Inkomen

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 308 woorden
  • 10 juli 2006
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.1
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
ECONOMIE PW HOOFDSTUK 2 INKOMEN

Nominaal inkomen = inkomen gemeten in geld.
Reëel inkomen = koopkracht van het inkomen.

RIC = NIC / PIC * 100

Sommige producten moeten zwaarder meewegen dan de andere (bij CBS), omdat een product waar je een groot deel van je inkomen aan uitgeeft in prijs stijgt meer invloed heeft op de koopkracht, dan een product waar je niet veel aan uitgeeft.

Wegingsfactoren = hoe zwaar een prijsverandering van een bepaalde productgroep meetelt bij het berekenen de CPI.

GEWOGEN INDEXCIJFER = SOM VAN (WEGINGSFACTOR * INDEXCIJFER) / SOM VAN WEGINGSFACTOREN.


Als de prijs stijgt, daalt de koopkracht (als loon niet wordt verhoogd).

Overbesteding = wanneer bestedingen zo hoog zijn dat de producenten de vraag niet of nauwelijks meer kunnen bijhouden, er is volledige productiecapaciteit.

Onderbesteding = bestedingen zijn zo laag dat de productiecapaciteit lang niet bezet is.

Soorten inflatie:
- kosteninflatie (kostprijs van de producten stijgt)
- winstinflatie (prijzen gaan omhoog om de winst te vergroten)
- bestedingsinflatie

Nadelen van inflatie:
- geld reëel minder waard (geldontwaarding)
- beïnvloed leen- en spaargedrag (lenen gestimuleerd, sparen afgeremd)
- internationale concurrentiepositie verslechtert wanneer de Nederlandse inflatie hoger is dan in het buitenland.
- Bij hyperinflatie neemt het vertrouwen in geld af.

Nadeel deflatie: bestedingen zakken in (consumenten verwachten prijsdaling, stellen aankopen uit) daardoor daalt de productie en bedrijven moeten mensen ontslaan.


Functies geld:
- ruilmiddel
- spaarmiddel
- rekeneenheid

geldhoeveelheid:
- munten en bankbiljetten (chartaal)
- direct opvraagbare tegoeden die op een rekening bij een bank staan (giraal)

functies van banken:
- beheren van betaalrekeningen / spaarrekeningen
- girale betalingsverkeer verzorgen
- krediet verstrekken

soorten banken:
- algemene banken (breed pakket aan diensten)
- banken die zich op een activiteit concentreren (bijvoorbeeld hypotheekbanken)

DNB = centrale bank van Nederland.
Zelfstandig: algemene banken controleren.
Filiaal van ECB: ECB brengt bankbiljetten in omloop.

ECB: inflatiebehering (maximale inflatie van 2 %). Door middel van renteverhoging gaat men meer sparen en minder lenen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.