Hst. 4 Het Buitenland

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1113 woorden
  • 21 juli 2009
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
ECONOMIE
Hst. 4 HET BUITENLAND

Je moet iets weten over de verschillende goederengroepen in tabel 1 op p. 41!
§1
Gesloten economie = een economie waarin geen handel plaats vindt met het buitenland.
Open economie= een land dat veel handel drijft met het buitenland. Bv: doordat het arm is aan
grondstoffen, het klimaat, goedkopere producten, etc.

§2
Goederen- en dienstenstromen (import/export) <-> Geldstromen.

§3

Lopende verkeer
1. Goederenverkeer/ zichtbare verkeer
Invoer van goederen =>  Uitgaven van geld

Uitvoer van goederen =>  Ontvangsten van geld
Open economie? Hoe groter het getal van de exportquote en de importquote.
Exportquote= exportwaarde (geëxporteerde goederen x prijs) in % van het binnenlands product.
Handelsoverschot = de waarde van de goederenuitvoer is groter dan van de goedereninvoer.
(andersom = handelstekort)
2. Dienstenverkeer… oa transport/reisverkeer
Ook hier: uitvoer diensten =>  ontvangsten van geld
invoer diensten =>  uitgaven van geld
3. Inkomensverkeer
Primaire inkomens = beloningen die verdiend worden in het productieproces (het beschikbaar
stellen van productiefactoren).
Opbrengst van uitgevoerde productiefactoren =>  ontvangsten.
Opbrengst van ingevoerde productiefactoren =>  uitgaven.
Secundaire inkomens/Inkomensoverdrachten = overdrachten zonder tegenprestatie zoals

ontwikkelingshulp dmv geld.
Kapitaalverkeer
4. Kapitaalverkeer
Leningen, beleggingen en (directe) investeringen.
Leningen: buitenland.
Beleggingen: aandelen van Japanse Sony met als doel: winst in de vorm van dividend. Het is
hierbij niet de bedoeling om invloed uit te oefenen op de gang van zaken in de
onderneming.
(directe) Investeringen:
a.) Philips koopt aandelen van buitenlands elektronicabedrijf => 
overname.
b.) Nieuwe onderneming oprichten in het buitenland.
Beiden: doel: winst. Hier geldt wel dat het de bedoeling is om invloed uit te oefenen op de gang
van zaken in de onderneming.

Liberalisering
Liberalisering is dat de overheden belemmeringen bij buitenlandse kapitaaltransacties afschaffen. Echter moeten de beleggingen dan wel duurzaam en structureel zijn.
- Dit leidt tot enorme groei van buitenlandse beleggingen met het oog op het profiteren van schommelingen in de valutakoersen. Dit reageert sterk op verwachtingen voor de nabije toekomst, dus heet het speculatief/incidenteel kapitaalverkeer (ook wel flitskapitaal).
- Door globalisering/internationalisering zijn er steeds meer multinationale ondernemingen, ook wel directe investeringen.
Transactie Lopend- of kapitaal-verkeer Goederen- diensten- of inkomensverkeer Investering, belegging of lening
1. AKZO ontvangt een betaling vanwege export van kunstmest naar Frankrijk. Lopend Goederenverkeer
2. Philips bouwt een fabriek in China. Kapitaal Investering
3. De ABN/AMRO koopt Amerikaanse staatsobligaties, omdat ze speculeert op een koersstijging van de dollar. Kapitaal Belegging
4. De Nederlandse overheid verstrekt een lening van €1 miljard als ontwikkelingshulp aan Ghana. Kapitaal Lening
5. Nederlandse aandeelhouders ontvangen contant dividend van een Duitse firma. Lopend Inkomensverkeer
6. Een Nederlandse exporteur betaalt transportkosten aan een Frans bedrijf. Lopend Dienstenverkeer
7. Het Algemeen Burgerlijk Pensioen Fonds (ABP) koopt Amerikaanse staatsobligaties. Kapitaal Belegging
8. De Nederlandse overheid schenkt geld aan een door honger getroffen Afrikaans land. Lopend Inkomensverkeer
§4 DE BETALINGSBALANS
De betalingsbalans = overzicht van alle geldtransacties met het buitenland over een bepaalde periode(tijdvakgrootheden, betalingen & ontvangsten).
LOPENDE REKENING
actieve rekening = met een positief saldo… overschot.
passieve rekening = met een negatief saldo… tekort.
1. Goederenrekening: Goederentransacties…
(Ook wel handelsbalans) * soms opgesplitst in bv. energie- of kapitaalgoederenrekening.
* dekkingspercentage = exportontvangsten/importuitgaven*100
(geeft aan in welke mate de uitgaven worden gedekt door de
ontvangsten.)
2. Dienstenrekening: Ontvangsten/uitgaven die te maken hebben met verleende
en ontvangen diensten. oa Vervoer en toerisme.
3. Inkomensrekening: Beloningen voor het ter beschikking stellen van de productiefactoren KANO en inkomensoverdrachten (bv. rente van leningen, winst
uit ondernemingen en kinderbijslag naar een ander land).
---Bv. Handelsbalans China - VS positief, veel export… weinig import
VS – China negatief, weinig export… veel import
KAPITAALREKENING
4. Kapitaalrekening: Vermogensoverdrachten…
oa ontwikkelingshulp voor de aankoop van investeringsgoederen.
Materieel saldo = saldi van lopende rekening + kapitaalrekening van de betalingsbalans.
1. = zichtbare verkeer… 2./3./4. = onzichtbare verkeer
SALDERINGSREKENING
Zie de tabel op p. 49!
Materieel overschot bij “toename deviezen en euro’s”.
Materieel tekort bij “afname deviezen en euro’s”.
Deviezen = vreemde valuta.
Formeel evenwicht = 0 = totaal ontvangsten en uitgaven gelijk.
bv.
Goederenrekening
ontvangsten uitgaven
export import saldo = +10
60 50
Salderingsrekening
-10
Kapitaalrekening
ontvangsten uitgaven
import export saldo = -20
100 120
§5 Waarvan in- en uitvoer afhankelijk?
Uitvoer: * Open economie => wereldhandel (invoer van alle landen bij elkaar optellen)
belangrijk.
* Concurrentiepositie = de verhouding tussen prijs van uitvoer en die van de
concurrenten (wereldhandelprijs). Hoe lager, hoe beter.
Kostenverschillen tussen bedrijven door 2 factoren: natuurlijke omstandigheden KANO en de kwaliteit/kosten van KANO.
1. NATUURLIJKE OMSTANDIGHEDEN KANO
NL => * centrale geografische ligging in Europa.
* zee en rivieren.
* klimaat/bodemgesteldheid geschikt voor productie van land- en tuinbouwproducten.
* aardgas.
= veel export
2. KWALITEIT EN KOSTEN KANO
* Afhankelijk van kapitaalkosten (prijzen van kapitaalgoederen zoals machines en rentekosten)
en loonkosten.

* Loonkosten per product bepaald door loonkosten per werknemer en de arbeidsproductiviteit
(= door vrij hoge scholing, relatief hoog).
Invoer vooral afhankelijk van de afzetontwikkeling.
bv. Stijging vraag fietsen => opvoeren productie => stijging vraag rubber => rubber ingevoerd.
(niet alleen grondstoffen, maar ook halffabrikaten en eindproducten.)
Outsourcement = emigreren naar landen waar de kosten het laagst zijn.
De internationale arbeidsverdeling: Internationale handel, in- en uitvoer van goederen en diensten, zijn het gevolg van het feit dat bedrijven zich zijn gaan specialiseren in bepaalde goederen of diensten. Zoals er arbeidsverdeling bestaat binnen bedrijven, tussen bedrijven en bedrijfstakken en sectoren, bestaat er dus ook een arbeidsverdeling tussen landen

ECONOMIE
Hst. 5 DE MACRO-ECONOMISCHE VRAAG

AANTEKENINGEN VAN DE LESSEN
Particuliere consumptie = consumerende consumenten.
Particuliere investeringen = investerende producenten.
Overheidsbestedingen = overheid consumeert en investeert.
Uitvoer goederen/diensten = buitenland koopt van ons.
Invoer goederen/diensten = buitenland verkoopt aan ons.
Conjunctuur = de toestand van de economie.
Conjunctuur = meten dmv: y = nationaal inkomen - BNP (Bruto Nationaal Product) en
BBP (Bruto Binnenlands Product).

Afhankelijk van de effectieve vraag (Ev)=C+O+I+E-M
2 kernbegrippen: 1. Economische groei in %
2. bezettingsgraad
3 situaties:
a. Effectieve vraag > productiecapaciteit = overbesteding
b. Effectieve vraag < productiecapaciteit = onderbesteding
c. Effectieve vraag = productiecapaciteit = bestedingsevenwicht
Kenmerken van a. * Hoogconjunctuur:
overbesteding - Hoge bezettingsgraad (max. 85%) onderhoud machines, niemand ziek.
- Stijgende inflatie door stijgende prijzen (bestedingsinflatie).
- Minder werkloosheid, veel vraag naar personeel (krappe arbeidsmarkt).
- Geen overheidstekorten, omdat belastingontvangsten stijgen en minder
geld kwijt is aan uitkeringen.
- Hogere rente, speelt vraag en aanbod een rol.
Kenmerken van b. * Laagconjunctuur:
onderbesteding - Ruime arbeidsmarkt (conjuncturele werkloosheid), te weinig vraag.
- Lage bezettingsgraad.
- Overheidstekorten.
- Lage rente.
- Import daalt.
- Dalende prijzen, kan evt. leiden tot deflatie (bv. Prijzenoorlog).
Kenmerken van c. - In de praktijk niet mogelijk.
bestedingsevenwicht

Conjunctuurindicatoren: - Grotere vraag naar geld.
- Consumentenvertrouwen (“Hoe denkt u over het inkomen?”, “Bent u
nog van plan een auto te kopen?”).
- Producentenvertrouwen.
- Orderpositie in de industrie (de opdrachten die ze momenteel binnen
Krijgen.
Y = nationaal inkomen = het totaal van het inkomen uit de productiefactoren.
Bestedingen:
C = particuliere consumptie = bestedingen gezinnen kopen van consumptiegoed.
I = particuliere investeringen = bestedingen bedrijven aan kapitaalgoederen.
(machines, grondstoffen, deelproducten)
O = bestedingen overheid = overheidsconsumptie en overheids-investeringen.
E = export = leggen beslag op NL productiecapaciteit.
M = import = legt geen beslag op NL productiecapaciteit.
Y = C+I+O+E-M
(E-M) = saldo lopende rekening
(Y+M) = de middelen
De middelen moeten gelijk zijn aan de bestedingen
Y+M = C+I+O+E
Aanbodfactoren = kwantiteit en kwaliteit van arbeid en kapitaal = bepalen omvang
productiecapaciteit.
Trend(matige groei) = groei productiecapaciteit over een langere termijn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.