Hoofdstuk 6

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1040 woorden
  • 5 april 2016
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Samenvatting Economie Hoofstuk 6 & 7



Hoofdstuk 6





§6.1



Particuliere sector = bedrijven die hun producten aanbieden om daarmee winst te maken. Bijv. fabrieken, winkels en andere bedrijven.



Collectieve sector = bestaat uit de overheid en de instellingen van de sociale zekerheid. Levert goederen en diensten waar iedereen gebruik van kan maken.



Marktwerking = aanbieders van producten concurreren met elkaar. Ze moeten de prijs van hun producten laag houden. Om winst te maken, moeten ze hun kosten zoveel mogelijk beperken.



Collectieve goederen = levert de overheid. Dit zijn goederen of diensten die voor iedereen van belang kunnen zijn, de overheid levert dat. Ze worden geheel of gedeeltelijk betaald door de overheid. Bijv. bescherming tegen overstromingen, milieuvervuiling & zorgt voor politie, leger en rechtspraak.



Privatiseren = overheid besteedt taken uit of draagt ze over aan particuliere bedrijven.



Nederlandse overheid:




  1. Rijk

  2. Provincies

  3. Gemeenten



Subsidie = financiële bijdrage van de overheid, waarvoor ze geen tegenprestatie vraagt.



Accijns =extra belasting op alcohol, tabak en brandstoffen om het gebruik ervan af te remmen.





§6.2



Burgers en bedrijven betalen gemeentelijke belastingen, zoals onroerendezaakbelasting (ozb), hondenbelasting en toeristenbelasting.



Rijksbegroting: overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor komend jaar.



Miljoenennota: regering geeft toelichting.



Directe belastingen = rechtstreeks aan de overheid. Belasting over inkomen, winst en vermogen.



Indirecte belastingen = zitten verwerkt in de prijs van het product, zoals btw en accijns. Je noemt het ook wel kostprijsverhogende belastingen.



Btw = grootste inkomstenbron van het Rijk. Btw (=belasting toegevoegde waarde) is een algemene verbruiksbelasting op goederen en diensten. Ander woord is omzetbelasting. Btw gaat naar Belastingdienst.











§6.3



Verzorgingsstaat = de overheid garandeert een bestaansminimum voor elke inwoner en zorgt voor goede voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs.



De sociale zekerheid bestaat uit volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen.



Volksverzekering = sociale verzekering voor alle inwoners.



Bijv. AOW (algemene ouderdomswet) : iedereen van 65+ krijgt een basisuitkering.



Anw (algemene nabestaandenwet) : onder bepaalde voorwaarden krijg je een uitkering als je partner is overleden.



Werknemersverzekering = sociale verzekering voor mensen in loondienst.



Bijv. WW (werkloosheidwet) : als je een bepaalde tijd in loondienst gewerkt hebt en onvrijwillig ontslagen wordt, krijg je een percentage van je loon als uitkering.



WIA (wet inkomen naar arbeidsvermogen) : als je werknemer bent en door je gezondheid al meer dan 2 jaar niet kunt werken. Hoogte hangt af van je laatstverdiende loon en de mate waarin je arbeidsongeschikt bent.



Sociale voorzieningen = aanvullende regelingen op de sociale zekerheid waarvoor je geen premie betaalt. De overheid betaalt ze met belastinggeld.



Bijv. WWB (wet werk en bijstand) : als je op geen enkele manier in je eigen inkomen kunt voorzien, krijg je een bijstandsuitkering.



AKW (algemene kinderbijslagwet) : een bedrag voor ouders met kinderen onder de 18 jaar.



Wajong: een uitkering voor wie van jongs af aan arbeidsongeschikt is.



Sociaal minimum = door de overheid vastgesteld bedrag dat je nodig hebt om van te kunnen leven. Zoals bijstandsuitkeringen.





§6.4



Werkgevers moeten hun personeel bij ziekte 2 jaar lang ten minste 70% van hun loon doorbetalen. Pas na die 2 jaar kan een werknemer arbeidsongeschikt verklaard worden en krijgt hij een WIA-uitkering.



De arbeidsdeelname stijgt bijv. als er meer vrouwen blijven werken als ze kinderen hebben of als mensen met pensioen gaan.



Actieven = mensen met betaald werk. Ze moeten een percentage van hun inkomen afstaan in vorm van premies en belasting. Een deel daarvan gaat als uitkering naar mensen zonder baan, de inactieven.



Inactieven = mensen zonder betaald werk.

















Hoofdstuk 7





§7.1



Bbp = (bruto binnenlands product) totale waarde van de productie in ons land.



Economische groei = als de totale productie toeneemt, en het bbp stijgt.



Bedrijven gaan meer produceren à meer investeren à werknemers in dienst à werkloosheid daalt. Bedrijven en werknemers gaan maar verdienen.



Nationaal inkomen = totaal van de inkomens van alle inwoners.



Inkomstenbelasting = betaalt iedereen over zijn inkomen.



Vennootschapsbelasting = wat bedrijven betalen over hun winst in de vorm van een bv of nv.



Staatsschuld = als de overheid geld leent van banken en particulieren. Door te lenen bouwt de overheid een schuld op. Het totaal aan leningen van de overheid op een bepaald moment noem je de staatschuld of EMU-schuld.



EMU = Europese Monetaire Unie. Landen die de euro als munt hebben.





§7.2



Loonheffing = loonbelasting en premies volksverzekeringen. Je werkgever houdt elke maand loonheffing in op je brutoloon.



Fiscus = belastingdienst. Je werkgever draagt loonheffing af aan de belasting.



Aangifte van je inkomsten à aanslag van fiscus à bedrag wat je definitief moet betalen à als er is ingehouden à verrekend met inkomstenbelasting à teveel loonheffing, geld terug of bijbetalen.



Box 1 = belastbaar inkomen uit werk en eigen woning.



Eigenwoningforfait = als huiseigenaar moet je een bepaald bedrag bij je inkomen optellen.



Aftrekposten = bepaalde kosten in mindering brengen, zodat je minder belasting hoeft te betalen. Zoals goede doelen, hypotheekrente & reiskosten woon-werkverkeer met openbaar vervoer.



Progressief tarief = belastingpercentage wordt hoger als het inkomen toeneemt.





§7.3



Box 3 = inkomen uit vermogen zoals, spaargeld en beleggingen. Over het eerste deel van je vermogen betaal je geen belasting. Dit heet heffingvrij vermogen.



Heffingskorting = korting op bedrag dat je aan inkomstenbelasting moet betalen.





§7.4



Retributie = betalen omdat de overheid jou een dienst of goed levert. Bijv. paspoort.



Profijtbeginsel = betalen omdat je gebruik maakt van goederen of diensten die de overheid levert.



Motorrijtuigenbelasting = omdat je als eigenaar van een auto gebruik maakt van de wegen betaal je motorrijbelasting. Motorrijbelasting is een houderschapsbelasting, je betaalt voor het bezit van de auto.



Daarnaast betaal je in de aanschafprijs van een nieuwe auto een bedrag voor de bpm (belasting op personenauto’s en motorrijwielen)



Draagkrachtbeginsel = wie in staat is veel te betalen, moet ook meer betalen. Zo betalen mensen met een hoog inkomen in verhouding ( in procenten) meer belasting dan mensen met een laag inkomen.



Solidariteitsbeginsel = de sterken helpen de armen. Mensen met een hoog inkomen moeten in verhouding veel geld afstaan ten behoeve van mensen zonder inkomen of met een laag inkomen.



De herverdeling van inkomens wordt bereikt door middel van:




  • Progressieve tarieven bij de inkomstenbelasting

  • De heffingskortingen bij de inkomstenbelasting

  • Het stelsel van sociale zekerheid

  • Inkomstensteun voor mensen met lage inkomens, bijv. in de vorm van zorgtoeslag en huurtoeslag.



Nivellering = verschillen in inkomens in verhouding kleiner. Bijv. als de lage inkomens er in procenten meer op vooruit gaan (of er minder op achteruit) dan de hoge inkomens.



Denivellering = als de verschillen in inkomens in verhouding groter worden.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.