Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 6, 7 en 8

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2413 woorden
  • 19 augustus 2006
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
SAMENVATTING ECONOMIE H. 6-7-8 (T/M PAR. 5)

H. 6: Consumeren op de markt

6.1:
factoren die invloed hebben op het behoeftepatroon van mensen:
- levensfase
- reclame
- status
- scholing
- buurt
- gezinssamenstelling
- mode
- klimaat
factoren die de vraag naar consumptiegoederen bepalen:
- voorkeuren
- inkomen
- prijs
- prijs andere producten
- aantal vragers
De collectieve vraaglijn verschuift naar rechts of links bij een verandering van deze factoren.

6.2:
Als de vraag van een goed erg gevoelig is voor prijsverandering: elastische vraag.

Als de vraag van een goed vrij ongevoelig is voor prijsverandering: inelastische vraag.
Ev = %-vraagverandering/%-prijsverandering
Prijselastische vraag: %-vraagverandering > %-prijsverandering, bij een prijsdaling zal de omzet stijgen omdat de prijs minder daalt dan dat de vraag stijgtà Ev<-1.
Prijsinelastische vraag: %-vraagverandering < %-prijsverandering, bij een prijsstijging zal de omzet dalen omdat de prijs meer stijgt dan dat de vraag daaltà -1<Ev<0
Volkomen prijsinelastische vraag: bij elke %-prijsverandering is %-vraagverandering0
àEv=0

6.3:
model: vereenvoudigde weergave van een bepaald deel van de werkelijkheid.
Endogene grootheden: onbekende/te berekenen grootheden
Exogene grootheden: gegeven grootheden
Gedragsvergelijking: qv = ap+b a<0 b>0
Gedragsvergelijking: qa = cp+d c>0 d<0
Evenwichtsvoorwaarde: qv = qa
Bij oplossen van een model drukken we endogene grootheden uit in exogene grootheden.
Voordelen model:

- grootheden systematisch met elkaar in verband brengen
- berekenen in welke mate een endogene grootheid verandert als een exogene grootheid verandert.
Nadelen model:
- veronderstellingen waarop het is gebaseerd kunnen onjuist zijn
- een model is maar een vereenvoudigde weergave van een bepaald deel van de werkelijkheid

De aanbodlijn verschuift naar rechts als er bij elke mogelijke prijs meer producten worden aangeboden, bv. bij verbeterde productietechniek, prijsdaling productiefactoren en toename aantal aanbieders.
De aanbodlijn is verticaal als de aangeboden hoeveelheid onafhankelijk is van de prijs, bv. bij een veiling waar aan bederf onderhevige producten worden aangeboden.

6.4:
Ek = %-vraagverandering goed X / %-prijsverandering goed Y
Substitutiegoederen: Ek is positief
Complementaire goederen: Ek is negatief

6.5:
Wet van Engel: uitgaven aan voeding dalen naarmate het inkomen toeneemt. Slechts een klein gedeelte van het extra inkomen wordt aan voeding uitgegeven.
De inkomensvraagcurve van primaire goederen: degressief. Daalt als je inkomen stijgt.
Drempelinkomen (luxe goederen): je koopt ze pas vanaf een bepaald inkomen.
De inkomensvraagcurve van luxe goederen: progressief. Stijgt als je inkomen stijgt.
Inferieure goederen: goederen waarvan je minder koopt als je inkomen stijgt.

6.6:
Ei = %-vraagverandering van een goed / %-inkomensverandering
Primaire behoeften: 0<Ei<1
Luxe goederen: Ei>1
Inferieure goederen: Ei<0

6.7:
Doelstellingen gemeenschappelijk landbouwbeleid EU:
- ontstaan van een gemeenschappelijke landbouwmarkt
- vergroten productiviteit in de landbouw
- redelijk inkomen voor de boeren
- stabiliseren van de prijzen van landbouwproducten
- veiling stellen van de voedselvoorziening
- redelijke prijzen van landbouwproducten voor de consument
Een belangrijk instrument om dit te bereiken is het systeem van garantieprijzen. De EU beschermt ook de boeren door importheffingen op landbouwproducten van buiten de EU en door middel van exportsubsidies.
Om de landbouwoverschotten terug te dringen zijn de minimumprijzen verlaagd en is er voor elke melkveehouder een melkquotum: boeren die dit quotum overschrijden moeten een superheffing betalen. Boeren die hun productie verminderen krijgen van de EU een inkomenssubsidie.

6.8:
voorbeelden van oorzaken van het verkrijgen van economische machtsposities:
- monopolie: er is maar 1 aanbieder
- kartel: overeenkomst tussen zelfstandig blijvende ondernemingen om de onderlinge concurrentie te beperken. Prijskartel: afspraak om een product niet onder een bepaalde prijs te verkopen. Productiekartel: afspraak hoeveel producten elke onderneming maximaal mag voortbrengen. Rayonkartel: verdeling van afzetgebieden onder elkaar. De WEM (Wet Economische Mededinging) verbiedt kartels.
- Consumentenorganisaties: zij bundelen de macht van consumenten
- Vakbonden en werkgeversorganisaties: zij oefenen macht uit op de arbeidsmarkt.

6.9:
Bedrijfskolom: geeft de weg weer van oerproducent tot consument. Elk vakje in een bedrijfskolom heet een geleding.
Ondernemingen kunnen hun economische machtsposities vergroten door:
- Activiteiten in verticale richting uitbreiden: zich bezighouden met meerdere geledingen.
- Activiteiten in horizontale richting uitbreiden: producten uit meerdere bedrijfskolommen in hun assortiment opnemen.
Dit kan gebeuren d.m.v. fusie en overname.
Ook kunnen bedrijven onrendabele processen afstoten door bv. ondernemingen te verkopen of slecht lopende producten uit hun assortiment te verwijderen.

6.10:
Marketingmix (4 p's):
- Prijsbeleid (prijzen moeten goed op elkaar zijn afgestemd)
- Plaatsbeleid (de plaats waar de onderneming zich vestigt en de manier waarop producten beschikbaar komen voor de afnemers)
- Productbeleid (idem.)
- promotiebeleid (reclame en service)
Fusie: 2 ongeveer even grote ondernemingen gaan op in 1 onderneming
Overname: een kleine onderneming wordt eigendom van een grote onderneming
Concentratie: dat er door fusies en overnames steeds minder ondernemingen overblijven
Dit heeft voordelen:
- schaalvoordelen (door massaproductie kan de prijs omlaag)
- betere planning mogelijk
- grotere continuïteit
- grotere innovatie (knowhow kan worden gebundeld)
Om de nadelen van het marktmechanisme en van concentratie tegen te gaan bestaan er o.a. mededingingswetten, sociale wetten en milieuwetten.

6.11:
De mededingingswetgeving in de EU is gericht op het handhaven van een gezonde concurrentie tussen ondernemingen (op korte termijn dalen de prijzen) en op het stimuleren van innovatie (op lange termijn blijft de productiecapaciteit in stand). Daartoe heeft de EU mededingingswetten opgesteld waarin de volgende zaken naar voren komen:
- Tegengaan van ongewenste bedrijfsconcentraties.
- Gelijktrekken van voorschriften en normen ten aanzien van techniek, milieu en gezondheid
- Harmonisatie van de belastingen
Het doel van de Europese eenwording is het laten ontstaan van een machtig handelsblok tegenover andere handelsblokken zoals de VS en Japan.

H. 7: Welvaart, wie vaart er wel bij?

7.1:
Toegevoegde waarde: waarde die tijdens het productieproces m.b.v. productiefactoren aan gebruikte grond- en hulpstoffen, halffabrikaten en diensten van derden wordt toegevoegd.
Afschrijvingen: waardevermindering van kapitaalgoederen door slijtage
Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde - afschrijvingen
Netto toegevoegde waarde = som van de beloningen voor ter beschikking stellen van productiefactoren
(netto) nationaal inkomen = (netto) nationaal product

7.2:
Belastbare som: bruto-inkomen - aftrekposten = belastbaar inkomen
Belastbaar inkomen - belastingvrije som (basisaftrek) = belastbaar inkomen
Voorbeelden van aftrekposten:
- beroepskosten
- reiskosten
- persoonlijke verplichtingen
- hypotheekrente
- buitengewone lasten
De persoonlijke situatie van de belastingbetalers bepaalt de basisaftrek. Hierbij is belangrijk of er in een gezin 1 of 2 inkomens worden ontvangen en of er sprake is van een eenoudergezin.
Inkomensheffing: totaal van de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Loonheffing: het bedrag dat op het brutoloon aan loonbelasting en premies volksverzekeringen wordt ingehouden.

7.3:
Progressieve belastingstelsel: het belastingpercentage stijgt naarmate je meer verdient.
Draagkrachtbeginsel: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.
Inkomensnivellering: verkleinen van de inkomensverschillen.
Door de aftrekposten worden de progressie en de inkomensnivellering enigszins tenietgedaan. De mensen die een hoog inkomen ontvangen hebben meer aftrekposten dan mensen die een laag inkomen ontvangen.
Marginale druk: als je bij een inkomensstijging rekening houdt met het marginale tarief (belasting die je betaalt over een extra verdiende euro) en met de vermindering of het wegvallen van subsidies.
Meestal is de marginale druk hoger dan het marginale belastingtarief.
De hoge marginale druk heeft tot gevolg dat voor mensen met een uitkering het minder interessant is om een baan te vinden en dat sparen wordt ontmoedigd.

7.4:
Factoren die een rol spelen bij ontstaan van inkomensverschillen:
- schaarste
- scholing
- verantwoordelijkheid
- productiviteit
- inspanning
- macht
Primair inkomen: inkomen dat als beloning wordt ontvangen voor het ter beschikking stellen van productiefactoren (loon, rente, pacht/huur, winst).
Inkomensoverdrachten: er wordt geld uitgegeven zonder dat de ontvanger een aanwijsbare tegenprestatie levert (belastingen, premies, uitkeringen, subsidies).
Secundair inkomen: primair inkomen - belastingen en sociale premies + subsidies en sociale uitkeringen
Tertiair inkomen: secundair inkomen - via het kopen van producten door gezinnen betaalde indirecte belastingen + via het kopen van producten door gezinnen ontvangen subsidies.
Koopkracht: het reëel vrij beschikbaar inkomen.
Vrij beschikbaar inkomen = secundair inkomen
Reëel: gecorrigeerd voor prijsveranderingen

7.5:
Personele inkomensverdeling: hoe het nationaal inkomen is verdeeld over de personen/gezinnen.
Dit kan worden weergegeven d.m.v. een Lorenz-curve. Zie tabel blz. 388 lesboek.
De rechte lijn geeft een inkomensverdeling weer waarbij alle personen hetzelfde inkomen ontvangen. De secundaire inkomensverdeling is minder scheef vanwege het progressieve belastingstelsel en omdat inkomensoverdrachten van de overheid vooral gunstig zijn voor de lagere inkomensgroepen.
Grotere mobiliteit van de productiefactor arbeid: een werknemer is bereid sneller van baan of beroep te veranderen en te verhuizen naar een deel van het land waar mogelijkheden op een baan groter zijn.
Het bestaan van inkomensverschillen kan migratie en sociale onrechtvaardigheid tot gevolg hebben.

7.6:
Categoriale inkomensverdeling: geeft de verdeling van het nationaal inkomen weer over de beloningen voor het gebruik van productiefactoren.
Loonquote: loonsom / netto toegevoegde waarde bedrijven x100%
Er worden 2 categorieën onderscheiden:
- arbeidsinkomen
- vermogensinkomen (overig inkomen of restinkomens)
De netto toegevoegde waarde van bedrijven stijgt bij een toename van de arbeidsproductiviteit en de prijs. De loonsom stijgt bij een toename van de lonen (het aantal werknemers blijft gelijk). De verhoudingen hiertussen heeft gevolgen voor de loonquote.
Arbeidsinkomensquote: loonsom + toegerekend loon zelfstandigen / netto toegevoegde waarde bedrijven x100%
Toegerekend loon zelfstandigen: het gedeelte van de winst dat wordt beschouwd als beloning voor de productiefactor arbeid.

7.7:
De overheid kan de secundaire inkomensverschillen verkleinen door de inkomensoverdrachten te verhogen. Dit zal leiden tot een verhoging van de belastingen en sociale premies. Dus dit leidt tot een verhoging van de collectievelastendruk. Daardoor verslechtert de internationale concurrentiepositie zodat op de langere termijn het nationaal inkomen daalt. Op de korte termijn zorgt het stelsel van sociale zekerheid d.m.v. inkomensoverdrachten voor een demping van de conjunctuurbeweging.
De concurrentiepositie van bedrijven kan ook verslechteren door afwenteling van de lasten. Dit is bv. Het geval als vakbonden loonstijgingen eisen om gestegen prijzen/belastingen te compenseren.
Een stijging van de collectievelastendruk kan de categoriale inkomensverdeling veranderen doordat door deze stijging de totale loonsom kan stijgen en de totale winstsom kan dalen. In beide gevallen stijgt de loonquote. Een stijging van de loonquote betekent een verslechtering van het investeringsklimaat. Vanwege de lage winstsom neemt het rendement op investeringen af en is er minder geld binnen ondernemingen beschikbaar voor investeringen.
Milieuheffingen beïnvloeden de aard van de productie en de bestedingen.

7.8:
Maximumprijzen: prijzen waarboven goederen niet mogen worden verkocht. Dienen ter bescherming van de consument.
Hier zal sprake zijn van een vraagoverschot. D.m.v. een distributiestelsel (rantsoenering) kan de overheid het aanbod verdelen over de vragers.
Minimum- of garantieprijzen: prijzen waaronder goederen niet mogen worden verkocht. Dienen ter bescherming van de producent.
De overheid kan het aanbodoverschot tegen de minimumprijs opkopen.
Zie grafieken blz. 390 lesboek.
Buffervoorraden: bij een goede oogst wordt een deel van het aanbod opgeslagen, waardoor het aanbod beperkt blijft en de prijs boven een bepaald bedrag kan worden gehouden.
Bij een slechte oogst kan de buffervoorraad worden aangesproken en blijft de prijs onder een bepaald bedrag.
Andere instrumenten waarmee de overheid kan ingrijpen in het marktproces:
- vergunningen
- quota (er wordt een maximale productie afgesproken)
- convenanten (er wordt afgesproken dat het bedrijfsleven tot zelfregulering komt)
- wetgeving
- voortbrengen van collectieve goederen

7.9:
externe effecten: onbedoelde bijwerkingen van productie en consumptie die buiten de markt om de welvaart beïnvloeden.
Duurzame ontwikkeling: ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de mogelijkheden om in de behoeften van de toekomstige generaties te voorzien.
Bij een aankoopbeslissing kun je met het milieu rekening houden door bv. te letten op verpakkings- en wegwerpmateriaal en recycling. Je kan ook rekening houden met de mensen in de derde wereld door bv. je producten te kopen in derdewereld winkels. Hiervan komt een groter deel van de opbrengst terecht in de derdewereld landen. Deze producten zijn meestal wel iets duurder.
Het reëel nationaal inkomen per hoofd is een gebrekkige maatstaf om de welvaart te meten. Er wordt geen rekening gehouden met:
- milieuvervuiling
- verdeling van het inkomen
- aard van de behoeften
- zelfvoorziening
- productie in de informele sector

7.10:
Consumentisme: consumentenorganisaties brengen de consument in een sterkere positie t.o.v. de producent.
Consumptiebeleid: de overheid stimuleert het consumptiegedrag dat in het belang is van de consument en de samenleving
Hierbij gaat het om 'bemoeigoederen', waarvan de overheid het gebruik wil stimuleren (merit goods) of wil ontmoedigen (demerit goods). Daarbij maakt de overheid o.a. gebruik van:
- maximumprijzen
- heffingen
- subsidies
- voorlichting
- geboden en verboden
- kwaliteitseisen
- mededingingswetgeving
Het beschermen van de consument brengt echter wel kosten met zich mee.

H.8: belastingen en sociale premies: lust of last?

8.1:
Collectieve sector: overheid en de instellingen die de sociale verzekeringen verzorgen.
Overheidssector: centrale overheid en de lagere overheden (provincies, gemeenten).
Collectieve lasten: belastingen, sociale premies en een deel van de niet-belastingontvangsten.
Collectievelastendruk: het totaal van de collectieve lasten als percentage van het nationaal inkomen.

8.2:
3 functies van de overheid:
- allocatiefunctie: de overheid oefent direct en indirect invloed uit op de aanwending van productiefactoren.
- Stabilisatiefunctie: de overheid streeft naar een stabiele economische ontwikkeling bij het beïnvloede van de conjuncturele ontwikkeling kan de overheid een anticyclisch begrotingsbeleid voeren. Dan verhoogt de overheid de overheidsbestedingen of ze verlaagt de belastingtarieven in geval van conjunctuurwerkloosheid.
- (Her)verdelingsfunctie: de overheid zorgt voor een herverdeling van het nationaal inkomen.

8.3:
Economische politiek: alle maatregelen die de overheid neemt om het economisch leven te beïnvloeden.
Rijksbegroting: wetsvoorstel over de inkomsten en uitgaven van de overheid in het komende jaar.
Miljoenennota: geeft aan hoe de rijksbegroting past in de financieel-economische situatie.
Bij het voeren van een economische politiek is er een samenspel tussen regering en parlement. De regering heeft een voorbereidende en een uitvoerende functie, het parlement heeft een controlerende en een wetgevende functie. De rijksoverheid wordt ondersteund door de SER, het CPB en het CBS. Het CPB publiceert tegelijk met de miljoenennota de MEV (Macro-Economische Verkenning), een voorspelling over de economische ontwikkeling in het komende jaar.
Bij het voeren van een economische politie heeft elke minister zijn eigen verantwoordelijkheden.

8.4:
inkomsten van de overheid:
- directe belastingen (inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, vermogensbelasting)
- indirecte belastingen (omzetbelasting, accijnzen, invoerrechten)
- niet-belastingontvangsten (aardgasbaten, winsten van staatsbedrijven, retributies), bij retributies gaat het om inkomen van de overheid als voor overheidsdiensten aan particulieren, zoals schoolgeld, parkeergeld, leges voor paspoort of rijbewijs.
Uitgaven van de overheid:
- overheidsbestedingen (leggen direct beslag op de productiecapaciteit, zoals overheidsinvesteringen en overheidsconsumptie)
- overheidsuitgaven (leggen geen beslag op de productiecapaciteit, zoals subsidies en uitkeringen)
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en het ministerie van Sociale Zaken geven het meeste geld uit.

8.5:
Profijtbeginsel: degene die profiteert van overheidsvoorzieningen moet daarvoor betalen.
Collectieve-uitgavenquote: de uitgaven van de overheid uitgedrukt in een percentage van het NI.
Manieren om de collectieve-uitgavenquote te verlagen:
- privatiseren (overhevelen van overheidsactiviteiten naar particuliere ondernemingen)
- deregulering (vermindering van wetten en regels)
- decentralisatie (besluitvorming en uitvoeren laten plaatsvinden op een zo laag mogelijk niveau

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

ik vind dit niet kunne

11 jaar geleden