Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Jong en Oud samenvatting

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1344 woorden
  • 10 oktober 2015
  • 23 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 23 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

• De productiefactoren noemen en hun beloningen onderscheiden.



Productiefactoren: arbeid, ondernemerschap, kapitaal en natuur. 



Voorbeeld arbeid: loon.



Voorbeeld ondernemerschap: huur.



Voorbeeld kapitaal: winst + rente.



Voorbeeld natuur: pacht. 





• Verschillende soorten activa en passiva onderscheiden en er berekeningen mee maken.



Activa (bezittingen):



Vaste activa (Veranderd weinig):



Gebouwen, machines en inventaris



Vlottende activa (veranderd vaak):



Debiteuren, voorraden en vooruitbetaalde huur.



Liquide activa (direct tastbaar geld):



bank, kas.





Passiva:



Eigen vermogen:



Eigen vermogen.



Lang vreemd vermogen (Later dan na een jaar te betalen):



Leningen.



Kort vreemd vermogen (Binnen een jaar te betalen):



Crediteuren, nog te betalen kosten.





• Een balans samenstellen en interpreteren.



https://www.youtube.com/watch?v=nxr64AQdadM





• Verschillende soorten kosten en opbrengsten onderscheiden en er berekeningen mee maken.



Omzet = verkochte producten x verkoopprijs.



Eigen vermogen =  bezittingen - schulden. 





• Onderscheid maken tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden.



Voorraadgrootheden:    (bijv: bezittingen of schulden)



Posten op een balans zijn voorraadgrootheden. Voorraadgrootheden worden geregistreerd op een bepaald moment of tijdstip.



Stroomgrootheden:       (bijv: omzet en loonkosten)



Posten op een resultatenrekening zijn stroomgrootheden. Stroomgrootheden worden geregistreerd over een bepaalde periode bijvoorbeeld: een maand of een jaar. 





• Een resultatenrekening samenstellen en interpreteren.



https://www.youtube.com/watch?v=nxr64AQdadM





• Uitleggen dat produceren het toevoegen van waarde is aan de inkoopwaarde van de grondstoffen.



Je begint met een grondstof of een halffabrikaat, daarmee produceer je een product doordat je arbeid, ondernemerschap, kapitaal en/of natuur toevoegt aan de grondstof hierdoor gaat de waarde van het product omhoog.





• Uitleggen dat de verdiende inkomens de beloningen van de productiefactoren zijn, die betaald worden uit de productiewaarde.



Omzet - inkoopwaarde = productiewaarde = rente + huur/pacht + loon + winst = inkomen.



• Twee verschillen tussen particuliere verzekeringen en sociale verzekeringen beschrijven.



1. Bij sociale verzekeringen stelt de overheid de verzekeringsvoorwaarden en stelt de premie vast. De overheid bemoeid zich in het algemeen niet met particuliere verzekeraars en de premie hoogte word op basis van risico bepaald. 



2. Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op solidariteit en iedereen word geaccepteerd op basis van het draagkrachtbeginsel (de premie die je betaald is inkomens afhankelijk). Particuliere verzekeringen kunnen klanten weigeren. 





• Twee verschillen tussen werknemersverzekeringen en volksverzekeringen beschrijven.



1. Volksverzekeringen zijn verplicht voor alle mensen. Werknemersverzekeringen zijn alleen verplicht voor mensen in loondienst. 



2. Bij volksverzekeringen zijn is de uitkering een vast bedrag. Bij werknemersverzekeringen is de uitkering 70-75% van het laatst verdiende loon.





• Het verband tussen risico en premiehoogte verklaren.



De hoogte van de verzekeringspremie is afhankelijk van de kans dat het risico optreedt en de hoogte van de vergoeding die dan moet worden uitgekeerd





• Het verband tussen solidariteit en premieheffing beschrijven.



We hebben premieheffing om solidariteit te houden. 





• Uitleggen waarom er bij acceptatie plicht geen averechtse selectie is.



Acceptatie plicht: De verzekeraar is verplicht iedereen die zich aanmeldt te verzekeren tegen dezelfde premie. 



Averechtse selectie: Averechtse selectie houdt in dat de mensen met een hoog risico (‘slechte risico’s’) zich wel verzekeren en de mensen met een laag risico (‘goede risico’s’) niet. 



De verzekeraar is verplicht iedereen die zich aanmeldt te verzekeren tegen dezelfde premie bij acceptatie plicht en dus kunnen ze mensen met hoge risico’s niet uitsluiten en dus kunnen die zich ook laten verzekeren.





• Het verschil tussen omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel uitleggen.



Bij het omslagstelsel betaal je nu premie voor uitkeringen van andere mensen.



Bij het kapitaaldekkingsstelsel betaal je premie die belegd wordt wat later voor jou wordt uitgekeerd. 



• Het gevolg van een eigen risico verklaren.



Als je een eigen risico verklaring hebt, betaal je minder premie, maar moet je bijvoorbeeld zelf ook een gedeelte zelf betalen van medicijnen.



• Woonlasten afwegen bij koop of huur:



8 nadelen kopen



4 voordelen kopen



3 nadelen huren



7 voordelen huren































































Voordeel huren:



Nadeel huren:



Voordeel kopen:



Nadeel kopen:



Niet lenen(geen risico), maar gewoon vaste maandelijkse lasten.



Moderniseren van de woning loont niet. Vaak moet de woning bij vertrek weer in de oorspronkelijke staat opgeleverd worden.



Met een eigen huis doe je wat je wil, jij bent de baas.



Het kopen van een huis kost veel geld, zoals overdrachtsbelasting.



Geen zorgen over onderhoud, dat is een taak voor de verhuurder.



Weinig keuze en mogelijk lange wachttijden.



Mogelijke waardestijging. Crisis of niet, een huis is een belegging voor de lange termijn.



Mogelijkheid van waardedaling. Als de markt tegenzit, kan het verkopen van een huis lang duren.



Vrijheid, opzeggen en wegwezen.



Huur wordt in de toekomst misschien afhankelijk gemaakt van het inkomen (heeft betrekking op de sociale woningbouw).



Meer keuze, geen wachtlijsten voor een goede woning.



Het onderhoud is voor jou.



Huurstijging van de huur is beperkt.





Je profiteert van de hypotheekrenteaftrek. en de nationale hypotheekgarantie.



Woonlasten kunnen variëren door wijziging rente en onzekerheid over hypotheekrenteaftrek.



Mogelijkheid van huursubsidie.







Stroomgrootheden en voorraadgrootheden onderscheiden.



Wettelijke huurbescherming.







De consumentenprijsindex berekenen.



Steeds meer keuze in huurvormen.







Het verschil tussen reële en nominale grootheden uitleggen.









Met indexcijfers een reële verandering berekenen bij gegeven nominale verandering en inflatiepercentage






• De consumentenprijsindex berekenen.



Σ(Pi x Gi)



CPI = ————



  ΣGi



Pi = prijsindexcijfer van elk product

Gi = wegingsfactor van elk product

Σ = ‘som van’



• Het verschil tussen reële en nominale grootheden uitleggen.



Nominaal is het geen je verdiend. 



Reëel is het wat je werkelijk kunt kopen van hetgeen je verdiend.





• Met indexcijfers een reële verandering berekenen bij gegeven nominale verandering en inflatiepercentage



indexcijfer van het (nominaal) inkomen





Indexcijfer reële inkomen = —————————————————       x 100



prijsindexcijfer





• Uitleggen dat er bij bedrijfspensioenen wordt geruild over de tijd.



Bedrijfspensioenen zijn uitgesteld loon en dus word er geruild over de tijd. 





• Drie inkomstenbronnen van ouderen noemen.



1. AOW uitkering (algemene ouderdomswet).



2. Aanvullend pensioen.



3. Eigen middelen.





• Het verschil tussen AOW en pensioen uitleggen.



Iedereen die de AOW leeftijd heeft bereikt heeft onder voorwaarden recht op een AOW uitkering. Het komt vanuit het belastingfonds en is een minimum inkomen. Pensioen bouw je zelf op. Het is een aanvulling op je AOW en is afhankelijk van je inkomen, hoe lang je hebt gewerkt en hoeveel premie je hebt afgedragen.





• Het verschil uitleggen tussen de begrippen waardevast en welvaartsvast.



Waardevast:



Uitkeringen zijn waardevast als ze met hetzelfde percentage stijgen als het inflatiepercentage.



Welvaartsvast:



Uitkeringen zijn welvaartsvast als ze met hetzelfde percentage stijgen als de gemiddelde stijging van de cao-lonen.









• Een aantal beleggingsvormen noemen.



Beleggen in aandelen. 



Beleggen in obligaties. 





• Verschillende beleggingsvormen tegen elkaar afwegen.



Voordelen beleggen in aandelen:



Kans op hoge opbrengsten en koerswinsten.



Nadelen beleggen in aandelen:



Hoog risico’s en kans op verlies leiden. 



Voordelen beleggen in obligaties:



De rente van de obligatie staat voor de duur van de obligatie lening vast, laag risico op verlies leiden.



Nadelen beleggen in obligaties:



Lage opbrengsten bij een lage rente.





• Uitleggen hoe een verandering van de verhouding tussen actieven en inactieven gevolgen kan hebben voor de hoogte van de AOW-premies en de hoogte van de AOW-uitkeringen.



Ten opzichte van het aantal actieven komen er meer inactieven met als gevolg dat de actieven voor meer uitkeringen moeten zorgen. Dat houd dan in dat de actieven dan meer AOW-premie moeten betalen of dat de AOW uitkeringen lager worden voor de inactieven. Wat ook kan is de verhouding actieven tot inactieven te veranderen door de AOW leeftijd te verhogen stijgt het aantal actieven en daalt het aantal inactieven.





• Uitleggen dat vergrijzing een verhoging van de participatiegraad noodzakelijk kan maken.



Als meer mensen AOW uitgekeerd moeten krijgen moeten de ‘actieven’ omhoog.





Participatiegraad



(= deelnemingspercentage) Percentage van mensen tussen 15 jaar en de AOW/leeftijd dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt.








REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.