Hoofdstuk 6: Geld en geldtheorie



§6.1: De geschiedenis van het geld



Geld = Ongedifferentieerde koopkrach die algemeen door iedereen wordt aanvaard. Ongedifferentieerde koopkracht betekent dat je met geld vraag naar alle goederen kunt uitoefenen en dat je overal mee terecht kunt komen.



Nominale waarde = Waarde die op een munt vermeld staat.



Intrinsieke waarde = De waarde aan goud of zilver die de munt bevat.

Inscriptie aanbrengen om illegale snoei van munten te voorkomen.





§6.2: Goudsmeden



Bankbiljetten = Ontwikkeld uit ontvangstbewijzen



Credit Cards = Aan de hand van deze kaart kan door het plaatsen van een handtekening worden betaald. Het bedrag wordt afgeschreven van een tegoed dat iemand bij de creditmaatschappij heeft.



§6.3: Geldstelsels



Standaardmunt = De beschreven vorm, waarin gouden munten als betaalmiddel in omloop zijn. Honderd jaar geleden was dat in ons land het gouden tientje.



Gouden standaard = Goud is de basis van geldstelsel



Goudenmuntstandaard = Beschreven vorm, waarin gouden munten als betaalmiddel in omloop zijn.



Goudkernstandaard = Goudvooraard is grotendeels opgeslagen bij de circulatiebank. Er is sprake van een vaste goudprijs



Papieren standaard = Sinds 1936, gouden standaard werd afgeschaft en de vaste verhouding tussen de gulden en een hoeveelheid goud werd verbroken.





Deviezen = Buitenlandse geldsoorten die gebruikt worden voor het doen van internationale betalingen. Feitelijke dekking is 100%.



Bretton Woods = Waar westerse landen afspraken maakten aan het eind van de WO2 over een vaste band tussen goud en de gulden.



Sleutelvaluta = Belangrijke valuta's zijn sleutelvaluta's zoals de dollar en yen.



§6.4: Maatschappelijke hoeveelheden



Soorten geld: munten, bankbiljetten en giraal geld. Munten worden bij Rijksmunt in Utrecht geslagen. Bankbiljetten worden uitgegeven door de Nederlandsche Bank.



Giraal geld = Direct opvraagbare tegoeden bij de bank, waarmee men door middel van overschrijvingen kan betalen. Bedrag gaat van de ene naar de andere girorekening.

Tegenwoordig kan je ook pinnen of chippen: je betaalt als het ware met een plastic kaart en een pincode.



Dagafschrift = Regelmatig ontvangen de rekeninghouders van de banken een dagafschrift waarop alle veranderingen (mutaties) in het tegoed staan vermeld.



Maatschappelijke geldhoeveelheid = Al het girale en chartale geld wat in handen van het publiek komt. Publiek is de consumenten, de ondernemingen (niet geldscheppende banken) en de overheid.

Geldscheppende instellingen zijn de Nederlandsche Bank en banken die in staat zijn nieuw giraal geld uit te geven.



Substitutie = De omzetting van chartaal geld in giraal geld (of omgekeerd).



Balans = Geeft overzicht van de bezittingen (activa) en het vermogen dat een onderneming heeft aangetrokken (passiva)



Vreemde valuta’s zijn buitenlandse betaalmiddelen.



Rekening-courranttegoeden zijn het girale geld waarover de consumenten en de ondernemingen beschikken.



Termijndeposito’s zijn tegoeden die voor een bepaalde periode tegen rente bij de bank zijn vastgezet.



§6.5: Geldschepping en geldvernietiging



Geldschepping = Vergroting van de maatschappelijke geldhoeveelheid.



Geldvernietiging = Verkleining van de maatschappelijke geldhoeveelheid.



Transformatie = Het omzetten van niet-geld in geld.



Termijndeposito = Tegoed wat niet behoort tot de maatschappelijke geldhoeveelheid.



Kredietverlening = Belangrijke vorm van geldschepping (wederzijdse schuldaanvaarding).

Ondernemer leent geld bij bank, bank stelt bedrag in vorm van rekening courant beschikbaar de ondernemer kan dan met dit tegoed langs de girale weg zijn leveranciers betalen.



§6.6: Liquiditeit en solvabiliteit van een bank



Liquiditeit = Vermogen om aan de normale opvragingen van de rekeninghouders te voldoen. Men kijkt naar het kasgeld van een bank



Solvabiliteit = Vermogen om eventuele terugbetaalde kredieten uit eigen middelen op te vangen. Ontstaat als debiteuren van een bank de rente en aflossing niet meer kunnen betalen. Eigen vermogen bestaat o.a. uit reserves die de bank uit de winst heeft gevormd.



§6.7: De binnenlandse liquiditeitenmassa



Primaire liquiditeiten = Als het chartale en girale geld dat niet in handen is van de geldscheppende instellingen, de maatschappelijke geldhoeveelheid dus, noemen we de primaire liquiditeitenmassa, ook wel M1.



Secundaire liquiditeiten = Kortlopende vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen, die op korte termijn zonder veel kosten en koersverlies op grote schaal in binnenlands geld kunnen worden omgezet. Worden “bijna geld” genoemd. (kortertermijndeposito’s)



Binnenlandse liquiditeitenmassa = Primaire liquiditeiten plus de secundaire liquiditeitenmassa. Wordt M3 genoemd. M3 min korte spaartegoeden is M2. M3 is het belangrijkste liquiditeitsbegrip



§6.8: Actieve en inactieve kassen



Maatschappelijke geldhoeveelheid is al het geld waarover het publiek direct kan beschikken



Twee soorten kassen: actieve kas (transactiekas) en de inactieve kas.



Transactiemotief = Het grootste deel van de kasvoorraden en de banktegoeden waarover het publiek beschikt, is bestemd voor de betaling van transacties. We zeggen dan dat men geld in kas of op een rekening courant heeft vanwege het transactiemotief.



Actieve kassen = transactiekassen. Met het geld in de actieve kassen oefenen de consumenten en de ondernemingen vraag uit. Het bedrag dat in de actieve kassen zit, hangt af van de hoogte van het bruto binnenlandsproduct.



Inactieve kassen = Men geeft het geld nog niet direct uit, men heeft het opgepot. 2 redenen waarom ze oppotten: 1. voorzorgsmotief: geld achterhouden voor onvoorziene gebeurtenissen 2. speculatiemotief: stijging of daling aandelenkoersen verwacht, is dan beter om nog ff te wachten met beleggen. De hoogte van inactieve kassen is afhankelijk van de rente stand, rentestand hoger = minder geld in inactieve kas.



Oppotten = Consumenten hevelen geld over van de actieve kas naar de inactieve kas.



Ontpotten = Consumenten hevelen geld over van de inactieve kas naar de actieve kas.



Omloopsnelheid van het geld = Geeft aan hoeveel keer een geldeenheid gemiddeld in een jaar in andere handen overgaat.



§6.9: De verkeersvergelijking van Fisher



Geldstroom = Het bedrag van alle betalingen die in een jaar zijn gedaan.



Goederenstroom = Uitkomst van de gemiddelde prijs van alle transacties vermenigvuldigt met het aantal transacties. Staat in kringloopschema tegenover geldstroom.



Monetaire inflatie = Stijging m (maatschappelijke geldhoeveelheid) * v (omloopsnelheid).



Monetaire deflatie = Daling m * v



Monetair evenwicht = Geldstroom (mv) verandert in de tijd niet, m * v is constant.



Mv geeft de betalingen weer van alle transacties in een bepaalde periode. P (transacties), t (aantal transacties in een bepaalde periode) à pt is waarde van alle transacties.



Gelijkheid (identiteit) van Fisher = M * V = P * T à MV = PT. Als M door geldschepping stijgt, is het mogelijk dat V daalt. De vergroting van de geldhoeveelheid verzandt da in de kleinere omloop snelheid van het geld.



Prijsinflatie = Hogere prijzen à P (gemiddelde prijsniveau van de transacties) stijgt.



Deflatie = Geldstroom neemt af door geldvernietiging en/of oppotting. De geldvernietiging zal gevolg zijn van aflossingen op kredieten, terwijl er weinig nieuwe kredieten worden gevraagd.



§6.10: Het monetarisme



Monetaristen = Kleine groep economen die menen dat de aard en de omvang van de geldcirculatie een zelfstandige invloed op het economisch proces hebben. Bekendste econoom is Amerikaan Milton Friedman (1912), hij kreeg in 1976 de Nobelprijs voor economie.



§6.11: Geldgroeiregel



Geldgroeiregel = Geldschepping kan met eenvoudige maatregel voorkomen. In elk land moet de centrale bank ervoor zorgen dat de geldhoeveelheid per jaar met niet meer dan een vast, laag percentage groeit.



Krapgeldpolitiek = Alleen een reële toename van het BBP , een reële productieverhoging dus, die wordt veroorzaakt door de groei van de productiecapaciteit. Er komt dan alleen geld in omloop dat de reële verhogingen financiert (de stijging van T). Friedman en andere menen dat deze krapgeldpolitiek voldoende is om de problemen van inflatie en werkloosheid tegen te gaan.



Stagflatie = Combinatie van inflatie en werkeloosheid, die in de jaren zeventig veel voorkwam.



Monetaire financiering = Er wordt geld in omloop gebracht dat door niemand is verdiend, om tekorten op begroting te financieren van de centrale bank of andere geldscheppende banken.



Verwachtingen monetaristen = Een soepel monetair beleid lokt de verwachting uit dat de prijzen zullen gaan stijgen. Lonen zullen dan ook gaan stijgen, die de productiviteit overtreffen. Daardoor ontstaat werkeloosheid, zodat in hun redenering werkloosheid en inflatie best samen kunnen gaan. Om werkloosheid te bestrijden moet men de geldgroeiregel toepassen.



Kosteninflatie = Loonstijgingen hoger dan productiviteit stijging.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

I.

I.

goed gdaan

15 jaar geleden

I.

I.

thnx

15 jaar geleden