Lesbrief Markten 1

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1637 woorden
  • 14 maart 2002
  • 54 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 54 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 1
Werken is voor mensen meer een plicht dan een recht, de waarde die mensen aan arbeid toekennen heet het arbeidsethos, in de Westerse wereld is deze erg hoog. Vroeger in de tijd van de Romeinen en Grieken was deze juist erg laag, dit veranderde door de automatisering en mechanisatie, het zgn. lopende band werk. Hiervoor hoeft personeel niet zo geschoold te zijn. De werkomstandigheden in de fabrieken werd vroeger versterkt door ingrijpen van de vakbonden. Hierdoor kwam in 1872 onder andere de kinderwet in het wetboek, deze verbood kinderarbeid. Consumeren werd van vroeger tot nu veranderd van behoeftes bevredigen naar doel v.h. leven.Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een consumptiemaatschappij, dit houdt in dat mensen blijven werken ondanks dat ze in hun 1e levensbehoeftes hebben voorzien, In de Arbo-wet staan dingen over het werk van mensen, regels over veiligheid, gezondheid en welzijn van het werk. Onbetaalde arbeid vindt je veel op plaatsen waar productie en consumptie nog niet gescheiden is, vb. in het gezin. Ontslagen mensen krijgen financiële problemen, maar raken ook steeds meer geïsoleerd. Armoede is vaak ook de basis voor crimineel gedrag en extremistische opvattingen. De beroepsbevolking = arbeidsaanbod, deze bestaat uit de werkende en werkeloze beroepsbevolking. de werkende beroepsbevolking. bestaat uit de zelfstandig werkende beroepsbevolking. En de afhankelijke beroepsbevolking De werkeloze en de afhankelijk werkende beroepsbevolking vormen de arbeidsmarkt.Krapte op de arbeidsmarkt kan leiden tot het verlies van opgebouwde markten aan het buitenland, het kan leiden tot forse looneisen van de vakbonden. Deze looneisen drijven de prijzen op, dan moet men weer meer loon, dit drijft de prijzen weer op en zo zit je in een spiraal. Deze kan alleen doorgebroken worden door de overheid. Er is een 7 schalen systeem voor beoordeling van de arbeid, hierop is het loon gebaseerd. Deze schaal is gebaseerd op benodigd opleidingsniveau en de inwerkperiode. Schijven 6 en 7 zijn de bovenkant van de arbeidsmarkt, schalen 1 en 2 zijn de onderkant, alles daartussen zijn de middenfuncties. Klassieke theorie gaat uit van de werking van het marktmechanisme en dat niemand ongewild werkeloos is. Werkgever is vraag naar arbeid, werknemer is het aanbod van arbeid, loon is de prijs en de evenwicht van loon tussen de vraag en het aanbod heet het evenwichtsloon. Er kunnen alleen problemen op de arbeidsmarkt ontstaan door verstoring van het marktmechanisme. Vakbonden, regels van de overheid zoals sociale wetten en milieuregels kunnen dit mechanisme verstoren. De vrije markttheorie klopt niet helemaal, want mensen die minder loon ontvangen zouden op den duur meer gaan uitgeven volgens deze theorie, maar dit is niet zo, want mensen krijgen minder te besteden, bedrijven afzetproblemen en meer werkelozen in de samenleving. De klassieke theorie ziet de arbeidsmarkt als een goederenmarkt met veel concurrentie en veel info over de producten, dit is op de arbeidsmarkt niet zo, want hoe meet je de productiviteit van bv. een computerprogrammeur. Ook gaat de theorie ervan uit dat iedereen bereid is te verhuizen voor een baan, in werkelijkheid is dit niet zo. Een arbeidsmarkt heeft twee taken, de allocatiefunctie (dit is ervoor zorgen dat alle arbeid door iemand ergens wordt gedaan) en de verdelingsfunctie (hierbij gaat het om de verdeling van het verdiende geld onder het personeel). De overheid in Nederland wil volledige werkgelegenheid, maar ook rechtvaardige inkomensverdeling. Om de zwakke op de arbeidsmarkt te beschermen is er een minimumloon ingesteld.

Hoofdstuk 2

Gemiddeld duurt een arbeidscontract in Nederland zo’’n tien jaar. Tot je 16 ben je leerplichtig, daarna kun je gaan werken of doorleren. Op je 65 kun je met pensioen. Iedereen tussen de 16 en 65 wordt tot de potentiële beroepsbevolking gerekend.

bruto participatiegraad = beroepsbevolking / potentiële beroepsbevolking * 100% netto participatiegraad = werkende beroepsbevolking / potentiële beroepsbevolking * 100%
Om de sociale verzekeringen te kunnen blijven betalen wil de overheid de i/a ratio verlagen, dit is de verhouding tussen inactieve (werkelozen en geschikte niet aanbieders) en actieve (werkzame beroepsbevolking). De omvang van de werkende beroepsbevolking neemt toe door deeltijdwerk, 3 banen van 12 uur vergroten de werkende beroepsbevolking t.o.v. een fulltime baan van 12 uur. Daarom kun je deze dingen uitrekenen met arbeidsjaren, 1 arbeidsjaar is een fulltime 36-urige baan. De p/a ratio is de verhouding tussen personen en arbeidsjaren. Als meer mensen in deeltijd gaan werken stijgt de p/a ratio. Omdat de werkweek in de jaren is veranderd wordt er nu veel gebruik gemaakt van het aantal gewerkte uren per jaar, hierbij wordt de telling van arbeidsjaren en/of uren als arbeidsvolume aangeduid. De organisaties waarvan de overheid de salarissen betaalt worden samen ook wel de gepremieerde en gesubsidieerde sector genoemd. Een werkgever zoekt een arbeidskracht via het uitzend of arbeidsbureau, via de informele (mond op mond) kanalen en via overige kanalen. Internet zal in de toekomst ook meer gaan betekenen. Er zijn ook vacatures die onbekend blijven voor de bevolking, maar ze alleen binnen het bedrijf bekend is. Leveranciersmarkten zijn markten waarbij de consument koopt wat wordt aangeboden. Vroeger waren er voornamelijk leveranciersmarkten, deze zijn nu veranderd in afnemersmarkten, deze markten houden sterk rekening met de wensen van de klant. De productie volgt het verloop van de afzet. Tegenwoordig worden arbeidscontracten flexibeler, op tijd op arbeid en ook op loon. Bedrijven willen meer flexibele medewerkers, omdat deze makkelijk te ontslaan zijn. Om flexibele medewerkers te beschermen is er de flexwet, deze houdt in dat een werknemer niet meer dan 3 keer een tijdelijk arbeidsverband hoeft te accepteren (binnen de drie maanden), de vierde keer is dan vast. De overeenkomst van werknemer met uitzendbureau wordt gezien als de arbeidsovereenkomst. Werkgevers opzegtermijn is verkort naar 1 maand bij werk korter dan een jaar tot 4 maanden bij langer dan 15 jaar. Bij flexibel personeel in het middenkader wordt een andere flexibiliteit verwacht dan van die in de lagere klassen. In het middenkader is personeel niet oproepbaar, maar moet hij wel breed inzetbaar zijn.

Hoofdstuk 3

Wanneer een werkgever en een werknemer een overeenkomst bereiken over de rechten en plichten van beide partijen, dan spreek je van een arbeidsovereenkomst. Arbeidsovereenkomsten zijn meestal niet individueel, maar collectief, de zgn. collectieve arbeidsovereenkomst, CAO. Een CAO wordt gevormd door werkgevers- en werknemersorganisaties. Werknemersorganisaties zijn meestal bonden die een hele bedrijfstak willen verenigen, vb. de bouwbond. De meeste bonden worden overkoepeld door vakcentrales, de drie grootste in Nederland zijn de FNV, de CNV en de MHP. De FNV heeft een aantal bedrijfstakbonden gefuseerd in de FNV bondgenoten, Nederlands grootste vakbond.Ook werkgevers hebben zich verenigd, de grote bedrijven horen bij het VNO/NCW en het midden- en kleinbedrijf hoort bij MKB-Nederland. In een CAO staan minimumvoorwaarden, deze CAO geldt voor iedereen in de bedrijfstak, ook diegene die geen lid zijn van de bond. Zolang een CAO loopt mogen werknemers niet staken.
Primaire arbeidsvoorwaarden zijn loon en werktijd, secundaire alles wat boven op primaire komt, vb. scholing en vakantiedagen. Het Nederlandse poldermodel houdt in dat werkgevers en werknemers organisaties blijven praten totdat ze het eens zijn. De SER adviseert deze organisaties op sociaal economisch gebied. De STAR lost voortijdig al problemen op zodat ze geen conflict veroorzaken. De CAO moeten goedgekeurd worden bij het ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid. Dit ministerie kan het goed of afkeuren, maar het kan ook AVV toepassen, AVV = algemeen verbindend verklaren, dit houdt in dat het CAO ook geldt voor de mensen die in de betreffende bedrijfstak niets met de onderhandelingen te maken hadden. Ook kan de overheid nog een CAO bevriezen voor een bepaalde periode, dan kan er voor een periode van vb. een jaar niets aan het CAO veranderd worden.
Op prinsjesdag wordt de miljoenennota bekend gemaakt, hierin maakt de overheid bekend waar zij hun geld aan gaan uitgeven. Het Centraal Plan Bureau publiceert op die dag de MEV, hierin staan belangrijke verwachtingen voor het nationaal product, arbeidsproductiviteit, prijzen en koopkracht voor het komende jaar. In de Star worden op basis van de miljoenennota en de MEV grote problemen opgelost en worden er al hoofdlijnen opgesteld. Dit heet een centraal akkoord. Het winstaandeel in de productie kan veranderen ten opzichte van het loonaandeel, dit kan door prijsstijgingen, productiviteitsveranderingen, prijscompensatie en initiële loonstijgingen veranderen. De overheid is verdeeld in verschillende divisies die moeten bepalen of ze loonstijgingen willen of arbeidsduurverkortingen e.d., vb. de politie en ambtenaren bij de gemeente. De g en g sector is de gepremieerde en gesubsidieerde sector, dit zijn de bedrijven of instanties die niet onder overheidsbestuur vallen, maar wel door de overheid betaald moeten worden. CAO lonen in de marktsector, de contractlonen zijn gekoppeld aan de CAO-lonen van het overheidspersoneel. Bij arbeidsconflicten kun je staken, een prikstaking is om de aandacht te trekken, bv. een dag een klein bedrijfsonderdeel sluiten, stiptheidsacties, alles precies zo doen als het voorgeschreven is. Selectieve staking is een specifiek onderdeel van een bedrijf stilleggen. Een speerpunt actie is 1 bedrijf proberen over te halen, de rest volgt wel. Bedrijfsbezetting is dat de werknemers het bedrijf gewoon stelen en onder eigen leiding doorproduceren. De werkgevers kunnen mensen geen loon uit betalen of naar de rechter stappen om een staking te verbieden.


Hoofdstuk 4

Het werkeloosheidscijfer van het CPB is: alle werkzoekende zonder baan.
CBS: Geregistreerd bij gewestelijk arbeidsbureau, geen betaald werk voor 12 of meer uur. , Beschikbaar zijn voor 12 of meer uur.
Ministerie van sociale zaken: het aantal werkeloosheidsuitkeringen.
Werkeloosheidspercentage= (geregistreerde werkeloosheid / beroepsbevolking,) * 100 %
Conjuncturele werkeloosheid= wordt veroorzaakt door een tekortkoming van de Effectieve Vraag naar goederen en diensten.
Structurele Werkeloosheid= wordt veroorzaakt door een fundamentele verandering in de productiestructuur, oorzaken kunnen zijn: technische ontwikkelingen, hoge loonkosten (--> dus meer diepte-investeringen), verkeerde opleiding of baan of te veel of te weinig kapitaal.
Kwalitatief structureel= nog niet ingevulde vacatures, maar er is wel werkeloosheid.
Kwantitatief structureel= Er wordt een hoog percentage van de productiecapaciteit benut (= hoge bezettingsgraaf) en toch is er nog werkeloosheid.
Frictiewerkeloosheid= de tijd die er nodig is voor het zoeken naar de eerste baan of het verwisselen van een baan.
Seizoenswerkeloosheid= Werkeloosheid die ontstaat door verandering van seizoen, de vraag/aanbod verhouding is dan erg slecht.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Jouw samenvattingen van economie zijn erg handig. Heb je niet toevallig ook wat praktische opdrachten of samenvattingen van andere vakken?

20 jaar geleden