oligopolie:
- Beperkt aantal aanbieders of een of meer aanbieders nemen een duidelijk overheersende positie in.
- Beperkte doorzichtbaarheid (kennis over eigen product geheim houden om concurrentievoordelen te creëren).
- Aantal aanbieders relatief beperkt en constant door hoge toetredingsbarrières (door schaalvoordelen).
- Meest heterogene producten
- Bestrijkt deelmarkt van een bepaald product, net als bij monopolistische concurrentie.
- Bij prijsbepaling houdt een oligopolist sterk rekening met de prijzen van zijn concurrenten.
- De prijzen zullen niet snel veranderen
- ‘Geknikte’ prijsafzetlijn

Duopolie: Bijzondere vorm van een oligopolie, er zijn slechts 2 aanbieders.
Prijsstarheid: Dat men zijn prijs niet snel veranderd omdat met verondersteld dat bij verlaging de concurrenten zullen volgen en bij verhoging de concurrenten de klanten zullen afpakken.
Prijzenoorlog: Opeenvolging van prijsverlagingen. Uiteindelijk zal de sterkste onderneming overblijven.
Prijsleiderschap: Als een van de oligopolisten de prijs bepaald en de overigen zich hieraan aanpassen.
Kartel: Een afspraak/overeenkomst tussen ondernemingen met als doel de onderlinge concurrentie te beperken of uit te schakelen. Bijvoorbeeld een prijskartel. Bekendste kartel: OPEC.

Het gevaar van kartelvorming is dat ondernemingen door gebrek aan concurrentie verstarren. In de Nederlandse mededingingswet wordt het ondernemingen verboden om misbruik van hun economische machtspositie te maken. Het toezicht wordt uitgevoerd door de NMa, de Nederlandse Mededingingsautoriteit, bijgenaamd ‘kartelpolitie’.

Franchise-overeenkomsten: Bijvoorbeeld supermarktketens als Spar en C1000 leggen vaste winkelprijzen op aan de bij hen aangesloten winkeliers.
Bagatel-bepaling: Afspraken waarbij het gaat om een omzet beneden een bepaald bedrag vallen buiten de bovenstaande wet.

H5 Absolute macht (monopolie)
Kenmerken van een monopolie:
- Eén aanbieder
- Homogeen goed
- Toetreding moeilijk
- Doorzichtige markt; één prijs, één product
- Collectiever vraaglijn komt overeen met prijsafzetlijn.
- p = GO = aq + b met a - TO = p x q = aq2 + bq
- MO - Doel: maximale totale winst, maximale omzet, of kostendekking.

Omdat een monopolist de enige aanbieder is kan hij (te) hoge prijzen vragen voor zijn producten en bovendien kan hij te weinig geprikkeld worden tot vernieuwing (innovatie), dit kan leiden tot verstarring.

Prijszetter: Zo wordt een aanbieder op een markt van een monopolie genoemd, omdat de producent de prijs zelf vaststelt.
- Wettelijke monopolie: De overheid heeft de productie van bepaalde soorten goederen en diensten overgelaten aan één bedrijf. Ontstaat door het verlenen van een octrooi.
- Natuurlijk monopolie: Ontstaat als er maar één (grote) vindplaats is voor een bepaalde grondstof.
- Feitelijk monopolie: Ontstaat als een bedrijf door economische macht, soms door en overnames, de hele markt beheerst. Microsoft bijvoorbeeld.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

Een monopolie biedt heterogene producten aan, niet homogene

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast