Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Internationale Handel, Consument & Producent, Inkomen, Arbeidsmarkt

Beoordeling 8.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 5640 woorden
  • 3 juni 2007
  • 41 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.5
  • 41 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Arbeidsmarkt

Hoofdstuk 1:
Aanbod van arbeid: Alle mensen tussen de 15 en 65 jaar die willen, kunnen en morgen werken.

Het aanbod van arbeid bevat de werknemers, de zelfstandigen (eigen bedrijf), de werkgevers en de geregistreerde werkelozen.

Een ander woord voor het aanbod van arbeid is de beroepsbevolking.

De beroepsbevolking en de niet-beroepsbevolking bij elkaar opgeteld is de beroepsgeschikte bevolking, ook wel de potentiële beroepsbevolking genoemd.

Als een bepaald aantal percentage tot de beroepsbevolking hoort, dan noemen we dit percentage het deelnemingspercentage, of de participatiegraad. Dit percentage geeft dus aan welk deel van de beroepsgeschikte bevolking tot de beroepsbevolking hoort.


Beroepsbevolking
Deelnemingspercentage = x 100%
Beroepsgeschikte bevolking

4 factoren waar door de beroepsbevolking elk jaar groeit:
- Demografische groei (er zijn meer mensen in Nederland)
- Maatschappelijke opvattingen (werkende vrouwen)
- aanzuigeffect (de kans op een baan is groter)
- Organisatie van het arbeidsproces (banen beter combineerbaar met kinderen, bijv. door betere kinderopvang)

2 factoren waar door de beroepsbevolking elk jaar minder wordt:
- ontmoedigingseffect (de kans op een baan is kleiner)
- wetgeving (leerplicht, pensioenleeftijd)

De vraag naar arbeid wordt uitgeoefend door bedrijven, de overheid en werkgevers.


De totale vraag naar arbeid bestaat uit de vraag naar werknemers, de vraag naar arbeidskracht van zelfstandigen en de openstaande vacatures.

De vraag naar arbeid wordt beïnvloed door 3 verschillende factoren:
- De groei van de economie
- De stand van techniek
- De loonkosten

Concrete markt: een plek waar vragers en aanbieders van een bepaald product elkaar ontmoeten. Een concrete markt is zichtbaar. Bijvoorbeeld de Vrije markt van Cuijk.

Abstracte markt: het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar de vragers en aanbieders elkaar ook echt ontmoeten. De vraag en het aanbod bepalen de prijs. Een abstracte markt is niet zichtbaar. Bijvoorbeeld; www.marktplaats.nl

Werkgelegenheid: alle werknemers en zelfstandigen bij elkaar opgeteld.

Arbeidsjaren: een volledige baan, op dit moment is dat 38 uur per week.

Krappe arbeidsmarkt: De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod van arbeid.

Ruime arbeidsmarkt: De vraag naar arbeid is kleiner dan het aanbod van arbeid.

2 factoren die meespelen bij de kans op succes op de arbeidsmarkt:
- opleiding
- bevolkingsgroep (vrouwen & mannen, allochtonen & autochtonen)

Hoofdstuk 2:
Mensen die werken zijn in loondienst bij een bedrijf of bij de overheid. Deze mensen worden de werknemers genoemd.

Zelfstandigen: Mensen die een eigen bedrijf hebben.

Rechtsvorm: Bijvoorbeeld een vereniging. Een rechtsvorm wil zeggen dat een vereniging een organisatievorm is die in de wet voorkomt.

4 belangrijkste soorten ondernemingsvormen:
* De eenmanszaak
- 1 eigenaar
- Privé aansprakelijk voor eventuele schulden

* De vennootschap onder firma (VOF)
- meerdere eigenaren
- Privé aansprakelijk, én hoofdelijk aansprakelijk; de schuldeiser kan het bedrag bij ieder
van de eigenaren opeisen.

* De besloten vennootschap (BV)
- De aandeelhouders zijn de eigenaren. Er is wel een scheiding tussen de personen die
eigenaar zijn en degene die de leiding heeft (dit is meestal één of enkele directeuren-
grootaandeelhouders). Als aandeelhouder ontvang je een deel van de winst.
- De BV is een rechtspersoon, dit betekend dat de BV juridisch zelfstandig is. Je kunt
het bedrijf afzonderlijk voor de rechter slepen zonder dat je de eigenaren aanklaagt.

* De naamloze vennootschap (NV)
- De aandeelhouders zijn de eigenaren. Er is wel een scheiding tussen de personen die
eigenaar zijn en degene die de leiding heeft (dit is meestal één of enkele directeuren-
grootaandeelhouders). Als aandeelhouder ontvang je een deel van de winst.
- De NV is een rechtspersoon, dit betekend dat de NV juridisch zelfstandig is. Je kunt
het bedrijf afzonderlijk voor de rechter slepen zonder dat je de eigenaren aanklaagt.
- Bij een NV staan de aandelen niet op naam en zijn ze vrij verhandelbaar.
Arbeidsovereenkomst: een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer. In een arbeidsovereenkomst worden arbeidsvoorwaarden zwart op wit vastgelegd, zodat er later geen onduidelijkheid meer over kan ontstaan.

Individuele arbeidsovereenkomst: hierin wordt het loon en de arbeidstijd vastgelegd.

CAO: Collectieve arbeidsovereenkomst, hierin staan de rechten en plichten van de werkgevers en werknemers.

Bedrijfstak: omvat alle bedrijven die zich bezighouden met één dezelfde soort productie.

Vakbonden: onderhandelen namens de werknemers.

Vakbonden worden ook wel werknemersbonden of vakverenigingen genoemd.

Organisatiegraad van werknemers: het percentage van werknemers dat is aangesloten bij een erkende vakbond.

Primaire arbeidsvoorwaarden: het loon en de normale arbeidstijd

Secundaire arbeidsvoorwaarden: vakantieregelingen, duur van de middagpauze, reisvergoedingen, kinderopvang, scholing en een auto van de zaak.

Hoofdstuk 3:
Drie verschillende soorten loonstijgingen:
1) Inflatie; stijging van het algemene prijspeil.
2) Initiële loonstijging; vloeit voort uit een stijging van de arbeisproductiviteit.
3) Incidentele loonstijging; loonstijgingen door bijvoorbeeld promotie. (Is niet voor iedereen gelijk)

Prijscompensatie: een loonstijging die procentueel is aan de inflatie. Prijscompensatie houdt de koopkracht op peil.

Arbeidsproductiviteit: De gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid.

Drie oorzaken voor de stijging van arbeidsproductiviteit:
1) Technische ontwikkeling; Mechanisering en Automatisering
2) Arbeidsverdeling en Specialisatie
3) Scholing

De vier sectoren:
Primaire sector; landbouw en visserij
Secundaire sector; industrie
Tertiaire sector; commerciële dienstverlening
Quartaire sector; niet-commerciële dienstverlening

Omzet= afzet x de verkoopprijs

Dividend: De winst

Vier verschillende reacties van bedrijven op een stijging van de loonkosten per product:
1) De prijzen worden verhoogd
2) De winst gaat dalen
3) De productie wordt verplaatst naar lage lonen landen
4) Mensen worden vervangen door machines

Wanneer de arbeidsproductiviteit sneller stijgt dan het loon, zullen de loonkosten per product dalen. (er is dan ruimte voor prijsdalingen)

Vakbonden kunnen ook kiezen voor verbetering van de secundaire arbeidsvoorwaarden in plaats van loonstijgingen. Zowel loonstijgingen als verbeteringen van de secundaire arbeidsvoorwaarden zorgen voor kosten bij de werkgevers.

Hoofdstuk 4:
Meer werknemers nodig: wanneer iedere werknemer evenveel blijft maken en de totale productie stijgt.

Minder werknemers nodig: wanneer de arbeidsproductiviteit stijgt, dus als een werknemer per tijdseenheid meer produceert. Er worden dan sneller de zelfde hoeveelheid producten gemaakt.

Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit

Indexcijfer productie = indexcijfer werkgelegenheid x indexcijfer arbeidsproductiviteit

Stijging van de arbeidsproductiviteit: de welvaart stijgt, met evenveel mensen kun je meer produceren.

Werkgelegenheid verdwijnt door:
- werk verplaatsing naar lage loonlanden
- Producten zijn vervangen door betere en nieuwere producten

Innovatie: het vernieuwen van producten en productieprocessen.

Kapitaalgoederen (kapitaal): machines, gebouwen, transportmiddelen en computers.

Investeren: het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven.

Consumeren: Wanneer een gezin goederen of diensten koopt.

Gezin: In de economie verstaan we onder gezin ook een student op kamers, een alleenstaande, een ongehuwde moeder of een homoseksueel paar.

Analyse van de kosten van de verschillende productiemethoden: zo kan een bedrijf nagaan welke productiemethode de minste kosten heeft en dus de meeste winst oplevert.

Arbeidsintensievere productie: wanneer bij de productie bijvoorbeeld meer arbeid ten opzichte van machines wordt ingeschakeld.

Wanneer de productie kapitaalintensiever werd en de arbeidsproductiviteit steeg, waren er minder werknemers nodig.

Diepte-investering: een bedrijf koopt kapitaal van een betere kwaliteit. Een arbeidsvervangende investering die tot gevolg heeft dat de arbeidsproductiviteit stijgt.

Breedte-investering: een bedrijf koopt kapitaal van dezelfde kwaliteit. De arbeids-productiviteit blijft gelijk. De verhouding tussen machines en arbeiders blijft gelijk.

Productiecapaciteit: de maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden.

Schaalvoordelen: de kosten per product dalen als de productieomvang stijgt.

Multinational: een onderneming met productievestigingen in diverse landen.

Twee manieren waarop productie naar het buitenland verplaatst kan worden:
1) Het sluiten van een vestiging in Nederland en gelijktijdig openen van een vergelijkbare vestiging in Indonesië.
2) Bedrijven uit Nederland worden weggeconcurreerd door bedrijven uit lage loonlanden.

Factoren die een rol spelen in de concurrentiestrijd:
- Prijzen
- Kwaliteit
- Infrastructuur

Hoofdstuk 5:
Werkloosheid: mensen van 16 tot en met 64 jaar, die niet, of minder dan 12 uur per week werken, en die werk zoeken voor minstens 12 uur per week, en die staan ingeschreven bij een Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), en die binnen twee werken aan de slag kunnen als er een geschikte baan voor ze is.

Werkloze beroepsbevolking: Personen van 15 tot en met 64 jaar, die verklaren tenminste 12 uur per week te willen werken, en die daarvoor beschikbaar zijn, en die activiteiten ontplooien om werk voor tenminste 12 uur per week te vinden.

Ontmoedigingseffect: het aantal verborgen werklozen neemt toe waardor het aanbod van arbeid afneemt.

Verborgen werkgelegenheid: werkgelegenheid die niet in de officiële cijfers tot uiting komt. (zwart werken, vrijwilligerswerk)

5 soorten werkloosheid:
* Frictiewerkloosheid
- Werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden als je van school komt, of pas ontslagen bent.
- Maatregel tegen Frictiewerkloosheid:
1) Beter arbeidsbemiddeling zodat openstaande vacatures sneller worden vervuld.

* Seizoenswerkloosheid
- Werkloosheid die ontstaat omdat bepaalde bedrijven in het ene jaargetijde niet of minder produceren dan in het andere.
- Maatregel tegen Seizoenswerkloosheid
1) Bijvoorbeeld bij een stadion, in de zomer, als er geen voetbal is, is er ook geen
werk. Dit wordt geprobeerd op te vangen door bijvoorbeeld in de zomer
popconcerten in het stadion te organiseren.

* Kwalitatieve structuurwerkloosheid
- Werkloosheid die ontstaat doordat er andere soorten arbeid worden gevraagd dan dat er worden aangeboden. Vraag en aanbod sluiten niet op elkaar aan.
- Drie maatregelen tegen Kwalitatieve structuurwerkloosheid:
1) Omscholingsprojecten.
2) Het verstekken van subsidies aan bedrijven die langdurig werklozen in dienst
nemen.
3) De arbeidsmobiliteit vergroten.

* Kwantitatieve structuurwerkloosheid
- Werkloosheid die ontstaat doordat er te weinig kapitaalgoederen zijn ten opzichte van de aangeboden hoeveelheid arbeid.
- Twee maatregelen tegen Kwantitatieve structuurwerkloosheid
1) Het verlagen van de loonkosten.
2) Innovatie bevorderen

* Conjunctuurwerkloosheid
- Werkloosheid die ontstaat doordat de effectieve vraag kleiner is dan de productiecapaciteit. Wordt veroorzaakt doordat er te weinig wordt besteed. Het gaat slecht met de economie. (doet zich gelijktijdig voor in heel andere landen)
- Twee maatregelen tegen conjunctuurwerkloosheid:
1) De overheid gaat meer besteden. Bijvoorbeeld door aanleg van wegen en het bouwen van scholen. Hierdoor stijgt de afzet en productie van wegenbouwmaatschappijen en bouwbedrijven.
2) De overheid verlaagt de belastingen of verstrekt subsidies.

Productiecapaciteit: de maximaal mogelijke productie in een bepaalde periode.

Werkelijke productie
Bezettingsgraad = x 100%
Productiecapaciteit

Werkeloosheid betekend voor veel mensen:
- Gebrek aan inkomen, financiële afhankelijkheid van een uitkeringsinstantie of een partner.
- Missen van een belangrijke invulling van het leven als het gaat om sociale contacten en erkenning krijgen voor je capaciteiten.

Wig: het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon.

Arbeidstijdverkorting (ATV): wanneer iedereen in een bedrijf of bedrijfstak minder gaat werken. Hierdoor stijgt de werkgelegenheid gerekend in personen.

Vormen van arbeidstijdverkorting:
- ATV-Dagen
- Roostervrije dagen (bijvoorbeeld met kerstmis, Pasen en de bouwvak)
- Studieverlof

Uitzendbureau: een commerciële organisatie die bemiddelt in tijdelijk werk.

Doel van Flexibilisering: de kosten van arbeid te laten dalen

Redenen waarom flexibilisering tot lagere arbeidskosten leidt:
- Werknemers in vaste dienst zijn duur.
- Het aanpassen van het personeelsbestand aan de productieomvang gaat gemakkelijker.

Consument & Producent

Hoofdstuk 1:
Marktaandeel van een merk: geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk en de totale afzet van een product.

Afzet Coca-cola
Marktaandeel Coca-cola = x 100%
Totale cola-afzet

Preferentie: een ander woord voor voorkeur.

Individuele reclame: wanneer een bedrijf reclame maakt voor zijn eigen merk.

Collectieve reclame: wanneer bedrijven samen reclame maken voor een bepaald product.

Door het voeren van individuele reclame proberen bedrijven de behoeften en voorkeuren van de consument te beïnvloeden.

Door een marktonderzoek krijgt een bedrijf inzicht in de belangrijkste vraagbepalende factoren. (Beïnvloeden de ligging van de vraaglijn) Deze factoren zijn:
- De behoefte en de voorkeuren van de consumenten
- Het inkomen van de consumenten
- De prijs van het goed
- De prijzen van andere goederen
- Het aantal vragers

Redenen voor het verschuiven van de vraaglijn:
- het aantal vragers verandert
- de prijzen van andere goederen veranderen
- het inkomen van de consument verandert
- de behoeften en voorkeuren van de consument veranderen

Drie verschillende soorten elasticiteiten:
1) prijselasticiteit van de vraag
2) inkomenselasticiteit van de vraag
3) prijselasticiteit van het aanbod


Prijselasticiteit van de vraag = Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid : Procentuele verandering van de prijs

Prijsinelasticiteit: Noodzakelijke goederen, zoals; brood melk en vlees, de primaire goederen. Een prijs is inelastisch als deze na het berekenen tussen de -1 en 1 ligt.

Prijselasticiteit: Luxe goederen, zoals; dure vakanties en kostbare sieraden, de secundaire goederen. Een prijs is elastisch als deze na het berekenen onder de -1 of boven de 1 ligt.

De vraag naar goederen is inelastischer naarmate consumenten een grotere behoefte of voorkeur naar het goed hebben.

Twee manieren waarop bedrijven hun verkopen meten:
1) in hoeveelheden, dit noemen we de afzet.
2) In waarde, dit noemen we de omzet.

Vraagfunctie/ vraagvergelijking: een vergelijking die het verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid beschrijft.

Extern effect: bijkomende effecten van productie en consumptie die niet in de (kost)prijs tot uitdrukking komen.

Hoofdstuk 2:
Break-evenafzet: hoeveel producten er minimaal verkocht moeten worden om geen verlies te lijden.

Vier redenen voor het verschuiven van de aanbodlijn:
- De productiekosten van het product veranderen.
- Door natuurlijke omstandigheden.
- Door verandering van het aantal aanbieders.
- Door de prijs

Het doel van de meeste particuliere ondernemingen is het maken van winst.

Constante kosten: kosten die niet afhangen van de productieomvang. Deze kosten heeft een bedrijf dus ook als er helemaal niets geproduceerd of verkocht wordt.

Variabele kosten: kosten die wel afhangen van de productieomvang. Als er meer geproduceerd wordt, stijgen de variabele kosten. (zoals de grondstofkosten)

Totale variabele kosten + Totale constante kosten = Totale kosten

Omzet: de totale opbrengst van een bedrijf.

Totale omzet = afzet x verkoopprijs

Onderneming: een bedrijf dat naar winst streeft.

Twee belangrijke motieven voor het winststreven van ondernemingen:
1) het uitkeren van winst als inkomen aan de aandeelhouders/ eigenaren
2) het verkrijgen van geldmiddelen om investeringen te financieren

Hoofdstuk 3:
Concurrentie is gunstig voor de consumenten. Door concurrentie gaan de prijzen vaak omlaag. Ook wordt de kwaliteit van het product meestal beter.

Functies van een markt in de economie
- De vragers en aanbieders komen bij elkaar.
- Er komt een prijs tot stand.
- Marken ruimen. Dit wil zeggen dat verkopers de kans krijgen om iets te verkopen en de afnemers kans hebben om af te nemen.

Factoren die invloed hebben op de concurrentie:
- Aantal aanbieders.
- Het soort product. Je hebt heterogene en homogene producten. Homogene producten zijn producten die overal vrijwel hetzelfde worden gemaakt zoals suiker. Heterogene producten zijn producten die toch anders zijn zoals cd spelers van Sony en cd spelers van Philips. Het zijn allebei cd spelers maar toch zijn ze voor de consument anders.

De vier verschillende marktvormen:
*Volkomen concurrentie (volledige mededinging).
Kenmerken: Veel vragers.
Veel aanbieders.
Homogene goederen.
De markt met volkomen concurrentie komt in praktijk nauwelijks voor. Dit heeft twee redenen. Er is ten eerste alleen sprake van volkomen concurrentie als de individuele aanbieder geen enkele invloed op de prijs heeft. Ten tweede is er eigenlijk nooit echt sprake van volstrekt homogene producten. De aanbieder kan in een volkomen concurrentiesituatie alleen zijn aangeboden hoeveelheid aanpassen.

*Monopolistische concurrentie.
Kenmerken: Veel vragers.
Veel aanbieders.
Heterogene goederen.
Deze markt komt in de praktijk veel voor. Er is veel concurrentie op een markt met monopolistische concurrentie. Vaak leveren deze bedrijven dezelfde goederen maar in bijvoorbeeld een andere gelegenheid.

*Oligopolie.
Kenmerken: Veel vragers.
Enkele aanbieders.
Homo- en heterogene producten.
Deze markt komt in de praktijk veel voor. Voorbeelden zijn computermaatschappijen en oliegiganten. Deze bedrijven kunnen redelijkerwijs zelf hun prijs bepalen, ze moeten echter wel rekening houden met de consumenten.

*Monopolie.
Kenmerken: Veel vragers.
Één aanbieder.
Ook deze markt komt in de praktijk veel voor. De individuele aanbieder stelt zelf zijn prijs vast. Er zijn echter grenzen aan deze prijzen.

Doorzichtige (transparante) markt: Een markt waarvan de belangrijkste gegevens helder en duidelijk te verkrijgen zijn (bijvoorbeeld bij volledige mededinging en monopolie.).

Ondoorzichtige markt: Een markt waarvan de belangrijkste gegevens niet helder en duidelijk te verkrijgen zijn.

Marketingmix: Deze bevat een aantal instrumenten, de marketinginstrumenten, die bedrijven gebruiken in de concurrentiestrijd.

De marketinginstrumenten:
1) Prijs.
2) Productiebeleid: het aantrekkelijk maken van het product d.m.v. kwaliteit, service, garantie en een merknaam.
3) Promotiebeleid. O.a. reclame.
4) Plaatsbeleid. Via welke kanalen moet het product worden verkocht. Waar moet het product te koop zijn?

De machtspositie van de consument neemt toe doordat er steeds meer consumenten- organisaties zijn zoals de consumentenbond.

Drie functies van een consumentenorganisatie.
- Het helpen van consumenten die in een juridisch conflict met een bedrijf verwikkeld zijn.
- Het geven van informatie bijvoorbeeld door (maand)bladen.
- Het beïnvloeden van de politiek ten bate van de consument.

Hoofdstuk 4:
Niet ruimende markt (niet in evenwicht): Als de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden hoeveelheid niet aan elkaar gelijk zijn.

Vraagoverschot: Als er meer vraag is dan aanbod.
Als er weinig wordt aangeboden is er dus een vraagoverschot. Hierdoor stijgt de prijs en ook het aanbod stijgt. Hierdoor daalt de vraag weer.

Evenwichtsprijs: Prijs waarbij aanbod en vraag precies op elkaar aansluiten.
Evenwichtshoeveelheid: Hoeveelheid waarbij aanbod en vraag precies op elkaar aansluiten.
Op een markt met volledige concurrentie komen evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid tot stand.

Het marketingmechanisme: Omdat bij een vraagoverschot de prijs zal stijgen en bij een aanbodoverschot de prijs zal dalen zal uiteindelijk de prijs ontstaan waarbij de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid precies aan elkaar gelijk zijn.

Het berekenen van evenwichtshoeveelheid en evenwichtsprijs:
Een voorbeeld van een vraagvergelijking:Qv = 8P + 20.000
Een voorbeeld van een aanbodvergelijking:Qa = 10P + 40.000
Qv = Qa = de evenwichtsprijs

*Door de evenwichtsprijs in te vullen in de vraagvergelijking of in de aanbodvergelijking kun je de evenwichtshoeveelheid berekenen.
*Bij een vraagvergelijking is het verband negatief: als de prijs stijgt, daalt de vraag.
*Bij een aanbodvergelijking is het verband positief: als de prijs stijgt, stijgt het aanbod.

De evenwichtshoeveelheid en de evenwichtsprijs kunnen ook bepaald worden door het snijpunt van de vraaglijn en de aanbodlijn af te lezen.

Onvolkomen concurrentie: Markten met monopolie, oligopolie of monopolistische concurrentie.

Hoofdstuk 5
Door belastingen en accijnzen kan de overheid de consumentenprijzen van producten verhogen. Hiermee verminder de overheid consumptie van bepaalde goederen.

Door subsidies kan de overheid de consumentenprijzen van producten doen verlagen. Hierdoor stimuleert de overheid de consumptie van bepaalde goederen.

Ook kan de overheid met andere maatregelen de consumptie van bepaalde producten regelen bijvoorbeeld door reclamecampagnes of door bepaalde producten te verbieden.

Verschillende redenen voor overheidsbemoeienis.
- Milieu.
- Volksgezondheid.
- Bevorderen openbaar vervoer.

Directe belastingen: belasting op inkomen, winst en vermogen.
Indirecte belastingen: BTW.

BTW: Belasting toegevoegde waarde. BTW is voor eerste levensbehoeften 6%, andere dingen 19%. Er zijn een aantal producten met een BTW 0% tarief.

Op een markt met volledige concurrentie kan een evenwichtsprijs tot stand komen die of voor de consument veel te hoog ligt of voor de producent veel te laag ligt. De overheid voert daarom minimum en maximum prijzen in. Door maximumprijzen neemt het aanbod wel af dus daar moet de overheid door verschillende subsidies ook weer wat aan doen. Als de afnemers deze prijs niet willen betalen kan de overheid de oogst opkopen en verder verkopen.

In de warenwet staat voor veel producten wat er wel en niet in mag zitten.

Mededingingsbeleid: Beleid dat erop is gericht de concurrentie te vergroten. Een voorbeeld hiervan is een verbod op kartels. Hier houd de NMa toezicht op. Ook houdt de NMa er zicht op dat bedrijven hun monopoliepositie niet misbruiken.

Mededinging: een ander woord voor concurrentie.

Inkomen

Hoofdstuk 1:
Inkomen in natura: Dat wil zeggen dat ze producten verkregen. De mensen waren voor een groot deel zelfvoorzienend. (vroeger) Nu hebben mensen meestal geld als inkomen.

Arbeidsverdeling: Het specialiseren in een bepaalde productie.

Directe ruil/ruil in natura: Ruil van goederen tegen goederen.

Indirecte ruil: Ruil m.b.v. een algemeen aanvaardbaar ruilmiddel.

Primair inkomen: Inkomen dat je verdient door mee te helpen met produceren.

Vormen van primair inkomen:
- Loon
- Rente
- Huur
- Winst
- Pacht

Productiefactoren: Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemersactiviteit.

Netto inkomen: Het inkomen dat je overhoudt nadat je belasting en premies over je primaire inkomen hebt betaald.

Van belastingen en premies worden onder ander sociale uitkeringen betaald.

Overdrachtsinkomens: De sociale uitkeringen zoals AOW, WAO, WW en Bijstand. Deze vorm van inkomen ontvang je zonder dat je een bijdrage hoeft te leveren aan de productie.

Inkomen uit kapitaal: Bijvoorbeeld rente over spaargelden.

Het verzorgen van een financiële administratie volgens bepaalde boekhoudkundige regels is wettelijk verplicht. De belangrijkste onderdelen van een administratie zijn de balans en de resultatenrekening (winst- en verliesrekening).

Balans: Een momentopname van de bezittingen van een bedrijf en de vermogensbronnen waarmee de bezittingen zijn betaald. De bezittingen of activa staan links op de balans. Rechts op de balans kun je zien hoe de bezittingen zijn betaald: hier staan de vermogens of de passiva.

Verschillende soorten bezittingen:
*Vast kapitaalgoederen of vaste activa. De grond, de gebouwen en de machines. Deze kunnen meerdere productieprocessen worden gebruikt.
*Vlottende kapitaalgoederen of vlottende activa. Deze gaan slechts één productieproces mee. Voorbeelden van vlottende activa zijn voorraden en de vorderingen op afnemers. Deze laatste worden debiteuren genoemd.
*Liquide middelen of liquide activa. Dit is het geld in de kas of op een lopende rekening bij een bank. Het zijn betaalmiddelen om direct iets mee te betalen.

Verschillende soorten vermogen:
*Eigen vermogen: dit is vermogen dat door de eigenaren zelf in het bedrijf is gestoken.
*Vreemd vermogen of schulden, 2 soorten;
- Lang vreemd vermogen: Schulden die pas na lange tijd moeten worden afbetaald
- Kort vreemd vermogen: Schulden die binnen een jaar moeten worden afbetaald

Resultatenrekening: Hierop staan alle opbrengsten en kosten over een bepaald tijdvak.

Nationaal product: De productie van een heel land. Dit krijg je door de toegevoegde waarde van alle bedrijven bij elkaar op te tellen en die van de overheid.

Nationaal inkomen: Alle primaire inkomens van alle gezinnen in één jaar.

Hoofdstuk 2:
Nominaal inkomen: Het inkomen gemeten in geld.
Reëel inkomen: Het inkomen gemeten in goederen.

Nominaal
Reeël = x 100%
Prijsindex

Als je nominaal inkomen stijgt maar de inflatie stijgt, kun je er financieel op achteruit gaan.

Reëel inkomen uitrekenen: Reëel inkomen = nominaal inkomen : indexprijs x 100%

Productiecapaciteit: De hoeveelheid goederen die een land in een jaar maximaal kan maken.

Overbesteding: Hiervan spreken we als de productie de vraag niet meer aan kan. De prijzen zullen dan stijgen.

Bestedingsinflatie: Inflatie die voorvloeit uit overbesteding.

Onderbesteding: Hiervan spreken we als er niet genoeg gevraagd wordt, de productiecapaciteit is dan niet volledig bezet. Er treedt dan teruggang van inflatie op of deflatie.

Deflatie: Een daling van het algemeen prijspeil.

Kosteninflatie: Inflatie die voorvloeit uit hoge(re) kosten voor producenten die deze kosten doorberekenen aan de klant.
Loonkosteninflatie: Inflatie die voortvloeit uit hoge lonen wanneer de producent dit doorberekend in de verkoopsprijs.

Geïmporteerde kosteninflatie: Inflatie die voortvloeit als geïmporteerde goederen duurder worden door kosten.

Nadelen van inflatie:
- Je geld wordt reëel minder waard. Dit heet geldontwaarding
- Inflatie beïnvloed het leen en spaargedrag. Sparen wordt afgeremd en lenen wordt gestimuleerd
- Wanneer de inflatie in Nederland hoger is dan in het buitenland verslechterd de internationale concurrentiepositie.
- Bij hyperinflatie neemt het vertrouwen in geld af. Hierdoor kan de bevolking overgaan op een andere valuta

Functies van geld:
- Ruilmiddel
- Spaarmiddel
- Rekeneenheid

Functies van banken voor betalingsverkeer:
- Beheer spaarrekeningen en betaalrekeningen.
- Geld storten
- Geld overmaken
- Geld lenen

Institutionele beleggers: Financiële instellingen die vermogen beheren (naast de bank). Voorbeelden van institutionele beleggers zijn pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsinstellingen.

Verschillende banken:
*Algemene banken:
Deze doen verschillende dingen, de meeste banken zijn algemene banken. Deze banken kunnen geld scheppen zonder dat dit geld er hoeft te zijn. Elke algemene bank is ook een primaire bank (geldscheppende banken).
*Hypotheekbanken:
Deze verstrekken uitsluitend hypotheken. Deze kunnen geen geld scheppen. Deze heten secundaire banken.
*DNB (De Nederlandse Bank):
Controleert de algemene banken. Ook brengt zij geld in circulatie.
*ECB (Europese Centrale Bank):
Inflatiebeheersing. Afzonderlijke banken kunnen geen zelfstandig rentebeleid voeren.

Hoofdstuk 3:
Welvaart: de mate waarin mensen in hun behoefte kunnen worden voorzien.

Schaarste: iets moet worden opgeofferd om een product te maken. Dat kan een productiemiddel zijn, maar ook vrije tijd.

Schaarste: er is een tekort van.

Welvaart van landen vergelijken: het nationale inkomen per hoofd van de bevolking met elkaar vergelijken.

Duurzame ontwikkeling: een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van de komende generaties aan te tasten.

Productiecapaciteit van een land: hoeveel een land in één jaar maximaal kan produceren.

De productiecapaciteit hangt af van de hoeveelheid en de kwaliteit van de 4 productiefactoren.

Vier productiefactoren:
- Kapitaal
- Arbeid
- Natuur
- Ondernemersschap

Conjunctuur/ conjunctuurgolf: de schommelingen in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van schommelingen in de bestedingen.

Trendmatige groei: de gemiddelde groei gerekend over een lange periode.

Laagconjunctuur: de groei van het reële nationaal inkomen is lager dan de trendmatige groei.

Hoogconjunctuur: de groei van het reële nationaal inkomen is hoger dan de trendmatige groei.

Recessie: afnemende groei van het nationaal inkomen.

Depressie: een absolute daling van het nationaal inkomen, de groei is negatief.

Laagconjunctuur en hoogconjunctuur hebben invloed op de bezettingsgraad en de vraag naar arbeid.

Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot overbesteding.
Aanhoudende laagconjunctuur kan leiden tot onderbesteding.

Manieren waarop de overheid de bestedingen kan opvoeren (wanneer er sprake van onderbesteding is):
- door zelf meer uit te geven
- door de belastingen te verlagen

Manieren waarop de overheid de bestedingen minder moet laten worden (wanneer er sprake is van overbesteding):
- door de overheidsbestedingen te verlagen
- door de belastingen te verhogen

Hoofdstuk 4:
Redenen van verschillen in inkomens:
- verschil in productiviteit
- verschil in verantwoordelijkheid
- verschil in ervaring
- verschil in opleiding
- ruimte op de arbeidsmarkt
- status en macht

Vrije beroepsgroepen kunnen vaak zelf grote invloed uitoefenen op de hoogte van hun inkomen.

Bronnen van inkomen:
- loon
- huur
- pacht
- rente
- dividend op aandelen (winstuitkeringen)

Personele inkomensverdeling: de verdeling van het inkomen over personen of huishoudens.

Lorenzcurve: een afbeelding van de ongelijkheid van de personele inkomensverdeling.

Hoofdstuk 5:
Loonkosten: sociale premies voor de werkgever, belastingen en sociale premies voor de werknemer en het nettoloon

Wig: sociale premies voor de werkgever en belastingen en sociale premies voor de werknemer.

Brutoloon: belastingen en sociale premies voor de werknemer en het nettoloon.

Hoofdstuk 6:
De drie grootste overheidsinkomsten:
1) Omzetbelasting (BTW)
2) Loon- en inkomstenbelasting
3) Vennootschapsbelasting

Directe belastingen: belastingen die je betaalt over inkomen, winst en vermogen. Deze belastingen worden direct aan de belasting betaald.

Indirecte belastingen: Belastingen die door de consument worden betaald, maar via de bedrijven aan de overheid worden afgedragen. (de belasting wordt doorberekend in de prijzen.)

Loon- en inkomstenbelasting: de belangrijkste belasting op het inkomen. Inkomstenbelasting wordt achteraf, 1 keer per jaar betaald.

Iedereen betaalt inkomstenbelasting over zijn/ haar loon.

Vennootschapsbelasting: de belasting die NV’s en BV’s betalen over hun winst.

Belasting Toegevoegde Waarde (BTW): de belangrijkste indirecte belasting.

Accijns: een extra indirecte belasting. Een verbruiksbelasting. Wordt geheven op alcohol, sigaretten en benzine.
Twee belangrijkste doelen van accijns:
- De overheidsinkomsten vergroten
- Het gebruik van deze schadelijke producten afremmen.

Retributies: betalingen voor individuele diensten die de overheid levert.

Overdrachtsuitgaven: uitgaven waar heen tegenprestatie tegenover staat.

Overheidsbestedingen: uitgaven van de overheid waar wel een tegenprestatie tegenover staat: in ruil voor de overheidsbetalingen worden productiefactoren ingezet.

Overheidsinvesteringen: uitgaven aan projecten en kapitaalgoederen waar de samenleving lagen tijd profijt van heeft.

Miljoenennota: een toelichting op de begroting.

Rijksbegroting: een overzicht van de inkomsten en uitgaven die de overheid van plan is te gaan doen in een bepaald jaar.
Aflossen van de lening: aan het einde van de looptijd van de lenign wordt het geleende geld terugbetaald.

De jaarlijkse uitgaven van de overheid bevat ook de rentebetalingen en de aflossingen op de staatsschuld.

Staatsobligaties: schuldbewijzen van de overheid met een vaste rente en een lange looptijd. Wanneer je een staatsobligatie koopt leen je geld aan de overheid.

Institutionele beleggers: instellingen zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen die grote bedragen te beleggen hebben uit hoofde van hun activiteiten.

Drie nadelen van een financieringstekort:
1) De overheid moet veel geld lenen.
2) Het kan de rentestand opdrijven.
3) Er moet veel worden geleend op de kapitaalmarkt

Twee dingen die de overheid kan doen om het financieringstekort te verkleinen:
1) de belastingen verhogen
2) de uitgaven matigen; bezuinigen

Hoofdstuk 7:
Minimuminkomen: garandeert werknemers een minimum inkomen.

De overheid verklaart alle CAO-afspraken algemeen bindend: de bedrijven en de werknemers die geen lid zijn van een vakbond moeten zich aan de gemaakte afspraken houden.

Loonmaatregel: werkgevers en werknemers zijn niet vrij afspraken te maken, maar moeten zich houden aan de richtlijnen van de overheid met betrekking tot loonstijgingen en andere arbeidsvoorwaarden.

De overheid is zelf een werkgever: de ambtenaren zijn in dienst van de overheid.

Nivelleren: het in verhouding kleiner maken van de inkomensverschillen.

Denivelleren: het in verhouding groter maken van de inkomensverschillen.

Progressief: een hoger percentage belasting dan het inkomen hoog is moet worden betaald.

Degressief: Het deel van je inkomen dat als belasting moet worden afgedragen daalt naarmate je inkomen stijgt.

Proportioneel: iedereen betaald hetzelfde percentage aan belasting over zijn inkomen.

Belasting over inkomen wordt geheven in drie verschillende boxen. Iedere box heeft zijn eigen soort belastingheffing:
- Box 1; Inkomensbelasting
- Box 2; Dividend (25% belasting)
- Box 3; Vermogen

Inkomensheffing: het bedrag dat je aan belasting en premie over je inkomen betaalt.

Bruto-inkomen – aftrekposten = belastbaar inkomen

Het belastbare inkomen wordt gesplitst in schijven. Over iedere schijf betaal je een ander percentage belasting. Er zijn 4 opeenvolgende schijven waarin telkens een hoger percentage belasting moet worden betaald:
- Schijf 1 & 2; bestaat voor een groot deel uit de premies voor volksverzekeringen
- Schijf 3 & 4; bestaat volledig uit belasting

Belastbaar inkomen valt alleen in de 1e 3 schijven.

Netto-inkomen: het te besteden bedrag.

Marginale tarief: het hoogste tarief dat geldt voor een bepaald inkomen.

Gemiddeld belastingtarief = gemiddelde belastingdruk.

Durfkapitaal: beleggingen met een hoog risico.

Gedenivelleerd: de inkomensverdeling wordt gelijker.

Internationale Handel

Hoofdstuk 1:
Invoer/ import: goederen in het buitenland kopen.

Uitvoer/ export: producten aan het buitenland verkopen.

Uitvoersaldo/ exportsaldo: het verschil tussen de waarde van de uitvoer en de waarde van de invoer.

Export- / importvolume: het aantal verhandelde goederen

Groei van de wereldeconomie: wordt gemeten aan de hand van de groei van de nationale productie van alle landen in de wereld.

Internationale handel: is er omdat landen bepaalde producten zelf niet hebben. Of omdat het in andere landen goedkoper gemaakt kan worden.

Belangrijke factoren die zorgen voor een goede internationale concurrentiepositie:
- De natuurlijke omstandigheden (klimaat)
- Technische ontwikkeling
 De loonkosten per product
 De kwaliteit van de producten
- De infrastructuur (bereikbaarheid)

Internationale handel = internationale ruil.

Milieuorganisaties: wijzen op de schadelijke gevolgen van de toename van internationale handel.

Open economie: een land verhandelt relatief veel met het buitenland.

Waarde export
Exportquote = x 100%
Nationaal inkomen

Twee oorzaken waarom kleine landen vaak een open economie hebben:
1) Kleine landen hebben vaak maar één soort klimaat en bodemgesteldheid, waardoor ze niet veel verschillende goederen kunnen produceren.
2) Bij kleine landen ontbreken de schaalvoordelen bij sommige productieprocessen.

Schaalvoordelen: per eenheid product produceer je goedkoper naarmate je meer produceert.

Twee oorzaken waarom landen een gesloten economie hebben:
1) Sommige landen kunnen slechte vervoersmogelijkheden hebben of een ruig landschap, waardoor de mogelijkheden voor import en export beperkt zijn.
2) Sommige landen hebben een regering die zoveel mogelijk onafhankelijk willen zijn van het buitenland. Zulke regeringen staan import en export nauwelijks toe.

Betalingsbalans: een geordend overzicht van alle inkomsten en uitgaven van een land met betrekking tot het buitenland in één jaar.

De betalingsbalans is verdeeld in inkomsten en uitgaven, en ze wordt verdeeld naar soort.

Lopende rekening: de waarden van de handel in goederen en diensten. (bij goederen en diensten gaat het om uitgaven!)

Kapitaalrekening: investeringen, leningen en beleggingen.

Goud- en deviezenvoorraad: voorraad internationale betaalmiddelen

Deviezen: internationaal geaccepteerde valuta’s

Vooral ontwikkelingslanden hebben een tekort op de lopende rekening. De leningen en schulden die daarvan het gevolg zijn, zijn voor hen veel moeilijker af te betalen dan voor het rijke VS.

Tekort op de lopende rekening: je koopt meer in het buitenland, dan dat het buitenland bij jou koopt.

Overschot op de lopende rekening: je verkoopt meer aan het buitenland, dan dat jij in het buitenland koopt.

Export -> productie -> werkgelegenheid.

Loonmatiging: de loonkosten per product dalen en zo kunnen de prijzen laag worden gehouden. (geschikt middel om de export te bevorderen)

Ondernemingen kunnen toeleveringsbedrijven in het buitenland overnemen om zich te verzekeren van een stabiele toevoer van grondstoffen.

Hoofdstuk 2:
Wisselkoers: de waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt.

Valuta: een munt.

Hoogte van de wisselkoers: wordt bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt.

Appreciatie: stijging van de wisselkoers als gevolg van veranderingen in vraag en aanbod.

Depreciatie: daling van de wisselkoers als gevolg van veranderingen in vraag en aanbod.

Buitenlandse importeurs en Nederlandse exporteurs: vragers naar de euro op de valutamarkt.

Grotere export: betere concurrentiepositie door lagere prijzen en/ of betere kwaliteit.

Twee doelen van geld beleggen:
1) hoge rente
2) koerswinst

Valutaspeculatie: het beleggen in een valuta met oog op koerswinst (soort gokken!)

Koersvorming van een valuta = prijsvorming van goederen.

Euro apprecieert -> buitenlandse producten voor ons goedkoper.

Landen met een hoge inflatie, zijn vaak landen met een zwakke munt.
Landen met een lage inflatie, zijn vaak landen met een sterke munt.

Wanneer een wisselkoers te sterk stijgt of daalt kan de centrale bank ingrijpen:
- rente verhogen of verlagen

Onderbesteding: sprake van lage bestedingen en dus een lage productie. De productie capaciteit is dan niet volledig bezet.

Wisselkoers: is voor een open economie belangrijker dan voor een gesloten economie.

Hoofdstuk 3:
Europese economische integratie: het samengaan en samenwerken van landen op economisch terrein.

Vrijhandel: de producten worden daar gemaakt waar ze het goedkoopst gemaakt kunnen worden.

Protectionisme: het beschermen van de eigen economie door invoerbelemmeringen en/ of uitvoersubsidies.

Invoerrechten: er wordt een tarief geheven op importproducten.

Invoercontingentering (quotering): er mag per jaar slechts een bepaalde hoeveelheid van een product worden ingevoerd.

Kwaliteitseisen: er worden kwaliteitseisen gesteld waaraan buitenlandse producten niet, en binnenlandse producten wel voldoen.

Subsidiëring van de binnenlandse producten: door binnenlandse producten subsidies te geven kunnen deze producten goedkoper produceren en lagere prijzen vragen waardoor ze beter kunnen concurreren.

Subsidiëring van de export: hierdoor kan je producten goedkoper in het buitenland aanbieden.

Tarifaire handelsbelemmeringen: een heffing of subsidie op de prijs van het product.

Non-tarifaire handelsbelemmeringen: bijvoorbeeld invoercontingentering, het stellen van kwaliteitseisen en uitgebreide douanecontroles.

Redenen voor protectie:
1) binnenlandse werkgelegenheid.
2) Het beschermen van beginnende industrieën.
3) Bewaren van onafhankelijkheid

Gemeenschappelijke markt: vrij verkeer van goederen en diensten, vrij verkeer van kapitaal en arbeid.

Euro: geen wisselkoers tussen de landen van de EU; vrij verkeer.

Waarom gemeenschappelijke markt integratie?:
- Hoe minder handelsbelemmeringen, hoe groter de welvaart.
- Er kunnen schaalvoordelen ontstaan bij de productie

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.