Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Lesbrief arbeidsmarkt H4-5

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 834 woorden
  • 10 februari 2009
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Begrippenlijst hoofdstuk 4
· Arbeidsintensief: dit betekend dat er veel arbeid in verhouding tot kapitaal wordt gebruikt bij het productieproces.
· Arbeidskosten: de kosten die er zijn bij de arbeiders b.v loonkosten
· Arbeidsproductiviteit:de productie die een arbeider maakt
· Automatisering: het gebruik gaan maken van computers die machines gaan besturen i.p.v arbeiders
· Breedte-investering: het kopen van dezelfde kwaliteit machines dan dat ze al hadden. Arbeidsproductiviteit blijft gelijk
· Concurrentiepositie: het vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dat concurrenten

· Consumeren: het verbruiken van alle artikelen
· Consumptie: het kopen van goederen en diensten door gezinnen
· Diepte-investering: het kopen van betere kwaliteit machines. Arbeidsproductiviteit stijgt.
· Investeren: het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven.
· Kapitaal: alle kapitaalgoederen samen
· Kapitaalgoederen: machines, gebouwen, transportmiddelen computer e.d dingen die een bedrijf nodig heeft om te produceren
· Kapitaalkosten: de kosten die er zijn als je kapitaalgoederen koopt.
· Loonkosten: de kosten die je hebt als je arbeiders moet betalen: het loon
· Mechanisering: arbeiders vervangen door machines
· Multinationals: een onderneming met productievestigingen in diverse landen b.v. coca-cola, philips, shell, en IBM
· Productiecapaciteit: de maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden

· Schaalvoordelen: de kosten per product dalen als de productieomvang stijgt
Begrippenlijst hoofdstuk 5
· Aanzuigeffect: er zijn minder verborgen werklozen, het aanbod van arbeid neemt toe, komt door de goede economie
· Ontmoedigingseffect: het aantal verborgen werklozen neemt toe waardoor het aanbod van arbeid afneemt. Het gaat slecht met de economie
· Verborgen werkloosheid: mensen die wel willen werken en dat ook kunnen maar niet ingeschreven staan bij het CWI
· Verborgen werkgelegenheid: de werkgelegenheid die niet officiële cijfers tot uiting komt. V.b zwart werken, vrijwilligerswerk
· CWI: centraal bureau voor werkgelegenheid en inkomen: een bureau waar bij je ingeschreven staat als je werkloos bent
· Zwart werken: mensen die hun werk niet opgeven bij de belasting en dus over hun loon geen belasting hoeven te betalen
· Productiecapaciteit: de maximaal mogelijke productie in een bepaalde periode.
· Frictiewerkloosheid: de werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een nieuwe baan te vinden als je van school komt of pas ontslagen bent.
· Seizoenswerkloosheid: dit ontstaat omdat bepaalde bedrijven in het ene jaargetijde niet of minder produceren dan het andere. V.b een ijscoman
· Kwalitatieve structuurwerkloosheid: dit betekent dat er andere soorten arbeid gevraagd worden dan er aangeboden worden. Dit kan dus te maken hebben met een verschillen in de opleidingen en capaciteiten die door werkgevers gevraagd worden en die werklozen hebben. Ook kan dit zijn dat het een regionale oorzaak heeft.
· Kwantitatieve structuurwerkloosheid: dit betekent dat er te weinig kapitaalgoederen zijn ten opzichte van de aangeboden hoeveelheid arbeid. Oorzaken daarvan: - arbeiders worden vervangen door machines, - reorganisatie, - productie wordt verplaatst naar het buitenland, - winsten van bedrijven zakken, - product wordt niet meer verkocht, - sommige producten zijn te duur b.v schoenen poetsen op straat.
· Conjunctuurwerkloosheid: dit wordt veroorzaakt doordat de effectieve vraag kleiner is dan de productiecapaciteit, à bestedingen zijn laag in relatie tot de productiecapaciteit à er wordt weinig geproduceerd à mensen worden ontslagen
· De effectieve vraag: de totale vraag naar alle goederen en diensten die een land produceert in een periode
· Bezettingsgraad: hoeveel procent er ook daadwerkelijk verkocht kan worden van het aantal geproduceerde producten
· Arbeidsmobiliteit: verandering van beroep
· Arbeidsmobiliteit tussen beroepen: als mensen bereid zijn om zich om te scholen
· Regionale arbeidsmobiliteit: als menen bereid zijn om te reizen of te verhuizen voor een baan.
· Arbeidsmarktbeleid:
· Wig: het verschil tussen wat een werknemer kost voor de werkgever en het nettoloon dat de werknemer ontvangt, dit bestaat uit de werkgeverslasten.
· Innovatie: het ontwikkelen van nieuwe producten en ontwikkelen en in gebruik nemen van nieuwe productieprocessen.
· ATV; arbeidstijdverkorting, van een b.v. 40 urige werkweek naar een werkweek gaan van 36 uur.dit moet wel voor alle werknemers binnen een bedrijf gelden
· Brutoloon: je loon zonder dat er de belastingen zijn afgetrokken
· Nettoloon: je eigenlijke loon waar de belastingen zijn afgetrokken
· Arbeidsbemiddeling: bemiddeling tussen werkgevers en werknemers.
· Deeltijdbetrekking:
· Deeltijdwerker: iemand die geen volledige baan van plusminus 38 uur per week maar die deeltijd werkt.
· Deelmarkt: de verschillende bedrijfstakken
· Werknemer met een volledige baan: iemand die een volledige werkweek werkt. Dus b.v 40 uur. Dit is een fulltimer
· Bedrijfstijd: dit geeft aan hoeveel uren per week en bedrijf ‘draait’
· Flexibilisering: het versoepelen van bepaalde regels.
· Flexibele arbeidsduur: het aantal uren dat je per week werkt ligt niet vast.
· Uitzendkrachten: tijdelijke krachten in een bedrijf, deze komen van een uitzendbureau
· Uitzendbureau: een commerciële organisatie die bemiddelt in tijdelijk werk
· Werknemers met een vast dienstverband: dit zijn de vaste banen waarbij de arbeidsovereenkomst in principe een heel arbeidsleven kan duren
· Werknemers met een dienstverband voor een bepaalde tijd: dit zijn arbeidscontracten met een bepaalde duur bv. 1 jaar
· Uitzendkrachten zijn werknemers die via een uitzendbureau werken: hoeveel dagen, weken of maanden de arbeidsovereenkomst duurt ligt van tevoren vaak niet vast.
· Ruime arbeidsmarkt: als de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod
· Krappe arbeidsmarkt: als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod
· Herbezetting: als er nieuwe werknemers komen omdat door atv meer werk moet worden verricht in minder uren.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

Dankjewel! Echt een goede begrippenlijst!

10 jaar geleden